| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb)
BESLUIT
FISCALE EENHEID 2003
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 17 december 2002, houdende vaststelling
van het Besluit fiscale eenheid 2003
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op voordracht
van de Staatssecretaris van Financiën van 7 oktober 2002,
WDB2002/563M;
Gelet op artikel 15, vierde en tiende lid, van
de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
De Raad van State gehoord (advies van 30
oktober 2002, nr. W06.02 0446/IV);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Financiën van 13 december 2002, WDB2002/827;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1. Algemeen en definities
1.Dit besluit geeft uitvoering aan artikel 15 van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969.
2.In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
b. fiscale eenheid: fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van de wet;
c. moedermaatschappij of dochtermaatschappij:
moedermaatschappij of dochtermaatschappij als bedoeld in artikel
15, eerste lid, van de wet;
d. maatschappij, voegingstijdstip of ontvoegingstijdstip:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 15aa, eerste lid, van
de wet, met dien verstande dat een buitenlandse belastingplichtige
slechts als maatschappij wordt aangemerkt voorzover deze op grond
van artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de wet deel
uitmaakt van een fiscale eenheid.
Artikel 2. Aandelen met bijzondere rechten
Indien een dochtermaatschappij verschillende soorten aandelen heeft,
moeten de aandelen waarvan de moedermaatschappij de juridische en
economische eigendom bezit, gezamenlijk altijd recht geven op ten minste
95% van de winst en ten minste 95% van het vermogen van de
dochtermaatschappij. Indien er één bijzonder aandeel is, waarvan de
moedermaatschappij niet de juridische of economische eigendom bezit, met
een symbolische nominale waarde en een recht op de winst van minder dan
10% van die waarde, wordt deze gerechtigdheid tot de winst voor de
toepassing van de eerste volzin buiten beschouwing gelaten.
Artikel 3. Niet naar Nederlands recht opgerichte lichamen
vergelijkbaar met naar Nederlands recht opgerichte lichamen
1.Voor de toepassing van artikel 15, derde lid, onderdeel d en e,
en vierde lid, tweede volzin, van de wet wordt een niet naar
Nederlands recht opgericht lichaam als naar aard en inrichting
vergelijkbaar met een naar Nederlands recht opgerichte naamloze
vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
beschouwd, indien:
a. het lichaam is aan te merken als een lichaam met een geheel,
in gelijke of evenredige delen, in aandelen verdeeld kapitaal;
b. het lichaam in het land van oprichting als subject
onderworpen is aan een belasting naar de winst;
c. de door het lichaam behaalde winst niet rechtstreeks aan de
kapitaalverschaffers is toe te rekenen, doch hen slechts kan
toekomen via een uitdelingsbesluit van het daartoe bevoegde orgaan
van het lichaam;
d. de kapitaalverschaffers niet verder aansprakelijk zijn dan
tot het bedrag dat op hun aandelen in het lichaam is gestort, en
e. alle kapitaalverschaffers in beginsel stemrecht hebben
overeenkomstig hun aandeel in het kapitaal van het lichaam.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gegeven of een
niet naar Nederlands recht opgericht lichaam naar aard en inrichting
vergelijkbaar is met een coöperatie of een onderlinge
waarborgmaatschappij.
Artikel 4. Levering juridische eigendom niet gelijktijdig met die van
de economische eigendom van aandelen in een lichaam. Overgang
economische eigendom kort na aanvang boekjaar
1.Indien het tijdstip van de verkrijging van de economische
eigendom van aandelen in een lichaam is gelegen voor dat van de
levering van de juridische eigendom en tussen die tijdstippen niet
meer dan vijf werkdagen zijn gelegen, wordt de verkrijging van de
juridische eigendom geacht tot stand te zijn gekomen gelijktijdig met
die van de economische eigendom, tenzij aannemelijk is dat door
partijen niet is beoogd om de juridische levering onverwijld te doen
geschieden na de overgang van de economische eigendom. Indien door
omstandigheden die zijn gelegen buiten de invloedsfeer van partijen de
in de eerste volzin bedoelde termijn van vijf werkdagen niet haalbaar
is, wordt op verzoek deze termijn verlengd, doch ten hoogste tot drie
maanden.
2.Indien de overeenkomst tot overdracht van de economische eigendom
van aandelen in een lichaam dat deel uitmaakt van een fiscale eenheid
wordt gesloten op de eerste werkdag na de aanvang van het boekjaar van
dat lichaam en op die datum ook de economische eigendom overgaat,
wordt de economische eigendom geacht reeds te zijn overgegaan bij de
aanvang van dat boekjaar.
Artikel 5. Moedermaatschappij opgericht bij aangaan fiscale eenheid;
door fiscale eenheid in de loop van een boekjaar opgerichte
dochtermaatschappij; boekjaar te voegen dochtermaatschappij valt
statutair nog niet samen met boekjaar moedermaatschappij
1.Indien het boekjaar van een met ingang van haar oprichting als
moedermaatschappij te voegen lichaam, met uitzondering van het eerste
boekjaar, statutair samenvalt met dat van de te voegen
dochtermaatschappij, wordt geacht te zijn voldaan aan het vereiste van
artikel 15, derde lid, onderdeel a, van de wet, mits het eerste
boekjaar van de moedermaatschappij statutair eindigt en zij dit
boekjaar afsluit op hetzelfde tijdstip als waarop de te voegen
dochtermaatschappij het op het voegingstijdstip lopende boekjaar
afsluit. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing indien het
voegingstijdstip van de dochtermaatschappij niet samenvalt met de
oprichtingsdatum van de moedermaatschappij, maar nog wel valt in het
eerste boekjaar van de moedermaatschappij.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder
dochtermaatschappij ook verstaan een bestaande fiscale eenheid.
3.Indien het boekjaar van een met ingang van een tijdstip in het
boekjaar van haar oprichting als dochtermaatschappij te voegen
lichaam, met uitzondering van het eerste boekjaar, statutair samenvalt
met dat van de moedermaatschappij, wordt geacht te zijn voldaan aan
het vereiste van artikel 15, derde lid, onderdeel a, van de wet, mits
die dochtermaatschappij haar eerste boekjaar afsluit op hetzelfde
tijdstip als waarop de moedermaatschappij het op het voegingstijdstip
lopende boekjaar afsluit.
4.Voor de toepassing van artikel 15ae, eerste lid, van de wet wordt
de aan een met ingang van haar oprichting gevoegde dochtermaatschappij
toe te rekenen winst van de fiscale eenheid aangemerkt als winst van
de maatschappijen die deze dochter hebben opgericht, naar rato van hun
kapitaalinbreng.
5.Indien op het voegingstijdstip het boekjaar van een reeds
bestaande dochtermaatschappij statutair nog niet, maar feitelijk reeds
wel samenvalt met dat van de moedermaatschappij, wordt geacht te zijn
voldaan aan het vereiste van artikel 15, derde lid, onderdeel a, van
de wet, mits vóór het voegingstijdstip door het daartoe bevoegde
orgaan van de dochtermaatschappij het besluit is genomen tot wijziging
van het boekjaar in die zin dat het boekjaar samenvalt met dat van de
moedermaatschappij en indien voor de wijziging van het boekjaar een
statutenwijziging noodzakelijk is, mits voor het voegingstijdstip
terzake de verklaring van geen bezwaar is aangevraagd en de
statutenwijziging binnen twee weken na afgifte van de verklaring van
geen bezwaar heeft plaatsgevonden. Indien de in de eerste volzin
bedoelde termijn van twee weken door omstandigheden die zijn gelegen
buiten de invloedsfeer van partijen wordt overschreden en aannemelijk
is dat getracht is de statutenwijziging zo spoedig mogelijk na afgifte
van de verklaring van geen bezwaar te doen plaatsvinden, blijft
afwijzing van het verzoek achterwege.
Hoofdstuk II. Generieke bepalingen bij een fiscale eenheid
Afdeling 1. De totstandkoming van de fiscale eenheid
Artikel 6. Formaliteiten ten aanzien van het verzoek,
vermogensopstelling op het voegingstijdstip en moment van inbreng bij
nieuw opgerichte dochtermaatschappij
1.Het verzoek om een fiscale eenheid wordt gedaan door invulling
van een door de inspecteur daartoe uitgereikt formulier.
2.In geval van voeging bij het begin van een boekjaar, wordt ter
bepaling van het vermogen van de fiscale eenheid op het
voegingstijdstip bij de aangifte over dat boekjaar een
vermogensopstelling van de fiscale eenheid gevoegd. In die
vermogensopstelling worden de activa en passiva van de
moedermaatschappij en de dochtermaatschappij gewaardeerd naar de tot
dat tijdstip door elk van deze maatschappijen gevolgde gedragslijn.
3.In geval van voeging in de loop van een boekjaar van de
dochtermaatschappij, sluit de dochtermaatschappij haar boekjaar af op
het onmiddellijk aan het voegingstijdstip voorafgaande tijdstip en
wordt bij de aangifte van de fiscale eenheid over het jaar waarin het
voegingstijdstip valt een vermogensopstelling van de
dochtermaatschappij op het voegingstijdstip gevoegd. De
moedermaatschappij voegt bij deze aangifte tevens een
vermogensopstelling op het voegingstijdstip betreffende de
verhoudingen met de dochtermaatschappij.
