|
BESLUIT van 21 oktober 1985, houdende regelen
betreffende de bekostiging van basisscholen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs.
G. van Leijenhorst, van 11 juli 1985, nr. 6238/2313, centrale directie
Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op artikel 51, tweede en derde lid, van
de Wet op het basisonderwijs (Stb. 1984, 2) en de artikelen E 29
en E 32 van de Overgangswet WBO (Stb. 1984, 3);
Gehoord de Onderwijsraad (advies van 5 december
1984, nr. O.R. III/100101 LO);
Gehoord de Raad van State (advies van 20
september 1985, nr. W05.85.0373/11.5.39);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. G. van Leijenhorst,
van 14 oktober 1985, nr. 6790/2313, centrale directie Wetgeving en
Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Titel I. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
wet: Wet op het primair onderwijs;
basisschool: een school waar
basisonderwijs wordt gegeven, niet zijnde een speciale school voor
basisonderwijs;
speciale school voor basisonderwijs: een
school waar basisonderwijs wordt gegeven aan kinderen voor wie vaststaat
dat overwegend een zodanige orthopedagogische en orthodidactische
benadering aangewezen is, dat zij althans gedurende enige tijd op een
speciale school voor basisonderwijs moeten worden opgevangen;
samenwerkingsverband: een
samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18 van de wet;
school: een basisschool of een speciale
school voor basisonderwijs, tenzij het tegendeel blijkt;
openbare school: door een of meer
gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke
rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid in stand gehouden school;
bijzondere school: door een
privaatrechtelijke rechtspersoon in stand gehouden school;
nevenvestiging: deel van een school, dat
op de plaats waar het onderwijs wordt gegeven voordat het een deel van
de school werd als zelfstandige school functioneerde;
centrale dienst: centrale dienst die
bekostiging ontvangt als bedoeld in artikel 132 van de wet;
bevoegd gezag van volgens de wet
bekostigde scholen: voor wat betreft
a. een openbare school: het college
van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders
bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming
van door hem te stellen regelen dan wel het krachtens een
gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;
b. een bijzondere school: de
rechtspersoon, bedoeld in artikel 55 van de wet;
ouders: ouders of voogden;
teldatum: een van de data, bedoeld in
artikel 121, eerste en tweede lid, van de wet;
leerling: een leerling die op grond van
het artikel 39 van de wet tot een school is toegelaten;
leerling met een niet-Nederlandse
culturele achtergrond: leerling:
a. die behoort tot de Molukse
bevolkingsgroep,
b. van wie ten minste een van de
ouders of voogden afkomstig is uit Griekenland, Italië, het
voormalige Joegoslavië, Kaapverdië, Marokko, Portugal, Spanje,
Tunesië of Turkije,
c. van wie ten minste een van de
ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de Nederlandse Antillen
of Aruba,
d. van wie ten minste een van de
ouders of voogden als vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond
van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 van de
Vreemdelingenwet 2000,
e. van wie ten minste een van de
ouders of voogden afkomstig is uit een ander niet-Engelstalig land
buiten Europa, echter met uitzondering van Indonesië;
schooljaar: het tijdvak van 1 augustus
tot en met 31 juli daaraanvolgend;
hoofdgebouw: het gebouw dat als zodanig
is aangewezen ingevolge
a. de Regeling huisvestingsnormen
Overgangswet WBO,
b. een besluit van Onze Minister
ingevolge het overzicht, bedoeld in artikel 69 van de Wet op het
basisonderwijs,
c. een besluit van Onze minister
ingevolge de artikelen 70 of 73 van de Wet op het basisonderwijs, of
d. een besluit van Onze Minister naar
aanleiding van een besluit van burgemeester en wethouders ingevolge
artikel 67, vierde lid, of artikel 72, derde lid, van de Wet op het
basisonderwijs,
zoals deze regeling onderscheidenlijk
deze wet luidden op 31 december 1996;
accountant: een accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
leerlinggebonden budget: het budget, dat
beschikbaar is op grond van artikel 70a van de wet;
formatiebasisbedrag: het
formatiebasisbedrag, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel a;
formatieleeftijdsbedrag: het
formatieleeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b;
basisbedrag: het basisbedrag, bedoeld in
artikel 22, eerste lid, onderdeel c;
leeftijdsbedrag: het leeftijdsbedrag,
bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel d.
Titel II. Administratieve voorschriften
met betrekking tot aanvang en einde bekostiging, en borgstelling
Artikel 2. Gegevens en bescheiden nieuwe
scholen en scholen die met toepassing van artikel 84, 87 of 88 van de
wet voor bekostiging in aanmerking komen
Het bevoegd gezag van een school ten
aanzien waarvan Onze Minister heeft meegedeeld dat de bekostiging een
aanvang kan nemen of die ingevolge een beschikking van Onze Minister op
grond van artikel 84, 87 of 88 van de wet zal worden bekostigd, zendt
Onze Minister uiterlijk 3 maanden voor de datum van ingang van de
bekostiging de benodigde administratieve gegevens en bescheiden voor de
vaststelling van de bekostigingsbedragen. Bij ministeriële regeling
worden voorschriften gegeven omtrent de gegevens en bescheiden.
Artikel 3. Borgstelling
1.Teneinde overeenkomstig de bepalingen
van dit besluit enige bekostiging van het Rijk te verkrijgen, moet het
bevoegd gezag van een bijzondere school zijn aangesloten bij een
organisatie van bevoegde gezagsorganen die rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid is en die als zodanig door Onze Minister is erkend
en zich te zijnen genoegen heeft borg gesteld voor terugbetaling van
teveel ontvangen bedragen.
2.De erkenning, bedoeld in het eerste
lid, geschiedt op een daartoe door het bestuur der organisatie tot
Onze Minister gericht verzoek waarbij moet worden overgelegd een
opgave van elk bevoegd gezag waarvoor zekerheid wordt gesteld,
vermeldende ten aanzien van elke school de gemeente waar de school is
of, indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer
nevenvestigingen, de gemeente of gemeenten waar de hoofdvestiging en
de nevenvestiging of nevenvestigingen zijn gelegen en de nadere
plaatsaanduiding onderscheidenlijk plaatsaanduidingen binnen die
gemeente of gemeenten, alsmede de naam van de rechtspersoon onder
wiens bestuur de school staat. Wijzigingen die daarin worden
aangebracht, deelt het bestuur der organisatie binnen twee weken mede
aan Onze Minister. Deze wijzigingen ontheffen de organisaties niet van
de voor het lopende jaar aangegane borgstelling ten behoeve van een
aangesloten bevoegd gezag.
Artikel 3a. Aanvang van de bekostiging
1.De aanspraak op de verstrekking van
bekostiging voor de personeelskosten, bedoeld in de artikelen 129 en
137, eerste lid, van de wet, ontstaat met ingang van 1 augustus van
het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school
begint.
2.De aanspraak op de bekostiging voor
de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de
instandhouding, bedoeld in artikel 134, van de wet, ontstaat met
ingang van 1 augustus van het schooljaar waarin de bekostiging van een
nieuw geopende school begint.
3.In afwijking van het eerste lid,
ontstaat aanspraak op bekostiging voor de uitgaven voor 1 lid van het
personeel op 1 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin de
bekostiging van een nieuw geopende school begint.
4.De in het derde lid bedoelde
bekostiging bestaat uit de som van:
a. een basisbedrag, welk bedrag
wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd
met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de
leraren van basisscholen respectievelijk van de leraren van
speciale scholen voor basisonderwijs op 1 oktober voorafgaand aan
het schooljaar waarin de bekostiging van de nieuw geopende school
begint; en
b. 2/12 van de aanvullende
bekostiging voor schoolleiding, bedoeld in artikel 26.
5.Voor de berekening van het
basisbedrag, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, en het
leeftijdsbedrag, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, bedraagt de
formatie 2/12 formatieplaats.
6.Onverminderd het derde lid, heeft een
school die op de teldatum geen leerlingen heeft geen aanspraak op
bekostiging.
7.Indien een school op 1 oktober van
het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school
begint geen leerlingen heeft, ontstaat in afwijking van het zesde lid,
aanspraak op bekostiging voor de personeelskosten, bedoeld in de
artikelen 129 en 137, eerste lid, van de wet, met ingang van de eerste
dag van de maand waarin de school een leerling heeft. Indien de eerste
volzin van toepassing is, wordt de bekostiging voor het lopende
schooljaar en het daaropvolgende schooljaar gebaseerd op het aantal
leerlingen dat de school heeft op de eerste dag van de tweede maand
volgend op de dag waarop de school de eerste leerling heeft.
