| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)
REGELING
AANMELDING EN SELECTIE HOGER ONDERWIJS
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
Uitvoering van het nieuwe selectiesysteem voor fixusopleidingen in
het hoger onderwijs
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
Mede namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij;
Gelet op artikel 7.37, derde lid, alsmede op de
artikelen 7.57a, vierde lid, 7.57b, derde en vijfde lid,
7.57c, vierde lid, 7.57e, vijfde lid, 7.57f, eerste
lid, en 16.9a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de wet:
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
b. instelling:
een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2,
onder a, van de wet, met uitzondering van de Open Universiteit;
c. studiejaar:
het tijdvak van 1 september tot en met 31 augustus van het
volgende jaar;
d. opleiding:
een opleiding als bedoeld in artikel 7.3 van de wet;
e. fixusopleiding:
een opleiding waarvoor krachtens artikel 7.53 of artikel 7.56
van de wet een toelatingsbeperking geldt;
f. gegadigde:
degene die zich als student voor de eerste maal voor de
propedeutische fase van een bepaalde opleiding wil laten
inschrijven;
g. selectieprocedure:
de selectieprocedure, bedoeld in artikel 7.57a, derde lid,
onder a, van de wet;
h. lotingsprocedure:
de lotingsprocedure, bedoeld in artikel 7.57a, derde lid, onder
b, van de wet;
i. decentrale selectie:
decentrale selectie als bedoeld in artikel 7.57e van de wet;
j. bewijs van toelating:
een bewijs van toelating als bedoeld in artikel 7.57a, tweede
lid, van de wet;
k. diploma:
een diploma als bedoeld in artikel 7.24, eerste en tweede lid,
van de wet, dan wel een daarmee overeenkomend diploma, behaald in
Suriname, Curaçao, Sint Maarten of Aruba;
l. getuigschrift:
een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.28, eerste lid, van
de wet;
m. cijferlijst:
een cijferlijst, behorend bij een diploma;
n. sufficiëntieverklaring:
een door het bestuur van een instelling krachtens artikel 7.25,
vierde lid, of artikel 7.28, vierde lid, van de wet afgegeven
verklaring, inhoudende dat de gegadigde voldoet aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 7.25, eerste, tweede of derde lid,
van de wet;
o. de Minister:
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover
het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van de
landbouw en de natuurlijke omgeving, de Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit.
2. Voor de toepassing van deze regeling wordt met een diploma
gelijkgesteld het diploma van het Europees baccalaureaat van de
Europese school, bedoeld in het Statuut van de Europese school (Tractatenblad
1957, nr. 246), voor zover dat baccalaureaat het vak Nederlands als
eerste of tweede taal omvat.
3. Voor de toepassing van deze regeling wordt met een getuigschrift
gelijkgesteld:
a. het getuigschrift van een niet in artikel 7.24 van de wet
bedoelde vooropleiding of een niet in artikel 7.28, eerste lid,
van de wet bedoelde opleiding dat op grond van een voor Nederland
in werking getreden internationale overeenkomst toegangsrecht tot
het Nederlandse hoger onderwijs met zich meebrengt;
b. een verklaring van de Minister die krachtens machtiging door
het bestuur van een instelling tot uitvoering van artikel 7.28,
tweede lid, van de wet is afgegeven, inhoudende dat de gegadigde
tot het Nederlandse hoger onderwijs kan worden toegelaten;
c. een gewaarmerkte verklaring van het bestuur van een
instelling, inhoudende dat de gegadigde met toepassing van de
artikelen 7.28, tweede lid, of 7.29, eerste, derde of vierde lid,
van de wet, onverminderd artikel 7.28, vierde lid, van de wet, tot
de opleiding van zijn keuze kan worden toegelaten.
4. De data in deze regeling vallen steeds in het studiejaar dat
voorafgaat aan het studiejaar waarvoor inschrijving wordt beoogd,
tenzij anders is bepaald en met dien verstande dat de data tussen 31
augustus en 2 oktober telkens vallen in het studiejaar waarvoor
inschrijving wordt beoogd.
Hoofdstuk 2. Aanmelding
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 2. Formulier
1. De in artikel 7.37, vierde lid, van de wet bedoelde aanmelding
geschiedt door inlevering bij de Minister van het daarvoor bestemde,
ingevulde en ondertekende formulier danwel digitaal via een door de
Minister gevalideerd medium. Beide omvatten in elk geval vragen
omtrent de naam, de geboortedatum en -plaats, het adres en de
nationaliteit van de gegadigde.
