St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)

 

UITVOERINGSBESLUIT  WHW  2008

Tekst zoals deze geldt op 27 januari 2012

 

  
•
•
•
•
 

 

 
BESLUIT van 22 september 1993, houdende uitvoeringsbepalingen van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, van 28 mei 1993, nr. 92077964/4685, directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
     Gelet op artikel 6.13, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
     Gezien het advies van de Onderwijsraad (advies van 21 december 1992, nr. OR 92000271/3 T);
     De Raad van State gehoord (advies van 2 augustus 1993, nr. W05.93.0338);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, van 21 september 1993, nr. 93064058/4685, directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen

 

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet: de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

b. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het onderwijs en onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

c. instelling: een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in de onderdelen a tot en met i van de bijlage van de wet;

d. universiteit:

1°. een universiteit als bedoeld in de onderdelen a en b van de bijlage van de wet,

2°. de Open Universiteit, bedoeld in onderdeel h van de bijlage van de wet, en

3°. een levensbeschouwelijke universiteit, bedoeld in onderdeel i, van de bijlage van de wet;

e. hogeschool: een hogeschool als bedoeld in de onderdelen c, e en g van de bijlage van de wet;

f. [vervallen;]

g. instellingsbestuur: een instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, van de wet;

h. register: het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, derde lid, van de wet;

i. CROHO-onderdeel: een onderdeel van het register, bedoeld in artikel 3.1;

j. CRIHO: het Centraal register inschrijving hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.52 van de wet;

k. onderwijsdeel wo: het onderdeel van de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel a;

l. onderwijsdeel hbo: het onderdeel van de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel b, of vierde lid, onderdeel b;

m. onderzoekdeel wo: het onderdeel van de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel c;

n. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3 van de wet;

o. opleiding van eerste inschrijving:

1° de opleiding waarvoor een student het collegegeld, bedoeld in de artikelen 7.43, eerste lid van de wet, is verschuldigd en waarvoor geen vermindering of vrijstelling van het betalen van collegegeld op grond van artikel 7.48, derde of vierde lid, van de wet is verkregen, of,

2° de opleiding waarvoor een persoon die het collegegeld, bedoeld in artikelen 7.43, tweede lid of 7.44 van de wet is verschuldigd, zich als eerste heeft ingeschreven;

p. ongedeelde opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de wet;

q. [vervallen;]

r. student: een persoon die

1°. in Nederland, Belgiė, Luxemburg of een van de deelstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen of Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland woont; en

2°. behoort tot een van de groepen van studerenden, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 of de Surinaamse nationaliteit bezit; en

3°. blijkens het CRIHO is ingeschreven voor een bacheloropleiding, terwijl hem nog geen graad is verleend; of

4°. blijkens het CRIHO is ingeschreven voor een masteropleiding, terwijl hem nog niet de graad Master is verleend;

s. peildatum: 30 september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld;

t. peilperiode: de periode van 1 oktober in het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld, tot en met 30 september in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld;

u. wettelijke studielast: het aantal studiepunten dat een opleiding omvat, bedoeld in de artikelen 7.4a, eerste tot en met zevende lid, en 7.4b, eerste en tweede lid, van de wet onderscheidenlijk artikel 5.4 van dit besluit;

v. wettelijke studielast: het aantal studiepunten dat een opleiding omvat, bedoeld in de artikelen 7.4a, eerste tot en met zevende lid, en 7.4b, eerste tot en met zevende lid, van de wet;

w. graad: een blijkens het CRIHO verleende graad Bachelor of graad Master, bedoeld in artikel 7.10a, eerste of tweede lid, van de wet, die is verleend aan een persoon;

x. promotie: de promotie, bedoeld in artikel 7.18 van de wet;

y. academisch ziekenhuis: een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel i van de bijlage van de wet.

 

Hoofdstuk 2. Bepalingen betreffende studenten

 

Afdeling 1. Persoonlijke en bijzondere omstandigheden

 

Artikel 2.1. Persoonlijke omstandigheden bij bindend studieadvies en verwijzing naar afstudeerrichting

1. De persoonlijke omstandigheden bedoeld in de artikelen 7.8b, derde lid, en 7.9, derde lid, van de wet, zijn uitsluitend:

a. ziekte van betrokkene,

b. lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis van betrokkene,

c. zwangerschap van betrokkene,

d. bijzondere familie-omstandigheden,

e. het lidmaatschap, daaronder begrepen het voorzitterschap, van:

1. bij universiteiten: de universiteitsraad, faculteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, onderscheidenlijk artikel 9.51, tweede lid, van de wet, het bestuur van een opleiding of de opleidingscommissie, alsmede het lidmaatschap van het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur gelet op de taak gelijk te stellen orgaan,

2. bij hogescholen: de medezeggenschapsraad, deelraad, studentencommissie of opleidingscommissie,

f. andere in de regelingen, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid, van de wet door het instellingsbestuur aan te geven omstandigheden waarin betrokkene activiteiten ontplooit in het kader van de organisatie en het bestuur van de zaken van de instelling,

g. het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel van een vergelijkbare organisatie van enige omvang, bij wie de behartiging van het algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat en die daartoe daadwerkelijk activiteiten ontplooit.

2. Het instellingsbestuur kan voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel g, nadere regels vaststellen omtrent het aantal bestuursleden dat ten hoogste per organisatie per studiejaar in aanmerking komt, zomede omtrent welke bestuursfuncties in aanmerking komen.

