BESLUIT van 1 augustus 1995, houdende vaststelling van
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 3, derde
lid, en 4, tweede lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van
11 april 1995, PAO/GZ-952378;
Gelet op de artikelen 3, derde lid, en 4,
tweede lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek;
Gezien het advies van de Gezondheidsraad
(advies van 7 september 1994);
De Raad van State gehoord (advies van 27 juni
1995, nr. W13.95.0195);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 juli 1995, nr. PAO/GZ/95-6771;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de Wet op het
bevolkingsonderzoek.
Artikel 2
1. Onderzoek bij een persoon in het kader van een
bevolkingsonderzoek als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de wet
mag slechts worden verricht:
a. indien de te onderzoeken persoon meerderjarig is en onderdeel c
niet van toepassing is: met de schriftelijke toestemming van de
betrokkene;
b. indien de te onderzoeken persoon minderjarig is doch de leeftijd
van twaalf jaar heeft bereikt en onderdeel c niet van
toepassing is: met de schriftelijke toestemming van de betrokkene
alsmede de schriftelijke toestemming van de ouders die het ouderlijk
gezag uitoefenen of van zijn voogd;
c. indien de te onderzoeken persoon twaalf jaar of ouder is en niet
in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake:
met de schriftelijke toestemming van de ouders die het ouderlijk gezag
uitoefenen of van de voogd dan wel, indien hij meerderjarig is, van de
wettelijke vertegenwoordiger of van de echtgenoot of andere
levensgezel van de betrokkene;
d. indien de te onderzoeken persoon de leeftijd van twaalf jaar nog
niet heeft bereikt: met de schriftelijke toestemming van de ouders die
het ouderlijk gezag uitoefenen of van zijn voogd.
2. Indien de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder c
en d, zich kennelijk verzet tegen een handeling waaraan hij wordt
onderworpen wordt de toestemming, bedoeld in het eerste lid, onder c
en d, geacht niet te zijn gegeven.
3. Degene die toestemming heeft gegeven kan deze te allen tijde
zonder opgaaf van redenen intrekken. Hij is terzake van de intrekking
geen schadevergoeding verschuldigd.
Artikel 3
1. Alvorens toestemming wordt gevraagd, draagt degene die het
onderzoek verricht er zorg voor dat de persoon wiens toestemming is
vereist, schriftelijk wordt ingelicht over:
a. het doel, de aard en de duur van het onderzoek;
b. de risico's die het onderzoek voor de gezondheid van de te
onderzoeken persoon met zich zou brengen;
c. de risico's die het tussentijds beëindigen van het onderzoek
voor de te onderzoeken persoon met zich zou brengen;
d. de bezwaren die het onderzoek voor de te onderzoeken persoon met
zich zou brengen.
2. De inlichtingen als bedoeld in het eerste lid worden op
zodanige wijze verstrekt dat redelijkerwijs zeker is dat de betrokkene
deze naar haar inhoud heeft begrepen. Hij krijgt een zodanige bedenktijd
dat hij op grond van deze inlichtingen een zorgvuldig overwogen
beslissing omtrent de gevraagde toestemming kan geven.
3. Indien de te onderzoeken persoon de leeftijd van twaalf jaar
nog niet heeft bereikt of niet in staat is tot een redelijke waardering
van zijn belangen ter zake, draagt degene die het onderzoek verricht
ervoor zorg dat hij wordt ingelicht op een wijze die past bij zijn
bevattingsvermogen.
Artikel 4
Onverminderd het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de wet bevat
een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van
de wet:
a. de startdatum en de einddatum van het onderzoek;
b. een nauwkeurige beschrijving van het doel van het onderzoek;
c. een nauwkeurige beschrijving van de mogelijk schadelijke
gevolgen van het onderzoek;
d. een beschrijving van de aard en inrichting van de lokaliteiten
of ruimten waar het onderzoek verricht wordt.
Artikel 5
1. Bij een aanvraag om een vergunning voor een
bevolkingsonderzoek met behulp van een röntgenapparaat, moet indien
voor het gebruik van dat apparaat een vergunning op basis van de
Kernenergiewet vereist is, een afschrift van die vergunning dan wel
van de aanvraag voor die vergunning worden overgelegd.
2. Bij een aanvraag om een vergunning voor een
bevolkingsonderzoek naar een ernstige ziekte of afwijking waarvoor geen
behandeling of preventie mogelijk is, bevat de aanvraag een beschrijving
van de bijzondere omstandigheden die het onderzoek rechtvaardigen.
Artikel 6
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 7
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bevolkingsonderzoek.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 1 augustus 1995
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Uitgegeven de vijfde september 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager