Artikel 1
De kerndoelen, bedoeld in artikel 9,
vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs worden vastgesteld als
aangegeven in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
1. Het Besluit kerndoelen primair
onderwijs 1998 wordt ingetrokken.
2. De kerndoelen die in de bijlage
bij het Besluit kerndoelen primair onderwijs 1998 zijn opgenomen,
kunnen door het bevoegd gezag van een basisschool of een speciale
school voor basisonderwijs uiterlijk tot 1 augustus 2009 worden
gehanteerd voor het onderwijs aan leerlingen die op 1 augustus 2005
reeds basisonderwijs volgen.
Artikel 3
Dit besluit wordt aangehaald als:
Besluit vernieuwde kerndoelen WPO.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 8 oktober 2005
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap,
M.J.A. van der Hoeven
Uitgegeven de derde november 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlage. Vernieuwde kerndoelen WPO
Preambule
Basisonderwijs bevordert brede vorming van kinderen. Het onderwijs
richt zich op de emotionele en verstandelijke ontwikkeling, op de
ontwikkeling van de creativiteit en het verwerven van sociale,
culturele en lichamelijke vaardigheden. De kerndoelen zijn een
operationalisering hiervan. Het geheel van samenhangende en daarom
doorgenummerde kerndoelen geeft een beeld van het inhoudelijk aanbod
van het basisonderwijs. De kerndoelen in deze opsomming zijn ingedeeld
in hoofdstukken voor Nederlandse taal, Engelse taal, Friese taal,
rekenen en wiskunde, oriëntatie op jezelf en de wereld, kunstzinnige
oriëntatie, en bewegingsonderwijs. Kerndoelen zijn streefdoelen. Ze
geven aan wat iedere school in elk geval nastreeft bij leerlingen.
Daarbij kunnen drie kanttekeningen geplaatst worden.
In de eerste plaats omschrijven de doelen het eind van een
leerproces, niet de wijze waarop ze bereikt worden. Met andere
woorden, kerndoelen doen geen uitspraken over didactiek. Gezien het
karakter van het basisonderwijs dienen leraren een beroep te doen op
de natuurlijke nieuwsgierigheid en de behoefte aan ontwikkeling en
communicatie van kinderen, en deze te stimuleren. Door een
gestructureerd en interactief onderwijsaanbod, vormen van ontdekkend
onderwijs, interessante thema’s en activiteiten worden kinderen
uitgedaagd in hun ontwikkeling.
In de tweede plaats dienen inhouden en doelen zo veel mogelijk op
elkaar te worden afgestemd, verbinding te hebben met het dagelijks
leven en in samenhang te worden aangeboden. In concreet onderwijs zijn
doorgaans doelen uit verschillende hoofdstukken tegelijk van belang.
Taal bijvoorbeeld komt voor bij alle vakken. Aandacht voor cultuur is
niet beperkt tot het kunstzinnig domein. Omgaan met
informatietechnologie geldt voor alle gebieden.
In de derde plaats dient er aandacht te worden besteed aan doelen
die voor alle leergebieden van belang zijn: goede werkhouding, gebruik
van leerstrategieën, reflectie op eigen handelen en leren, uitdrukken
van eigen gedachten en gevoelens, respectvol luisteren en kritiseren
van anderen, verwerven en verwerken van informatie, ontwikkelen van
zelfvertrouwen, respectvol en verantwoordelijk omgaan met elkaar, zorg
voor en waardering van de leefomgeving.
Nederlands
Karakteristiek
Taalonderwijs is van belang omdat de rol van taal bij het verwerven
van inhouden en vaardigheden in alle leergebieden (en de transfer
daartussen) evident is. Het onderwijs in Nederlands als tweede taal
heeft dat besef de laatste jaren sterk doen groeien. Taalonderwijs is
dus van belang voor het succes dat kinderen in het onderwijs zullen
hebben en voor de plaats die ze in de maatschappij zullen innemen.
Daarnaast heeft taal een sociale functie. Kinderen dienen hun
taalvaardigheid te ontwikkelen, omdat ze die nu en straks in de
maatschappij hard nodig hebben. Dat houdt onder meer in dat het
onderwijs waar mogelijk uitgaat van communicatieve situaties:
levensechte en boeiende leesteksten, gesprekken over onderwerpen die
kinderen bezig houden, een echte correspondentie met kinderen van
andere scholen.