 

Afdeling 2. Collegegeld

 

Artikel 2.2. Omvang collegegeld

1. Het wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, zevende lid, van de wet is voor het studiejaar 2010/2011 1.672 euro.

2. Het bedrag, bedoeld in artikel 7.45, vierde lid, van de wet is 950 euro.

3. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt tot en met het studiejaar 2018/2019 jaarlijks verhoogd met 22 euro.

4. Bij ministeriėle regeling worden de in het eerste en tweede lid genoemde bedragen na verhoging van het bedrag, genoemd in het eerste lid, met het bedrag, genoemd in het derde lid, jaarlijks aangepast aan de hand van de consumentenprijsindex. De ministeriėle regeling wordt vastgesteld voor 1 november voorafgaand aan het studiejaar waarvoor het aangepaste collegegeld zal gelden. De aanpassing wordt bepaald door de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over de maand april, voorafgaand aan de vaststelling van de ministeriėle regeling, heeft ondergaan ten opzichte van de maand april in het daaraan voorafgaande jaar. De aldus verkregen wijziging van het collegegeldbedrag wordt afgerond op het naastbij gelegen gehele getal. De overeenkomstig dit lid gewijzigde bedragen treden in de plaats van de in het eerste en tweede lid genoemde bedragen.

5. Onder de consumentenprijsindex, bedoeld in het vierde lid, wordt verstaan: de consumentenprijsindex «reeks alle huishoudens» zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek.

 

Artikel 2.3. Uitbreiding categorie studenten wettelijk collegegeld

De categorie studenten waarvoor de in artikel 7.45, eerste lid, onder a, van de wet genoemde voorwaarde niet geldt, wordt uitgebreid met studenten die zijn ingeschreven bij de opleidingen:

a. B Educatie en Kennismanagement Groene Sector.

b. B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in levensmiddelentechnologie.

c. B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Dierenhouderij en Verwerking I en II.

d. B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Tuinbouw en Plantenteelt en Verwerking I en II.

e. B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Plantenteelt en Verwerking I en II.

f. B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Veehouderij en Verwerking I en II.

g. B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Agrarische Techniek I en II.

h. B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Agrarische Economie.

i. M Leren en Innoveren.

 

Artikel 2.4. Administratiekosten gespreide inning collegegeld

Het bedrag, bedoeld in artikel 7.47 van de wet, is 24 euro.

 

Artikel 2.5 [Vervallen per 01-09-2010]

 

Artikel 2.6 [Vervallen per 01-09-2010]

 

Artikel 2.7 [Vervallen per 01-09-2010]

 

Artikel 2.8 [Vervallen per 18-02-2009]

 

Artikel 2.9 [Vervallen per 01-09-2010]

 

Hoofdstuk 3. Bepalingen betreffende opleidingen

 

Afdeling 1. Centraal register opleidingen hoger onderwijs

 

Artikel 3.1. Indeling register

Het register bestaat uit de volgende onderdelen:

a. onderwijs,

b. landbouw en natuurlijke omgeving,

c. natuur,

d. techniek,

e. gezondheidszorg,

f. economie,

g. recht,

h. gedrag en maatschappij,

i. taal en cultuur, en

j. sectoroverstijgend.

 

Artikel 3.2. Subonderdelen

1.Het onderdeel onderwijs kent, naast opleidingen die niet onder een subonderdeel worden ondergebracht, de volgende subonderdelen:

a. masteropleidingen en voortgezette opleidingen tot leraar voortgezet onderwijs in algemene vakken, en

b. lerarenopleidingen op het gebied van de kunst.

2.Het onderdeel taal en cultuur kent, naast opleidingen die niet onder een subonderdeel worden ondergebracht, de volgende subonderdelen:

a. opleidingen op het gebied van de kunst, en

b. masteropleidingen op het gebied van de bouwkunst.

3.Het onderdeel sectoroverstijgend kent, naast opleidingen die niet onder een subonderdeel worden ondergebracht, het subonderdeel Onderwijs/Landbouw en Natuurlijke Omgeving/Natuur/Techniek/Gezondheid.

 

Artikel 3.3. Levering gegevens

Onze minister kan voorschriften geven voor de wijze waarop gegevens die in het register worden opgenomen, dienen te worden geleverd.

 

Artikel 3.4. Verstrekking gegevens

1.Op een daartoe ingediend verzoek kunnen gegevens die in het register zijn opgenomen, worden verstrekt. Bij dat verzoek wordt aangegeven welke gegevens worden verlangd alsmede de gewenste wijze van verstrekking.

2.Binnen een maand na ontvangst van het verzoek, wordt aan aanvrager bekendgemaakt of het verzoek kan worden gehonoreerd. Indien het verzoek zal worden gehonoreerd, wordt tevens aangegeven binnen welke termijn dit zal geschieden alsmede of aan de verstrekking kosten zijn verbonden en zo ja, hoe hoog de verschuldigde vergoeding, met inachtneming van artikel 3.5, zal zijn.

3.De verstrekking kan slechts worden geweigerd als de gevraagde gegevens niet beschikbaar zijn, of de gevraagde wijze van verstrekking niet kan worden uitgevoerd.

 

Artikel 3.5. Vergoeding verstrekte gegevens

1.Indien een verzoek als bedoeld in artikel 3.4 wordt gedaan door anderen dan de besturen van instellingen waarop de wet betrekking heeft, is voor het verstrekken van gegevens een vergoeding verschuldigd.

