| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb)
BESLUIT
BELEGGINGSINSTELLINGEN
Tekst zoals deze geldt op
14 april 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 29 april 1970, houdende vaststelling van
het Besluit beleggingsinstellingen
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 29 december 1969,
nr. B 69/23370, Directie Wetgeving directe belastingen;
Gelet op artikel 28, eerste lid en tweede lid,
onderdeel b, en artikel 31, derde lid, onderdeel a, b en c,
van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Stb. 1969, 469);
De Raad van State gehoord (advies van 21
januari 1970, nr. 8);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Financiën van 22 april 1970, nr. B 70/1850,
Directie Wetgeving directe belastingen;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Dit besluit verstaat onder wet: de Wet op de vennootschapsbelasting
1969.
Artikel 1a
Indien een beleggingsinstelling heeft gekozen voor het vormen van een
herbeleggingsreserve als bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt in
afwijking van artikel 8 van de wet, niet tot de winst gerekend het in
het tweede lid van artikel 4 bedoelde bedrag.
Artikel 2
1. Het in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de
wet bedoelde gedeelte van de winst is de voor uitdeling beschikbare
winst verminderd met de te verrekenen uitdelingstekorten.
2. Als voor uitdeling beschikbare winst wordt aangemerkt het
positieve bedrag van de in het jaar genoten belastbare winst verminderd
met een evenredig gedeelte van:
a. de aan commissarissen toegekende beloningen voor zover deze op
grond van artikel 11, eerste lid, van de wet niet aftrekbaar zijn;
b. de giften voor zover deze op grond van artikel 16, eerste lid,
van de wet niet aftrekbaar zijn;
c. de belasting die buiten Nederland in enige vorm naar de winst
wordt geheven over voordelen uit niet in Nederland gelegen onroerende
zaken, indien voor de beleggingsinstelling te dier zake een regeling
ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is;
d. de kosten en lasten voorzover deze op grond van artikel 8 van de
wet in verbinding met artikel 3.14 en 3.15 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 niet aftrekbaar zijn;
e. de belasting die wordt geheven op grond van Artikel IV,
onderdeel B, van Hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Inkomstenbelasting
2001.
3. Als uitdelingstekort wordt aangemerkt hetzij het verlies van
een jaar vermeerderd met de in het tweede lid onder de onderdelen a, b,
c, d en e bedoelde bedragen, hetzij het negatieve bedrag waartoe de in
dat lid bedoelde verminderingen van de belastbare winst mochten leiden.
4. Een uitdelingstekort wordt verrekend met de voor uitdeling
beschikbare winst van de acht volgende jaren. De verrekening geschiedt
in de volgorde waarin de uitdelingstekorten zijn ontstaan en de voor
uitdeling beschikbare winsten zijn gemaakt.
5. Als het ter beschikking stellen van winst wordt mede
aangemerkt uitreiking van aandelen en van bewijzen van
deelgerechtigdheid uit de winst tot onderscheidenlijk de nominale waarde
en hetgeen geldt als storting. Bijschrijving uit de winst op aandelen en
bestemming van winst tot storting op reeds uitgegeven bewijzen van
deelgerechtigdheid worden met zodanige uitreiking gelijkgesteld.
6. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder een
evenredig gedeelte verstaan een gedeelte dat evenredig is aan de
verhouding tussen de waarde in het economische verkeer van het vermogen
bij aanvang van het boekjaar verminderd met de herbeleggingsreserve bij
aanvang van het boekjaar, en de waarde in het economische verkeer van
het vermogen bij aanvang van het boekjaar.
Artikel 3
In aanvulling op artikel 8 van de wet wordt uitreiking van aandelen
aan een beleggingsinstelling voor de nominale waarde als dividend
beschouwd voorzover niet blijkt dat storting heeft plaatsgevonden of zal
plaatsvinden. Bijschrijving op aandelen wordt met uitreiking van
aandelen gelijkgesteld.
Artikel 4
1. Beleggingsinstellingen die daarvoor kiezen, kunnen een
herbeleggingsreserve vormen. Deze keuze geldt ook voor volgende jaren.
2. In de reserve wordt opgenomen een bedrag gelijk aan het in het
jaar volgens goed koopmansgebruik berekende saldo van koerswinsten en
koersverliezen op effecten en van winsten en verliezen ter zake van
vervreemding van overige beleggingen verminderd met een evenredig
gedeelte van de kosten die met het beheer van de beleggingen verband
houden.
3. Op de herbeleggingsreserve wordt in mindering gebracht een
evenredig gedeelte van het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 2,
tweede lid, onderdelen a tot en met e.
4. Indien de toepassing van het tweede en derde lid zou leiden
tot een vermindering van de reserve die groter is dan de
herbeleggingsreserve aan het begin van het jaar, blijft de vermindering
beperkt tot de omvang van de reserve aan het begin van het jaar, en
wordt het nog niet in mindering gebrachte deel aangemerkt als een
verlies ter zake van vervreemding van beleggingen in het volgende jaar.
