a. de Minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
b. het LSOP: het Landelijk selectie-en opleidingsinstituut
politie, Politieonderwijs- en kenniscentrum, genoemd in artikel 2
van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;
c. initiële opleidingen: de door de Minister in overeenstemming
met de Minister van Justitie aangewezen opleidingen voor ambtenaren
van politie, gericht op de voorbereiding van de uitoefening van
algemene politietaken, waarvoor in het kader van de landelijke
kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 14 van de Wet op het LSOP
en het politieonderwijs, competentiegerichte eindtermen zijn
vastgesteld;
d. student: degene die deelneemt aan een initiële opleiding;.
e. postinitiële opleidingen: de door de Minister, en voor zover
het vervolgopleidingen betreft op het terrein van de
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten
dienste van de justitie de door de Minister in overeenstemming met
de Minister van Justitie, aangewezen opleidingen voor ambtenaren van
politie of andere door de Minister in overeenstemming met de
Minister van Justitie aan te wijzen categorieën van personen,
gericht op de voorbereiding van de uitoefening van specialistische
en leidinggevende politietaken, waarvoor in het kader van de
landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 14 van de Wet
op het LSOP en het politieonderwijs, competentiegerichte eindtermen
zijn vastgesteld;
f. college van bestuur: het college van bestuur, genoemd in
artikel 5 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;
g. raad van toezicht: de raad van toezicht, genoemd in artikel 7
van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;
h. praktisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de
studenten de politietaak bij een regionaal politiekorps of bij het
Korps landelijke politiediensten uitoefenen in het kader van de
initiële en postinitiële opleidingen;
i. politieonderwijsraad: het advies- en afstemmingsorgaan,
genoemd in artikel 19 van de Wet op het LSOP en het
politieonderwijs;
j. competentiegerichte eindtermen: als zodanig omschreven
kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden, houding
en ervaring waarover degene die de opleiding voltooit, met het oog
op het maatschappelijk en beroepsmatig functioneren dient te
beschikken, en die in voorkomende gevallen betekenis hebben voor de
doorstroming naar vervolgonderwijs;
k. deelkwalificatie: een combinatie van competentiegerichte
eindtermen, vastgesteld voor een initiële of postinitiële
opleiding, die in het licht van de uitoefening van de politietaak
waarop de opleiding is gericht een zelfstandige betekenis heeft.