Artikel 3b. Vaststelling bevoorschotting
en verrekening van voorschotten
1. Aan het bevoegd gezag van een nieuw
geopende school wordt, in afwachting van de vaststelling van de
bekostiging voor personeelskosten en de bekostiging voor de uitgaven
voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding op
basis van de gegevens op de teldatum, een voorschot op de bedoelde
bekostiging verstrekt indien het bevoegd gezag uiterlijk op 1 juli
voorafgaande aan het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw
geopende school begint, het vermoedelijk aantal leerlingen op 1
oktober volgend op de datum van ingang van de bekostiging aan Onze
Minister meldt.
2. Het voorschot, bedoeld in het eerste
lid, bestaat uit:
a. de bekostiging, bedoeld in
artikel 137, eerste lid, van de wet, berekend overeenkomstig dit
besluit, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal
leerlingen, bedoeld in het eerste lid; en
b. de bekostiging, bedoeld in
artikel 134 van de wet, berekend overeenkomstig dit besluit, met
dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen,
bedoeld in het eerste lid.
3. Op de betaling van het voorschot
zijn artikel 13 en artikel 19 van overeenkomstige toepassing.
4. Onze Minister is bevoegd tot
verrekening van verstrekte voorschotten met de betalingen die
voortvloeien uit de vaststelling van de onderscheiden onderdelen van
de bekostiging.
5. Indien Onze Minister een voorschot
verleent in gevallen waarin de bekostiging wegens niet aan het bevoegd
gezag van een school toe te rekenen omstandigheden niet tijdig kan
worden vastgesteld, zijn het derde en het vierde lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 4. Opheffing van een school
Het bevoegd gezag geeft binnen twee weken
na een besluit tot opheffing van de school of een nevenvestiging kennis
daarvan aan Onze Minister, gedeputeerde staten, de inspecteur en, indien
het een bijzondere school of een nevenvestiging daarvan betreft,
eveneens aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de school
onderscheidenlijk de nevenvestiging is gelegen.
Artikel 4a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 5. Gegevens bij mededeling
bevoegd gezag over uitzonderingssituatie
1.Bij de mededeling van het bevoegd
gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in
artikel 153, vierde lid, van de wet worden de volgende gegevens
overgelegd:
a. naam, adres en het door het
ministerie toegekende administratienummer van de desbetreffende
school,
b. het telefoonnummer van het
bevoegd gezag,
c. het feitelijk aantal leerlingen,
niet zijnde leerlingen van een nevenvestiging, van de
desbetreffende school op 1 oktober van het schooljaar waarin de
mededeling wordt gedaan, verhoogd met 3%,
d. het door het ministerie
toegekende administratienummer van de school van dezelfde
richting, dan wel indien het openbaar onderwijs betreft de school
met openbaar onderwijs, met het dichtst bij het hoofdgebouw van de
desbetreffende school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging,
gelegen hoofdgebouw,
e. een plattegrond met een
schaalverdeling waarop het hoofdgebouw van de desbetreffende
school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, en het
dichtstbijzijnde hoofdgebouw van de onder d bedoelde school zijn
aangegeven en
f. de afstand, hemelsbreed gemeten,
tussen enerzijds het hoofdgebouw van de desbetreffende school,
daaronder niet begrepen een nevenvestiging, en anderzijds het
dichtstbijzijnde hoofdgebouw van de onder d bedoelde school.
2.Bij de mededeling van het bevoegd
gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in
artikel 153, vijfde lid, van de wet worden de volgende gegevens
overgelegd:
a. de in het eerste lid, onder a en
b, genoemde gegevens,
b. het door het ministerie
toegekende administratienummer van de school met openbaar
onderwijs, met het dichtst bij het hoofdgebouw van de
desbetreffende school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging,
gelegen hoofdgebouw,
c. een plattegrond met een
schaalverdeling waarop zijn aangegeven:
1°. het hoofdgebouw van de
desbetreffende school, daaronder niet begrepen een
nevenvestiging, en het dichtstbijzijnde hoofdgebouw van de
onder b bedoelde school, en
2°. de kortste route over de
weg tussen enerzijds het hoofdgebouw van de desbetreffende
school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, en
anderzijds het dichtstbijzijnde hoofdgebouw van de onder b
bedoelde school,
d. de afstand in tienden van
kilometers van de in onderdeel c2° bedoelde route en
e. informatie waaruit blijkt dat
aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat.
3.Bij de mededeling van het bevoegd
gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in
artikel 157, eerste lid, van de wet worden de volgende gegevens
overgelegd:
a. de in het eerste lid, onder a en
b, genoemde gegevens,
b. het feitelijk aantal leerlingen
van de desbetreffende school, daaronder begrepen leerlingen van
een nevenvestiging, op 1 oktober van het schooljaar waarin de
mededeling wordt gedaan, verhoogd met 3%,
c. naam, adres en het door het
ministerie toegekende administratienummer van de overige scholen
van het bevoegd gezag,
d. het feitelijk aantal leerlingen,
daaronder begrepen leerlingen van een nevenvestiging, van de
overige scholen van het bevoegd gezag op 1 oktober van het
schooljaar waarin de mededeling wordt gedaan, verhoogd met 3%,
e. de voor de scholen van het
bevoegd gezag geldende opheffingsnorm.
4.Bij de mededeling van het bevoegd
gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in
artikel 157, tweede lid, van de wet worden de volgende gegevens
overgelegd:
a. de in het eerste lid, onder a en
b, en derde lid, onder b tot en met d, genoemde gegevens, en
b. de per school van het bevoegd
gezag geldende opheffingsnorm.
5.Bij de mededeling van het bevoegd
gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in
artikel 157, derde juncto het eerste lid, worden de volgende gegevens
overgelegd:
a. de in het eerste lid, onder a en
b, en derde lid, onder b tot en met e, genoemde gegevens,
b. een afschrift van de
samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 157, derde lid, van
de wet die het bevoegd gezag het eerst heeft gesloten, en
c. informatie waaruit blijkt dat
aan de in artikel 157, derde lid, onder a en b, van de wet
genoemde voorwaarden is voldaan.
6.Bij de mededeling van het bevoegd
gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in
artikel 157, derde juncto het tweede lid, worden de volgende gegevens
overgelegd:
a. de in het eerste lid, onder a en
b, derde lid, onder b tot en met d, vierde lid, onder b, en vijfde
lid, onder b tot en met d, genoemde gegevens,
b. het door het ministerie
toegekende administratienummer van de school van dezelfde
richting, dan wel indien het openbaar onderwijs betreft, de school
met openbaar onderwijs, met het dichtst bij het hoofdgebouw van de
desbetreffende school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging,
gelegen hoofdgebouw,
c. een plattegrond met een
schaalverdeling waarop het hoofdgebouw van de desbetreffende
school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, en het
dichtstbijzijnde hoofdgebouw van de onder b bedoelde school zijn
aangegeven, en
d. de afstand, hemelsbreed gemeten,
tussen enerzijds het hoofdgebouw van de desbetreffende school,
daaronder niet begrepen een nevenvestiging, en anderzijds het
dichtstbijzijnde hoofdgebouw van de onder b bedoelde school.
Artikel 5a. Inhoudingsbedrag bij
voortijdige beëindiging samenwerkingsovereenkomst
1.In geval van voortijdige beëindiging
van een samenwerkingsovereenkomst wordt voor elk schooljaar dat een
bijzondere school dan wel een openbare school op grond van de
samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 157, derde lid, van de
wet, in stand werd gehouden, door het Rijk een bedrag ingehouden op de
bekostiging van de school.
2.Het bedrag, bedoeld in het eerste
lid, is de som van de bekostiging, bedoeld in artikel 23, artikel 24
en artikel 26, in elk van die schooljaren.
3.Voor elk schooljaar dat een
bijzondere dan wel een openbare nevenvestiging op grond van de
samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 157, derde lid, van de
wet, in stand werd gehouden, wordt door het Rijk een bedrag ingehouden
op de bekostiging van de nevenvestiging.
4.Het bedrag, bedoeld in het derde lid,
is de bekostiging, bedoeld in artikel 25, in elk van die schooljaren.
Titel III. Leerlingenadministratie en
leerlingentelling
Afdeling 1. Leerlingenadministratie
Artikel 6. Inhoud leerlingenadministratie
1.De directeur van een school draagt er
zorg voor dat een overzichtelijke administratie van de inschrijving,
de uitschrijving en het verzuim van de leerlingen op de school
beschikbaar is alsmede van de gegevens van de leerlingen en hun ouders
die noodzakelijk zijn voor de berekening van de bekostiging voor
personeelskosten. Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en
een of meer nevenvestigingen wordt in deze administratie een
onderverdeling gemaakt naar leerlingen van de hoofdvestiging en
leerlingen van elk van de nevenvestigingen en draagt de directeur er
zorg voor dat de volledige administratie op de hoofdvestiging aanwezig
is.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop de
leerlingenadministratie wordt ingericht.