2. De Minister verifieert de persoonsgegevens van de gegadigde die
overeenkomstig het eerste lid dienen te worden vermeld, aan de hand
van de over de gegadigde in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens opgenomen gegevens.
3. Indien de gegadigde buiten Nederland woonachtig is, gaat het
formulier vergezeld van een fotokopie van de persoonsgegevens uit het
paspoort of uit het rijbewijs, een uittreksel uit het
bevolkingsregister dan wel een uittreksel uit of een fotokopie van de
geboorteakte.
Artikel 3. Bevestiging aanmelding
1. De gegadigde die zich heeft aangemeld, ontvangt hiervan een
digitale bevestiging.
2. De Minister maakt aan de gegadigde tevens zo spoedig mogelijk
bekend:
a. of de opleiding waarvoor hij zich aanmeldt, een
fixusopleiding is,
b. of de instelling voor die fixusopleiding artikel 28wenst toe
te passen, en
c. welke andere fixusopleidingen zullen bestaan.
3. In afwijking van het eerste lid, ontvangt de gegadigde, die zich
heeft aangemeld voor een fixusopleiding, een schriftelijke
bevestiging.
Artikel 4. Bepalingen voor fixusopleidingen
De paragrafen 3, 4 en 5 van dit hoofdstuk, hoofdstuk 3 enartikel 32
zijn uitsluitend van toepassing op fixusopleidingen.
§ 2. Aanmelding voor opleidingen waarvoor aanvullende eisen gelden
Artikel 5. Opleidingen waarvoor aanvullende eisen gelden
1. De gegadigde die wenst te worden ingeschreven voor een opleiding
waarvoor krachtens artikel 7.26 of artikel 7.26a van de wet
aanvullende eisen zijn gesteld, meldt zich voor 15 januari aan bij de
instelling voor het onderzoek dienaangaande.
2. De desbetreffende instelling draagt er zorg voor dat de
gegadigde voor 15 april de uitslag van het onderzoek verneemt.
3. De gegadigde die aan de aanvullende eisen voldoet en aan de
desbetreffende opleiding wenst te worden ingeschreven, meldt zich
overeenkomstig artikel 2 aan bij de Minister.
§ 3. Aanmelding voor fixusopleidingen
Artikel 6. Termijn aanmelding voor fixusopleiding
Onverminderd de overige bepalingen van deze paragraaf en de artikelen
22 tot en met 24, geschiedt de aanmelding voor een fixusopleiding voor
15 mei.
Artikel 7. Inzending van bescheiden - algemene regeling
1. De gegadigde die zich heeft aangemeld, zendt voor 23 juni aan de
Minister:
a. een gewaarmerkt afschrift van zijn cijferlijst of
b. een gewaarmerkt afschrift van zijn getuigschrift.
2. Indien krachtens artikel 7.25 van de wet nadere
vooropleidingseisen zijn gesteld, zendt de gegadigde die zich heeft
aangemeld, voor 15 mei aan de Minister een bewijsstuk waaruit blijkt
dat hij aan die eisen voldoet. Dit bewijsstuk bestaat uit:
a. een gewaarmerkt afschrift van zijn cijferlijst waaruit
blijkt dat hij aan deze eisen voldoet, of
b. een sufficiëntieverklaring.
3. Indien de gegadigde voor de in het eerste of tweede lid genoemde
tijdstippen niet over de desbetreffende bewijsstukken beschikt,
verklaart hij voor de in die leden genoemde tijdstippen schriftelijk
aan de Minister om welke reden toezending van die bewijsstukken op een
later tijdstip geschiedt. De gegadigde, bedoeld in het tweede lid,
neemt tevens artikel 8 in acht.
4. Na toepassing van het derde lid zendt de gegadigde, bedoeld in
het eerste lid, aan de Minister:
a. voor 5 juli een gewaarmerkt afschrift van zijn cijferlijst
behorend bij een in Nederland behaald diploma voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs,
tenzij de gegadigde deelneemt aan een staatsexamen of een verlaat
examen;
b. voor 1 september een gewaarmerkt afschrift van zijn
cijferlijst in andere dan onder a bedoelde gevallen;
c. voor 1 september een gewaarmerkt afschrift van zijn
getuigschrift, indien hij aan een hogeschool deelneemt aan een
propedeutisch of afsluitend examen als bedoeld in artikel 7.28,
eerste lid, van de wet. In andere gevallen zendt de gegadigde,
bedoeld in het eerste lid, die het derde lid heeft toegepast, een
gewaarmerkt afschrift van zijn getuigschrift voor 1 augustus aan
de Minister.