2.De verschuldigde vergoeding is afhankelijk van:

a. de tijd die aan het afhandelen van het verzoek wordt besteed, waarbij een tarief van € 26,32 per uur wordt berekend,

b. de hoeveelheid te verstrekken gegevens, waarbij een tarief van € 34,03 per 1 000 records wordt berekend en een tarief van € 2,27 per 1 000 regels,

c. de wijze van verstrekking van de gegevens, waarbij voor de gegevensdragers de kostprijs wordt berekend, en

d. de administratiekosten van € 3,18 per aanvraag alsmede de verzendkosten, waarvoor de kostprijs wordt berekend.

 

Afdeling 2. Aanvullende eisen met het oog op de inschrijving

 

Artikel 3.6. Aanwijzing bacheloropleidingen in het hbo

De bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs ten aanzien waarvan het eerste lid van artikel 7.26 van de wet toepassing kan vinden, zijn, ingedeeld naar de onderdelen van het register, genoemd in artikel 3.1:

a. binnen het onderdeel onderwijs:

1°. opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in lichamelijke oefening,

2°. opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Turks,

3°. tweedegraads lerarenopleiding verpleegkunde, en

4°. opleiding tot leraar van de tweede graad in Nederlandse gebarentaal/doventolk;

b. binnen het onderdeel techniek:

1°. opleiding maritiem officier, en

2°. opleiding kunst en techniek;

c. binnen het onderdeel gedrag en maatschappij:

1°. opleiding creatieve therapie, en

2°. opleiding sport en bewegen;

d. binnen het onderdeel gezondheidszorg:

1°. opleiding voor logopedie,

2°. opleiding tot verpleegkundige in de maatschappelijke gezondheidszorg,

3°. opleiding van management in de zorg,

4°. opleiding bewegingsagogie/psychomotorische therapie, en

5°. opleiding verloskunde;

e. binnen het onderdeel economie:

1°. opleiding hoger hotelonderwijs,

2°. opleiding Business Administration in Hotel Management, en

3°. opleiding Sport, Management en Ondernemen.

 

Afdeling 3 [Vervallen per 01-09-2010]

 

Artikel 3.7 [Vervallen per 01-09-2010]

 

Afdeling 4. Overige eigen bijdragen

Gereserveerd.

 

Hoofdstuk 4. Bepalingen over de berekening van de rijksbijdrage

 

Afdeling 1. Algemene bepalingen over de berekening van de rijksbijdrage

 

Artikel 4.1. Vaststelling omvang van de landelijk beschikbare rijksbijdrage

1. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt jaarlijks, in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die voor het desbetreffende begrotingsjaar is vastgesteld, de omvang vast van de landelijk beschikbare rijksbijdrage voor de instellingen die onderwijs verzorgen of onderzoek verrichten op een ander gebied dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, en de omvang van de delen daarvan.

2. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit stelt jaarlijks, in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit die voor het desbetreffende begrotingsjaar is vastgesteld, de omvang vast van de landelijk beschikbare rijksbijdrage voor de instellingen die onderwijs verzorgen of onderzoek verrichten op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, en de omvang van de delen daarvan.

3. De landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit:

a. een onderwijsdeel wo,

b. een onderwijsdeel hbo,

c. een onderzoekdeel wo,

d. een deel ontwerp en ontwikkeling hbo, en

e. een deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek.

4. De landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit:

a. een onderwijsdeel wo,

b. een onderwijsdeel hbo,

c. een onderzoekdeel wo, en

d. een deel ontwerp en ontwikkeling hbo.

 

Artikel 4.2. Verdeling van de landelijk beschikbare rijksbijdrage

1. Het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel a, wordt overeenkomstig afdeling 2 van dit hoofdstuk verdeeld over de instellingen die opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving of bij ministeriėle regeling aan te wijzen sectoroverstijgende opleidingen verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, onderdeel a.

2. Het onderwijsdeel hbo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel b, wordt overeenkomstig afdeling 2 van dit hoofdstuk verdeeld over de instellingen die opleidingen in het hoger beroepsonderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving of bij ministeriėle regeling aan te wijzen sectoroverstijgende opleidingen verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het onderwijsdeel hbo, bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, onderdeel b.

3. Het onderzoekdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel c, wordt overeenkomstig afdeling 3, paragraaf 1, van dit hoofdstuk verdeeld over de instellingen die opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving of bij ministeriėle regeling aan te wijzen sectoroverstijgende opleidingen verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, onderdeel c.

4. Het deel ontwerp en ontwikkeling hbo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel d, wordt overeenkomstig afdeling 3, paragraaf 2, verdeeld over de instellingen die opleidingen in het hoger beroepsonderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het deel ontwerp en ontwikkeling hbo, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, onderdeel d.

5. Het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, wordt over de universiteiten verdeeld overeenkomstig afdeling 4.

 

Artikel 4.3. Gegevens

1. Het instellingsbestuur verstrekt uiterlijk 30 november in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar aan Onze minister de ingevolge dit besluit voor de toepassing van afdeling 2 en artikel 4.20 noodzakelijke gegevens.

2. Het instellingsbestuur heeft tot 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar de gelegenheid de aangeleverde gegevens, bedoeld in het eerste lid, te corrigeren.