Artikel 7. Inschrijving
1. De directeur van een school schrijft
een leerling slechts in na overlegging van
a. een bewijs van uitschrijving van
de leerling van een andere school of een school of instelling voor
ander onderwijs, welk bewijs op het moment van inschrijving niet
ouder is dan 6 maanden, of
b. een schriftelijke verklaring van
de ouders dat de leerling binnen een periode van 6 maanden
voorafgaand aan de inschrijving niet eerder op een andere school
of een school of instelling voor ander onderwijs was ingeschreven.
2. Het bewijs van uitschrijving dan wel
de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt bewaard
in de administratie van de school.
3. De directeur doet in het geval,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dan wel in het geval, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel b, indien hem bekend is op welke andere
school of school of instelling voor ander onderwijs de leerling was
ingeschreven buiten de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde
periode, onder vermelding van de datum van inschrijving op zijn
school, binnen 1 week schriftelijk mededeling van de inschrijving aan
de directeur van de school of de school of instelling voor ander
onderwijs waarop de leerling voordien was ingeschreven.
4. De directeur schrijft de leerling in
met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het eerst
bezoekt.
5. In afwijking van het vierde lid,
schrijft de directeur de leerling die de school voor het eerst bezoekt
op de eerste schooldag van het schooljaar, in met ingang van 1
augustus van dat schooljaar, behoudens wanneer de leerling op 1
augustus de leeftijd van 4 jaar nog niet heeft bereikt.
Artikel 8. Uitschrijving
1. De directeur van een school op wiens
school de leerling staat ingeschreven, schrijft de leerling, indien
deze de school verlaat, uit met ingang van de dag waarop de leerling
de school voor het laatst heeft bezocht en verstrekt de leerling een
bewijs van uitschrijving. De directeur schrijft de leerling die wordt
uitgeschreven na de school op de laatste schooldag van het schooljaar
te hebben bezocht, uit met ingang van 31 juli van dat schooljaar.
2. Indien de directeur van een school
op wiens school de leerling stond ingeschreven binnen 4 weken na de
dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht een
mededeling ontvangt van de directeur, rector of centrale directie van
een school of een school of instelling voor ander onderwijs, van de
inschrijving van de leerling op diens school, wijzigt de directeur de
datum van uitschrijving, bedoeld in het eerste lid, alsnog in de datum
van de dag voorafgaande aan de inschrijving op de andere school of de
school of instelling voor ander onderwijs.
Artikel 9. Bewaren van gegevens
1.De gegevens die in de
leerlingenadministratie zijn opgenomen, blijven daarvan in ieder geval
deel uitmaken gedurende 5 jaar nadat de desbetreffende leerling van de
school is uitgeschreven.
2.De gegevens die noodzakelijk zijn
voor de berekening van de bekostiging voor personeelskosten, worden
binnen acht weken na het verstrijken van de termijn, genoemd in het
eerste lid, vernietigd.
Afdeling 2. Leerlingentelling
Artikel 10. Leerlingentelling
1. Voor de toepassing van de wet
worden, onverminderd artikel 8, de leerlingen op een school meegeteld
die op de teldatum op die school staan ingeschreven tenzij zij vanaf
het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het
aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt ten aanzien van de leerplichtige leerling als geldige reden
aangemerkt een vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in
de Leerplichtwet 1969 (Stb. 1971, 406). Ten aanzien van de
niet-leerplichtige leerling worden als geldige reden aangemerkt
dezelfde gronden als die welke leiden tot een vrijstelling als bedoeld
in de vorige volzin.
3. Indien de teldatum valt op een dag
waarop geen onderwijs wordt gegeven, worden op de eerstvolgende
schooldag de leerlingen geteld, die op de teldatum stonden
ingeschreven.
4. Een leerling kan slechts op 1 school
voor de bekostiging meetellen.
Artikel 11. Terugmelding gegevens aantal
leerlingen op de teldatum
1. Met het oog op de vaststelling van
de bekostiging, bedoeld in de artikelen 12a, eerste lid, en 18, eerste
lid, doet Onze Minister aan het bevoegd gezag jaarlijks een overzicht
toekomen van de hem ter beschikking staande gegevens over het aantal
leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging
in aanmerking wordt genomen. Het overzicht wordt gelijktijdig met het
besluit tot vaststelling van de bekostiging, bedoeld in artikel 12a,
eerste lid, toegezonden. Het overzicht is onderverdeeld in het aantal
leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar enerzijds en het
aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder anderzijds.
Indien in het overzicht een nadere onderverdeling wordt gemaakt op
grond van de volgende leden, wordt in die onderverdeling tevens
melding gemaakt van de verdeling over de in de vorige volzin genoemde
leeftijdscategorieën.
2. Het overzicht, bedoeld in het eerste
lid, voor basisscholen is onderverdeeld in de categorieën leerlingen,
bedoeld inartikel 27, en in de categorieën leerlingen met een
niet-Nederlandse culturele achtergrond met uitzondering van leerlingen
van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit
Suriname, de Nederlandse Antillen of Aruba.
3. Het overzicht, bedoeld in het eerste
lid, voor speciale scholen voor basisonderwijs is onderverdeeld in
leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond en overige
leerlingen.
4. Indien de school bestaat uit een
hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt het overzicht,
bedoeld in het eerste lid, tevens onderverdeeld in de leerlingen van
de hoofdvestiging en de leerlingen van elk van de nevenvestigingen.
Afdeling 3. Verstrekken gewogen
gemiddelde leeftijd leraren
Artikel 11a. Verstrekken gewogen
gemiddelde leeftijd leraren
1.Het bevoegd gezag van een school doet
jaarlijks voor 1 december aan Onze Minister mededeling van de gewogen
gemiddelde leeftijd van de leraren van die school op 1 oktober daaraan
voorafgaand.
2.Bij ministeriële regeling worden
voorschriften gegeven voor de toepassing van het eerste lid.
Artikel 11b. Verklaring bevoegd gezag
Het bevoegd gezag verstrekt gelijktijdig
met de verklaring, bedoeld in artikel 171, vierde lid, van de wet, een
verklaring omtrent de juistheid en tijdige aanmelding van de gegevens
waarop de bekostigingsbedragen zijn of worden gebaseerd.
Titel IV [Vervallen per 10-02-2006]
Artikel 12 [Vervallen per 10-02-2006]
Hoofdstuk II. Vergoeding voor de uitgaven
voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
Artikel 12a. Vaststelling en nadere
vaststelling bekostiging materiële voorzieningen ten behoeve van de
instandhouding
1. Onze Minister stelt jaarlijks voor 1
februari de bekostiging voor dat jaar voor basisscholen en speciale
scholen voor basisonderwijs vast, gebaseerd op de grondslag bedoeld in
de artikelen 134, vierde lid, onderscheidenlijk 115 van de wet, met
dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal
leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het
bekostigingsjaar, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het
persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid,
van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op de daarop volgende 1
december zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig
artikel 178b van de wet, dan wel de leerlingen van wie opgave is
gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid.
2. Indien artikel 134, zesde lid, van
de wet van toepassing is en indien van de leerlingen die op 1 maart
van het bekostigingsjaar op de school staan ingeschreven het
persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid,
van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 april van dat jaar zijn
opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b
van de wet, dan wel van deze leerlingen opgave is gedaan aan Onze
Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid, stelt Onze Minister
voor 1 mei de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar
nader vast.
3. Indien de verklaring van de
accountant, bedoeld in artikel 171, vierde lid, van de wet, aanleiding
geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste of
tweede lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat
jaar nader vast.
Artikel 13. Maandelijkse betaling
1.Het Rijk verstrekt elke maand van het
uitkeringsjaar in verband met de materiële voorzieningen ten behoeve
van de instandhouding aan het bevoegd gezag van een school een
twaalfde gedeelte van de vergoeding, bedoeld in artikel 134, eerste
lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft.
2.Indien artikel 12a, tweede lid, van
toepassing is, wordt het verschil tussen de vergoeding, bedoeld in het
eerste lid, berekend op grond van artikel 134, zesde lid, van de wet
en de vergoeding berekend op grond van artikel 134, vierde lid, van de
wet, verstrekt in de maanden mei tot en met december van het
uitkeringsjaar.
3.Indien artikel 12a, derde lid, van
toepassing is, vindt verrekening plaats van de vergoeding, bedoeld in
het eerste lid, met de vergoeding die wordt verstrekt in de maanden
oktober tot en met december van het uitkeringsjaar.
Artikel 14. Normatieve vaststelling
schoolgrootte basisscholen en getal artikel 134, zesde lid, van de wet
1. Het normatief bepaalde aantal te
huisvesten groepen leerlingen van basisscholen, bedoeld in artikel
134, vierde lid, onderdeel a, vijfde lid, onderdeel a, en zesde lid,
onderdeel a, van de wet, wordt voor het jaar waarvoor de vergoeding
voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
strekt, berekend volgens de volgende formule: het normatief bepaalde
aantal te huisvesten groepen leerlingen = (A + B + C + D).