5. Na toepassing van het derde lid zendt de gegadigde, bedoeld in
het tweede lid, aan de Minister de bewijsstukken, bedoeld in het
tweede lid, voor 23 juni aan de Minister. Indien de gegadigde voor die
datum niet in staat is deze bewijsstukken aan de Minister toe te
zenden, is het vierde lid van overeenkomstige toepassing, behoudens in
de gevallen bedoeld in artikel 8, tweede lid.
Artikel 8. Latere inzending bescheiden in verband met nadere
vooropleidingseisen
1. De gegadigde, bedoeld in artikel 7, tweede lid, die bij de
aanmelding nog niet voldoet aan de in artikel 7.24 van de wet bedoelde
vooropleidingseisen, kan artikel 7, derde lid, slechts toepassen,
indien hij voor 15 mei aan de Minister overlegt:
a. een opgave van zijn pakketkeuze of zijn in artikel 7.25 van
de wet bedoelde profielkeuze waaruit blijkt dat hij aan de nadere
vooropleidingseisen zal voldoen, of
b. een gewaarmerkte verklaring, afgegeven door een instelling,
waaruit blijkt dat hij met zijn diploma of zijn getuigschrift
tevens zal voldoen aan de in artikel 7.25 van de wet bedoelde
nadere vooropleidingseisen.
2. De gegadigde die bij de aanmelding reeds voldoet aan de in
artikel 7.24 van de wet bedoelde vooropleidingseisen, doch op dat
tijdstip niet voldoet aan de in artikel 7.25 van de wet bedoelde
nadere vooropleidingseisen, legt voor 15 mei een bewijsstuk over,
bestaande uit een van de in het eerste lid genoemde bewijsstukken, dan
wel een verklaring dat hij deelneemt of zal deelnemen aan het
onderzoek ter verkrijging van een sufficiëntieverklaring. Deze
gegadigde zendt zijn sufficiëntieverklaring voor 1 september aan de
Minister.
§ 4. Bijzondere bepalingen voor de aanmelding voor decentrale
selectie
Artikel 9. Aanmelding voor decentrale selectie
1. De gegadigde die wenst deel te nemen aan decentrale selectie,
meldt zich hiertoe voor 15 januari aan bij de Minister. Indien zijn
aanmelding een opleiding betreft waarop artikel 7.57d van de wet van
toepassing is, vermeldt hij daarbij tevens bij welke universiteit hij
aan de decentrale selectie deel wil nemen.
2. Het bestuur van de instelling kan de in het eerste lid genoemde
termijn verlengen.
3. Een aanmelding voor decentrale selectie geldt tevens als
aanmelding voor de lotingsprocedure.
§ 5. Registratie en sanctie
Artikel 10. Registratie in verband met beperking van deelname aan de
selectieprocedure
1. Voor de toepassing van artikel 7.57f, derde lid van de wet neemt
de Minister de gegadigde die zich aanmeldt voor een fixusopleiding, op
in een register.
2. In afwijking van het eerste lid blijft registratie van de
aanmelding van de gegadigde achterwege:
a. indien de gegadigde er in dat jaar niet in slaagt te voldoen
aan de vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 7.24 van de wet,
dan wel aan de nadere vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 7.25
van de wet,
b. indien de gegadigde zich niet voor decentrale selectie heeft
aangemeld en zijn aanmelding voor de lotingsprocedure intrekt
voordat hem op grond van artikel 16 een lotnummer is toegekend, of
c. indien de gegadigde zich voor decentrale selectie heeft
aangemeld, doch zijn aanmelding voor de selectieprocedure vóór
het in onderdeel b bedoelde tijdstip intrekt, mits hij ten
genoegen van de Minister aantoont dat hij aan de decentrale
selectie feitelijk niet heeft deelgenomen.
Artikel 11. Sanctie
Indien de gegadigde niet binnen de gestelde termijnen heeft voldaan
aan de bepalingen van paragraaf 3 van dit hoofdstuk, wordt de aanmelding
als vervallen beschouwd, onverminderd artikel 10.