3. Gegevens die door het instellingsbestuur na 30 november in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar aan Onze minister worden geleverd, worden niet tot de gegevens voor de bekostiging gerekend, tenzij deze als gevolg van een buiten het instellingsbestuur liggende oorzaak na 30 november zijn aangeleverd.

4. Het instellingsbestuur van een universiteit verstrekt uiterlijk 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar Onze minister een overzicht van het aantal proefschriften en ontwerperscertificaten, bedoeld in artikel 4.21.

5. Het instellingsbestuur van de Universiteit Maastricht verstrekt uiterlijk 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar Onze minister tevens een overzicht van de aantallen inschrijvingen en van de aantallen graden, bedoeld in artikel 4.12.

6. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en hoofdstuk 5 wordt inzake de gegevens voorafgaand aan de peilperiode uitgegaan van de gegevens uit het CRIHO zoals vastgelegd in een historisch bestand hoger onderwijs aan de hand van de door instellingen aan het CRIHO aangeleverde gegevens over de periode 1 september 1991 tot en met 30 september 2008 inzake getuigschriften, graden en inschrijvingen voor zover deze bij ministeriėle regeling zijn gelijkgesteld met bekostigde inschrijvingen en bekostigde graden als bedoeld in dit besluit.

7. Aan het historisch bekostigingsbestand hoger onderwijs, bedoeld in het zesde lid, worden vanaf september 2008 jaarlijks toegevoegd de bekostigde inschrijvingen en de bekostigde graden, vastgesteld op basis van artikel 4.10.

 

Artikel 4.4. Controleprotocol

1. De gecorrigeerde gegevens, bedoeld inartikel 4.3, tweede lid, en de gegevens, bedoeld in artikel 4.3, vierde en vijfde lid, gaan vergezeld van een verklaring van een accountant.

2. Bij ministeriėle regeling worden voorschriften vastgesteld over de controle van de jaarrekening, de besteding van de rijksbijdrage en de juistheid van de door de instellingsbesturen opgegeven bekostigingsgegevens, daaronder begrepen voorschriften over de controle op de rechtmatigheid van de verkrijging van de rijksbijdrage en de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding van de rijksbijdrage.

 

Artikel 4.5. Bijstelling bedragen en percentages

De bedragen en verdelingen, vastgesteld op grond van de afdelingen 2, 3 en 4 van dit hoofdstuk, kunnen bij ministeriėle regeling worden gewijzigd, voor zover wijzigingen in de onderdelen van de rijksbegroting die op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking hebben daartoe aanleiding geven.

 

Artikel 4.6. Overleg

Een ministeriėle regeling als bedoeld in de artikelen 4.5, 4.11, 4.22 tot en met 4.27 en 5.2, wordt vastgesteld na overleg als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de wet.

 

Afdeling 2. Bepalingen over de rijksbijdrage vanwege het verzorgen van onderwijs

 

Artikel 4.7. Studentgebonden financiering

1. Uit elk van de onderwijsdelen wordt aan de rijksbijdrage van een instelling een bedrag toegevoegd dat gelijk is aan de som van de bedragen per opleiding, bedoeld in het tweede lid, voor alle opleidingen behorend tot de desbetreffende soort hoger onderwijs die door die instelling worden verzorgd.

2. Het bedrag per opleiding is het product van het studentgebonden bedrag, bedoeld in het derde lid, en het aantal bekostigde inschrijvingen en graden voor die opleiding, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.10, eerste lid.

3. Het studentgebonden bedrag per bekostigde inschrijving of graad is:

1°. voor opleidingen in wetenschappelijk onderwijs, het quotiėnt van een door Onze Minister te bepalen percentage van het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, resterend na toepassing van artikel 4.11, eerste lid, en de som van de aantallen bekostigde inschrijvingen en bekostigde graden bij opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;

2°. voor opleidingen in hoger beroepsonderwijs, het quotiėnt van een door Onze Minister te bepalen percentage van het onderwijsdeel hbo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, resterend na toepassing van artikel 4.11, eerste lid, en de som van de aantallen bekostigde inschrijvingen en bekostigde graden bij opleidingen in hoger beroepsonderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;

 

Artikel 4.8. Bekostigde inschrijving

1. Een in het CRIHO geregistreerde inschrijving voor een opleiding van eerste inschrijving van een student voor een bacheloropleiding geldt als een bekostigde inschrijving op de peildatum, indien het totaal aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor bacheloropleidingen kleiner is dan de wettelijke studielast van de desbetreffende opleiding, gedeeld door 60.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inschrijving van een student voor een masteropleiding.

3. Dit artikel is niet van toepassing op inschrijvingen aan de Open Universiteit.

 

Artikel 4.9. Bekostigde graden

1. Onder bekostigde graad Bachelor wordt verstaan: een graad Bachelor als bedoeld in artikel 7.10a van de wet, in de peilperiode verleend aan een student.

2. Onder bekostigde graad Master wordt verstaan: een graad Master als bedoeld in artikel 7.10a van de wet, in de peilperiode verleend aan een student.

 

Artikel 4.10. Aantal bekostigde inschrijvingen en graden per opleiding

1. Het aantal bekostigde inschrijvingen en graden voor een opleiding is het product van de factor behorend bij het bekostigingsniveau van de desbetreffende opleiding, bedoeld in het tweede lid, en de som van:

a. het aantal bekostigde inschrijvingen voor die opleiding, en

b. het aantal bekostigde graden dat in die opleiding is verleend.