Taalverwerving en -onderwijs verlopen als het ware in cirkels: het
gaat vaak om dezelfde inhouden, maar de complexiteit en de mate van
beheersing nemen toe. Anders gezegd: het onderwijs in Nederlandse taal
is er op gericht dat kinderen in de beheersing van deze taal in en
buiten school steeds competenter taalgebruikers worden. Die
competenties zijn te typeren in vier trefwoorden1: kopiëren,
beschrijven, structureren en beoordelen. Die zijn niet zonder meer tot
formuleringen in kerndoelen te verwerken, omdat het vaak gaat om een
combinatie van competenties.
Met «kopiëren» wordt bedoeld: zo letterlijk mogelijk een
handeling nadoen (overschrijven van het bord bijvoorbeeld).
«Beschrijven» is op eigen wijze (in eigen woorden) toepassen van
een vaardigheid. Dat kan inhouden: verslag uitbrengen, informatie
geven of vragen.
«Structureren» houdt in: op eigen manieren ordening aanbrengen.
«Beoordelen» is reflectie op mogelijkheden, evalueren.
In het aanbod neemt de schriftelijke taalvaardigheid een
belangrijke plaats in. «Geletterdheid» veronderstelt meer dan alleen
de techniek van lezen en schrijven. Ook inzicht in de maatschappelijke
functie ervan en een positieve attitude maken er deel van uit. Deze
ontwikkeling begint eigenlijk al voor de basisschool, bij voorlezen en
vertellen in het gezin, en wordt verder ontwikkeld in alle groepen.
Ook al is de ontwikkeling van de schriftelijke taalvaardigheid van
belang, de ontwikkeling van de mondelinge taalvaardigheid verdient
blijvende aandacht. Uitbreiding van de woordenschat, aandacht voor
taal en denken, toepassen van luisterstrategieën, voorlezen en
vertellen: het zijn activiteiten die de mondelinge taalvaardigheid
verder ontwikkelen, maar daarnaast voorwaardelijk zijn voor het
schriftelijk domein.
Beschouwing van taal en taalgebruik geeft kinderen
«gereedschappen» om over taal te praten en na te denken.
Traditioneel ging het hierbij om grammatica, soms ook om de
beschouwing van interessante taalverschijnselen. Tegenwoordig denkt
men hierbij vooral aan inzicht in eigen en andermans
taalgebruikstrategieën, zodat een kind leert deze steeds bewuster en
doelgerichter in te zetten. Naast aandacht voor taal als systeem is er
ook reflectie op taalgebruik. Taalbeschouwing dient geen op zichzelf
staand onderdeel te vormen, maar geïntegreerd te worden met
(onderdelen uit) de overige domeinen.
Het zal duidelijk zijn dat onderwijs in Nederlands als tweede taal
vaak een wat ander karakter heeft dan Nederlands als eerste taal: de
beginsituatie van de leerlingen is anders, de didactiek verschilt, het
aanbod is soms anders gefaseerd, er ligt meer nadruk op
woordenschatuitbreiding. Maar voor alle leerlingen gelden in feite
dezelfde doelen en hetzelfde aanbod. Veel van oorsprong autochtone
kinderen die in achterstandssituaties opgroeien zijn ook gebaat bij
didactische inzichten die door ervaring met onderwijs aan allochtone
kinderen scherper zijn geworden. Eén van die inzichten is, dat taal
in alle vakken een cruciale rol speelt bij het verwerven van kennis en
vaardigheden in die «andere vakken».
Kerndoelen
Mondeling taalonderwijs
1. De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken
taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk,
gestructureerd weer te geven.
2. De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken
bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag,
het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren.
3. De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en
in een gesprek dat informatief of opiniërend van karakter is en
leren met argumenten te reageren.
Schriftelijk taalonderwijs
4. De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve
en instructieve teksten, waaronder schema’s, tabellen en digitale
bronnen.
5. De leerlingen leren naar inhoud en vorm teksten te schrijven
met verschillende functies, zoals: informeren, instrueren,
overtuigen of plezier verschaffen.