Hoofdstuk 3. Selectie
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 12. Algemene bepalingen
1. Aan de selectieprocedure wordt uitsluitend deelgenomen door de
gegadigden die zich overeenkomstighoofdstuk 2 hebben aangemeld.
2. De gegadigde neemt deel aan de selectieprocedure voor de
opleiding van zijn keuze. Dit sluit deelname aan de selectieprocedure
voor een andere opleiding uit, behoudens artikel 22.
3. In afwijking van het tweede lid neemt de gegadigde deel aan de
lotingsprocedure voor meer dan één opleiding, indien voor de
desbetreffende opleiding artikel 7.57d van de wet geldt. De gegadigde
maakt in dat geval aan de Minister de volgorde van zijn voorkeur
bekend.
Artikel 13. Gemiddeld eindexamencijfer
1. Het gemiddelde eindexamencijfer, bedoeld in artikel 7.57b,
eerste en tweede lid, van de wet, van een gegadigde die met goed
gevolg eindexamen heeft afgelegd volgens de artikelen 12 tot en met 15
en 22 van de Wet op het voortgezet onderwijs, wordt berekend uit de
eindcijfers van het gemeenschappelijk deel, het profieldeel en het
hoogste eindcijfer van het vrije deel gezamenlijk. Daarbij wordt,
indien de gegadigde het eindexamen heeft afgelegd volgens de bij of
krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften
zoals luidend vanaf 1 augustus 2007, het gemiddelde van de eindcijfers
bedoeld in artikel 49, zesde lid van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.,
aangemerkt als het eind(examen)cijfer van één vak.
2. Het gemiddelde eindexamencijfer, bedoeld in artikel 7.57b,
eerste en tweede lid, van de wet, van een gegadigde met een diploma
van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder d en
e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of met een diploma
middelbaar beroepsonderwijs wordt berekend uit de combinatie van vijf
cijfers van de cijferlijst die het hoogste gemiddelde oplevert, met
dien verstande dat indien het een diploma betreft van een
experimentele opleiding als bedoeld in artikel 12.1a.2 van de
laatstgenoemde wet, het gemiddelde eindexamencijfer wordt berekend op
basis van de cijfers voor de kerntaken.
3. Bij de berekening, bedoeld in het tweede lid, worden de
resultaten van een gegadigde voor de onderdelen ‘leren, loopbaan en
burgerschap’ of ‘ loopbaan en burgerschap’,Nederlands, rekenen
en Engels, of een andere moderne vreemde taal, buiten beschouwing
gelaten.
4. Indien de beoordelingen bij een diploma zijn uitgedrukt in de
termen uitmuntend, zeer goed, goed, ruim voldoende, voldoende, matig,
onvoldoende, ruim onvoldoende, slecht en zeer slecht, dan worden deze
voor de berekening van het gemiddelde eindexamencijfer
geïnterpreteerd als respectievelijk 10, 9, 8, 7, 6, 5, 4, 3, 2 en 1.
5. Indien op de cijferlijst minder dan het in het tweede lid
bedoelde aantal cijfers is vermeld, is het gemiddelde eindexamencijfer
het gemiddelde van de vermelde cijfers.
§ 2. Directe plaatsing
Artikel 14. Selectie van gegadigden uit Curaçao, Sint Maarten, Aruba
en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
1. Het aantal plaatsen voor gegadigden afkomstig van Curaçao, Sint
Maarten, Aruba en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba, die door de minister kunnen worden aangewezen voor indeling in
de lotingsklasse, genoemd in artikel 7.57b, tweede lid, onderdeel a,
van de wet, bij inschrijving voor een fixusopleiding in het hoger
beroepsonderwijs, bedraagt respectievelijk acht, drie, acht en vier.
Daarbij wordt nagestreefd dat van de gegadigden tenminste
respectievelijk drie, een, drie en twee van het vrouwelijk geslacht
zijn.
2. Het aantal plaatsen voor gegadigden afkomstig van Curaçao, Sint
Maarten, Aruba en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba, die door de minister kunnen worden aangewezen voor indeling in
de lotingsklasse, genoemd in artikel 7.57b, tweede lid, onderdeel a,
van de wet, bij inschrijving voor een fixusopleiding in het
wetenschappelijk onderwijs, bedraagt respectievelijk acht, drie, acht
en vier. Daarbij wordt nagestreefd dat van de gegadigden tenminste
respectievelijk drie, een, drie en twee van het vrouwelijk geslacht
zijn.