4.Indien een dochtermaatschappij vanaf haar oprichting deel
uitmaakt van een fiscale eenheid en bij haar oprichting
vermogensbestanddelen van maatschappijen die deel uitmaken van de
fiscale eenheid als storting op aandelen zijn ingebracht, wordt die
inbreng geacht te hebben plaatsgevonden onmiddellijk na het
voegingstijdstip.
Artikel 7. Overgang nog niet uitgewerkte aanspraken en
voorwaardelijke verplichtingen
Een bij een maatschappij op het voegingstijdstip nog niet uitgewerkte
aanspraak op willekeurige afschrijvingen, aanvullende aftrekken ten
laste van de winst of reserveringen van winst en op dat tijdstip
bestaande voorwaardelijke verplichtingen van winstvermeerderingen gaan
over op de fiscale eenheid.
Artikel 7a. Overgang van de drempel voor de innovatiebox bij voeging
Een bij een maatschappij op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan
het voegingstijdstip aanwezig saldo als bedoeld in artikel 12b, zesde
lid, van de wet gaat over op de fiscale eenheid.
Afdeling 2. Bepalingen tijdens de fiscale eenheid
Artikel 8. Verplichtingen van maatschappijen
1.De moedermaatschappij legt bij de aangifte jaarlijks de balansen
en resultatenrekeningen over zoals deze door de daartoe bevoegde
organen van de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij zijn
vastgesteld.
2.Op verzoek van de inspecteur die belast is met de aanslagregeling
van de moedermaatschappij, wordt de balans van de fiscale eenheid
jaarlijks toegelicht met een staat die aangeeft tot welke maatschappij
de activa en passiva behoren.
3.De verplichtingen welke ingevolge de Algemene wet inzake
rijksbelastingen en ingevolge andere wetten rusten op de bestuurders
of vereffenaars van een dochtermaatschappij, blijven in stand met
uitzondering van de verplichting tot het doen van aangifte op de voet
van artikel 8 van eerstgenoemde wet. De in stand blijvende
verplichtingen behoeven echter niet te worden nagekomen voor zover
deze door de bestuurders of vereffenaars van de moedermaatschappij
worden nagekomen.
4.Maatschappijen die deel uitmaken van een fiscale eenheid voldoen
ieder afzonderlijk aan de verplichting bedoeld in artikel 8b, derde
lid, van de wet.
Artikel 9. Waardering van activa en passiva
De door een lichaam gekozen gedragslijn met betrekking tot de
waardering van activa en passiva en de vorming van reserves wordt na het
opgenomen zijn van dat lichaam in een fiscale eenheid voortgezet met
betrekking tot bij dat lichaam op het voegingstijdstip aanwezige activa,
passiva en reserves.
Artikel 10. Aandelen in dochtermaatschappij die niet in bezit zijn
van de fiscale eenheid
1.Dividenden betaalbaar gesteld op aandelen in een
dochtermaatschappij aan aandeelhouders die geen deel uitmaken van de
fiscale eenheid worden aangemerkt als uitdelingen van winst van de
fiscale eenheid.
2.Kosten voor of in verband met de verwerving van aandelen in een
dochtermaatschappij die nog niet in het bezit zijn van de fiscale
eenheid, komen bij het bepalen van de winst niet in aftrek voor zover
deze bij afwezigheid van de fiscale eenheid ook niet in aftrek zouden
komen.
3.Indien de vervreemding van aandelen in een dochtermaatschappij
niet leidt tot de verbreking van de fiscale eenheid ten aanzien van
die dochtermaatschappij, worden voordelen uit of in verband met die
vervreemding bij het bepalen van de winst niet in aanmerking genomen
voor zover deze bij afwezigheid van de fiscale eenheid ook niet in
aanmerking zouden worden genomen.
Afdeling 3. Verrekening voorvoegingsverliezen
Artikel 11. Uitsluiting voorvoegingsverliezen
Voor zover voorvoegingsverliezen van een maatschappij reeds voor het
voegingstijdstip van die maatschappij bij een andere, van de fiscale
eenheid deel uitmakende maatschappij tot uitdrukking zijn gekomen in de
vorm van een vermindering van in aanmerking te nemen winst, kunnen deze
verliezen niet worden verrekend met de belastbare winst van de fiscale
eenheid.
Artikel 12. Volgorde horizontale verliesverrekening
1.Voor de toepassing artikel 15ae van de wet wordt de aan een
maatschappij toe te rekenen winst van de fiscale eenheid bepaald op de
voet van artikel 15ah, eerste lid, van de wet met in achtneming van
het navolgende:
a. indien de berekening van het resultaat van de fiscale
eenheid over een jaar per saldo leidt tot winst, wordt een verlies
van een maatschappij over dat jaar zoveel mogelijk in mindering
gebracht op de winsten van maatschappijen die geen
voorvoegingsverliezen hebben. Een resterend deel van dat verlies
wordt in mindering gebracht op de winsten van de andere
maatschappijen naar verhouding van de winsten van die
maatschappijen;
b. indien de berekening van het resultaat van de fiscale
eenheid over een jaar per saldo leidt tot verlies, wordt de winst
van een maatschappij over dat jaar zoveel mogelijk gesaldeerd met
de verliezen van maatschappijen die geen aanspraak hebben op
verrekening van verliezen van tijdens de fiscale eenheid met
winsten van voor hun voegingstijdstip. Een resterend deel van die
winst wordt gesaldeerd met de verliezen van de andere
maatschappijen naar verhouding van de verliezen van die
maatschappijen.
2.Voor de toepassing van het eerste lid op situaties bestreken door
artikel 15ae, eerste lid, onderdelen c en d, van de wet, wordt onder
maatschappij ook verstaan een bestaande fiscale eenheid die is
uitgebreid onderscheidenlijk een bestaande fiscale eenheid die is
opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid.
Afdeling 4. De verbreking van de fiscale eenheid
Artikel 13. Vermogensopstelling
1.In geval van ontvoeging van een dochtermaatschappij wordt bij de
aangifte van de moedermaatschappij over het jaar waarin de ontvoeging
is gelegen een vermogensopstelling gevoegd ter bepaling van het
vermogen van die maatschappij direct na de ontvoeging. De
moedermaatschappij overlegt bij die aangifte tevens een
vermogensopstelling per hetzelfde tijdstip waarin de verhoudingen met
de ontvoegde dochtermaatschappij zijn opgenomen.
2.De moedermaatschappij brengt de winst die wordt genoten als
gevolg van de ontvoeging afzonderlijk tot uitdrukking.
3.In geval van beëindiging van een fiscale eenheid vinden het
eerste en tweede lid overeenkomstige toepassing.
Artikel 14. Vervreemding aandelen, bedrijfsfusie, fusie of splitsing:
moment vervreemding, overdracht of overgang; verschuiving
ontvoegingstijdstip naar aanvang boekjaar
1.Indien aandelen in een dochtermaatschappij worden vervreemd en in
samenhang daarmee de fiscale eenheid ten aanzien van die
dochtermaatmaatschappij op dat tijdstip eindigt, wordt die
vervreemding geacht plaats te vinden na de ontvoeging van die
dochtermaatschappij.
2.Indien een maatschappij als aangeduid in het vierde lid is
betrokken bij een bedrijfsfusie, fusie of splitsing en in samenhang
daarmee de fiscale eenheid ten aanzien van die maatschappij eindigt op
hetzelfde tijdstip als waarop de overdracht of overgang van de
vermogensbestanddelen plaatsvindt, wordt die overdracht of overgang
geacht plaats te vinden na de ontvoeging van die maatschappij.
3.Indien een maatschappij als aangeduid in het vierde lid is
betrokken bij een fusie of splitsing en in samenhang daarmee de
fiscale eenheid ten aanzien van die maatschappij eindigt, wordt op
verzoek het ontvoegingstijdstip gesteld op de aanvang van het boekjaar
waarin de fusie of splitsing plaatsvindt, mits:
a. de in artikel 312, tweede lid, onderdeel f, van Boek 2 BW
(voor de fusie) onderscheidenlijk artikel 334f, tweede lid,
onderdeel i, van Boek 2 BW (voor de splitsing) bedoelde
verantwoording van financiële gegevens eveneens vanaf dat
tijdstip plaatsvindt, en
b. de in artikel 318, eerste lid, van Boek 2 BW (voor de fusie)
onderscheidenlijk artikel 334n, eerste lid, van Boek 2 BW (voor de
splitsing) bedoelde notariële akte binnen 12 maanden na de
aanvang van dat boekjaar wordt verleden, en
c. met het verschuiven van het ontvoegingstijdstip geen
incidenteel fiscaal voordeel wordt beoogd of behaald.
4.Het tweede en derde lid zijn van toepassing indien:
a. de maatschappij als overdrager of overnemer is betrokken bij
een bedrijfsfusie als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
wet;
b. de maatschappij als splitsende rechtspersoon is betrokken
bij een splitsing als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de
wet;
c. de maatschappij als verdwijnende of verkrijgende
rechtspersoon is betrokken bij een fusie als bedoeld in artikel
14b, eerste lid, van de wet.
Artikel 15. Toerekening opgeofferde bedrag
Indien direct voorafgaande aan de ontvoeging van een
dochtermaatschappij de aandelen in die dochtermaatschappij in het bezit
zijn van meer dan één maatschappij, wordt bij de ontvoeging het voor
die dochtermaatschappij opgeofferde bedrag, bedoeld in artikel 13d,
achtste lid, van de wet toegerekend aan elk van deze maatschappijen naar
rato van het aandelenbezit, rekening houdend met eventueel aan dat
aandelenbezit verbonden bijzondere rechten.
Artikel 16. Berekening liquidatieverlies met betrekking tot een
tussenholding na ontvoeging
Indien tot het vermogen van een ontvoegde dochtermaatschappij een
deelneming behoort, wordt voor de toepassing van artikel 13d, vierde
lid, van de wet geen rekening gehouden met waardeveranderingen van die
deelneming welke tot uiting zijn gekomen in het voor die
dochtermaatschappij opgeofferde bedrag.
Artikel 16a. Overgang van de drempel voor de innovatiebox bij
ontvoeging
Indien tot het vermogen van een ontvoegde dochtermaatschappij een
immaterieel activum behoort waarop artikel 12b van de wet is toegepast,
gaat een direct voorafgaand aan de ontvoeging bij de fiscale eenheid
aanwezig saldo als bedoeld in artikel 12b, zesde lid, van de wet, voor
zover dat saldo betrekking heeft op dat activum, over op die
dochtermaatschappij.
Hoofdstuk III. Specifieke bepalingen bij een juridische splitsing of
juridische fusie binnen fiscale eenheid
Artikel 17. Splitsing van dochtermaatschappij binnen fiscale eenheid
1. Indien bij een splitsing als bedoeld in artikel 14a, eerste lid,
van de wet van een tot een fiscale eenheid behorende
dochtermaatschappij die dochtermaatschappij ophoudt te bestaan en de
verkrijgende rechtspersonen deel uitmaken van dezelfde fiscale
eenheid, wordt op verzoek van de moedermaatschappij de fiscale eenheid
ten aanzien van de splitsende dochtermaatschappij geacht niet te zijn
verbroken en vinden vanaf het tijdstip van splitsing de hierna
weergegeven bijzondere regelingen toepassing.
2. De verrekening als bedoeld in artikel 15ae van de wet van
voorvoegingsverliezen van de splitsende dochtermaatschappij met de
belastbare winst van de fiscale eenheid en de verrekening van een
verlies van de fiscale eenheid met de voor het voegingstijdstip van de
splitsende dochtermaatschappij genoten belastbare winst van die
dochtermaatschappij, vindt plaats alsof er geen splitsing heeft
plaatsgevonden.
3. Bij ontvoeging van een verkrijgende rechtspersoon kunnen
voorvoegingsverliezen van de gesplitste dochtermaatschappij en fiscale
eenheidsverliezen welke toerekenbaar zijn aan de gesplitste
dochtermaatschappij op verzoek van de verkrijgende rechtspersoon en de
moedermaatschappij en onder nader door de inspecteur te stellen
voorwaarden worden meegegeven met de verkrijgende rechtspersoon voor
zover deze de activiteiten van de gesplitste dochtermaatschappij heeft
voortgezet. De in de eerste volzin bedoelde voorwaarden mogen slechts
strekken ter verzekering van de heffing en de invordering van
belasting welke verschuldigd zou zijn of zou worden indien geen
ontvoeging van de verkrijgende rechtspersoon had plaatsgevonden.
4. De verkrijgende rechtspersonen treden met betrekking tot al
hetgeen in het kader van de splitsing is verkregen in de plaats van de
splitsende dochtermaatschappij.
5. Voor de toepassing van een regeling ter voorkoming van dubbele
belasting, vindt de overbrenging van buitenlandse winsten en verliezen
en van vanwege een andere Mogendheid geheven belasting van de
gesplitste dochtermaatschappij van voor het tijdstip van splitsing,
plaats alsof de splitsing niet heeft plaatsgevonden
6. De overbrenging van deelnemingsverrekening van de gesplitste
dochtermaatschappij van voor het tijdstip van splitsing, vindt plaats
alsof de splitsing niet heeft plaatsgevonden.
7. Aftrekbeperkingen uit hoofde van artikel 15ab, tweede lid, van
de wet blijven doorlopen alsof de splitsing niet heeft plaatsgevonden.
8. Het verzoek bedoeld in het eerste lid wordt gedaan uiterlijk bij
de aangifte over het boekjaar waarin de splitsing heeft
plaatsgevonden.
9. Met betrekking tot een verzoek als bedoeld in het derde lid is
artikel 15af, derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18. Juridische fusie van dochtermaatschappij binnen fiscale
eenheid
1.Indien bij een fusie als bedoeld in artikel 14b, eerste lid, van
de wet een tot een fiscale eenheid behorende dochtermaatschappij
ophoudt te bestaan en de verkrijgende rechtspersoon deel uitmaakt van
dezelfde fiscale eenheid, wordt op verzoek van de moedermaatschappij
de fiscale eenheid ten aanzien van de verdwijnende dochtermaatschappij
geacht niet te zijn verbroken en vinden vanaf het tijdstip van fusie
de hierna weergegeven bijzondere regelingen toepassing.
2.De verrekening als bedoeld in artikel 15ae van de wet van
voorvoegingsverliezen van de verdwijnende dochtermaatschappij met de
belastbare winst van de fiscale eenheid en de verrekening van een
verlies van de fiscale eenheid met de voor het voegingstijdstip van de
verdwijnende dochtermaatschappij genoten belastbare winst van die
dochtermaatschappij, vindt plaats alsof er geen fusie heeft
plaatsgevonden.
3.Bij ontvoeging van de verkrijgende rechtspersoon kunnen
voorvoegingsverliezen van de verdwenen dochtermaatschappij en fiscale
eenheidsverliezen welke toerekenbaar zijn aan de verdwenen
dochtermaatschappij op verzoek van de verkrijgende rechtspersoon en
onder nader door de inspecteur te stellen voorwaarden worden
meegegeven met de verkrijgende rechtspersoon voor zover deze de
activiteiten van de verdwenen dochtermaatschappij heeft voortgezet. De
in de eerste volzin bedoelde voorwaarden mogen slechts strekken ter
verzekering van de heffing en de invordering van belasting welke
verschuldigd zou zijn of zou worden indien geen ontvoeging van de
verkrijgende rechtspersoon had plaatsgevonden.
4.De verkrijgende rechtspersoon treedt met betrekking tot al
hetgeen in het kader van de fusie is verkregen in de plaats van een
verdwijnende dochtermaatschappij.
5.Voor de toepassing van een regeling ter voorkoming van dubbele
belasting, vindt de overbrenging van buitenlandse winsten en verliezen
en van vanwege een andere Mogendheid geheven belasting van de
verdwenen dochtermaatschappij van voor het tijdstip van fusie, plaats
alsof de fusie niet heeft plaatsgevonden
6.De overbrenging van deelnemingsverrekening van de verdwenen
dochtermaatschappij van voor het tijdstip van fusie, vindt plaats
alsof de fusie niet heeft plaatsgevonden.
7.Aftrekbeperkingen uit hoofde van artikel 15ab, tweede lid, van de
wet blijven doorlopen alsof de fusie niet heeft plaatsgevonden.
8.Het verzoek bedoeld in het eerste lid wordt gedaan uiterlijk bij
de aangifte over het boekjaar waarin de fusie heeft plaatsgevonden.
9.Met betrekking tot een verzoek als bedoeld het derde lid is
artikel 15af, derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18a. Aansluitende fiscale eenheid na juridische fusie of
splitsing
1.Indien binnen drie maanden na het verlijden van de akte van fusie
of splitsing wordt verzocht om een fiscale eenheid met ingang van de
aanvang van het boekjaar waarin de fusie of splitsing heeft
plaatsgevonden, wordt het verzoek voor de toepassing van artikel 15,
vijfde lid, van de wet geacht te zijn gedaan binnen drie maanden na de
aanvang van dat boekjaar, mits van de fiscale eenheid de volgende
maatschappijen deel uitmaken:
a. twee of meer belastingplichtigen waarin de verdwijnende
onderscheidenlijk splitsende rechtspersoon een onmiddellijk of
middellijk aandelenbezit heeft dat bij de fusie onderscheidenlijk
splitsing is overgegaan naar de verkrijgende rechtspersoon,
onderscheidenlijk één van de verkrijgende rechtspersonen, of
b. de verkrijgende rechtspersoon en een belastingplichtige
waarin de verdwijnende onderscheidenlijk splitsende rechtspersoon
een onmiddellijk of middellijk aandelenbezit heeft dat bij de
fusie onderscheidenlijk splitsing is overgegaan naar de
verkrijgende rechtspersoon.