6. De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het
lezen van school- en studieteksten en andere instructieve teksten,
bij systematisch geordende bronnen, waaronder digitale.
7. De leerlingen leren informatie en meningen te vergelijken en
te beoordelen in verschillende teksten.
8. De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het
schrijven van een brief, een verslag, een formulier of een werkstuk.
Zij besteden daarbij aandacht aan zinsbouw, correcte spelling, een
leesbaar handschrift, bladspiegel, eventueel beeldende elementen en
kleur.
9. De leerlingen krijgen plezier in het lezen en schrijven van
voor hen bestemde verhalen, gedichten en informatieve teksten.
Taalbeschouwing, waaronder strategieën
10. De leerlingen leren bij de doelen onder «mondeling
taalonderwijs» en «schriftelijk taalonderwijs» strategieën te
herkennen, te verwoorden, te gebruiken en te beoordelen.
11. De leerlingen leren een aantal taalkundige principes en
regels. Zij kunnen in een zin het onderwerp, het werkwoordelijk
gezegde en delen van dat gezegde onderscheiden.
De leerlingen kennen
– regels voor het spellen van werkwoorden;
– regels voor het spellen van andere woorden dan
werkwoorden;
– regels voor het gebruik van leestekens.
12. De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en
strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden.
Onder «woordenschat» vallen ook begrippen die het leerlingen
mogelijk maken over taal te denken en te spreken.
Engels
Karakteristiek
Beheersing van de Engelse taal wordt voor iedereen steeds
belangrijker door de toenemende internationalisering, groeiende
mobiliteit en de uitbreidende mogelijkheden om te communiceren via
nieuwe media. De plaats van Engels in het basisonderwijs wordt
gefundeerd door Europees beleid en door het uitgangspunt dat een
redelijke beheersing van die taal bereikt wordt wanneer er vroeg met
het onderwijs in Engels begonnen wordt.
Het doel van Engels is om een eerste basis te leggen om te kunnen
communiceren met moedertaalsprekers of anderen die buiten de school
Engels spreken. Die eerste aanzet wordt later, in de periode van de
basisvorming, verder ontwikkeld. In de basisschool wordt het onderwijs
in de Engelse taal waar mogelijk in samenhang gebracht met inhouden
van andere vakken. Bijvoorbeeld met inhouden in de oriëntatie op
jezelf en de wereld. Het gaat dan om eenvoudige alledaagse onderwerpen
als «woonomgeving», «vrije tijd en hobby’s», «het lichaam»,
«het weer».
In het basisonderwijs gaat het bij het onderwijs in de Engelse taal
vooral om mondelinge communicatie en om het lezen van eenvoudige
teksten. Het schrijven beperkt zich tot het kennismaken met de
schrijfwijze van een beperkt aantal vaak voorkomende Engelse woorden.
Voorts leren kinderen om woordbetekenissen en schrijfwijzen van
woorden op te zoeken met behulp van het woordenboek.
Kerndoelen
13. De leerlingen leren informatie te verwerven uit eenvoudige
gesproken en geschreven Engelse teksten.
14. De leerlingen leren in het Engels informatie te vragen of
geven over eenvoudige onderwerpen en zij ontwikkelen een attitude
waarbij ze zich durven uit te drukken in die taal.
15. De leerlingen leren de schrijfwijze van enkele eenvoudige
woorden over alledaagse onderwerpen.
16. De leerlingen leren om woordbetekenissen en schrijfwijzen van
Engelse woorden op te zoeken met behulp van het woordenboek.
Friese taal
Karakteristiek
Basisscholen in de provincie Friesland dienen onderwijs in de
Friese taal op te nemen in hun aanbod op grond van artikel 9 van de
Wet op het primair onderwijs: «Op scholen in de provincie Friesland
wordt tevens onderwijs gegeven in de Friese taal, tenzij gedeputeerde
staten op verzoek van het bevoegd gezag ontheffing van deze
verplichting hebben verleend».