3. De gegadigden voor de plaatsen, bedoeld in het eerste en tweede
lid, worden door de minister aangewezen.
4. De minister wijst de gegadigden, afkomstig van Curaçao, Sint
Maarten, Aruba, aan op voordracht van de regeringen van Curaçao, Sint
Maarten en Aruba. De voordracht aan de minister wordt gedaan vóór 5
juli.
Artikel 15. Directe plaatsing
De Minister verstrekt direct een bewijs van toelating aan:
a. een gegadigde als bedoeld in artikel 7.57b, tweede lid,
onderdeel a, van de wet, nadat deze heeft voldaan aan artikel 7;
b. de gegadigden, die door de minister zijn aangewezen als
bedoeld in artikel 14, derde.
§ 3. Selectie door gewogen loting
Artikel 16. De loting
1.De loting geschiedt door een notaris.
2.De notaris kent iedere gegadigde een willekeurig lotnummer toe.
Artikel 17. Indeling gegadigden in lotingsklassen
De gegadigde wordt met inachtneming van artikel 7.57b, eerste, tweede
en vierde lid, van de wet in die lotingsklasse ingedeeld die hem op
grond van zijn cijferlijst dan wel zijn getuigschrift, onderscheidenlijk
zijn cijferlijsten of zijn getuigschriften, de grootste kans op inloting
geeft.
Artikel 18. Verdeling plaatsen over lotingsklassen
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het aantal
vastgestelde plaatsen per opleiding verstaan het totaal van het op
grond van de artikelen 7.53 of 7.56 van de wet vastgestelde aantal
plaatsen, verminderd met het aantal plaatsen dat voor het
desbetreffend studiejaar wordt gebruikt:
a. door gegadigden die door toepassing van artikel 15, onder a,
een bewijs van toelating hebben ontvangen;
b. door gegadigden die door toepassing van artikel 31 een
bewijs van toelating ontvangen;
c. door gegadigden die in het voorgaande jaar een plaats
toegewezen hebben gekregen op grond van toepassing van artikel
7.57c, vierde lid, van de wet;
d. door gegadigden die door toepassing van artikel 15, onder b,
een bewijs van toelating hebben ontvangen;
e. door gegadigden die in het voorgaande jaar een voorlopig
bewijs van toelating hebben ontvangen als bedoeld in artikel 21,
tweede en derde lid;
2. Het aantal vastgestelde plaatsen wordt verdeeld over de
lotingsklassen, bedoeld in artikel 7.57b, tweede lid, onder b tot en
met e, van de wet, zodanig dat de quotiënten van het aantal plaatsen
en het aantal gegadigden per lotingsklasse zich verhouden als bepaald
in artikel 7.57c, derde lid, van de wet. Bij deze verdeling vindt
afronding plaats naar de dichtstbijzijnde gehele getallen en bij een
uitkomst van 0,5 wordt naar boven afgerond.
3. Indien een verschil ontstaat tussen het aantal vastgestelde
plaatsen en het krachtens het derde lid berekende aantal plaatsen,
wordt dit verschil verrekend met het aantal berekende plaatsen in
lotingsklasse e.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een opleiding
waarvoor artikel 7.57d van de wet geldt, met dien verstande dat:
a. het eerste lid wordt toegepast op het aantal plaatsen dat
voor deze opleiding aan de desbetreffende universiteiten
gezamenlijk is bepaald en
b. op dat aantal plaatsen in mindering wordt gebracht de
plaatsen die aan gegadigden worden toegewezen met toepassing van
artikel 7.57d, derde lid, van de wet.
Artikel 19. Toewijzing plaatsen aan gegadigden
1.Indien het aantal beschikbare plaatsen in een lotingsklasse
groter is dan of gelijk aan het aantal gegadigden in die lotingsklasse,
wordt aan alle gegadigden in die lotingsklasse een plaats toegewezen.
2.Indien het aantal beschikbare plaatsen in een lotingsklasse
kleiner is dan het aantal gegadigden in die lotingsklasse, wordt het
aantal beschikbare plaatsen toegewezen aan de gegadigden met de
laagste lotnummers.
3.Toepassing van het eerste en tweede lid blijft achterwege voor
een gegadigde die een bewijs van toelating ontvangt krachtens artikel
31.
Artikel 20. Nadere regeling toewijzing plaatsen van zelfde opleiding
bij verschillende universiteiten
1. Bij de toepassing van artikel 7.57d, tweede lid, worden de
gegadigden die zijn ingeloot, geplaatst bij de universiteit van hun
eerste voorkeur. Indien aan de desbetreffende universiteit onvoldoende
plaatsen beschikbaar zijn, worden de plaatsen verdeeld met
overeenkomstige toepassing van artikel 18, tweede en derde lid.
2. De gegadigden die na toepassing van het eerste lid niet kunnen
worden geplaatst aan de universiteit van hun eerste voorkeur, worden
geplaatst aan de universiteit van hun hoogst mogelijke voorkeur. De
toewijzing van plaatsen geschiedt daarbij met overeenkomstige
toepassing van artikel 18, tweede en derde lid, aan de gegadigden met
de laagste lotnummers.
3. De toewijzing van een plaats aan een gegadigde door het
vervallen van het bewijs van toelating van een andere gegadigde
geschiedt met overeenkomstige toepassing van artikel 18, tweede en
derde lid, aan de gegadigde met het laagste lotnummer.
4. De gegadigde die beschikt over een verklaring als bedoeld in
artikel 1, derde lid, onder c, wordt bij inloten, zo nodig in
afwijking van het eerste of derde lid, geplaatst aan de universiteit
die de desbetreffende verklaring heeft afgegeven.
Artikel 21. Procedure verstrekking bewijzen van toelating
1. De gegadigde die is ingeloot, ontvangt een op naam gesteld
bewijs van toelating. Dit bewijs van toelating heeft betrekking op het
studiejaar waarvoor de gegadigde zich heeft aangemeld, en op de
opleiding waarvoor hij is ingeloot. Een bewijs van toelating wordt,
behoudens artikel 25, niet later verstrekt dan 25 september.
2. In afwijking van het eerste lid, ontvangt de gegadigde die op
grond van het eerste lid in aanmerking komt voor een bewijs van
toelating, maar die niet het bewijs heeft geleverd, bedoeld in artikel
7.28, tweede lid, voorlaatste volzin, van de wet, een voorlopig bewijs
van toelating voor het studiejaar volgend op het studiejaar waarvoor
hij zich heeft aangemeld. Dit voorlopige bewijs van toelating wordt
omgezet in een bewijs van toelating, indien de gegadigde voor 15
augustus van het laatstgenoemde studiejaar het bewijs aan de Minister
levert.
3. In bijzondere gevallen kan de Minister op het verzoek van een
gegadigde bepalen dat in plaats van het bewijs van toelating of een
voorlopig bewijs van toelating aan de gegadigde een voorlopig bewijs
van toelating wordt verstrekt dat betrekking heeft op het studiejaar,
volgend op het studiejaar waarvoor hij is ingeloot of waarvoor hem een
voorlopig bewijs van toelating is verstrekt.
4. Aan een gegadigde die beschikt over een sufficiëntieverklaring
voor een opleiding waarvoor artikel 7.57d van de wet geldt, en die
niet wordt ingeloot bij de universiteit die de desbetreffende
verklaring heeft afgegeven, maar bij een andere universiteit, wordt
een bewijs van toelating voor die andere universiteit slechts
afgegeven, indien de gegadigde binnen twee weken een
sufficiëntieverklaring van die andere universiteit kan overleggen. De
gegadigde neemt daarbij tevens de termijnstelling van het eerste lid
in acht, tenzij het bestuur van de desbetreffende universiteit
goedvindt dat inschrijving plaatsvindt na 1 oktober.
5. De gegadigden die zijn uitgeloot, ontvangen daarvan een
schriftelijke mededeling. Indien een loting als bedoeld in artikel 22
plaatsvindt wordt daarvan tevens aan die gegadigden mededeling gedaan.
Artikel 22. Tweede loting
1. Indien blijkt dat alle gegadigden voor een bepaalde opleiding of
een opleiding waarvoor artikel 7.57d van de wet geldt, zijn geplaatst
en er plaatsen voor die opleiding onbenut blijven, heeft loting plaats
onder gegadigden die voldoen aan de eisen bedoeld in artikel 7, die op
grond van een loting voor een andere opleiding geen bewijs van
toelating hebben gekregen, en die binnen veertien dagen na de
mededeling, bedoeld in artikel 21, vijfde lid, de Minister
schriftelijk hebben medegedeeld dat zij aan de eerstbedoelde loting
wensen deel te nemen.