2. De factoren A, B, C en D van de
formule, bedoeld in het eerste lid, worden als volgt berekend:
A = 0,05 x het aantal leerlingen in de
leeftijd van 4 tot en met 7 jaar op de datum, bedoeld in het derde
lid;
B = 0,0343 x het aantal leerlingen in
de leeftijd van 8 jaar en ouder op de datum, bedoeld in het derde lid;
C = 1,5642 – (het aantal leerlingen
op de datum, bedoeld in het derde lid, x 0,0115), met dien verstande
dat C niet kleiner is dan nul;
D = 0,0179 x het schoolgewicht, bedoeld
in artikel 27, waarbij als teldatum wordt aangemerkt de datum, bedoeld
in het derde lid.
3. De datum die dient als grondslag
voor de vaststelling van het aantal leerlingen bij de berekening van
de factoren A, B en C en als grondslag voor de vaststelling van het
schoolgewicht bij de berekening van factor D, is:
a. indien artikel 134, vierde lid,
van de wet van toepassing is: 1 oktober van het jaar voorafgaande
aan het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt;
b. indien artikel 134, vijfde lid,
van de wet van toepassing is: 1 oktober in de periode waarover de
vergoeding plaatsvindt;
c. indien artikel 134, zesde lid,
van de wet van toepassing is: 1 maart van het jaar waarover de
vergoeding plaatsvindt, met dien verstande dat bij de berekening
van de factoren A en B wordt uitgegaan van de leeftijd van de
desbetreffende leerlingen op 1 oktober van het daaraan
voorafgaande jaar, waarbij de leerlingen die op 1 oktober van dat
jaar 3 jaar waren, worden meegeteld bij de berekening van factor
A.
4. Indien de school bestaat uit een
hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt het eerste lid
voor de hoofdvestiging en elke nevenvestiging afzonderlijk toegepast.
5. Het normatief bepaalde aantal te
huisvesten groepen leerlingen wordt rekenkundig afgerond op een geheel
getal.
6. Het bij algemene maatregel van
bestuur vast te stellen aantal leerlingen, bedoeld in artikel 134,
zesde lid, van de wet, is 13.
Artikel 15 [Vervallen per 10-02-2006]
Artikel 16. Omschrijving uitgaven
materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
De uitgaven voor de materiële
voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor schoolgebouwen
hebben betrekking op de programma’s van eisen, bedoeld in artikel 114,
eerste lid, van de wet.
Artikel 17. Omvang vergoeding uitgaven
materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
1. De vergoeding voor de materiële
voorzieningen ten behoeve van de instandhouding wordt bepaald volgens
de programma’s van eisen, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de
wet.
2. De vergoeding, bedoeld in het eerste
lid, wordt voor elke leerling met een leerlinggebonden budget die op
de school is ingeschreven verhoogd volgens de onderstaande tabel:
Basisscholen
|
Toelaatbaar
verklaard tot speciaal onderwijs aan/van: |
Bedrag |
Her te besteden
bedrag |
|
a. Dove kinderen |
€ 1.096 |
€ 1.417 |
|
b. Slechthorende kinderen |
€ 978 |
€ 521 |
|
c. Kinderen met ernstige
spraakmoeilijkheden |
€ 978 |
€ 521 |
|
d. Lichamelijk gehandicapte
kinderen |
€ 979 |
€ 501 |
|
e. Langdurig zieke kinderen met
lichamelijke handicap |
€ 978 |
€ 451 |
|
f. Zeer moeilijk lerende kinderen |
€ 923 |
€ 301 |
|
g. cluster 4 |
€ 978 |
€ 451 |
|
h. meervoudig gehandicapte kinderen
met de combinatie: |
|
|
|
Doof en zeer moeilijk lerend |
€ 978 |
€ 521 |
|
Doof en blind |
€ 978 |
€ 521 |
|
Slechthorend en zeer moeilijk
lerend |
€ 978 |
€ 521 |
|
Lichamelijk gehandicapt en zeer
moeilijk lerend |
€ 978 |
€ 451 |
Speciale scholen voor basisonderwijs
|
Toelaatbaar
verklaard tot speciaal onderwijs aan/van: |
Bedrag |
Her te besteden
bedrag |
|
a. Dove kinderen |
€ 883 |
€ 1.417 |
|
b. Slechthorende kinderen |
€ 765 |
€ 521 |
|
c. Kinderen met ernstige
spraakmoeilijkheden |
€ 765 |
€ 521 |
|
d. Lichamelijk gehandicapte
kinderen |
€ 766 |
€ 501 |
|
e. Langdurig zieke kinderen met
lichamelijke handicap |
€ 765 |
€ 451 |
|
f. Zeer moeilijk lerende kinderen |
€ 710 |
€ 301 |
|
g. cluster 4 |
€ 765 |
€ 451 |
|
h. meervoudig gehandicapte kinderen
met de combinatie: |
|
|
|
Doof en zeer moeilijk lerend |
€ 765 |
€ 521 |
|
Doof en blind |
€ 765 |
€ 521 |
|
Slechthorend en zeer moeilijk
lerend |
€ 765 |
€ 521 |
|
Lichamelijk gehandicapt en zeer
moeilijk lerend |
€ 765 |
€ 451 |
3. De bedragen, bedoeld in het tweede
lid, worden jaarlijks per 1 augustus, telkens te rekenen met het
laatstelijk aangepaste bedrag, bij ministeriële regeling aangepast
aan de prijsontwikkeling, overeenkomstig de prijsmutatie van de
netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische
Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau
in het jaar voorafgaande aan het jaar waarin het bedrag wordt
aangepast, en het jaar waarin het bedrag wordt aangepast.
Hoofdstuk III. Bekostiging voor de
personeelskosten
Titel I. Algemeen
Artikel 18. Vaststelling bekostiging en
latere wijziging bekostiging
1. Onze Minister stelt jaarlijks
uiterlijk op 15 april, de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel
137, eerste en derde lid, van de wet vast voor zover deze bedragen
mede gebaseerd zijn op het aantal leerlingen op de teldatum, met dien
verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen
op de teldatum, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het
persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid,
van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 december van het jaar
voorafgaande aan het bekostigingsjaar zijn opgenomen in het
basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan
wel de leerlingen van wie opgave is gedaan aan Onze Minister
overeenkomstigartikel 36a, vierde lid. De bedragen hebben betrekking
op een schooljaar.
2. Onze Minister stelt de
bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet
voorzover het betreft de bekostiging, bedoeld in de artikelen 29, 30
en 34, vast binnen 14 weken na de voor de desbetreffende bekostiging
relevante datum.
3. Indien de verklaring van de
accountant, bedoeld in artikel 171, vierde lid, van de wet aanleiding
geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste of
tweede lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat
jaar nader vast.
4. De in het eerste en tweede lid
bedoelde bekostigingsbedragen kunnen door Onze Minister worden
gewijzigd wegens algemene salarismaatregelen of wegens andere al dan
niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Artikel 19. Betaalritme
1.De betaling van de
bekostigingsbedragen voor personeelskosten, bedoeld in de artikelen
129 en 137 eerste lid, van de wet vindt maandelijks plaats in een bij
ministeriële regeling vast te stellen betaalritme dat voor
basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs alsmede voor de
verschillende onderdelen van de bekostiging verschillend kan worden
vastgesteld.
2.De betaling van de bekostiging voor
personeelskosten, bedoeld in artikel 137, tweede lid, van de wet
vindt, tenzij bij beschikking anders wordt bepaald, plaats in een
aantal gelijke maandelijkse termijnen.
3.De betaling van de bekostiging voor
personeelskosten, bedoeld in artikel 137, derde lid, van de wet vindt
plaats in twaalf gelijke maandelijkse termijnen.
Titel II. Vergoedingsgrondslagen
Artikel 20. Formatie per leerling t.b.v.
berekening bedrag per leerling
1. Voor de berekening van het bedrag
per leerling, bedoeld in artikel 120, tweede lid, onderdeel a, van de
wet bedraagt de formatie per leerling 0,0595 formatieplaats.
2. Voor de berekening van het bedrag
per leerling, bedoeld in artikel 120, tweede lid, onderdeel b, van de
wet bedraagt de formatie per leerling 0,0414 formatieplaats.
3. Voor de berekening van het bedrag
per leerling, bedoeld in artikel 120, tweede lid, onderdeel c, van de
wet bedraagt de formatie per leerling 0,0452 formatieplaats.