2. De factoren behorend bij de bekostigingsniveaus van de opleidingen worden vastgesteld bij ministeriėle regeling. Deze factoren kunnen verschillen voor opleidingen in het wetenschappelijk onderscheidenlijk het hoger beroepsonderwijs, en voor bachelor- onderscheidenlijk masteropleidingen.

3. Indien in het kader van een gezamenlijke opleiding of gezamenlijke afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3c van de wet sprake is van registratie van bekostigde graden bij verschillende Nederlandse instellingen wordt het aantal bekostigde graden dat het betreft bij elk van deze instellingen gedeeld door het aantal Nederlandse instellingen dat bij de gezamenlijke opleiding of gezamenlijke afstudeerrichting betrokken is.

 

Artikel 4.11. Onderwijsopslag

1. Onze Minister kan uit het onderwijsdeel van de rijksbijdrage, bedoeld inartikel 4.1, derde lid, onder a onderscheidenlijk b, en vierde lid, onder a onderscheidenlijk b, aan een universiteit onderscheidenlijk een hogeschool een bedrag toekennen dat bij ministeriėle regeling wordt vastgesteld in relatie tot kwaliteit, kwetsbare opleidingen of bijzondere voorzieningen.

2. Het gedeelte van een onderwijsdeel dat resteert na toepassing van het eerste lid en van artikel 4.7 wordt over de universiteiten onderscheidenlijk hogescholen verdeeld volgens percentages, vastgesteld bij ministeriėle regeling.

 

Artikel 4.12. Bijzondere bepaling Universiteit Maastricht en Open Universiteit

1. Onder een opleiding, bedoeld in het artikel 4.10, eerste lid, verzorgd door de Universiteit Maastricht, is begrepen een opleiding verzorgd door de transnationale Universiteit Limburg, bedoeld in artikel 2.5, lid 1a, onder b, van de wet.

2. Bij de vaststelling van het aantal bekostigde inschrijvingen en het aantal bekostigde graden van de Universiteit Maastricht worden de op grond vanartikel 4.10, eerste lid, berekende aantallen vermeerderd met de aantallen inschrijvingen van personen met de Nederlandse nationaliteit, respectievelijk de aantallen graden van personen met de Nederlandse nationaliteit van de transnationale Universiteit Limburg. Onder de aantallen inschrijvingen en graden met de Nederlandse nationaliteit worden tevens begrepen de aantallen inschrijvingen en graden van ingeschrevenen die de Nederlandse noch de Belgische nationaliteit bezitten en die voor bekostiging door de Nederlandse overheid in aanmerking worden genomen op grond van artikel 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van Belgiė inzake de transnationale Universiteit Limburg.

3. Voor de toepassing van de artikelen 4.9 en 4.20 gelden voor de Open Universiteit als bekostigde graden de graden die zijn verleend in de peilperiode aan een persoon die is ingeschreven bij de Open Universiteit, voldoet aan het bepaalde in artikel 1.1, onderdeel r, onder 1° en 2° en bij inschrijving voor een onderwijseenheid die deel uitmaakt van een bacheloropleiding nog geen graad is verleend of bij inschrijving voor een onderwijseenheid die deel uitmaakt van een masteropleiding nog niet de graad Master is verleend.

 

Artikel 4.13 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 4.14 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 4.15 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 4.16 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 4.17 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 4.18 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 4.19 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Afdeling 3. Bepalingen over de rijksbijdrage vanwege het verrichten van onderzoek

 

§ 1. Onderzoekdeel wo

 

Artikel 4.20. Graden

1. Een door Onze minister te bepalen deel van het onderzoekdeel wo wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van de som van de aantallen bekostigde graden per opleiding, bedoeld in artikel 4.9, die in de peilperiode door een universiteit zijn verleend.

2. Het aantal te bekostigen graden in een opleiding is gelijk aan het product van het aantal graden, verleend in die opleiding, de factor 2 voor zover het een graad Master betreft, en de factor, behorend bij het bekostigingsniveau van de desbetreffende opleiding.

3. De factoren behorend bij de bekostigingsniveaus van de opleidingen zijn:

a. voor een laag bekostigingsniveau: 1,

b. voor een hoog bekostigingsniveau: 1,5, en

c. voor een topbekostigingsniveau: 3.

4. Onder de aantallen graden, bedoeld in het eerste lid, verleend door de Universiteit Maastricht, zijn begrepen de aantallen graden, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.12, tweede lid, verleend door de transnationale Universiteit Limburg, bedoeld in artikel 2.5a van de wet.

 

Artikel 4.21. Promoties en certificaten

1. Uit het onderzoekdeel wo ontvangt een universiteit per proefschrift leidend tot een promotie in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, een bij ministeriėle regeling te bepalen bedrag.

2. Uit het onderzoekdeel wo ontvangt een universiteit per ontwerperscertificaat dat is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, een bij ministeriėle regeling te bepalen bedrag.

3. Onder ontwerperscertificaat wordt verstaan een getuigschrift, uitgereikt aan een technologisch ontwerper na het met goed gevolg afronden van onderwijs als bedoeld in bijlage 7 bij dit besluit.

4. Indien vanwege toepassing van artikel 7.18, zesde lid, van de wet sprake is van gezamenlijke graadverlening Doctor bij verschillende Nederlandse instellingen wordt het aantal proefschriften dat het betreft bij elk van deze instellingen gedeeld door het aantal Nederlandse instellingen dat bij de gezamenlijke graadverlening betrokken is.