2.Het eerste lid is slechts van toepassing indien de verdwijnende
of splitsende rechtspersoon en de belastingplichtigen, bedoeld in
onderdeel a van dat lid, of de belastingplichtige, bedoeld in
onderdeel b van dat lid, bij de aanvang van het boekjaar, bedoeld in
dat lid, deel uitmaakten van dezelfde fiscale eenheid en het
ontvoegingstijdstip met betrekking tot die fiscale eenheid met
toepassing van artikel 14, derde lid, wordt gesteld op de aanvang van
dat boekjaar.
3.Voor de toepassing van artikel 15, eerste en tweede lid, van de
wet wordt vanaf de aanvang van het boekjaar waarin een juridische
fusie of splitsing plaatsvindt een onmiddellijk of middellijk bezit
van de verdwijnende onderscheidenlijk splitsende rechtspersoon van
aandelen in een andere belastingplichtige, aangemerkt als bezit van de
verkrijgende rechtspersoon die door de juridische fusie of splitsing
het onmiddellijke of middellijke bezit van de desbetreffende aandelen
heeft verkregen.
4.Het derde lid is slechts van toepassing indien:
a. bij de aanvang van het in het derde lid bedoelde boekjaar de
verdwijnende onderscheidenlijk splitsende rechtspersoon en de in
dat lid bedoelde andere belastingplichtige deel uitmaakten van
dezelfde fiscale eenheid en het ontvoegingstijdstip met betrekking
tot die fiscale eenheid met toepassing van artikel 14, derde lid,
wordt gesteld op de aanvang van dat boekjaar;
b. de verkrijgende rechtspersoon bij de aanvang van dat
boekjaar een bestaand lichaam is;
c. de verkrijgende rechtspersoon en de lichamen die met hem
deel uitmaken of kunnen uitmaken van een fiscale eenheid op het
tijdstip direct voorafgaande aan de fusie of splitsing geen
onmiddellijk of middellijk bezit van aandelen in het nominaal
gestorte kapitaal in de andere belastingplichtige, bedoeld in het
derde lid, hadden, of gezamenlijk een onmiddellijk of middellijk
bezit van minder dan 5% van die aandelen hadden.
Hoofdstuk IV. Specifieke bepalingen bij een fiscale eenheid tussen
verzekeraars en niet-verzekeraars en tussen verzekeraars onderling
Afdeling 1. Definities
Artikel 19
1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. het besluit verzekeraars 2001: het Besluit winstbepaling en
reserves verzekeraars 2001;
b. egalisatiereserve: egalisatiereserve als bedoeld in artikel
7 van het besluit verzekeraars 2001;
c. calamiteitenreserve: calamiteitenreserve als bedoeld in
artikel 12 van het besluit verzekeraars 2001;
d. een verzekeraar: een belastingplichtige als bedoeld in
artikel 7 van het besluit verzekeraars 2001.
2.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt mede als verzekeraar
aangemerkt de verzekeraar tezamen met een of meer van de volgende tot
de fiscale eenheid behorende maatschappijen:
a. een dochtermaatschappij van de verzekeraar, welke niet een
verzekeraar is en welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
werkzaamheden ten behoeve van de verzekeraar verricht;
b. een maatschappij waarvan de activiteiten uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend, direct of indirect, bestaan uit het houden
van de aandelen van de verzekeraar en daarmee samenhangende
werkzaamheden;
c. een dochtermaatschappij van de verzekeraar, welke eveneens
een verzekeraar is.
3.Van het uitsluitend of nagenoeg uitsluitend verrichten van
werkzaamheden ten behoeve van een verzekeraar als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a, is sprake indien in de dochtermaatschappij
zijn ondergebracht:
a. bedrijfsmiddelen welke nodig zijn voor de uitoefening van
het door de verzekeraar uitgeoefende verzekeringsbedrijf;
b. werkzaamheden die behoren tot het door de verzekeraar
uitgeoefende verzekeringsbedrijf;
c. werkzaamheden die direct voortvloeien uit het door de
verzekeraar uitgeoefende verzekeringsbedrijf, en welke uitsluitend
of nagenoeg uitsluitend ten behoeve van de verzekerden
plaatsvinden, of
d. werkzaamheden die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
dienstbaar zijn aan het door de verzekeraar uitgeoefende
verzekeringsbedrijf.
Afdeling 2. Bepalingen inzake jaarlijkse toevoegingen en
onttrekkingen aan de egalisatiereserve bij een fiscale eenheid tussen
een verzekeraar en een niet-verzekeraar
Artikel 20
Indien een verzekeraar een fiscale eenheid vormt met een
belastingplichtige op wie het besluit verzekeraars 2001 niet van
toepassing is, worden de toevoegingen en onttrekkingen aan de
egalisatiereserve, bedoeld in de artikelen 9, 10 en 11 van het besluit
verzekeraars 2001, bepaald alsof de verzekeraar geen deel uitmaakt van
de fiscale eenheid, met dien verstande dat:
a. voor het bepalen van de limiet van artikel 9, eerste lid,
onderdeel b, van het besluit verzekeraars 2001, artikel 15ah van de
wet overeenkomstige toepassing vindt;
b. voor het bepalen van de limiet van artikel 9, eerste lid,
onderdeel c, van het besluit verzekeraars 2001, als het belastbare
bedrag of belastbare binnenlandse bedrag geldt het zodanige bedrag
van de fiscale eenheid;
c. voor de berekening van de voor opneming in de
egalisatiereserve beschikbare over het jaar genoten winst de
belasting wordt gesteld op 35 percent van de op voet van artikel
15ah van de wet aan de verzekeraar toe te rekenen winst van de
fiscale eenheid.
Afdeling 3. Bepalingen bij een fiscale eenheid tussen verzekeraars en
niet-verzekeraars en tussen verzekeraars onderling wat betreft toets
egalisatiereserve aan het vermogen
Artikel 21
1.Indien op het voegingstijdstip tot de fiscale eenheid twee of
meer verzekeraars gaan behoren, wordt de egalisatiereserve op dat
tijdstip gesteld op de som van die reserves van die verzekeraars
direct voorafgaande aan de voeging.
2.Indien op het voegingstijdstip het bedrag waarmee het vermogen de
egalisatiereserve te boven gaat (vermogensruimte) – een en ander
opgevat overeenkomstig artikel 11, derde lid, van het besluit
verzekeraars 2001 – afneemt als gevolg van de voeging en het betreft
een situatie als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, wordt
per het einde van ieder jaar daarna, gedurende twintig jaren, doch ten
hoogste zo lang de verzekeraar en de dochtermaatschappij tezamen in
aanmerking worden genomen, de vermogensruimte van de verzekeraar
fictief verhoogd. De verhoging is gelijk aan het bedrag waarmee op het
voegingstijdstip de boekwaarde van de deelneming in de
dochtermaatschappij te boven gaat het bedrag van het vermogen van die
maatschappij, verminderd met 5 percent voor elk jaar dat inmiddels is
verstreken na de voeging.
3.Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing in een situatie
als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel b.
4.Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing in een situatie
als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel c. In deze situatie
wordt de vermogensruimte van de verzekeraar jaarlijks voorts fictief
verhoogd met het bedrag waarmee op het voegingstijdstip het vermogen
van de dochtermaatschappij haar gestorte kapitaal te boven gaat.
5.Indien op een voegingstijdstip de vermogensruimte toeneemt en bij
een uitbreiding daarna van de fiscale eenheid de vermogensruimte
afneemt, vindt bij die uitbreiding een fictieve verhoging van de
vermogensruimte geen toepassing tot het bedrag van de eerdere toename
van de ruimte.
6.Een fictieve verhoging van de vermogensruimte blijft achterwege
indien het betreft de voeging van een dochtermaatschappij die reeds
eerder deel uitmaakte van een fiscale eenheid met de verzekeraar.
Afdeling 4. Verdeling egalisatiereserve bij een fiscale eenheid
tussen verzekeraars en niet-verzekeraars en tussen verzekeraars
onderling bij ontvoeging
Artikel 22
Indien de ontvoeging betreft een verzekeraar en er bij die ontvoeging
nog een of meer verzekeraars achterblijven dan wel de ontvoeging betreft
meer dan een verzekeraar, wordt de egalisatiereserve van de fiscale
eenheid zodanig verdeeld over de verzekeraars dat bij de afzonderlijke
verzekeraar de egalisatiereserve niet uitgaat boven het laagste van de
volgende bedragen:
a. het vermogen van die verzekeraar, verminderd met het gestorte
kapitaal en met de overige toelaatbare reserves van die verzekeraar.
Hierbij worden voor het bepalen van het vermogen mede als schulden
aangemerkt de bij het bepalen van de winst niet in aftrek komende
uitdelingen en daarmee gelijkgestelde betalingen die na ontvoeging
plaatsvinden en betrekking hebben op tijdvakken van daarvoor. Indien
het betreft een verzekeraar die achterblijft in de fiscale eenheid,
wordt het vermogen vermeerderd met een evenredig gedeelte van de
fictieve verhoging van de vermogensruimte die op de voet van artikel
21 is toegepast aan het einde van het laatste jaar voorafgaande aan
de ontvoeging;
b. het voor die verzekeraar in artikel 8 of in artikel 19 van het
besluit verzekeraars 2001 gestelde maximum.