2. Op de loting, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 17
tot en met 21 van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat
onder het aantal vastgestelde of beschikbare plaatsen wordt verstaan
het aantal onbenut gebleven plaatsen. Aan de gegadigden kent de
notaris een nieuw lotnummer toe.
Artikel 23. Opvullen open plaatsen
1. Indien blijkt dat alle gegadigden voor een bepaalde opleiding of
een opleiding waarvoor artikel 7.57d van de wet geldt, zijn geplaatst
en er plaatsen voor die opleiding onbenut blijven na de loting bedoeld
in artikel 22, worden deze open plaatsen zo veel mogelijk opgevuld
door gegadigden die voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 7, en
die, doordat zij zich hebben aangemeld, wel hebben laten blijken
belangstelling te hebben voor een plaats, maar die niet hebben voldaan
aan de termijnen, genoemd inhoofdstuk 2.
2. Het eerste lid is eveneens van toepassing ten aanzien van een
opleiding waarvoor geen mededeling is gedaan als bedoeld in artikel
21, vijfde lid, maar waarvoor wel alle gegadigden zijn geplaatst en
niettemin plaatsen onbenut zijn gebleven.
3. Indien het eerste of tweede lid van toepassing is, registreert
de Minister de gegadigden in volgorde van de datum van binnenkomst van
hun verzoek om een bewijs van toelating. Bij de toepassing van het
eerste of tweede lid worden bewijzen van toelating verstrekt met
inachtneming van deze volgorde.
Artikel 24. Derde loting
Indien na toepassing van de artikelen 22 en 23 nog plaatsen aan een
bepaalde opleiding of een opleiding waarvoor artikel 7.57d van de wet
geldt, onbezet zijn gebleven, vindt een derde loting plaats onder de
gegadigden, bedoeld in artikel 16.9a, eerste lid, van de wet. Aan deze
gegadigden kent de notaris alsnog een lotnummer toe.
Artikel 25. Inschrijving
1. Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet ter zake van
de inschrijving bepaalde, dient de inschrijving als student voor de
propedeutische fase van een opleiding waarvoor een bewijs van
toelating is verstrekt, te geschieden binnen vier weken na dagtekening
van het bewijs van toelating, met dien verstande dat, indien het
bewijs van toelating is afgegeven na 1 september, die inschrijving
dient te geschieden voor 1 oktober, behoudens het derde lid of een
uitspraak in bezwaar of beroep.
2. Indien de gegadigde zich niet binnen de gestelde termijn heeft
laten inschrijven, vervalt het bewijs van toelating.
3. Indien het bestuur van de desbetreffende instelling daarmee
instemt, kan de Minister ook na 25 september een bewijs van toelating
verstrekken. In dat geval kan de inschrijving ook na 1 oktober
plaatsvinden.
Artikel 26. Hardheidsclausule ingelote gegadigden
De gegadigde die toepassing verlangt van artikel 7.57d, derde lid,
van de wet richt zijn verzoek daartoe binnen veertien dagen na
verzending van de mededeling van inloting schriftelijk aan de Minister.
Artikel 27. Hardheidsclausule uitgelote gegadigden
1. De gegadigde die toepassing verlangt van artikel 7.57c, vierde
lid, van de wet, richt zijn verzoek tot het verkrijgen van een bewijs
van toelating binnen zes weken na verzending van de mededeling van
uitloting schriftelijk aan de Minister. Bij toekenning van het verzoek
wordt een bewijs van toelating verstrekt voor het studiejaar dat volgt
op het studiejaar waarvoor hij is uitgeloot.
2. Het percentage, bedoeld in artikel 7.57c, vierde lid, van de
wet, bedraagt vijf.
Artikel 27a. Tweede instroom
1. Indien voor een opleiding gedurende het eerste studiejaar een
tweede instroommoment bestaat, informeert het instellingsbestuur de
Minister daarover alsmede over de daarvoor geldende datum.
2. Uiterlijk een maand voor de in het eerste lid genoemde datum,
informeert het instellingsbestuur de Minister over het aantal
opengevallen plaatsen bij de desbetreffende opleiding.
3. De Minister verdeelt de beschikbare opleidingsplaatsen over de
gegadigden die na toepassing van de artikelen 19, 22, 23, 24, 27 en 31
nog niet in het bezit zijn van een bewijs van toelating voor de
desbetreffende opleiding.