Artikel 21. Bekostiging voor
zorgvoorzieningen speciale school voor basisonderwijs
Voor de berekening van het bedrag per
leerling, bedoeld in artikel 120, vierde lid, van de wet bedraagt de
formatie per leerling 0,0646 formatieplaats.
Artikel 22. Vaststelling bedragen
Voor de toepassing van dit besluit wordt
verstaan onder:
a. formatiebasisbedrag: een bij
ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat niet afhankelijk
is van de leeftijd van personeel van de school;
b. formatieleeftijdsbedrag: een bij
ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat vervolgens
afhankelijk wordt gesteld van de leeftijd van personeel van de
school;
c. basisbedrag: een bij ministeriële
regeling vast te stellen bedrag, dat wordt bepaald door de in het
desbetreffende artikel genoemde formatie te vermenigvuldigen met het
formatiebasisbedrag;
d. leeftijdsbedrag: een bij
ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat wordt bepaald
door de in het desbetreffende artikel genoemde formatie te
vermenigvuldigen met het formatieleeftijdsbedrag.
Artikel 23. Aanvullende bekostiging voor
zeer kleine basisscholen
1. Indien de totale bekostiging voor
personeelskosten berekend op grond van artikel 120, eerste lid, van de
wet vermeerderd met de bekostiging, bedoeld in artikel 26, en in
voorkomende gevallen vermeerderd met de bekostiging, bedoeld in de
artikelen 24, 25 en 28, voor een basisschool minder bedraagt dan een
basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat
wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de
leraren van de basisschool op 1 oktober van het voorafgaande
schooljaar, wordt de bekostiging voor personeelskosten verhoogd tot
het bedrag van laatstbedoelde uitkomst.
2. Voor de berekening van het
basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag,
bedoeld in het eerste lid, bedraagt de formatie 2,6927 formatieplaats.
3. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt voor het schooljaar waarin een nieuwe basisschool wordt
geopend, het leeftijdsbedrag vermenigvuldigd met de geraamde landelijk
gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1
oktober van het voorafgaande schooljaar.
Artikel 24. Aanvullende bekostiging voor
kleine basisscholen
1.Een basisschool die op de teldatum
minder dan 145 leerlingen had, ontvangt een toeslag voor kleine
scholen.
2.De in het eerste lid bedoelde toeslag
bestaat uit het verschil tussen:
a. een basisbedrag, welk bedrag
wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd
met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op
1 oktober van het voorafgaande schooljaar; en
b. een basisbedrag, welk bedrag
wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd
met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op
1 oktober van het voorafgaande schooljaar en vervolgens
vermenigvuldigd met het aantal leerlingen van de school op de
teldatum.
3.Voor de berekening van het
basisbedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en het
leeftijdsbedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bedraagt de
formatie 2,1508 formatieplaats.
4.Voor de berekening van het
basisbedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en het
leeftijdsbedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bedraagt de
formatie per leerling 0,0149 formatieplaats.
5.Voor de toepassing van het tweede lid
wordt voor het schooljaar waarin een nieuwe basisschool is geopend,
het leeftijdsbedrag vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen
gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van
het voorafgaande schooljaar
Artikel 25. Aanvullende bekostiging voor
personeelskosten ten behoeve van basisscholen met een of meer
nevenvestigingen
Indien een basisschool bestaat uit een
hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt de bekostiging
voor personeelskosten vermeerderd met drievierde van het verschil
tussen:
a. de som van de aanvullende
bekostiging voor kleine scholen die de hoofdvestiging en de
nevenvestigingen als zelfstandige scholen tezamen zouden ontvangen,
berekend aan de hand van de gewogen gemiddelde leeftijd van de
leraren van de gehele school op 1 oktober van het voorafgaande
schooljaar, en
b. de aanvullende bekostiging voor
kleine scholen die de basisschool als school zonder nevenvestigingen
zou ontvangen.
Artikel 26. Aanvullende bekostiging voor
de schoolleiding
1.De aanvullende bekostiging voor de
schoolleiding, bedoeld in artikel 120, derde lid, van de wet bedraagt
voor basisscholen met een aantal leerlingen op de teldatum dat niet
hoger is dan 97 een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
Voor basisscholen met een aantal leerlingen op de teldatum dat hoger
is dan 97 wordt het in de eerste volzin bedoelde bedrag met 2
vermenigvuldigd.
2.De aanvullende bekostiging voor de
schoolleiding, bedoeld in artikel 120, derde lid, van de wet bedraagt
voor speciale scholen voor basisonderwijs met een aantal leerlingen op
de teldatum dat niet hoger is dan 99 een bij ministeriële regeling
vast te stellen bedrag. Voor speciale scholen voor basisonderwijs met
een aantal leerlingen op de teldatum dat hoger is dan 99 wordt het in
de eerste volzin bedoelde bedrag met 2 vermenigvuldigd.
Artikel 27. Schoolgewicht basisscholen
1.Voor elke leerling die volgens
onderstaande tabel in een categorie kan worden ingedeeld, wordt bij de
toelating tot een basisschool het bij die categorie behorende gewicht
vastgesteld, met dien verstande dat een leerling slechts bij één
categorie wordt ingedeeld.
| |
Leerling categorie |
|
|
a. |
Leerling van wie beide ouders of
verzorgers een schoolopleiding hebben gevolgd op maximaal het
niveau praktijkonderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs voor
zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg of de
kaderberoepsgerichte leerweg. Indien het betreft een leerling uit
een eenoudergezin, geldt deze opleidingseis ten aanzien van de
desbetreffende ouder of verzorger. |
0,3 |
|
b. |
Leerling van wie een ouder of
verzorger een schoolopleiding heeft gevolgd op maximaal het niveau
basisonderwijs, en van wie de andere ouder of verzorger een
schoolopleiding heeft gevolgd op maximaal het niveau
praktijkonderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs voor zover het
betreft de basisberoepsgerichte leerweg of de kaderberoepsgerichte
leerweg. Indien het betreft een leerling uit een eenoudergezin,
geldt dat de ouder of verzorger een schoolopleiding heeft gevolgd
op maximaal het niveau basisonderwijs. |
1,2 |
Met het hebben gevolgd van een
schoolopleiding op maximaal het niveau praktijkonderwijs of
voorbereidend beroepsonderwijs voor zover het betreft de
basisberoepsgerichte leerweg of de kaderberoepsgerichte leerweg
wordt gelijkgesteld het hebben doorlopen van ten hoogste de eerste
twee leerjaren van een andere vorm van voortgezet onderwijs.
2.Het schoolgewicht wordt berekend
door de som van de volgens het eerste lid vastgestelde gewichten van
de op de teldatum ingeschreven leerlingen te verminderen met een
getal, gelijk aan 6% van het aantal leerlingen op de teldatum. De
uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Indien de
uitkomst negatief is, bedraagt het schoolgewicht nul.
3.Indien het schoolgewicht hoger is
dan 80% van het aantal op de teldatum ingeschreven leerlingen van de
basisschool, wordt het schoolgewicht vastgesteld op 80% van het
aantal op de teldatum op de basisschool ingeschreven leerlingen.
4.Indien een basisschool bestaat uit
een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, bestaat het
schoolgewicht van de basisschool uit de som van de schoolgewichten
die de afzonderlijke vestigingen zouden hebben, indien zij
zelfstandige scholen zouden zijn.
Artikel 28. Berekening aanvullende
bekostiging onderwijsachterstandenbestrijding
1.Voor de aanvullende bekostiging voor
personeelskosten voor de bestrijding van onderwijsachterstanden voor
een basisschool wordt een basisbedrag per eenheid schoolgewicht
toegekend, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat
wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de
leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
2.Voor de berekening van het
basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag,
bedoeld in het eerste lid, bedraagt de formatie per eenheid
schoolgewicht 0,0503 formatieplaats.
3.Voor een speciale school voor
basisonderwijs met een aantal leerlingen met een niet-Nederlandse
culturele achtergrond op de teldatum boven het aantal van 4, wordt
voor de bestrijding van onderwijsachterstanden per leerling boven het
aantal van 4 een basisbedrag toegekend, welk bedrag wordt verhoogd met
een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen
gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het
voorafgaande schooljaar.
4.Voor de berekening van het
basisbedrag, bedoeld in het derde lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld
in het derde lid, bedraagt de formatie per leerling 0,0401
formatieplaats.
5.Voor de toepassing van het eerste en
derde lid wordt voor het schooljaar waarin een nieuwe basisschool
respectievelijk nieuwe speciale school voor basisonderwijs wordt
geopend, het leeftijdsbedrag vermenigvuldigd met de geraamde landelijk
gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen
respectievelijk van de leraren van speciale scholen voor
basisonderwijs op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
Artikel 28a. Berekening aanvullende
bekostiging onderwijsachterstandenbestrijding in impulsgebieden
1.Bij ministeriële regeling kunnen
voor een periode van telkens 4 schooljaren impulsgebieden worden
aangewezen op basis van viercijferige postcodegebieden.