De verdeling van de egalisatiereserve van de fiscale eenheid over de
verzekeraars geschiedt zoveel mogelijk naar verhouding van de voor de
afzonderlijke verzekeraars geldende laagste van de bedragen bedoeld in
de eerste volzin, onderdelen a en b.
Afdeling 5. Calamiteitenreserve
Artikel 23
Het bepaalde in de artikelen 20, 21 en 22 met betrekking tot een
egalisatiereserve is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
een calamiteitenreserve.
Hoofdstuk V. Specifieke bepalingen bij een fiscale eenheid van
beleggingsinstellingen
Afdeling 1. Definitie
Artikel 24
Voor de toepassing van artikel 4, vijfde lid, en artikel 5, tweede
lid, van het Besluit beleggingsinstellingen wordt tijdens het bestaan
van een fiscale eenheid «in omloop zijnde aandelen» opgevat als in
omloop zijnde aandelen in de moedermaatschappij.
Afdeling 2. Bij de totstandkoming van een fiscale eenheid
Artikel 25. Uit te delen winst, uitdelingstekorten, afrondingsreserve
en voorvoegingsverlies
1.De door een dochtermaatschappij na haar voegingstijdstip op de
voet van artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de wet uit te delen
winst, wordt aangemerkt als door de fiscale eenheid op de voet van dat
artikelonderdeel uit te delen winst van het jaar waarin de uitdeling
van de dochtermaatschappij plaatsvindt. De eerste volzin is niet van
toepassing met betrekking tot uit te delen winst die als zogenaamd
meegekocht dividend kan worden aangemerkt.
2.Vóór het voegingstijdstip bij een maatschappij ontstane
uitdelingstekorten als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van het
Besluit beleggingsinstellingen worden binnen de in dat artikel
gestelde termijn slechts verrekend met de voor uitdeling beschikbare
winst van de fiscale eenheid voorzover die aan die maatschappij is toe
te rekenen. Artikel 15ah van de wet is hierbij van overeenkomstige
toepassing. Voorts is hierbij van overeenkomstige toepassing artikel
12.
3.Indien een bestaande fiscale eenheid wordt uitgebreid of indien
een bestaande fiscale eenheid wordt opgenomen in een nieuwe fiscale
eenheid vindt de verrekening van een voor dat voegingstijdstip
ontstaan uitdelingstekort als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van
het Besluit beleggingsinstellingen van die bestaande fiscale eenheid
binnen de in dat artikel gestelde termijn met de voor uitdeling
beschikbare winst van na dat voegingstijdstip plaats voorzover deze
voor uitdeling beschikbare winst is toe te rekenen aan de
maatschappijen die direct voorafgaande aan dat voegingstijdstip reeds
een fiscale eenheid vormden. Het tweede lid, tweede en derde volzin,
is hierbij van overeenkomstige toepassing.
4.De afrondingsreserve als bedoeld in artikel 5 van het Besluit
beleggingsinstellingen wordt op het voegingstijdstip gesteld op de som
van de reserve van de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij.
5.Het verlies van een dochtermaatschappij dat betrekking heeft op
het jaar voorafgaand aan het voegingstijdstip en dat ingevolge artikel
4, vierde lid, van het Besluit beleggingsinstellingen is vastgesteld
om over te brengen naar het volgende jaar, wordt niet bij de fiscale
eenheid in aanmerking genomen.
Afdeling 3. Bij de verbreking van een fiscale eenheid
Artikel 26. Uitdelingstekorten
1.Vanaf het tijdstip van ontvoeging van een dochtermaatschappij
worden, binnen de in artikel 2, vierde lid, van het Besluit
beleggingsinstellingen gestelde termijn, de volgende
uitdelingstekorten verrekend met de voor uitdeling beschikbare winst
van die dochtermaatschappij van na dat tijdstip:
a. de uitdelingstekorten van de dochtermaatschappij van voor
haar voegingstijdstip voor zover die nog niet verrekend zijn;
b. de uitdelingstekorten van de fiscale eenheid die bij de
ontvoeging nog niet verrekend zijn voor zover die aan die
dochtermaatschappij zijn toe te rekenen.
2.Uitdelingstekorten als bedoeld in het eerste lid, onder b, worden
slechts toegerekend aan de dochtermaatschappij indien de
moedermaatschappij en de dochtermaatschappij daarom verzoeken en
voorzover aannemelijk wordt gemaakt dat de uitdelingstekorten aan de
dochtermaatschappij zijn toe te rekenen.
3.Artikel 15af, derde tot en met zesde lid, van de wet is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 27. Herbeleggingsreserve en afrondingsreserve
1.Bij de ontvoeging van een dochtermaatschappij wordt de
herbeleggingsreserve als bedoeld in artikel 4 van het Besluit
beleggingsinstellingen van die dochtermaatschappij gesteld op de
herbeleggingsreserve die bij de dochtermaatschappij reeds aanwezig was
op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan haar voegingstijdstip,
verminderd met:
a. indien de ontvoeging plaatsvindt met ingang van een
boekjaar, het verlies van de fiscale eenheid dat ingevolge artikel
4, vierde lid, van het Besluit beleggingsinstellingen wordt
overgebracht naar dat boekjaar; of
b. indien de ontvoeging plaatsvindt in de loop van een
boekjaar, het verlies van de fiscale eenheid dat ingevolge artikel
4, vierde lid, van het Besluit beleggingsinstellingen naar dat
boekjaar is overgebracht; voorzover dit verlies niet groter is dan
die herbeleggingsreserve.
2.Het bedrag van het verlies dat ingevolge het eerste lid in
mindering komt op de herbeleggingsreserve van de dochtermaatschappij,
wordt niet meer in aanmerking genomen bij de overblijvende fiscale
eenheid, onderscheidenlijk de moedermaatschappij.
3.Het verlies van een dochtermaatschappij dat betrekking heeft op
het jaar voorafgaand aan het voegingstijdstip en dat ingevolge artikel
4, vierde lid, van het Besluit beleggingsinstellingen is vastgesteld
om over te brengen naar het volgende jaar, wordt overgebracht naar het
eerste jaar na het ontvoegingstijdstip van die dochtermaatschappij.
4.Vanaf het ontvoegingstijdstip van een dochtermaatschappij wordt
de afrondingsreserve als bedoeld in artikel 5 van het Besluit
beleggingsinstellingen, aangemerkt als afrondingsreserve van de
overblijvende fiscale eenheid, onderscheidenlijk de
moedermaatschappij.
Hoofdstuk VI. Specifieke bepalingen voor een coöperatie bij het
einde van een fiscale eenheid met die coöperatie als moedermaatschappij
Artikel 28
1.Na het eindigen van een fiscale eenheid met een coöperatie als
moedermaatschappij vindt artikel 9, eerste lid, onderdeel g, van de
wet ten aanzien van die coöperatie geen toepassing op door haar na de
verbreking van de eenheid genoten winst voorzover deze betrekking
heeft op vermogensbestanddelen welke door haar tijdens het bestaan van
de fiscale eenheid zijn verkregen van een dochtermaatschappij en
voorzover deze winst op het voegingstijdstip met die
dochtermaatschappij bij deze maatschappij in de vorm van stille
reserves – daaronder begrepen goodwill – reeds aanwezig was.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op winst
voorzover deze betrekking heeft op fiscaal toelaatbare reserves met
betrekking tot activiteiten van een dochtermaatschappij en die
reserves op het voegingstijdstip met die dochtermaatschappij bij deze
maatschappij reeds aanwezig waren.
Hoofdstuk VII. Specifieke bepalingen bij een fiscale eenheid met een
buitenlandse belastingplichtige
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 29. Definities
1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. buitenlands belastingplichtige maatschappij: een
buitenlandse belastingplichtige voorzover die op grond van artikel
15, vierde lid, tweede volzin, van de wet deel uitmaakt van een
fiscale eenheid;
b. buitenlands belastingplichtige moedermaatschappij: een
buitenlands belastingplichtige maatschappij die als
moedermaatschappij deel uitmaakt van een fiscale eenheid;
c. buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij: een
buitenlands belastingplichtige maatschappij die als
dochtermaatschappij deel uitmaakt van een fiscale eenheid;
d. binnenlands belastingplichtige maatschappij: een
binnenlandse belastingplichtige die deel uitmaakt van een fiscale
eenheid;
e. binnenlands belastingplichtige moedermaatschappij: een
binnenlandse belastingplichtige die als moedermaatschappij deel
uitmaakt van een fiscale eenheid;
f. binnenlands belastingplichtige dochtermaatschappij: een
binnenlandse belastingplichtige die als dochtermaatschappij deel
uitmaakt van een fiscale eenheid;
g. hoofdhuis: een buitenlandse belastingplichtige als bedoeld
in artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de wet, voorzover
die op grond van die volzin geen deel uitmaakt van een fiscale
eenheid.
2.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een belastingplichtige
die op grond van artikel 2, vierde lid, eerste volzin, van de wet in
Nederland, maar op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk
dan wel een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting niet in
Nederland is gevestigd, maar wel een onderneming drijft met behulp van
een in Nederland aanwezige vaste inrichting, aangemerkt als een
buitenlandse belastingplichtige.
Artikel 30. Toepassing voorwaarden
1.Bij de toepassing van artikel 15, tweede lid, van de wet blijven
aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van een belastingplichtige
die behoren tot het vermogen van een hoofdhuis buiten beschouwing.
2.Voor de toepassing van artikel 15, derde lid, onderdeel a, van de
wet op een buitenlandse belastingplichtige wordt voor «de tijdvakken
waarover de belasting wordt geheven» gelezen: de boekjaren.
Artikel 31. Terminologie
1.Voor de toepassing van de artikelen 15aa, 15ab, tweede tot en met
zesde lid, 15ac en 15ae tot en met 15aj van de wet, wordt een
buitenlandse belastingplichtige slechts als maatschappij aangemerkt
voorzover deze belastingplichtige op grond van artikel 15, vierde lid,
tweede volzin, van de wet deel uitmaakt van een fiscale eenheid.
2.Met betrekking tot een buitenlands belastingplichtige
maatschappij wordt in artikel 15ae, eerste lid, onderdeel b, artikel
15af, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 15ag, eerste lid, van de
wet voor «belastbare winst» gelezen: Nederlands inkomen.
3.Met betrekking tot een buitenlands belastingplichtige
maatschappij wordt in afwijking van artikel 15ae, derde lid, van de
wet, met betrekking tot de in artikel 15ae, eerste en tweede lid, van
de wet bedoelde verrekening in artikel 20a van de wet voor «de
belastingplichtige» gelezen: de buitenlandse belastingplichtige die
deel uitmaakt van de fiscale eenheid.
Afdeling 2. Fiscale eenheid met een buitenlands belastingplichtige
moedermaatschappij
Artikel 32. Voorwerp van de belasting; terminologie
1.Bij een fiscale eenheid met een buitenlands belastingplichtige
moedermaatschappij wordt de belasting geheven naar het belastbare
Nederlandse bedrag.
2.Bij een fiscale eenheid met een buitenlands belastingplichtige
moedermaatschappij worden alle werkzaamheden en het gehele vermogen
van een binnenlands belastingplichtige dochtermaatschappij geacht deel
uit te maken van de werkzaamheden en het vermogen van die buitenlands
belastingplichtige moedermaatschappij, met dien verstande dat het
voorwerp van de belasting met betrekking tot de werkzaamheden en het
vermogen van die binnenlands belastingplichtige dochtermaatschappij
wordt opgevat op de voet van hoofdstuk II van de wet.
3.Bij een fiscale eenheid met een buitenlands belastingplichtige
moedermaatschappij wordt in artikel 15ae, eerste lid, onderdelen a, c
en d, van de wet voor «de belastbare winst van de fiscale eenheid»
respectievelijk «de belastbare winst van de bestaande fiscale
eenheid» gelezen: het Nederlandse inkomen van de fiscale eenheid
respectievelijk het Nederlandse inkomen van de bestaande fiscale
eenheid.
Artikel 33. Rechtsverhoudingen tussen hoofdhuis van
moedermaatschappij en dochtermaatschappijen
Rechtsverhoudingen tussen een dochtermaatschappij van een fiscale
eenheid en het hoofdhuis van een buitenlandse belastingplichtige die als
moedermaatschappij deel uitmaakt van die fiscale eenheid en uit die
rechtsverhoudingen voortvloeiende betalingen, worden bij het bepalen van
de winst van de fiscale eenheid in aanmerking genomen als ware er geen
fiscale eenheid.
Afdeling 3. Fiscale eenheid met een buitenlands belastingplichtige
dochtermaatschappij
Artikel 34. Voorwerp van de belasting
1.Bij een fiscale eenheid met een binnenlands belastingplichtige
moedermaatschappij en een buitenlands belastingplichtige
dochtermaatschappij, wordt de belasting geheven naar het belastbare
bedrag.
2.Bij een fiscale eenheid met een buitenlands belastingplichtige
dochtermaatschappij worden de werkzaamheden en het vermogen van die
buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij geacht deel uit te
maken van de werkzaamheden en het vermogen van de moedermaatschappij,
met dien verstande dat het voorwerp van de belasting met betrekking
tot de werkzaamheden en het vermogen van die buitenlands
belastingplichtige dochtermaatschappij wordt opgevat op de voet van
hoofdstuk III van de wet.
Artikel 35. Buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij waarop
de deelnemingsvrijstelling van toepassing is
1.Met betrekking tot de deelneming van een maatschappij in een
buitenlandse belastingplichtige die als dochtermaatschappij deel gaat
uitmaken van een fiscale eenheid met die maatschappij, blijft voor het
gehele belang sprake van een deelneming waarop de regelingen inzake de
deelnemingsvrijstelling, uitsluitingen van de deelnemingsvrijstelling
en alle regelingen die daarmee verband houden onverminderd van
toepassing zijn als ware er geen fiscale eenheid.
2.Onverminderd het eerste lid is artikel 15 van de wet onverkort
van toepassing met betrekking tot schuldverhoudingen tussen een
buitenlands belastingplichtige maatschappij en een andere maatschappij
die deel uitmaakt van dezelfde fiscale eenheid.
3.Onverminderd het eerste lid, is artikel 13c, derde lid, van de
wet van overeenkomstige toepassing op een deelneming als bedoeld in
het eerste lid.
4.Het opgeofferde bedrag voor een deelneming als bedoeld in het
eerste lid, wordt slechts in aanmerking genomen voorzover de
belastingplichtige aannemelijk maakt dat dit bedrag in absolute zin
uitgaat boven de aan de buitenlands belastingplichtige
dochtermaatschappij sinds de voeging toe te rekenen winst van de
fiscale eenheid, indien die per saldo uitkomt op een negatief bedrag.
5.Artikel 13d, achtste lid, van de wet, is niet van toepassing bij
de ontvoeging van een deelneming als bedoeld in het eerste lid. Een
beperking van het in aanmerking nemen van het opgeofferde bedrag op de
voet van het vierde lid blijft onverminderd van toepassing na de
ontvoeging van die deelneming.
6.Voor de toepassing van artikel 13d van de wet met betrekking tot
een deelneming als bedoeld in het eerste lid of een deelneming die
voorheen kwalificeerde als een deelneming als bedoeld in het eerste
lid, wordt de in de jaren, bedoeld in artikel 13d, derde lid, van de
wet aan de buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij toe te
rekenen winst van de fiscale eenheid geacht mede als positief voordeel
uit hoofde van de deelneming te zijn genoten, indien deze winst per
saldo uitkomt op een positief bedrag. De vorige volzin is niet van
toepassing voorzover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat hij
deze winst niet feitelijk op enigerlei wijze direct of indirect als
positief voordeel uit hoofde van de deelneming heeft genoten in de
jaren, bedoeld in artikel 13d, derde lid, van de wet.
7.Bij de toepassing van het vierde en zesde lid is artikel 15ah van
de wet van overeenkomstige toepassing.
8.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
over de vaststelling van het opgeofferde bedrag en de positieve
voordelen met betrekking tot een deelneming als bedoeld in het eerste
lid indien meer dan één maatschappij een belang in die buitenlandse
belastingplichtige heeft of indien het belang van een maatschappij in
die buitenlandse belastingplichtige gedurende het bestaan van de
fiscale eenheid is overgegaan op een andere maatschappij.
Artikel 36. Buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij waarop
de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is
1.Indien een buitenlandse belastingplichtige als
dochtermaatschappij deel gaat uitmaken van een fiscale eenheid en het
belang in die dochtermaatschappij een laagbelaste beleggingsdeelneming
betreft, stelt de buitenlandse belastingplichtige op het tijdstip
onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de fiscale eenheid
ten aanzien van haar tot stand komt haar activa en passiva te boek op
de waarde in het economische verkeer en voegt zij de door haar
gevormde fiscale reserves toe aan de winst. Artikel 35, eerste en
tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.Op gezamenlijk verzoek van de moedermaatschappij en de
buitenlandse belastingplichtige blijft het eerste lid buiten
aanmerking.
3.Voor de toepassing van artikel 13aa van de wet worden positieve
voordelen uit hoofde van het belang, bedoeld in het eerste lid, bij de
bepaling van de winst van de fiscale eenheid niet in aanmerking
genomen, voorzover aannemelijk is dat deze samenhangen met of
voortvloeien uit aan de buitenlands belastingplichtige
dochtermaatschappij toe te rekenen winst van de fiscale eenheid.
Indien ten aanzien van de buitenlands belastingplichtige
dochtermaatschappij een verzoek is gedaan als bedoeld in het tweede
lid, blijft de eerste volzin buiten toepassing tot het bedrag dat
ingevolge dat verzoek niet in de heffing is betrokken.
4.Voor de toepassing van artikel 13aa van de wet, worden negatieve
voordelen uit hoofde van het belang, bedoeld in het eerste lid, met
inachtneming van het zesde lid van dat artikel, bij de bepaling van de
winst van de fiscale eenheid slechts in aanmerking genomen voorzover
aannemelijk is dat deze samenhangen met of voortvloeien uit
werkzaamheden of vermogen van het hoofdhuis.
5.Indien op het ontvoegingstijdstip de waarde in het economische
verkeer van een belang, bedoeld in het eerste lid, lager is dan de
boekwaarde van dat belang, wordt dat belang op het onmiddellijk
daaraan voorafgaande tijdstip teboekgesteld op de waarde in het
economische verkeer.
6.Voor de toepassing van het derde lid, wordt de aan de buitenlands
belastingplichtige dochtermaatschappij toe te rekenen winst van de
fiscale eenheid berekend alsof zij geen deel uitmaakt van de fiscale
eenheid, waarbij winsten en verliezen van voor het voegingstijdstip
buiten aanmerking blijven.
Artikel 37. Waarderingsvoorschrift voor buitenlandse
belastingplichtige bij voeging of ontvoeging niet van toepassing
1.Bij voeging van een buitenlandse belastingplichtige als
dochtermaatschappij is artikel 15ab, eerste lid, van de wet niet van
toepassing op het belang in die buitenlandse belastingplichtige.
2.Bij ontvoeging van een buitenlands belastingplichtige
dochtermaatschappij is artikel 15aj, zesde lid, van de wet niet van
toepassing op het belang in die buitenlandse belastingplichtige.
Artikel 38. Reserve financieringsactiviteiten
Voor de toepassing van artikel 15b, vijfde lid, van de wet wordt niet
als kapitaalstorting beschouwd een directe of indirecte kapitaalstorting
of verwerving van aandelen in een buitenlandse belastingplichtige die
als dochtermaatschappij deel uitmaakt van een fiscale eenheid, voor
zover die kapitaalstorting of verwerving betrekking heeft op
werkzaamheden en vermogen van die buitenlandse belastingplichtige die
ingevolge artikel 34, tweede lid, deel uitmaken van de werkzaamheden en
het vermogen van de moedermaatschappij van die fiscale eenheid.
Afdeling 4. Voortzetting fiscale eenheid bij zetelverplaatsing
Artikel 39. Zetelverplaatsing naar Nederland
1.Indien de fiscale eenheid met een buitenlandse belastingplichtige
eindigt omdat die belastingplichtige de plaats van werkelijke leiding
verplaatst naar Nederland en direct aansluitend aan het
ontvoegingstijdstip een nieuwe fiscale eenheid tot stand komt, wordt
er voor de toepassing van de artikelen 15ae, 15af, 15ag, 15ai en 15aj,
eerste lid, van de wet geacht geen ontvoeging te hebben
plaatsgevonden.
2.De aansluitende fiscale eenheid treedt voor de toepassing van de
artikelen 15ai en 20, tweede lid, van de wet in de plaats van de
voorafgaande fiscale eenheid.
Artikel 40. Zetelverplaatsing naar het buitenland
1.Indien de fiscale eenheid met een binnenlandse belastingplichtige
eindigt omdat die belastingplichtige de plaats van werkelijke leiding
verplaatst naar het buitenland met achterlating in Nederland van een
vaste inrichting en direct aansluitend aan het ontvoegingstijdstip een
nieuwe fiscale eenheid tot stand komt, wordt er voor de toepassing van
de artikelen 15ae, 15af en 15ag van de wet geacht geen ontvoeging te
hebben plaatsgevonden. Voorts blijft artikel 15ai van de wet buiten
toepassing, behoudens voorzover het vermogensbestanddelen betreft die
zijn overgedragen door een onderdeel van de belastingplichtige dat als
gevolg van de verplaatsing van de plaats van de werkelijke leiding
geen deel meer uitmaakt van de fiscale eenheid.
2.Bij een voortzetting van de fiscale eenheid op de voet van het
eerste lid, wordt er voor de toepassing van artikel 15aj, eerste lid,
van de wet geacht geen ontvoeging te hebben plaatsgevonden, behoudens
voor zover de herinvesteringsreserve is gevormd door onderscheidenlijk
het voornemen tot herinvestering uitsluitend bestond bij een onderdeel
van de belastingplichtige dat als gevolg van de verplaatsing van de
plaats van werkelijke leiding geen deel meer uitmaakt van de fiscale
eenheid.
3.De aansluitende fiscale eenheid treedt voor de toepassing van de
artikelen 15ai en 20, tweede lid, van de wet in de plaats van de
voorafgaande fiscale eenheid. Bij de toepassing van artikel 15ai van
de wet geldt de in de plaats treding niet voorzover afrekening op
grond van het eerste lid of artikel 15c van de wet heeft
plaatsgevonden.
Hoofdstuk VIII. Voorkoming dubbele belasting
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 41. Definitie
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder buitenlandse winst
verstaan: winst die ingevolge een regeling ter voorkoming van dubbele
belasting is vrijgesteld van vennootschapsbelasting.
Artikel 42. Delegatiebevoegdheid inzake voorrangsregeling
buitenlandse resultaten
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de
toedeling van de winst van een fiscale eenheid en te verrekenen
buitenlandse belasting in het kader van het verlenen van verminderingen
ter voorkoming van dubbele belasting in situaties waarin dit hoofdstuk
van toepassing is.
Afdeling 2. Buitenlandse resultaten van vóór het voegingstijdstip
Artikel 43. Doorgeschoven en in te halen buitenlandse winst van
vóór het voegingstijdstip
1.Indien ingevolge een regeling ter voorkoming van dubbele
belasting een positieve of negatieve buitenlandse winst van een
maatschappij wordt overgebracht naar het jaar waarin de fiscale
eenheid ten aanzien van die maatschappij tot stand komt, wordt in dat
jaar bij het berekenen op de voet van artikel 15ac, vierde lid, van de
wet van de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting:
a. die positieve buitenlandse winst in aanmerking genomen
voorzover het belastbare bedrag van de fiscale eenheid aan die
maatschappij is toe te rekenen, onderscheidenlijk
b. die negatieve buitenlandse winst in aanmerking genomen
voorzover de buitenlandse winst van de fiscale eenheid, na
verrekening volgens de daarvoor geldende regels met verliezen uit
andere jaren, aan die maatschappij is toe te rekenen.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt buitenlandse winst
die wordt behaald met een vermogensbestanddeel dat binnen de fiscale
eenheid is overgedragen, toegerekend aan de maatschappij van wier
vermogen dat vermogensbestanddeel op het voegingstijdstip deel
uitmaakte. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot buitenlandse winst die wordt behaald met een
onderneming die, of een gedeelte van een onderneming dat, wordt
gedreven met behulp van een vaste vertegenwoordiger.
3.Artikel 15ah van de wet en artikel 12 van dit besluit zijn van
overeenkomstige toepassing.
4.Voorzover een in de aanhef van het eerste lid bedoeld bedrag aan
winst ingevolge het bepaalde in onderdeel a of b van dat lid niet in
aanmerking is genomen in een jaar, of ingevolge de regelingen ter
voorkoming van dubbele belasting niet tot een vermindering van
belasting over een jaar heeft geleid, wordt het volgens de daarvoor
geldende regelingen telkens overgebracht naar het volgende jaar en met
inachtneming van dit artikel in aanmerking genomen.
Artikel 44. Voortgewentelde buitenlandse bronbelasting van vóór het
voegingstijdstip
1.Indien ingevolge een regeling ter voorkoming van dubbele
belasting een vanwege een andere mogendheid van een maatschappij
geheven belasting – een andere belasting dan bedoeld in artikel 45
– ter verrekening wordt voortgewenteld naar het jaar waarin de
fiscale eenheid ten aanzien van die maatschappij tot stand komt, wordt
in dat jaar bij het berekenen op de voet van artikel 15ac, vierde lid,
van de wet van de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting,
die belasting in aanmerking genomen tot ten hoogste het volgens het
tweede lid te bepalen bedrag.
2.Van de ter verrekening voortgewentelde belasting wordt ten
hoogste in aanmerking genomen het bedrag dat tot de belasting die over
de winst van de fiscale eenheid zou zijn verschuldigd zonder de
voortwenteling in dezelfde verhouding staat als het bedrag van de bij
de verrekening van in dat jaar vanwege een andere Mogendheid geheven
belasting, anders dan bedoeld in artikel 45, in aanmerking te nemen
inkomsten, verminderd met de daarop drukkende kosten, die zijn
begrepen in, en ten hoogste tot het bedrag van, het aan die
maatschappij toe te rekenen belastbare bedrag van de fiscale eenheid,
staat tot het belastbare bedrag van de fiscale eenheid.
3.Artikel 15ah van de wet en artikel 12 van dit besluit zijn van
overeenkomstige toepassing.
