| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb)
UITVOERINGSBESLUIT
VENNOOTSCHAPSBELASTING 1971
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 14 september 1971, houdende uitvoering van
de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 augustus 1971,
nr. B 71/15503, Directie Wetgeving directe belastingen;
Gelet op de artikelen 5 en 29 van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 (Stb. 1969, 469);
De Raad van State gehoord (advies van 25
augustus 1971, nr. 11);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Financiën van 7 september 1971, nr. B 71/16415,
Directie Wetgeving directe belastingen;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 5, 14c en 29 van
de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
2. Dit besluit verstaat onder wet: de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969.
Artikel 2
De in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, e, f, en g, van de wet
omschreven lichamen zijn van de belasting vrijgesteld.
Artikel 3
Een in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet omschreven
lichaam is van de belasting vrijgesteld mits de werkzaamheden van het
lichaam in overeenstemming zijn met het in voormelde onderdeel b
aangegeven doel en bovendien de winst, behoudens een uitkering tot ten
hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de
inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de
verzekerden, een ingevolge het onderhavige artikel vrijgesteld lichaam,
of een algemeen maatschappelijk belang.
Artikel 4
Een in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de wet omschreven
lichaam is van de belasting vrijgesteld mits het lichaam van
publiekrechtelijke aard is, dan wel, indien dat niet het geval is, het
lichaam, zo het winst behaalt, deze uitsluitend kan aanwenden ten bate
van een ingevolge het onderhavige artikel vrijgesteld lichaam of een
algemeen maatschappelijk belang.
Artikel 5
Een in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de wet omschreven
lichaam dat werkzaam is op het gebied van de landbouw is van de
belasting vrijgesteld mits:
a. zo winst wordt behaald, deze in het jaar niet meer bedraagt
dan € 7500, dan wel in het jaar en de daaraan voorafgaande
vier jaren tezamen niet meer bedraagt dan € 37 500, en
b. doel en feitelijke werkzaamheden bestaan in het exploiteren
van bedrijfsmiddelen, het beschikbaar stellen van arbeidskrachten of
het aankopen van landbouwbenodigdheden een en ander uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend ten behoeve van de aandeelhouders, leden,
deelnemers of deelgerechtigden.
Artikel 6
Een in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de wet omschreven
lichaam dat werkzaam is op het gebied van de verzekering tegen schade op
onderlinge grondslag is van de belasting vrijgesteld mits, zo winst
wordt behaald, deze in het jaar niet meer bedraagt dan € 7 500, dan
wel in het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren te zamen niet meer
bedraagt dan € 37 500.
Artikel 7
Een in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de wet omschreven
lichaam dat werkzaam is op het gebied van de verzorging van uitvaarten
is van de belasting vrijgesteld mits, zo winst wordt behaald, deze in
het jaar niet meer bedraagt dan € 7 500, dan wel in het jaar en de
daaraan voorafgaande vier jaren te zamen niet meer bedraagt dan € 37
500 en voorts:
a. doel en feitelijke werkzaamheid bestaan in het verzorgen van
uitvaarten uitsluitend of nagenoeg uitsluitend van de
aandeelhouders, leden, deelnemers of deelgerechtigden en hun
gezinsleden; en
b. de uitvaarten van de onder a genoemde personen hoofdzakelijk
tegen vergoeding van een entreegeld en een jaarlijkse bijdrage
worden verzorgd.
Artikel 7a
Een lichaam dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 5,
6 of 7 is in afwijking van de genoemde artikelen niet van de belasting
vrijgesteld, indien het lichaam dit bij het indienen van de aangifte
over het jaar verzoekt.
Artikel 7aa [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 7ab
Een niet naar Nederlands recht opgerichte rechtspersoon is naar aard
en inrichting vergelijkbaar als bedoeld in artikel 14c, achtste lid,
onderdeel b, van de wet met een naar Nederlands recht opgerichte
naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid indien:
a. een dergelijke rechtspersoon is aan te merken als een
vennootschap met een geheel, in gelijke of evenredige delen, in
aandelen verdeeld kapitaal;
b. een dergelijke rechtspersoon in het land van oprichting als
subject onderworpen is aan een belasting naar de winst;
c. de door de rechtspersoon behaalde winst niet rechtstreeks aan
de kapitaalverschaffers is toe te rekenen, doch hen slechts kan
bereiken via een uitdelingsbesluit van het daartoe bevoegde orgaan
van de rechtspersoon;
d. de kapitaalverschaffers niet verder aansprakelijk zijn dan tot
het bedrag dat op hun aandelen in de vennootschap is gestort;
e. alle kapitaalverschaffers in beginsel stemrecht hebben
overeenkomstig hun aandeel in het kapitaal van de rechtspersoon.
Artikel 7b
Ingeval een belastingplichtige bij het begin van het boekjaar dat
aanvangt op of na 1 januari 1990 voor de heffing van de
vennootschapsbelasting geacht wordt te zijn opgegaan in een andere
belastingplichtige, gaan met ingang van het tijdstip waarop dit niet
langer het geval is de ingevolge de artikelen 3.40 en 3.47 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 nog niet uitgewerkte en latente aanspraken op
investeringsaftrek en verplichtingen tot desinvesteringsbijtellingen ter
zake van de tot hun vermogens op dat tijdstip behorende goederen de
belastingplichtige aan tot wiens vermogen het goed behoort waarop de
aanspraak of verplichting betrekking heeft.
Artikel 7c
Ten aanzien van belastingplichtigen wier winst wordt bepaald over een
niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar gelden de bedragen die
ingevolge artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin
van een kalenderjaar de in de artikelen 3.41, 3.42 en 3.47 van die wet
vermelde bedragen vervangen, voor het eerst met betrekking tot het
boekjaar dat met of in het kalenderjaar aanvangt.
Artikel 8
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag
na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is
geplaatst.
2. Dit besluit kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbesluit
vennootschapsbelasting 1971.
Onze Minister van Financiën is belast met
de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden
geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van
State.
Soestdijk, 14 september 1971
JULIANA
De Staatssecretaris van Financiën,
W. Scholten
Uitgegeven de drieëntwintigste september 1971
De Minister van Justitie,
Van Agt
|
|
|