 

Artikel 4.22. Onderzoekscholen en toponderzoekscholen

1. Een door Onze minister te bepalen deel van het onderzoekdeel wo wordt voor onderzoekscholen over de universiteiten verdeeld volgens de percentages, vastgesteld bij ministeriėle regeling.

2. Een door Onze minister te bepalen deel van het onderzoekdeel wo wordt voor toponderzoekscholen over de universiteiten verdeeld volgens de percentages, vastgesteld bij ministeriėle regeling.

 

Artikel 4.23. Bedragen onderzoek (strategische overwegingen)

1. Uit het onderzoekdeel wo kunnen aan de rijksbijdrage van de universiteiten de bedragen, vastgesteld bij ministeriėle regeling, worden toegevoegd.

2. De verdeling van het deel van het onderzoekdeel wo dat na toepassing van de artikelen 4.20 tot en met 4.22 en het eerste lid resteert, wordt, onverminderd artikel 4.5, over de universiteiten, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d ten 1°, bij ministeriėle regeling vastgesteld.

3. Indien een universiteit naar het oordeel van Onze minister onvoldoende rekening houdt met de prioriteit- en posterioriteitstelling van de wetenschapsgebieden die zijn aangeduid in het wetenschapsbudget, bedoeld in artikel 16a van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, wordt daarover en over de mogelijke gevolgen voor de bekostiging van de desbetreffende universiteit overleg gevoerd als bedoeld in artikel 3.1 van de wet.

4. Indien het overleg, bedoeld in het derde lid, daartoe aanleiding geeft, kan bij ministeriėle regeling worden afgeweken van de verdeling, bedoeld in het tweede lid.

5. Een herverdeling als bedoeld in het vierde lid kan per universiteit ten hoogste drie procent van de omvang van het bedrag strategische overwegingen voor die universiteit betreffen.

 

§ 2. Deel ontwerp en ontwikkeling hbo

 

Artikel 4.24. Ontwerp en ontwikkeling hbo

1.Onze minister kan uit het deel ontwerp en ontwikkeling hbo aan een instelling een bedrag toekennen dat bij ministeriėle regeling wordt vastgesteld.

2.Het gedeelte van het deel ontwerp en ontwikkeling hbo dat resteert nadat het eerste lid is toegepast, wordt over de hogescholen verdeeld naar rato van de verdeling van het onderwijsdeel hbo.

 

Afdeling 4. Bepalingen betreffende de rijksbijdrage vanwege werkzaamheden ten dienste van wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek

 

Artikel 4.25. Rente en afschrijving voor investeringen tot en met 2007

1.Uit het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek wordt aan de rijksbijdrage van een universiteit waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden, een bedrag toegevoegd voor rente en afschrijving ten behoeve van investeringen voor academische ziekenhuizen in de begrotingsjaren tot en met 2007. Dit bedrag is gelijk aan de som van de vergoedingen die op grond van het tweede lid zijn berekend over het in bijlage 10 bij dit besluit genoemde OCW-deel van de investeringsbedragen. De investeringsbedragen zijn ingedeeld in ten hoogste vier categorieėn met verschillende afschrijvingspercentages.

2.De vergoeding per categorie, bedoeld in het eerste lid, is samengesteld uit:

a. het jaarlijkse afschrijvingsbedrag, genoemd inbijlage 11, totdat het investeringsbedrag, genoemd in bijlage 10, volledig is vergoed, en

b. de rente, berekend met het rentepercentage, bedoeld in het vierde lid, over het verschil tussen het investeringsbedrag, genoemd in bijlage 10, en de gecumuleerde afschrijvingen.

3.Onder de gecumuleerde afschrijvingen, bedoeld in het tweede lid, met betrekking tot enig begrotingsjaar wordt verstaan het gecumuleerde afschrijvingsbedrag 2007, genoemd in bijlage 12, vermeerderd met het product van het afschrijvingsbedrag, genoemd inbijlage 11, en het aantal jaren dat sinds 2007 is verstreken met inbegrip van het jaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld.

4.Bij ministeriėle regeling wordt ten behoeve van de investeringen voor academische ziekenhuizen in een bepaald begrotingsjaar een rentepercentage vastgesteld voor een tijdvak van 10 jaar. Na het tijdvak wordt het rentepercentage telkens voor een tijdvak van 10 jaar bij ministeriėle regeling vastgesteld.

 

Artikel 4.26. Rente en afschrijving voor investeringen vanaf 2008

1.Uit het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek wordt aan de rijksbijdrage van een universiteit waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden een bedrag toegevoegd voor rente en afschrijving ten behoeve van investeringen in de begrotingsjaren vanaf 2008. Dit bedrag is de som van de vergoedingen die op grond van het tweede lid zijn berekend over het in de besluiten inzake bouwvolume vermelde OCW-deel van de investeringsbedragen voor het desbetreffende academisch ziekenhuis.

2.De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is samengesteld uit:

a. het jaarlijkse afschrijvingsbedrag ter hoogte van 3,36 procent van het investeringsbedrag, totdat het investeringsbedrag volledig is vergoed, en

b. de jaarlijks te berekenen rentevergoeding over het verschil tussen het investeringsbedrag en de gecumuleerde afschrijvingen.

Vergoeding van het bedrag onder a vindt plaats met ingang van het begrotingsjaar na het jaar waarvoor het investeringsbedrag in het besluit inzake bouwvolume is opgenomen.