4.Voor de toepassing van het tweede lid worden
vermogensbestanddelen uit hoofde waarvan inkomsten als bedoeld in het
eerste lid worden ontvangen, die binnen de fiscale eenheid zijn
overgedragen, toegerekend aan de maatschappij van wier vermogen die
vermogensbestanddelen op het voegingstijdstip deel uitmaakten.
5.Voorzover een in het eerste lid bedoeld bedrag aan
voortgewentelde belasting op grond van dat lid in combinatie met het
tweede lid niet in aanmerking is genomen, of ingevolge de regelingen
ter voorkoming van dubbele belasting niet tot een vermindering van
belasting heeft geleid, wordt het volgens de daarvoor geldende
regelingen telkens overgebracht naar het volgende jaar en met
inachtneming van dit artikel in aanmerking genomen.
Artikel 45. Voortgewentelde belasting bij passieve winst uit
buitenlandse onderneming van vóór het voegingstijdstip
1.Indien ingevolge een regeling ter voorkoming van dubbele
belasting een aanspraak van een maatschappij op vermindering van
vennootschapsbelasting ter zake van vanwege een andere mogendheid
geheven belasting over winst behaald met een onderneming als bedoeld
in artikel 32, vijfde lid, van het Besluit voorkoming dubbele
belasting 2001 (passieve winst uit buitenlandse onderneming) wordt
voortgewenteld naar het jaar waarin de fiscale eenheid ten aanzien van
die maatschappij tot stand komt, wordt in dat jaar bij het berekenen
op de voet van artikel 15ac, vierde lid, van de wet van de
vermindering ter voorkoming van dubbele belasting, het bedrag van die
aanspraak in aanmerking genomen tot ten hoogste het bedrag dat tot de
belasting die over de winst van de fiscale eenheid zou zijn
verschuldigd zonder de voortwenteling in dezelfde verhouding staat als
het gezamenlijke bedrag van de passieve winst uit buitenlandse
onderneming die is begrepen in, en ten hoogste tot het bedrag van, het
aan die maatschappij toe te rekenen belastbare bedrag van de fiscale
eenheid, staat tot het belastbare bedrag van de fiscale eenheid.
2.Artikel 15ah van de wet en artikel 12 van dit besluit zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.Voorzover het bedrag van de in het eerste lid bedoelde
voortgewentelde aanspraak op grond van dat lid niet in aanmerking is
genomen, of ingevolge de regelingen ter voorkoming van dubbele
belasting niet tot een vermindering van belasting heeft geleid, wordt
het volgens de daarvoor geldende regelingen telkens overgebracht naar
het volgende jaar en met inachtneming van dit artikel in aanmerking
genomen.
4.Voor de toepassing van het eerste lid wordt passieve winst uit
buitenlandse onderneming die wordt behaald met een onderneming die, of
een gedeelte van een onderneming dat wordt gedreven met behulp van een
vaste inrichting die binnen de fiscale eenheid is overgedragen,
toegerekend aan de maatschappij van wier vermogen die vaste inrichting
op het voegingstijdstip deel uitmaakte.
5.Met betrekking tot een ingevolge een regeling ter voorkoming van
dubbele belasting over te brengen bedrag aan negatieve passieve winst
uit buitenlandse onderneming van een maatschappij naar het jaar waarin
de fiscale eenheid ten aanzien van die maatschappij tot stand komt, is
artikel 43, eerste lid, onderdeel b, en vierde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. Buitenlandse resultaten van vóór het
ontvoegingstijdstip
Artikel 46. Over het ontvoegingstijdstip door te schuiven en in te
halen buitenlandse winst
1.In geval van ontvoeging van een maatschappij gaan de ingevolge
voorschriften ter voorkoming van dubbele belasting naar een volgend
jaar over te brengen positieve of negatieve buitenlandse winsten van
de fiscale eenheid over op die maatschappij voorzover:
a. deze winsten zijn behaald met een op het ontvoegingstijdstip
tot het vermogen van die maatschappij behorend
vermogensbestanddeel, behoudens voorzover het winsten in de zin
van de aanhef van artikel 43, eerste lid, van een andere
maatschappij betreffen; of
b. het winsten in de zin van de aanhef van artikel 43, eerste
lid, van deze maatschappij betreffen.
2.Artikel 15ah van de wet en artikel 12 van dit besluit zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot buitenlandse winst die wordt behaald met een onderneming die, of
een gedeelte van een onderneming dat, wordt gedreven met behulp van
een vaste vertegenwoordiger.
Artikel 47. Over het ontvoegingstijdstip voort te wentelen
bronbelasting
In geval van ontvoeging van een maatschappij gaan de ingevolge
voorschriften ter voorkoming van dubbele belasting naar een volgend jaar
ter verrekening voort te wentelen bedragen aan vanwege een andere
mogendheid geheven belasting – een andere belasting dan bedoeld in
artikel 45 – over op die maatschappij voorzover die belasting van die
maatschappij is geheven.
Artikel 48. Over het ontvoegingstijdstip voort te wentelen belasting
bij passieve winst uit buitenlandse onderneming
1.In geval van ontvoeging van een maatschappij gaan de ingevolge
voorschriften ter voorkoming van dubbele belasting naar een volgend
jaar ter verrekening voort te wentelen aanspraken op vermindering van
belasting ter zake vanwege een andere mogendheid geheven belasting
over passieve winst uit buitenlandse onderneming over op die
maatschappij voorzover deze winst is behaald met een op het
ontvoegingstijdstip tot het vermogen van die maatschappij behorende
onderneming die, of gedeelte van een onderneming dat, met behulp van
een vaste inrichting wordt gedreven als bedoeld in 32, vijfde lid, van
het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op bedragen aan
negatieve passieve winst uit buitenlandse onderneming.
3.Artikel 15ah van de wet en artikel 12 van dit besluit zijn van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VIIIA. Deelnemingsverrekening
Artikel 48a. Delegatiebevoegdheid inzake voorrangsregeling inzake
voordelen laagbelaste beleggingsdeelnemingen en deelnemingsverrekening
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de
toedeling van voordelen uit hoofde van laagbelaste
beleggingsdeelnemingen en deelnemingsverrekening.
Artikel 48b. Deelnemingsverrekening van vóór het voegingstijdstip
1.Deelnemingsverrekening van een maatschappij die wordt
overgebracht naar het jaar waarin de fiscale eenheid ten aanzien van
die maatschappij tot stand komt, wordt in dat jaar in aanmerking
genomen tot ten hoogste het volgens het tweede lid te bepalen bedrag.
2.Het in het eerste lid bedoelde bedrag is het bedrag dat tot de
volgens Hoofdstuk V van de wet berekende belasting van de fiscale
eenheid in dezelfde verhouding staat als het bedrag van de
gezamenlijke gebruteerde voordelen nadat het is verminderd met de bij
de winstbepaling van het jaar in aftrek gekomen kosten ter zake van de
laagbelaste beleggingsdeelnemingen, die zijn begrepen in, en ten
hoogste tot het bedrag van, het aan die maatschappij toe te rekenen
belastbare bedrag van de fiscale eenheid, staat tot het belastbare
bedrag van de fiscale eenheid.
3.Artikel 15ah van de wet en artikel 12 van dit besluit zijn van
overeenkomstige toepassing.
4.Voor de toepassing van het tweede lid wordt een laagbelaste
beleggingsdeelneming die geheel of gedeeltelijk binnen de fiscale
eenheid is overgedragen, toegerekend aan de maatschappij van wier
vermogen die deelneming op het voegingstijdstip deel uitmaakte.
5.Voor zover een in het eerste lid bedoeld bedrag aan
deelnemingsverrekening op grond van dat lid in combinatie met het
tweede lid, of op grond van artikel 23c, tweede lid, onderdeel b, of
zesde lid, van de wet niet in aanmerking is genomen, wordt het in
overeenstemming met artikel 23c, zevende lid, van de wet telkens
overgebracht naar het volgende jaar en met inachtneming van dit
artikel in aanmerking genomen.
6.Voor zover deelnemingsverrekening in aanmerking wordt genomen die
betrekking heeft op een periode gelegen vóór het voegingstijdstip
van de maatschappij van wier vermogen de laagbelaste
beleggingsdeelneming destijds deel uitmaakte, wordt dit bedrag geacht
deelnemingsverrekening van vóór het voegingstijdstip van die
maatschappij te zijn.
Artikel 48c. Deelnemingsverrekening na ontvoeging
In geval van ontvoeging van een maatschappij gaat de naar een volgend
jaar overgebrachte deelnemingsverrekening over op die maatschappij voor
zover deze deelnemingsverrekening betrekking heeft op een periode waarin
de aandelen in de laagbelaste beleggingsdeelneming tot het vermogen
behoorden van die maatschappij.
Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Artikel 49. Inwerkingtreding
1.Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag die is
gelegen acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
het is gepubliceerd en werkt terug tot en met 1 januari 2003.
Artikel 50. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit fiscale eenheid 2003.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 17 december 2002
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
S.R.A. van Eijck
Uitgegeven de vierentwintigste december 2002
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|