Onderwijs in het Fries heeft, evenals onderwijs in het Nederlands,
een maatschappelijke en een sociale functie. De maatschappelijke
functie valt samen met dezelfde functie van het onderwijs in het
Nederlands: de rol van taal bij het verwerven van inhouden en
vaardigheden in alle leergebieden en de transfer tussen taal en
«andere vakken». In scholen waar Fries aangeboden wordt, staat dit
onderwijs daarom niet los van onderwijs in het Nederlands. Tussen
beide is transfer, bijvoorbeeld: uitbreiding van de woordenschat,
luister- en leesstrategieën, taalbeschouwing.
Naast een maatschappelijke functie heeft het onderwijs in het Fries
een sociale en culturele functie. Kinderen worden vertrouwd met het
leren zich uit te drukken in de taal die in de provincie, de regio, de
plaats, de buurt en het gezin in informele en formele situaties
gebruikt wordt. Daarmee nemen zij ook deel aan de cultuur van de eigen
streek voor zover die samenhangt met het gebruik van het Fries.
In het aanbod neemt mondeling taalonderwijs een belangrijke plaats
in. Het zal daarbij gaan om onderwerpen waarmee de kinderen vertrouwd
zijn en om relatief eenvoudige competenties als beschrijven en
ordenen. Enige vaardigheid in het lezen wordt ook nagestreefd. Het
gaat daarbij om voor kinderen interessante teksten waarbij leesplezier
van meer gewicht is dan het oefenen van leesbegrip.
Net als in het onderwijs in het Nederlands is het verwerven van
luister-, lees- en woordenschatstrategieën van belang. Die zijn voor
een deel overdraagbaar uit (of naar) het onderwijs in Nederlandse
taal. Behalve deze samenhang in strategieën is taalbeschouwing in
brede zin een domein dat een rijke bron van geplande of incidentele
lessen kan vormen: de positie van het Fries in Nederland en in de
eigen provincie, verschillen en overeenkomsten tussen Fries en
Nederlands in gebruik, vorm, woordenschat en dergelijke.
Kerndoelen
Mondeling taalonderwijs
17. De leerlingen ontwikkelen een positieve attitude ten opzichte
van het gebruik van Fries door henzelf en anderen.
18. De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken
Fries. Het gaat om teksten die informatie geven, plezier
verschaffen, meningen of aanwijzingen bevatten over voor hen bekende
onderwerpen.
19. De leerlingen leren zich naar inhoud en vorm in het Fries uit
te drukken in situaties uit hun dagelijks leven waarin zij
informatie vragen of geven over een onderwerp waarmee zij vertrouwd
zijn.
Schriftelijk taalonderwijs
20. De leerlingen leren informatie te verwerven uit teksten in
het Fries in frequent voorkomende teksttypen (zoals artikelen in
jeugdrubrieken, liedjes, verhalen).
21. De leerlingen leren eenvoudige teksten in het Fries te
schrijven over alledaagse onderwerpen met het doel met anderen over
die onderwerpen te communiceren.
Taalbeschouwing, waaronder strategieën
22. De leerlingen verwerven een woordenschat van frequent gebruikte
Friese woorden en strategieën voor het begrijpen van voor hen
onbekende woorden.
Rekenen/wiskunde
Karakteristiek
In de loop van het basisonderwijs verwerven kinderen zich – in de
context van voor hen betekenisvolle situaties – geleidelijk
vertrouwdheid met getallen, maten, vormen, structuren en de daarbij
passende relaties en bewerkingen. Ze leren «wiskundetaal» gebruiken
en worden «wiskundig geletterd» en gecijferd. De wiskundetaal
betreft onder andere reken-wiskundige en meetkundige zegswijzen,
formele en informele notaties, schematische voorstellingen, tabellen,
grafieken en opdrachten voor de rekenmachine. «Wiskundig geletterd»
en gecijferd betreft onder andere samenhangend inzicht in getallen,
maatinzicht en ruimtelijk inzicht, een repertoire van parate kennis,
belangrijke referentiegetallen en -maten, karakteristieke voorbeelden
en toepassingen en routine in rekenen, meten en meetkunde. Meetkunde
betreft ruimtelijke oriëntatie, het beschrijven van verschijnselen in
de werkelijkheid en het redeneren op basis van ruimtelijk
voorstellingsvermogen in twee en drie dimensies.
De onderwerpen waaraan kinderen hun «wiskundige geletterdheid»
ontwikkelen zijn van verschillende herkomst: het leven van alledag,
andere vormingsgebieden en de wiskunde zelf. Bij de selectie en
aanbieding van de onderwerpen wordt rekening gehouden met wat kinderen
al weten en kunnen, met hun verdere vorming, hun belangstelling en de
actualiteit, zodat kinderen zich uitgedaagd voelen tot wiskundige
activiteit en zodat ze op eigen niveau, met plezier en voldoening,
zelfstandig en in de groep uit eigen vermogen wiskunde doen:
wiskundige vragen stellen en problemen formuleren en oplossen.
In de reken-wiskundeles leren kinderen een probleem wiskundig op te
lossen en een oplossing in wiskundetaal aan anderen uit te leggen. Ze
leren met respect voor ieders denkwijze wiskundige kritiek te geven en
te krijgen. Het uitleggen, formuleren en noteren en het elkaar
kritiseren leren kinderen als specifiek wiskundige werkwijze te
gebruiken om alleen en samen met anderen het denken te ordenen, te
onderbouwen en fouten te voorkomen.
Kerndoelen
Wiskundig inzicht en handelen
23. De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.
24. De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige
problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.
25. De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van
reken-wiskundeproblemen te onderbouwen en leren oplossingen te
beoordelen.
Getallen en bewerkingen
26. De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen,
gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen
op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te
rekenen.
27. De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen
in elk geval tot 100 snel uit het hoofd uitvoeren, waarbij optellen
en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn.
28. De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.
29. De leerlingen leren handig optellen, aftrekken,
vermenigvuldigen en delen.
30. De leerlingen leren schriftelijk optellen, aftrekken,
vermenigvuldigen en delen volgens meer of minder verkorte
standaardprocedures.
31. De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.
Meten en meetkunde
32. De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te
lossen.
33. De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en
maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud,
gewicht, snelheid en temperatuur.
Oriëntatie op jezelf en de wereld
Karakteristiek
In dit leergebied oriënteren leerlingen zich op zichzelf, op hoe
mensen met elkaar omgaan, hoe ze problemen oplossen en hoe ze zin en
betekenis geven aan hun bestaan. Leerlingen oriënteren zich op de
natuurlijke omgeving en op verschijnselen die zich daarin voordoen.
Leerlingen oriënteren zich ook op de wereld, dichtbij, veraf, toen en
nu en maken daarbij gebruik van cultureel erfgoed.
Kinderen zijn nieuwsgierig. Ze zijn voortdurend op zoek om zichzelf
en de wereld te leren kennen en te verkennen. Die
ontwikkelingsbehoefte is een aangrijpingspunt voor dit leergebied.
Tegelijk stelt de samenleving waarin kinderen opgroeien haar eisen.
Kinderen vervullen nu en straks taken en rollen, waarop ze via
onderwijs worden voorbereid. Het gaat om rollen als consument, als
verkeersdeelnemer, als burger in een democratische rechtstaat. Kennis
over en inzicht in belangrijke waarden en normen, en weten hoe
daarnaar te handelen, zijn voorwaarden voor samenleven. Respect en
tolerantie zijn er verschijningsvormen van.
Bij het leren kennen van de wijze waarop mensen hun omgeving
inrichten spelen economische, politieke, culturele, technische en
sociale aspecten een belangrijke rol. Het gaat daarbij om datgene wat
van belang is voor betekenisverlening aan het bestaan, om duurzame
ontwikkeling, om (voedsel)veiligheid en gezondheid en om technische
verworvenheden.
Bij het oriënteren op de natuur gaat het om jezelf, om dieren en
planten en natuurverschijnselen. Bij de oriëntatie op de wereld gaat
het om de vorming van een wereldbeeld in ruimte en tijd. Leerlingen
ontwikkelen een geografisch wereldbeeld aan de hand van gebieden en
met behulp van kaartvaardigheden. Ze ontwikkelen een historisch
wereldbeeld. Dat betekent dat ze kennis hebben van historische
verschijnselen in delen van de wereld en van chronologie. Leerlingen
leren hun wereldbeeld (over henzelf en de wereld), aan de hand van
actuele onderwerpen, voortdurend «bij de tijd» te brengen.
Waar mogelijk worden onderwijsinhouden over mensen, de natuur en de
wereld in samenhang aangeboden. Dit komt het «begrijpen» door
leerlingen ten goede en draagt voorts bij aan vermindering van de
overladenheid van het onderwijsprogramma. Ook inhouden uit andere
leergebieden worden betrokken op de «oriëntatie op jezelf en de
wereld». Te denken valt aan het lezen en maken van teksten
(begrijpend lezen), het meten en het verwerken van informatie in onder
andere tabellen, tijdlijn en grafieken (rekenen/wiskunde) en het
gebruik van beelden en beeldend materiaal (kunstzinnige oriëntatie).
Onderwijs is er immers vooral op gericht om leerlingen zicht te geven
op betekenis en samenhang.
Kerndoelen
Mens en samenleving
34. De leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en
psychische gezondheid van henzelf en anderen.
35. De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal
opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument.
36. De leerlingen leren hoofdzaken van de Nederlandse en Europese
staatsinrichting en hun rol als burger.
37. De leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor
algemeen aanvaarde waarden en normen.
38. De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen
die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol
spelen, en ze leren respectvol om te gaan met verschillen in
opvattingen van mensen.
39. De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu.
Natuur en techniek
40. De leerlingen leren in de eigen omgeving veel voorkomende
planten en dieren onderscheiden en benoemen en leren hoe ze
functioneren in hun leefomgeving.
41. De leerlingen leren over de bouw van planten, dieren en
mensen en over de vorm en functie van hun onderdelen.
42. De leerlingen leren onderzoek doen aan materialen en
natuurkundige verschijnselen, zoals licht, geluid, electriciteit,
kracht, magnetisme en temperatuur.
43. De leerlingen leren hoe je weer en klimaat kunt beschrijven
met behulp van temperatuur, neerslag en wind.
44. De leerlingen leren bij producten uit hun eigen omgeving
relaties te leggen tussen de werking, de vorm en het
materiaalgebruik.
45. De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te
ontwerpen, deze uit te voeren en te evalueren.
46. De leerlingen leren dat de positie van de aarde ten opzichte
van de zon leidt tot natuurverschijnselen zoals seizoenen en
dag-/nachtritme.
Ruimte
47. De leerlingen leren de ruimtelijke inrichting van de eigen
omgeving te vergelijken met die in omgevingen elders, in binnen- en
buitenland, vanuit de perspectieven landschap, wonen, werken,
bestuur, verkeer, recreatie, welvaart, cultuur en levensbeschouwing.
In ieder geval wordt daarbij aandacht besteed aan twee lidstaten van
de Europese Unie en twee landen die in 2004 lid werden, de Verenigde
Staten en een land in Azië, Afrika en Zuid-Amerika.
48. Kinderen leren over de maatregelen die in Nederland genomen
worden/werden om bewoning van door water bedreigde gebieden mogelijk
te maken.
49. De leerlingen leren over de mondiale ruimtelijke spreiding
van bevolkingsconcentraties en godsdiensten, van klimaten,
energiebronnen en van natuurlandschappen zoals vulkanen, woestijnen,
tropische regenwouden, hooggebergten en rivieren.
50. De leerlingen leren omgaan met kaart en atlas, beheersen de
basistopografie van Nederland, Europa en de rest van de wereld en
ontwikkelen een eigentijds geografisch wereldbeeld.
Tijd
51. De leerlingen leren gebruik te maken van eenvoudige
historische bronnen, zoals aanwezig in ons cultureel erfgoed, en ze
leren aanduidingen van tijd en tijdsindeling te hanteren.
52. De leerlingen leren over kenmerkende aspecten van de volgende
tijdvakken: jagers en boeren; Grieken en Romeinen; monniken en
ridders; steden en staten; ontdekkers en hervormers; regenten en
vorsten; pruiken en revoluties; burgers en stoommachines;
wereldoorlogen en holocaust; televisie en computer. De vensters van
de canon van Nederland dienen als uitgangspunt ter illustratie van
de tijdvakken.
53. De leerlingen leren over de belangrijke historische personen
en gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis en kunnen die aan
de hand van voorbeelden verbinden met de wereldgeschiedenis.