3.In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, wordt de rentevergoeding voor het begrotingsjaar waarvoor het investeringsbedrag in het besluit inzake bouwvolume is opgenomen, berekend over 50 procent van het OCW-deel van het investeringsbedrag.

4.Onder gecumuleerde afschrijvingen, bedoeld in het tweede lid, met betrekking tot enig begrotingsjaar wordt verstaan de som van de totaal vergoede afschrijvingsbedragen met betrekking tot het OCW-deel van een investeringsbedrag sedert de vaststelling van het besluit inzake bouwvolume waarin dat investeringsbedrag is opgenomen, met inbegrip van het afschrijvingsbedrag voor het begrotingsjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld.

5.Artikel 4.25, vierde lid, is van toepassing.

6.Jaarlijks voor 1 november nemen Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze minister een besluit waarin het voor het daaropvolgende begrotingsjaar toegestane bouwvolume wordt vastgesteld. In dat besluit worden in elk geval opgenomen het investeringsbedrag per academisch ziekenhuis en het OCW-deel daarvan. Onze minister besluit daarbij tevens welk rentepercentage, bedoeld in artikel 4,25, vierde lid, voorlopig voor de investering in dat begrotingsjaar wordt gehanteerd.

7.Indien het rentepercentage, bedoeld in artikel 4,25, vierde lid, wordt vastgesteld na afloop van het begrotingsjaar, bedoeld in het zesde lid, wordt de te veel of te weinig toegekende rentevergoeding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, over een of meer begrotingsjaren verrekend met het bedrag voor rente en afschrijving van het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek van de desbetreffende universiteit.

 

Artikel 4.27. Onderwijs en onderzoek

1. Van het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek dat na toepassing van de artikelen 4.25 en 4.26 resteert wordt:

a. 7,5 procent gelijkelijk verdeeld over de universiteiten waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden,

b. 21 procent verdeeld naar rato van het aantal bekostigde inschrijvingen, bedoeld in artikel 4.8, aan de opleidingen geneeskunde, geneeskunde-klinisch onderzoeker en arts-klinisch onderzoeker van de universiteit,

c. 14 procent verdeeld naar rato van het aantal door de universiteit verleende bekostigde graden Master, bedoeld in artikel 4.9, voor opleidingen geneeskunde, geneeskunde-klinisch onderzoeker en arts-klinisch onderzoeker van de universiteit,

d. een bij ministeriėle regeling vast te stellen bedrag toegevoegd aan de rijksbijdrage van de desbetreffende universiteit.

2. Het deel van het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek dat na toepassing van de artikelen 4.25 en 4.26 en het eerste lid resteert, wordt verdeeld volgens de percentages, genoemd in bijlage 13 bij dit besluit.

 

Hoofdstuk 5. Overgangsbepalingen

 

Artikel 5.1 [Vervallen per 01-01-2011]

 

Artikel 5.2. Opleidingen onderwijs en gezondheidszorg

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder leraren- of gezondheidszorgopleiding verstaan: een opleiding die is ingedeeld in het CROHO-onderdeel onderwijs of het onderdeel gezondheidszorg of een bij ministeriėle regeling daarmee gelijkgestelde opleiding.

2. Indien een persoon is ingeschreven voor een leraren- of gezondheidszorgopleiding wordt in afwijking van artikel 1.1, onderdeel r, onder 3° en 4°, het volgende gelezen:

3°. blijkens het CRIHO is ingeschreven voor een bacheloropleiding leraren- of gezondheidszorgopleiding, terwijl hem nog geen graad voor een leraren-of gezondheidszorgopleiding is verleend; of

4°. blijkens het CRIHO is ingeschreven voor een masteropleiding leraren- of gezondheidszorgopleiding, terwijl hem nog geen graad Master voor een leraren- of gezondheidszorgopleiding is verleend.

3. Indien het tweede lid van toepassing is en de student is reeds een graad voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding verleend, blijven voor de toepassing van artikel 4.8 de bekostigde inschrijvingen voor een bacheloropleiding voorafgaand aan het moment van de eerste graadverlening voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding buiten beschouwing.

4. Indien het tweede lid van toepassing is en de student is reeds een graad Master voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding verleend, blijven voor de toepassing van artikel 4.8 de bekostigde inschrijvingen voor een masteropleiding voorafgaand aan het moment van de verlening van de eerste graad Master voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding buiten beschouwing.

 

Artikel 5.3. Gelijkstelling bekostigde inschrijvingen en graden

1. Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt onder een bacheloropleiding ook verstaan een inschrijving voor een ongedeelde opleiding van een persoon aan wie nog niet de graad Bachelor is verleend en bij wie het aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor bachelor- en ongedeelde opleidingen kleiner is dan drie. Onder een masteropleiding wordt ook verstaan een inschrijving voor een ongedeelde opleiding van een persoon bij wie het aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor bachelor- of ongedeelde opleidingen drie of meer bedraagt of aan wie de graad Bachelor is verleend. De studielast van deze masteropleiding is gelijk aan de studielast van de ongedeelde opleiding verminderd met 180.

2. Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt voor een student aan wie reeds een graad voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding is verleend en bij wie het totaal aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor een bachelor- of ongedeelde leraren- of gezondheidszorgopleiding kleiner is dan drie, een inschrijving voor een bachelor- of ongedeelde leraren- of gezondheidszorgopleiding beschouwd als een inschrijving voor een bacheloropleiding.

3. Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt een inschrijving voor een ongedeelde leraren- of gezondheidszorgopleiding van een student aan wie reeds een graad voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding is verleend en bij wie het totaal aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor een bachelor- of ongedeelde leraren- of gezondheidszorgopleiding drie of meer bedraagt of aan wie de graad Bachelor voor een leraren- of gezondheidszorgopleiding is verleend, beschouwd als een inschrijving voor een masteropleiding met een studielast die gelijk is aan de studielast van de ongedeelde opleiding verminderd met 180.

4. Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt een inschrijving voor een universitaire lerarenopleiding als bedoeld in artikel 18.64 van de wet of voor een voortgezette hbo-opleiding als bedoeld in artikel 18.20 van de wet beschouwd als een inschrijving voor een masteropleiding.

5. Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt als een student aan wie de graad Master is verleend, tevens beschouwd een student die:

a. het afsluitend examen van een universitaire lerarenopleiding als bedoeld in artikel 18.64 van de wet met goed gevolg heeft afgelegd, of

b. het afsluitend examen van een voortgezette hbo-opleiding als bedoeld in artikel 18.20 van de wet met goed gevolg heeft afgelegd.

6. Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt een student die het afsluitend examen van een ongedeelde opleiding met goed gevolg heeft afgelegd beschouwd als een student aan wie zowel de graad Bachelor als de graad Master is verleend.

 

Artikel 5.4. Studielast masteropleiding pedagogiek hbo

Voor de masteropleiding pedagogiek in het hoger beroepsonderwijs wordt de studielast door de instelling vastgesteld op ten minste 60 en ten hoogste 90 studiepunten.

 

Artikel 5.5 [Vervallen per 01-01-2012]

 

Artikel 5.6 [Vervallen per 01-01-2010]

 

Hoofdstuk 6. Bepalingen over personeel

 

Artikel 6.1. Algemene bepaling hoofdstuk 6

1.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn regels voor onderzoekinstellingen en voor openbare universiteiten, academische ziekenhuizen en hogescholen, alsmede voorwaarden voor bekostiging van bijzondere universiteiten en hogescholen.

2.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder een onderzoekinstelling: de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam en de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage, genoemd in artikel 1.2, onder d, van de wet, alsmede de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, genoemd in artikel 2 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.

3.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bestuur: het instellingsbestuur van een universiteit, hogeschool, de raad van bestuur van een academisch ziekenhuis of het algemeen bestuur van een onderzoekinstelling.

4.Het bestuur of diens rechtsopvolger is gehouden de aanspraken van het personeel en het gewezen personeel die uit de wet voortvloeien of krachtens dit besluit worden vastgesteld dan wel bij of krachtens dit besluit worden gehandhaafd, te honoreren.

5.Indien een rechtsopvolger als bedoeld in het vierde lid ontbreekt, waaronder tevens is begrepen het geval van een onherroepelijk vonnis tot faillietverklaring van de desbetreffende instelling, voorzien de besturen in het desbetreffende deelgebied er gezamenlijk in dat aan de verplichtingen van het vierde lid jegens het personeel en het gewezen personeel wordt voldaan.

 

Artikel 6.2. Werkloosheid

Bij de vaststelling van de regels voor uitkeringen wegens werkloosheid draagt het bestuur er zorg voor dat de aanspraken van het personeel en het gewezen personeel ten minste gelijk, doch in elk geval ten minste gelijkwaardig zijn aan de aanspraken die het personeel zou hebben op grond van de Werkloosheidswet. Het bestuur handhaaft hierbij tevens de aanspraken van het gewezen personeel die aan dat personeel zijn gegarandeerd bij of krachtens de regelingen die volgens dit besluit komen te vervallen.

 

Artikel 6.3. Ziekte en arbeidsongeschiktheid

Bij de vaststelling van de regels voor uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid draagt het bestuur er zorg voor dat de aanspraken van het personeel en het gewezen personeel ten minste gelijk, doch in elk geval ten minste gelijkwaardig zijn aan de aanspraken die het personeel zou hebben op grond van de Ziektewet, de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte, onderscheidenlijk de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen.

 

Artikel 6.4. Tegemoetkoming aan de voorzitter en de andere leden van een raad van toezicht

1.De voorzitter en de andere leden van een raad van toezicht als bedoeld in artikel 9.7, artikel 11.5, of 12.10 van de wet hebben per kalenderjaar aanspraak op een tegemoetkoming.

2.De omvang van de tegemoetkoming per kalenderjaar wordt bepaald bij ministeriėle regeling.

3.De tegemoetkoming wordt naar evenredigheid verminderd, indien het voorzitterschap of het lidmaatschap van de raad van toezicht in de loop van een kalenderjaar is aangevangen of beėindigd.

 

Artikel 6.5. Ondernemingsraden

De Wet op de ondernemingsraden is, met uitzondering van hoofdstuk VIII B, van toepassing op:

a. de Open Universiteit,

b. de openbare academische ziekenhuizen, en

c. de onderzoeksinstellingen.

 

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

 

Artikel 7.1. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt voor wat betreft de artikelen 3.1 en 3.2 terug tot en met 1 mei 1993.

 

Artikel 7.2. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WHW 2008.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 22 september 1993

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,
M.J. Cohen

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
P. Bukman

 

Uitgegeven de dertigste september 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin

 

 

Bijlagen niet opgenomen

 

 

 

 

    
 

x

   

home | WHW | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x