2.De hoofdvestigingen en
nevenvestigingen van basisscholen gelegen in de impulsgebieden,
bedoeld in het eerste lid, komen voor de bestrijding van
onderwijsachterstanden in aanmerking voor een bij ministeriële
regeling vast te stellen bedrag per leerling voor wie op grond
vanartikel 27, eerste lid, een gewicht is vastgesteld.
Artikel 29. Aanvullende bekostiging
personeelskosten bij reguliere groei
1. Aan het bevoegd gezag van één of
meer basisscholen wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten
voor groei van de aantallen leerlingen toegekend indien:
a. de som van de aantallen
leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat
bevoegd gezag ressorterende basisscholen op de eerste schooldag
dan wel op de eerste dag van een maand in de periode van september
tot en met april van dat schooljaar met ten minste 13 is
toegenomen ten opzichte van de som van 103% van de bedoelde
aantallen leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar
en vervolgens telkens indien de som van de bedoelde aantallen
leerlingen op de eerste dag van enige maand in de periode
september tot en met april van een schooljaar met ten minste 13 is
toegenomen ten opzichte van de som van de aantallen leerlingen op
grond waarvan de laatste maal in dat schooljaar aanvullende
bekostiging voor personeelskosten in verband met groei is
toegekend; en
b. het persoonsgebonden nummer
tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde
gegevens van de leerlingen die op de eerste schooldag dan wel de
eerste dag van de maand, bedoeld in onderdeel a, op de school of
scholen staan ingeschreven, uiterlijk vier weken na die dag zijn
opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel
178b van de wet, dan wel van deze leerlingen opgave is gedaan aan
Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid.
2. Bij de berekening van 103% van de
bedoelde aantallen leerlingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
wordt de uitkomst per school naar beneden afgerond op een geheel
getal.
3. De aanspraak op de aanvullende
bekostiging, bedoeld in het eerste lid, ontstaat met ingang van de
maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft
plaatsgevonden, en wordt berekend voor het aantal leerlingen dat het
verschil is tussen enerzijds de som van de aantallen leerlingen op
alle op 1 augustus van het schooljaar onder dat bevoegd gezag
ressorterende basisscholen en anderzijds de som van 103% van bedoelde
aantallen leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar,
onderscheidenlijk de som van bedoelde aantallen leerlingen op grond
waarvan voor de laatste maal aanvullende bekostiging in verband met
groei is toegekend. Indien de telling heeft plaatsgevonden op de
eerste schooldag en deze in de maand september valt, ontstaat de
aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, in
afwijking van de eerste volzin, met ingang van 1 augustus. De
aanvullende bekostiging wordt per bevoegd gezag per groeidatum
éénmalig toegekend.
4. De aanvullende bekostiging, bedoeld
in het eerste lid, bedraagt een basisbedrag, welk bedrag wordt
verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de
geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van
basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar en
vervolgens vermenigvuldigd met het aantal leerlingen, dat de uitkomst
is van de berekening in het derde lid.
5. Het bedrag dat de uitkomst is van
het vierde lid wordt vermenigvuldigd met het aantal maanden vanaf de
maand van toekenning tot het einde van het schooljaar en vervolgens
gedeeld door twaalf.
6. Voor de berekening van het
basisbedrag, bedoeld in het vierde lid, en het leeftijdsbedrag,
bedoeld in het vierde lid, bedraagt de formatie per leerling 0,0487
formatieplaats.
Artikel 30. Aanvullende bekostiging
personeelskosten bijzondere groei
1. Aan het bevoegd gezag van één of
meer basisscholen wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten
voor bijzondere groei toegekend, indien:
a. de som van de aantallen
leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat
bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 mei van dat
schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som
van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat
schooljaar; of
b. de som van de aantallen
leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat
bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat
schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som
van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar
en geen aanvullende bekostiging op grond van onderdeel a is
toegekend; of
c. de som van de aantallen
leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat
bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat
schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som
van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 mei van dat schooljaar.
2. De aanvullende bekostiging, bedoeld
in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien van de leerlingen
die op de van toepassing zijnde peildatum, bedoeld in het eerste lid,
op de school of scholen staan ingeschreven, het persoonsgebonden
nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde
gegevens uiterlijk vier weken na die peildatum zijn opgenomen in het
basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan
wel van deze leerlingen opgave is gedaan aan Onze Minister
overeenkomstig artikel 36a, vierde lid.
3. De aanspraak op de aanvullende
bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontstaat met ingang
van de maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, heeft
plaatsgevonden en wordt berekend en toegekend overeenkomstig artikel
29.
Artikel 31. Omvang formatie per leerling
ten behoeve van de personeelsbekostiging zorgvoorzieningen basisscholen
1.Voor de berekening van het bedrag per
leerling, bedoeld in artikel 132, derde lid, van de wet, bedraagt de
formatie per leerling 0,00237 formatieplaats.
2.Voor de berekening van het bedrag per
leerling, bedoeld in artikel 132, vierde lid, van de wet, bedraagt de
formatie per leerling 0,0654 formatieplaats.
Artikel 32. Overdracht bekostiging
personeelskosten aan speciale school voor basisonderwijs bij toename van
het aantal leerlingen na 1 oktober en bij deelname boven 2%
1.Voor de berekening van het bedrag per
leerling, bedoeld in artikel 124, eerste lid, van de wet, bedraagt de
formatie per leerling 0,0452 formatieplaats.
2.Voor de berekening van het bedrag per
leerling, bedoeld in artikel 124, tweede lid, van de wet, bedraagt de
formatie per leerling 0,0646 formatieplaats.
Artikel 33. Overdracht bekostiging
personeelskosten aan speciale school voor basisonderwijs bij overgang
leerling naar ander samenwerkingsverband
Voor de berekening van het bedrag per
leerling, bedoeld in artikel 125, tweede lid, van de wet, bedraagt de
formatie per leerling voor elk schooljaar volgend op het schooljaar van
de toelating van de leerling tot de speciale school voor basisonderwijs
0,0646 formatieplaats. Indien de toelating heeft plaatsgevonden in de
periode van 2 oktober tot 1 augustus daaropvolgend bedraagt de formatie
per leerling in het eerste schooljaar volgend op de toelating in
afwijking van de eerste volzin 0,1098 formatieplaats.
Artikel 34. Omvang personele deel
leerlinggebonden budget
1. Voor een op de basisschool of de
speciale school voor basisonderwijs ingeschreven leerling die
toelaatbaar is verklaard tot een van de onderwijssoorten, bedoeld in
artikel 2, vierde lid, onderdeel b of c, van de Wet op de
expertisecentra dan wel tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde
lid, onderdeel d, van genoemde wet wordt een budget toegekend dat
bestaat uit de som van:
a. een basisbedrag, welk bedrag
wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd
met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de
leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande
schooljaar, en
b. een her te besteden basisbedrag,
welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt
vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde
leeftijd van leraren in het speciaal onderwijs en het voortgezet
speciaal onderwijs op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
2. Voor de berekening van het
basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag,
bedoeld in het eerste lid, bedraagt de formatie de hoeveelheid die in
onderstaande tabel is aangegeven bij de betreffende
toelaatbaarheidsverklaring.
Basisscholen
|
Toelaatbaar
verklaard tot speciaal onderwijs aan/van: |
Formatie t.b.v.
eerste lid, onderdeel a |
Formatie t.b.v.
eerste lid, onderdeel b |
|
a. Dove kinderen |
0,2179 |
0,1846 |
|
b. Slechthorende kinderen |
0,1061 |
0,0821 |
|
c. Kinderen met ernstige spraak
moeilijkheden |
0,1061 |
0,0821 |
|
d. Lichamelijk gehandicapte
kinderen |
0,1061 |
0,0709 |
|
e. Langdurig zieke kinderen met
lichamelijke handicap |
0,1061 |
0,0709 |
|
f. Zeer moeilijk lerende kinderen |
0,1061 |
0,0709 |
|
g. cluster 4 |
0,1061 |
0,0709 |
|
h. meervoudig gehandicapte kinderen
met de combinatie: |
|
|
|
Doof en zeer moeilijk lerend |
0,2179 |
0,0821 |
|
Doof en blind |
0,2179 |
0,0821 |
|
Slechthorend en zeer moeilijk
lerend |
0,2179 |
0,0821 |
|
Lichamelijk gehandicapt en zeer
moeilijk lerend |
0,2179 |
0,0709 |
Speciale scholen voor basisonderwijs
|
Toelaatbaar
verklaard tot speciaal onderwijs aan/van: |
Formatie t.b.v.
eerste lid, onderdeel a |
Formatie t.b.v.