4. De Minister verstrekt de in het vorige lid bedoelde gegadigden
uiterlijk 14 dagen voor de in het tweede lid bedoelde datum een bewijs
van toelating voor de desbetreffende opleiding.
§ 4. Decentrale selectie
Artikel 28. Invoering decentrale selectie door instelling
1. Het bestuur van de instelling dat gebruik wenst te maken van de
bevoegdheid gegadigden op grond van artikel 7.57e van de wet door
middel van decentrale selectie in aanmerking te brengen voor de
toekenning van een bewijs van toelating, maakt daarvan melding aan de
Minister voor 1 juni van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het
studiejaar waarvoor de decentrale selectie geldt.
2. Deze melding gaat vergezeld van de informatie bedoeld in artikel
7.57e, tweede lid, van de wet.
3. In afwijking van het eerste lid, doet het bestuur de melding ten
behoeve van het studiejaar 2012–2013 voor 1 november 2011.
Artikel 29. Bekendmaking gegadigde door de Minister
1. De Minister verstrekt de gegevens van de gegadigde die zich
overeenkomstig artikel 9 heeft aangemeld, aan het instellingsbestuur.
2. Indien het een opleiding betreft waarvoor artikel 7.57d van de
wet geldt, maakt de Minister de gegadigde slechts aan het bestuur van
één instelling bekend. De Minister volgt daarbij de keuze van de
gegadigde.
Artikel 30. Uitvoering decentrale selectie
1. Het bestuur van de instelling deelt voor 15 juni aan alle
gegadigden schriftelijk de beslissing van haar selectie mee alsmede de
plaats op de lijst, bedoeld in het tweede lid. Bij toepassing van het
vierde lid geschiedt deze mededeling voor 1 augustus.
2. Het bestuur van de instelling vermeldt de geselecteerde
gegadigden op een lijst in een door hem te bepalen volgorde. De lijst
bevat ten minste het aantal gegadigden dat overeenkomt met het
percentage, bedoeld in artikel 7.57e, tweede lid, onderdeel d, van de
wet. Indien het aantal decentrale plaatsen op basis van het opgegeven
percentage het aantal gegadigden overtreft, bevat de lijst alle
gegadigden.
3. De lijst wordt voor 15 juni aan de Minister bekendgemaakt.
4. In afwijking van het derde lid kan het bestuur van de instelling
de lijst voor 1 augustus aan de Minister bekendmaken, indien het een
selectiemethode toepast die vanwege de tijdsbelasting voor gegadigden
geheel of grotendeels na 15 juni moet worden uitgevoerd. Het bestuur
stelt de Minister hiervan in kennis bij de toepassing van artikel 28,
eerste lid.
Artikel 31. Toekenning bewijzen van toelating na decentrale selectie
1. De Minister verwijdert van de in artikel 30, tweede lid,
bedoelde lijst de gegadigden die na toepassing van artikel 7 niet
voldoen aan de voorwaarden voor selectie. Tevens verwijdert de
Minister van deze lijst de gegadigden die op grond van artikel 15 een
bewijs van toelating ontvangen.
2. De Minister verstrekt na toepassing van het eerste lid, en met
inachtneming van de lijstvolgorde en het aantal, bedoeld in artikel
7.57e, tweede lid, onder d, van de wet, een bewijs van toelating aan
de decentraal geselecteerde gegadigden.
3. Indien blijkt dat er, na toepassing van het eerste en tweede
lid, nog decentrale plaatsen voor die opleiding onbenut blijven, heeft
een loting plaats onder de gegadigden, die voldoen aan de eisen,
bedoeld inartikel 7. Op de loting zijn de artikelen 16 tot en met 24
van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 4. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 32 [Vervallen per 09-04-2009]
Artikel 33 [Vervallen per 05-05-2011]
Artikel 34. Omhangbepaling
Deze regeling berust mede op artikel 7.37, vierde lid, van de wet.
Artikel 35. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt met uitzondering van artikel 32 in werking met
ingang van 1 januari 2000 en vindt voor het eerst toepassing voor het
studiejaar 2000-2001. Artikel 32treedt in werking met ingang van de
tweede dag na dagtekening van Uitleg OCenW-Regelingen, waarin deze
regeling wordt geplaatst.
Artikel 36. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanmelding en selectie
hoger onderwijs.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
drs. L.M.L.H.A. Hermans.
|
|
|