De inspecteur stelt het naar het volgende jaar over te brengen verlies
vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
5. De reserve wordt bij het einde van een jaar niet hoger
vastgesteld dan:
a. het vermogen verminderd met hetgeen op de in omloop zijnde
aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid is gestort, met de
toelaatbare reserves en met de over het jaar vast te stellen
uitdelingen van winst, dan wel, zo dat lager is,
b. de boekwaarde van de beleggingen.
6. Ingeval vergoedingen wegens verlies of beschadiging van
effecten of overige beleggingen, de boekwaarde van die effecten of die
overige beleggingen dan wel van het beschadigde gedeelte overtreffen,
wordt het verschil gelijkgesteld met winst ter zake van vervreemding van
beleggingen.
7. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder evenredig
gedeelte verstaan een gedeelte dat evenredig is aan de verhouding tussen
de omvang van de herbeleggingsreserve bij aanvang van het boekjaar, en
de waarde in het economische verkeer van het gehele vermogen bij aanvang
van het boekjaar.
Artikel 5
1. Beleggingsinstellingen kunnen een afrondingsreserve vormen.
2. De reserve bedraagt, behoudens het bepaalde in artikel 7,
eerste lid, ten hoogste één percent van hetgeen is gestort op de bij
het einde van het jaar in omloop zijnde aandelen of bewijzen van
deelgerechtigdheid. Indien en voor zover de berekening van de belastbare
winst tot een negatief bedrag zou leiden, wordt de reserve aan de winst
toegevoegd.
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 7
1. Indien het over een jaar berekende
belastbare bedrag van een beleggingsinstelling in afwijking van de
aangifte op een hoger bedrag zou moeten worden vastgesteld wordt, in
plaats van het gedeelte van die verhoging dat overeenkomt met het bedrag
waarmede de op de voet van artikel 2 te verrichten uitdelingen de over
het jaar verrichte uitdelingen te boven gaat, een bedrag gelijk aan dat
gedeelte toegevoegd aan de afrondingsreserve. Het in de vorige volzin
laatstgenoemde bedrag wordt in het jaar waarin de in artikel 8, eerste
lid, bedoelde beschikking onherroepelijk is komen vast te staan, uit de
afrondingsreserve aan de winst van de beleggingsinstelling toegevoegd.
2. Indien het over een jaar berekende belastbare bedrag van een
beleggingsinstelling in afwijking van de aangifte op een lager bedrag
zou moeten worden vastgesteld wordt, voor zover mogelijk, in plaats
daarvan tot het bedrag van de verlaging een bedrag aan de winst van dat
jaar toegevoegd uit de afrondingsreserve.
Artikel 8
1. De inspecteur stelt de bedragen van de toevoeging aan of de
vermindering van onderscheidenlijk de herbeleggingsreserve en de
afrondingsreserve bij voor bezwaar vatbare beschikking vast. Artikel
11, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb.
301) is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een
toevoeging tot een te laag bedrag of een vermindering tot een te hoog
bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de in het eerste lid bedoelde
beschikking herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat
de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan
geen grond voor herziening opleveren. De bevoegdheid tot herziening
vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het jaar waarop de
beschikking betrekking heeft. Indien voor het doen van aangifte uitstel
is verleend, wordt de termijn van vijf jaren met de duur van dit uitstel
verlengd.
Artikel 9
Ten aanzien van beleggingsinstellingen bedraagt de belasting nul
percent van het belastbare bedrag.
Artikel 10
1. Een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid of een fonds voor gemene rekening wordt
uitsluitend met ingang van een jaar als beleggingsinstelling
aangemerkt. Ingeval het lichaam vóór dat tijdstip reeds aan de
heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen, is dit het jaar
volgende op dat waarin aan het bepaalde in het tweede lid is voldaan.
2. Aan het einde van het jaar, voorafgaande aan dat met ingang
waarvan een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid of een fonds voor gemene rekening als
beleggingsinstelling wordt aangemerkt, worden:
a. de bezittingen te boek gesteld voor de waarde welke daaraan in
het economische verkeer kan worden toegekend;
b. de reserves als bedoeld zijn in artikel 3.53, eerste lid, van de
Wet inkomstenbelasting 2001, opgenomen in de winst.
3. Ingeval een beleggingsinstelling in de loop van een jaar niet
langer voldoet aan het bepaalde in artikel 28, tweede lid, van de wet
wordt het lichaam reeds met ingang van dat jaar niet meer als
beleggingsinstelling aangemerkt, met dien verstande dat ingeval niet
wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede lid, onderdeel b,
van dat artikel het lichaam niet meer als beleggingsinstelling wordt
aangemerkt met ingang van het jaar waarop de voor uitdeling beschikbare
winst betrekking heeft. De bij het begin van het jaar, met ingang
waarvan het lichaam niet meer als beleggingsinstelling wordt aangemerkt,
aanwezige afrondingsreserve wordt opgenomen in de winst van dat jaar.
Artikel 11 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 12
1. Dit besluit treedt in werking met
ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het is geplaatst.
2. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit
beleggingsinstellingen.
Onze Minister van Financiën is belast met
de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Soestdijk, 29 april 1970
JULIANA
De Staatssecretaris van Financiën,
F.H.M. Grapperhaus
Uitgegeven de achtste mei 1970
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
|
|
|