eerste lid, onderdeel b |
|
a. Dove kinderen |
0,1477 |
0,1846 |
|
b. Slechthorende kinderen |
0,0359 |
0,0821 |
|
c. Kinderen met ernstige spraak
moeilijkheden |
0,0359 |
0,0821 |
|
d. Lichamelijk gehandicapte
kinderen |
0,0359 |
0,0709 |
|
e. Langdurig zieke kinderen met
lichamelijke handicap |
0,0359 |
0,0709 |
|
f. Zeer moeilijk lerende kinderen |
0,0359 |
0,0709 |
|
g. cluster 4 |
0,0359 |
0,0709 |
|
h. meervoudig gehandicapte kinderen
met de combinatie: |
|
|
|
Doof en zeer moeilijk lerend |
0,1477 |
0,0821 |
|
Doof en blind |
0,1477 |
0,0821 |
|
Slechthorend en zeer moeilijk
lerend |
0,1477 |
0,0821 |
|
Lichamelijk gehandicapt en zeer
moeilijk lerend |
0,1477 |
0,0709 |
Hoofdstuk IIIa. Meting en beoordeling
leerresultaten basisschool
Artikel 34.1. Uitgangspunten bij meting
leerresultaten
1. De leerresultaten, bedoeld in
artikel 10a, van de wet worden gemeten aan de hand van de door het
bevoegd gezag gekozen toetsen, indien die toetsen:
a. kennis en vaardigheden van ten
minste rekenen en wiskunde en Nederlandse taal meten;
b. voldoen aan het
kwaliteitsoordeel betreffende validiteit en betrouwbaarheid van
een onafhankelijke commissie;
c. gegevens bevatten om
schoolvorderingen te meten;
d. landelijk genormeerd kunnen
worden; en
e. zijn afgenomen in
overeenstemming met de afnameaanwijzingen, die zijn opgenomen in
de toetshandleiding bij de desbetreffende toets.
2. Bij de beoordeling van de
toetsresultaten hanteert de inspectie objectieve, relatieve normen. De
grenzen die de inspectie als norm voor het oordeel voldoende dan wel
onvoldoende resultaat hanteert, zijn gecorrigeerd voor groepskenmerken
en individuele kenmerken van leerlingen, met dien verstande dat deze
correctie in elk geval betrekking heeft op leerlingen als bedoeld in
artikel 27, eerste lid.
Artikel 34.2. Correctie van meting
1. Bij de meting van leerresultaten als
bedoeld in artikel 10a van de wet, kan een correctie plaatsvinden met
betrekking tot:
a. leerlingen die zijn geïndiceerd
voor leerwegondersteunend onderwijs als bedoeld in artikel 10e van
de Wet op het voortgezet onderwijs;
b. leerlingen voor wie op grond van
psychosociale of cognitieve gronden specifieke voorzieningen
noodzakelijk zijn en zijn getroffen en voor wie een
ontwikkelingsperspectief aan de hand van de voor hen geldende
tussendoelen is opgesteld;
c. leerlingen die in het zevende of
achtste jaar zijn ingestroomd;
d. leerlingen die een andere toets
hebben afgelegd dan de andere leerlingen in dat schooljaar dan wel
geen toets hebben afgelegd en op wie de onderdelen a, b en c niet
van toepassing zijn;
e. kleine scholen.
2. In uitzonderlijke situaties kan een
correctie plaatsvinden bij de meting van leerresultaten als bedoeld in
artikel 10a van de wet voor leerlingen die niet vallen onder het
eerste lid onder a tot en met d.
Artikel 34.3. Meetperiode kleine scholen
Indien het aantal leerlingen op basis
waarvan de leerresultaten worden gemeten in een of meer schooljaren
binnen een periode van 3 schooljaren minder is dan 10 wordt gebruik
gemaakt van de toetsgegevens over 5 schooljaren.
Artikel 34.4. Ministeriële regeling
vastleggen toetsen, totstandkoming beoordeling en correctie meting
leerresultaten
1. Toetsen die voldoen aan de criteria,
bedoeld in artikel 34.1, eerste lid, worden opgenomen in een
ministeriële regeling.
2. Bij ministeriële regeling worden
geregeld:
a. voor elke toets als bedoeld in
artikel 34.1, eerste lid, de uitwerking van de wijze waarop de
beoordeling tot stand komt;
b. voor zover van toepassing, de
wijze van correctie van de meting vanwege het feit dat de leerling
is geïndiceerd voor leerwegondersteunend onderwijs;
c. de wijze van correctie van de
meting voor groepskenmerken en individuele kenmerken van
leerlingen;
d. voor zover van toepassing, de
wijze van correctie van de meting voor leerlingen die een andere
toets hebben afgelegd dan de andere leerlingen dan wel geen toets
hebben afgelegd;
e. wijze van beoordeling van de
leerresultaten van kleine scholen;
f. de normering waarop de inspectie
het oordeel voldoende dan wel onvoldoende leerresultaat baseert.
Artikel 34.5. Procedure inzake opnemen
van toetsen, wijze van correctie van meting en normering en procedure
wijziging systematiek beoordeling leerresultaten
1. De systematiek van de beoordeling
van leerresultaten als bedoeld in artikel 10a van de wet wordt
vastgesteld dan wel gewijzigd met inachtneming van de volgende
procedure:
a. gelet op recente ontwikkelingen,
een eigen analyse en signalen van organisaties uit het
onderwijsveld, beslist de inspecteur-generaal van het onderwijs of
hij Onze Minister een voorstel doet voor wijziging in de
systematiek van de beoordeling van leerresultaten als bedoeld in
artikel 10a van de wet;
b. over het concept-voorstel
overlegt de inspecteur-generaal van het onderwijs met de daarvoor
in aanmerking komende organisaties uit het onderwijsveld;
c. de inspecteur-generaal van het
onderwijs legt het voorstel voor aan Onze Minister, onder
vermelding van de wijze waarop in het voorstel rekening is
gehouden met de reacties van de geraadpleegde organisaties uit het
onderwijsveld;
d. Onze Minister besluit naar
aanleiding van het voorstel over wijziging van de systematiek van
de beoordeling van leerresultaten of een daarvoor noodzakelijk
voorstel van wet of ontwerp-algemene maatregel van bestuur wordt
voorbereid.
2. Wijzigingen in de in de
ministeriële regeling opgenomen toetsen, in de vaststelling en
correctie van meting alsmede in de normering als gevolg van
actualisatie van toetsgegevens, worden vastgesteld op voorstel van de
inspecteur-generaal van het onderwijs.
Artikel 34.6. Meting onmogelijk of
gegevens incompleet
Indien er geen of onvoldoende gegevens
zijn voor een betrouwbaar oordeel over de meting van de leerresultaten,
verricht de inspectie een aanvullend onderzoek, volgens bij
ministeriële regeling te geven voorschriften. Het aanvullend onderzoek
kan onder meer omvatten:
a. het verkrijgen van nadere gegevens
van de school over de resultaten en de doorstroom van leerlingen;
b. onderzoek en verificatie ter
plekke.
Hoofdstuk IV. Correcties op de
bekostiging
Artikel 34a. Correctie op de bekostiging
1.Indien uit een op grond van artikel
175, eerste of tweede lid, van de wet, ingesteld onderzoek blijkt dat
de omvang van de bekostiging voor de uitgaven ten behoeve van de
materiële instandhouding, de omvang van de bekostiging voor de
personeelskosten, de omvang van enige bijzondere of aanvullende
bekostiging onjuist is vastgesteld, kan Onze Minister tot uiterlijk
één jaar na ontvangst van de bevindingen uit dat onderzoek
correcties aanbrengen op de desbetreffende bekostiging. Onze Minister
deelt het bevoegd gezag uiterlijk één jaar na ontvangst van deze
bevindingen schriftelijk mede of en zo ja welke correcties hij
aanbrengt.
2.Indien uit het jaarverslag, bedoeld
in artikel 171 van de wet, uit de verklaring van de accountant,
bedoeld in artikel 171, vierde lid, van de wet of uit een op grond van
artikel 175 van de wet ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging
voor een school onrechtmatig is besteed, kan Onze Minister bepalen dat
het desbetreffende gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van
het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden
gebracht op de bekostiging. Onze Minister doet hiervan binnen een jaar
na ontvangst van het jaarverslag, respectievelijk binnen een jaar na
ontvangst van de bevindingen uit dat onderzoek schriftelijk mededeling
aan het bevoegd gezag.
3.Indien daarvoor naar zijn oordeel
aanleiding is, kan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde
termijnen waarbinnen correcties kunnen worden aangebracht alsmede de
in het tweede lid bedoelde termijn met ten hoogste een jaar verlengen.
Artikel 34b. Verrekening of betaling
i.v.m. correcties
Een in artikel 34a, eerste lid, bedoelde
correctie wordt, indien de correctie strekt tot verhoging van de
bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in artikel 34a,
eerste lid, door Onze Minister betaald.