Kunstzinnige oriëntatie
Karakteristiek
Door middel van een kunstzinnige oriëntatie maken kinderen kennis
met kunstzinnige en culturele aspecten in hun leefwereld. Het gaat bij
dit domein om kennismaking met dié aspecten van cultureel erfgoed
waarmee mensen in de loop van de tijd vorm en betekenis hebben gegeven
aan hun bestaan. Het gaat bij kunstzinnige oriëntatie ook om het
verwerven van enige kennis van de hedendaagse kunstzinnige en
culturele diversiteit. Dit vindt zowel op school plaats, als via
regelmatige interactie met de (buiten)wereld. Kinderen leren zich aan
de hand van kunstzinnige oriëntatie open te stellen: ze kijken naar
schilderijen en beelden, ze luisteren naar muziek, ze genieten van
taal en beweging. Kunstzinnige oriëntatie is er ook op gericht bij te
dragen aan de waardering van leerlingen voor culturele en kunstzinnige
uitingen in hun leefomgeving. Ze leren daarnaast zichzelf te uiten met
aan het kunstzinnige domein ontleende middelen:
– ze leren de beeldende mogelijkheden van diverse materialen
onderzoeken, aan de hand van de aspecten kleur, vorm, ruimte,
textuur en compositie;
– ze maken tekeningen en ruimtelijke werkstukken;
– ze leren liedjes en leren ritme-instrumenten te gebruiken
als ondersteuning bij het zingen;
– ze spelen en bewegen.
Waar mogelijk worden daarbij onderwerpen gebruikt die samenhangen
met die uit andere leergebieden. Het onderwijs wordt daardoor meer
samenhangend en mede daardoor betekenisvoller voor leerlingen. Maar
voorop staat natuurlijk de authentieke bijdrage van kunstzinnige
oriëntatie aan de ontwikkeling van kinderen.
Kerndoelen
54. De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging
te gebruiken om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om
er mee te communiceren.
55. De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te
reflecteren.
56. De leerlingen verwerven enige kennis over en krijgen
waardering voor aspecten van cultureel erfgoed.
Bewegingsonderwijs
Karakteristiek
Kinderen bewegen veel en graag. Dat zien we bijvoorbeeld op het
schoolplein tijdens het buitenspelen van de kleuters. Het behouden van
die actieve leefstijl is een belangrijke doelstelling van dit
leergebied. Om dat doel te bereiken leren kinderen in het
bewegingsonderwijs deelnemen aan een breed scala van
bewegingsactiviteiten, zodat ze een ruim «bewegingsrepertoire»
opbouwen. Dat repertoire bevat motorische aspecten, maar ook sociale
vaardigheden.
Leerlingen leren de hoofdbeginselen van de belangrijkste bewegings-
en spelvormen ervaren in aansprekende bewegingssituaties. Het gaat
daarbij om bewegingsvormen als balanceren, springen, klimmen,
schommelen, duikelen, hardlopen en bewegen op muziek. En om spelvormen
als tikspelen, doelspelen, spelactiviteiten waarbij het gaat om mikken
en jongleren en stoeispelen.
Vanuit dit aanbod zullen kinderen zich ook kunnen oriënteren op de
buitenschoolse bewegings- en sportcultuur en de meer seizoengebonden
bewegingsactiviteiten.
De meeste bewegings- en sportactiviteiten worden gezamenlijk
ondernomen en dus is het nodig om te leren afspreken wat de regels
zijn, hoe die na te leven en wie welke rol speelt. Verder hoort
daarbij elkaar helpen, op veiligheid letten, elkaars mogelijkheden
respecteren en eigen mogelijkheden verkennen.
Het is eigen aan «bewegen» dat er plezier aan te beleven valt.
Dat plezier is van groot belang voor een blijvende deelname aan
bewegingsactiviteiten.
Kerndoelen
57. De leerlingen leren op een verantwoorde manier deelnemen aan
de omringende bewegingscultuur en leren de hoofdbeginselen van de
belangrijkste bewegings- en spelvormen ervaren en uitvoeren.
58. De leerlingen leren samen met anderen op een respectvolle
manier aan bewegingsactiviteiten deelnemen, afspraken maken over het
reguleren daarvan, de eigen bewegingsmogelijkheden inschatten en
daarmee bij activiteiten rekening houden.