Hoofdstuk IVa. Voorschriften betreffende
berekening van overschotten bij opheffing of beëindiging van de
bekostiging van de laatste school van een bevoegd gezag
Artikel 34c. Berekening
exploitatieoverschot bij opheffing of beëindiging van de bekostiging
van de laatste school van een bevoegd gezag
1.Voor de toepassing van artikel 163a
van de wet wordt onder exploitatieoverschot verstaan:
a. het bedrag van de bekostiging,
bedoeld in de artikelen 129, 134 en 137 van de wet verminderd met
de lasten over dat jaar voor zover deze als rechtmatig kunnen
worden aangemerkt,
b. de reserveringen voor zover
afkomstig uit ’s Rijks kas, met inbegrip van de ontvangen
rentebaten, en
c. voor zover het een niet door een
gemeente in stand gehouden school betreft, de niet bestede
gedeelten van de uitkeringen op grond van de voorschriften inzake
de gemeentelijke overschrijding.
2.Het bevoegd gezag meldt het
overeenkomstig het eerste lid berekende saldo, verdeeld naar de
onderdelen a en b, respectievelijk c, van het eerste lid, tezamen met
het jaarverslag over het laatste jaar waarin de school nog geheel of
gedeeltelijk voor bekostiging in aanmerking kwam. De opgave gaat
vergezeld van een verklaring van een accountant omtrent de juistheid
van de opgave.
3.Indien het exploitatieoverschot van
een niet door een gemeente in stand gehouden school mede is opgebouwd
uit uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en geen
onderscheid kan worden gemaakt met de baten respectievelijk de lasten,
bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, geldt als maatstaf voor
de verdeling van eerstbedoeld deel van het exploitatieoverschot tussen
Rijk en de desbetreffende gemeente de verhouding tussen het ontvangen
bedrag aan bekostiging van het Rijk en het ontvangen bedrag aan
uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, van de gemeente
in een periode van vijf jaren voorafgaand aan het jaar van de
beëindiging van de bekostiging. De verdeling behoeft de goedkeuring
van Onze Minister.
Hoofdstuk V. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Overgangsbepalingen
Artikel 35. Aanvullende vergoeding voor
het jaar 2000
1.Basisscholen ontvangen voor de
periode van 1 augustus 2000 tot en met 31 december 2000 eenmalig een
aanvullende vergoeding voor de uitgaven voor de materiële
voorzieningen ten behoeve van de instandhouding, welke vergoeding
wordt vastgesteld op 5/12 van het verschil tussen:
a. de vergoeding op basis van het
normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen berekend volgens
artikel 14 zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van het besluit van 12 april 2000, houdende
wijziging van het Formatiebesluit WPO en enkele andere besluiten
in verband met onder meer de verkleining van de groepsgrootte voor
de 4- tot en met 7-jarige leerlingen van basisscholen (Stb. 179);
en
b. de vergoeding op basis van het
normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen
berekend volgens artikel 14 zoals dat artikel luidt met ingang van
de datum van inwerkingtreding van het besluit van 12 april 2000,
houdende wijziging van het Formatiebesluit WPO en enkele andere
besluiten in verband met onder meer de verkleining van de
groepsgrootte voor de 4- tot en met 7-jarige leerlingen van
basisscholen (Stb. 179), met dien verstande dat:
1°. de factor A, bedoeld in
artikel 14, tweede lid, als volgt wordt berekend:
A = 7,76 x het aantal
leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar;
2°. indien artikel 134, zesde
lid, van de wet van toepassing is: de toename van het aantal
leerlingen op 1 maart van het jaar waarover de vergoeding
plaatsvindt, wordt meegeteld bij de berekening van factor A.
2.Indien het verschil tussen de
vergoeding, berekend op grond van het eerste lid, onder a, en de
vergoeding, berekend op grond van het eerste lid, onder b, negatief
is, wordt de aanvullende vergoeding op nul gesteld.
3.Artikel 134, zevende en achtste lid,
van de wet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 36. Normatieve vaststelling
schoolgrootte basisscholen voor de jaren 2001 en 2002
1.Voor het kalenderjaar 2001 wordt de
factor A, bedoeld in artikel 14, tweede lid, als volgt berekend:
A = 7,92 x het aantal leerlingen in de
leeftijd van 4 tot en met 7 jaar op de datum, bedoeld in artikel 14,
derde lid.
2.Voor het kalenderjaar 2002 wordt de
factor A, bedoeld in artikel 14, tweede lid, als volgt berekend:
A = 8,50 x het aantal leerlingen in de
leeftijd van 4 tot en met 7 jaar op de datum, bedoeld in artikel 14,
derde lid.
Artikel 36a. Aanleveren gegevens volgens
de leerlingentellingprocedure
1. Indien Onze Minister van oordeel is
dat een bevoegd gezag voor een of meer van zijn scholen als gevolg van
factoren buiten de invloedssfeer van de school niet in staat is om de
leerlinggegevens te leveren op de in artikel 178a van de wet bedoelde
wijze, kan hij bepalen dat in de periode tot 1 augustus volgend op de
datum van inwerkingtreding van dit artikel de levering van gegevens
over het aantal leerlingen van de desbetreffende school of scholen ten
behoeve van de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in de
artikelen 12a, eerste en tweede lid, 18, eerste lid, 29, eerste lid,
en 30, eerste lid, plaatsvindt op de in het vierde tot en met negende
lid bedoelde wijze.
2. De verplichting van het bevoegd
gezag tot levering van de gegevens over het aantal leerlingen op de in
het vierde tot en met negende lid bedoelde wijze vervalt zodra Onze
Minister heeft bepaald dat het bevoegd gezag heeft aangetoond in staat
te zijn de leerlinggegevens te leveren op de in artikel 178a van de
wet bedoelde wijze.
3. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat het eerste en tweede lid van overeenkomstige
toepassing zijn op de levering van gegevens over het aantal leerlingen
in een of meer schooljaren vanaf 1 augustus volgend op de datum van
inwerkingtreding van dit artikel.
4. Indien het eerste lid van toepassing
is, doet het bevoegd gezag ten behoeve van de bekostiging, bedoeld in
de artikelen 12a, eerste en tweede lid,18, eerste lid, 29, eerste lid,
en 30, eerste lid, voor de vijftiende dag van elke maand aan Onze
Minister een opgave van het aantal leerlingen van de school op de
eerste dag van die maand toekomen overeenkomstig het vijfde tot en met
negende lid.
5. De opgave, bedoeld in het vierde
lid, is onderverdeeld in het aantal leerlingen in de leeftijd van 4
tot en met 7 jaar enerzijds en het aantal leerlingen in de leeftijd
van 8 jaar en ouder anderzijds. Indien in de opgave een nadere
onderverdeling wordt gemaakt op grond van de volgende leden, wordt in
die onderverdeling tevens melding gemaakt van de verdeling over de in
de vorige volzin genoemde leeftijdscategorieën.
6. De opgave, bedoeld in het vierde
lid, voor basisscholen is onderverdeeld in de categorieën leerlingen,
bedoeld in artikel 27, en in de categorieën leerlingen met een
niet-Nederlandse culturele achtergrond met uitzondering van leerlingen
van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit
Suriname, de Nederlandse Antillen of Aruba.
7. De opgave, bedoeld in het vierde
lid, voor speciale scholen voor basisonderwijs is onderverdeeld in
leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond en overige
leerlingen.
8. Indien de school bestaat uit een
hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt de opgave,
bedoeld in het vierde lid, tevens onderverdeeld in de leerlingen van
de hoofdvestiging en de leerlingen van elk van de nevenvestigingen.
9. Bij ministeriële regeling wordt
vastgesteld op welke wijze de opgave, bedoeld in het vierde lid, wordt
gedaan.
§ 2. Slotbepaling
Artikel 37. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
bekostiging WPO.
Artikel 38 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 39 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 40 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 41 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 42 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 43 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 44 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 44a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 45 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 46 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 47 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 47a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 47b [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 47c [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 47d [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 47e [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 47f [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 47g [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 48 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 49 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 50 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 51 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 51a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 52 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 53 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 54 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 55 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 56 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 57 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 58 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 59 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 60 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 61 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 61a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 62 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 63 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 64 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 65 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 66 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 66a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 67 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 68 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 69 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 70 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 70a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 71 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 72 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 72a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 73 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 74 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 75 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 76 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 76a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 76b [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 76c [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 77 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 78 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 79 [Vervallen per 20-06-1997]
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad
van State en de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 21 oktober 1985
BEATRIX
De Staatssecretaris van Onderwijs en
Wetenschappen,
G. van Leijenhorst
Uitgegeven de vijfde november 1985
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Bijlagen I tot en met VI
vervallen
|