| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op het specifiek
cultuurbeleid
BEKOSTIGINGSBESLUIT
CULTUURUITINGEN
Tekst zoals deze geldt op
23 januari 2010
Vervallen
m.i.v. 1 juli 2010
|
|
|
BESLUIT van 21 juni 1994, houdende regels met
betrekking tot het verstrekken van subsidies en specifieke uitkeringen
ten behoeve van cultuuruitingen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van
2 september 1993 (kenmerk DGCZ/SCB-U-935307);
Gelet op artikel 8 van de Wet op het specifiek
cultuurbeleid;
Gezien de adviezen van de Raad voor de
Gemeentefinanciën, de Raad voor het cultuurbeheer en de Raad voor de
Kunst;
De Raad van State gehoord (advies van 28 maart
1994, nr. W13.93.0601);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 13 juni 1994, DGCZ/SCB-U-944172;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: Wet op het specifiek cultuurbeleid;
b. instelling: privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid, dan wel publiekrechtelijke rechtspersoon;
c. aangewezen instelling: instelling die door Onze Minister is
aangewezen als een instelling als bedoeld in artikel 4b van de
wet;
d. project: activiteit op het terrein van cultuur met een
incidenteel karakter;
e. jaarlijkse instellingssubsidie: subsidie aan een instelling
gedurende een kalenderjaar voor het geheel of een deel van de
activiteiten van die instelling;
f. vierjaarlijkse instellingssubsidie: subsidie krachtens
artikel 4a van de wet aan een instelling gedurende in beginsel
vier aaneengesloten kalenderjaren voor het geheel of een deel van
de activiteiten van die instelling;
g. projectsubsidie: subsidie voor een project;
2.Artikel 28 van het Besluit financiële verhouding 2001 is niet
van toepassing op het verstrekken van specifieke uitkeringen als
bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7 van de wet.
Artikel 2
Onze Minister maakt openbaar welke activiteiten voor subsidie of voor
een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 40 in aanmerking komen
voor zover dit niet reeds blijkt uit nota’s die van belang zijn voor
het cultuurbeleid of uit de ministeriële regeling, bedoeld in artikel
4a van de wet, alsmede voor zover hij voornemens is af te wijken van het
in die nota’s of ministeriële regeling gestelde onderscheidenlijk
bepaalde.
Artikel 2a
Onze Minister verstrekt subsidie voor perioden van ten hoogste vier
jaren.
Artikel 3
Een subsidie of een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 40
ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend
onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4
1.Op de verlening van een specifieke uitkering als bedoeld in
artikel 40 is artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht van
overeenkomstige toepassing.
2.De subsidieverlening of de verlening van een specifieke uitkering
als bedoeld in artikel 40 wordt geweigerd voor zover Onze Minister van
oordeel is dat het verstrekken daarvan zijn beleid dat is neergelegd
in de nota’s die van belang zijn voor het cultuurbeleid of in de
ministeriële regeling, bedoeld in artikel 4a van de wet, of dat met
toepassing van artikel 2 openbaar is gemaakt, mede gelet op de
beschikbare financiële middelen, niet of onvoldoende ondersteunt.
3.De subsidieverlening wordt voorts geweigerd voor zover:
a. naar het oordeel van Onze Minister mag worden verwacht dat
de met de subsidieverlening beoogde doeleinden niet zullen worden
bereikt;
b. de aanvrager naar het oordeel van Onze Minister de behoefte
aan subsidie niet heeft aangetoond, tenzij de aanvrager een
publiekrechtelijke rechtspersoon is;
c. de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat de
financiële middelen met inbegrip van subsidie voldoende zullen
zijn om de voorgenomen activiteiten uit te voeren.
4.Onze Minister kan bepalen dat in een geval of een categorie
gevallen de behoefte aan subsidie niet behoeft te worden aangetoond.
Artikel 5
Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop
het bedrag van een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 40 of van
een subsidie wordt berekend.
Hoofdstuk IA. Subsidieplafonds en verdelingsbepaling
Artikel 5a
Onze Minister kan ieder jaar subsidieplafonds vaststellen voor de
verschillende categorieën van activiteiten waarvoor een subsidie kan
worden verstrekt.
Artikel 5b
1.Indien Onze Minister een subsidieplafond vaststelt in verband met
verlening van vierjaarlijkse of jaarlijkse instellingssubsidie dan wel
van projectsubsidie, voorziet hij in een gelijktijdige beslissing op
aanvragen met betrekking tot soortgelijke instellingen en soortgelijke
projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te
dragen aan de doelstellingen van de subsidie, tenzij Onze Minister bij
de vaststelling van een subsidieplafond bepaalt dat hij het
beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen
verdeelt.
2.Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet
bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen,
geldt in het geval, bedoeld in het eerste lid, laatste zinsdeel, de
dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling,
als datum van ontvangst.
3.Indien Onze Minister een subsidieplafond vaststelt in verband met
subsidieverlening aan aangewezen instellingen of fondsen, voorziet hij
in een gelijktijdige beslissing ten aanzien van die instellingen of
fondsen op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te
dragen aan de doelstellingen van de subsidie.
Hoofdstuk II. Vereisten voorafgaand aan de subsidieverlening
§ 1. Aanvraag van vierjaarlijkse of jaarlijkse instellingssubsidie
dan wel van projectsubsidie
Artikel 6
Deze paragraaf is op aangewezen instellingen en fondsen slechts van
toepassing voor zover het betreft projectsubsidies.
Artikel 7
1.Een instelling die een vierjaarlijkse instellingssubsidie
verlangt, dient voor een door Onze Minister te bepalen tijdstip een
subsidieaanvraag in. Dit tijdstip ligt ten minste zes maanden vóór
de aanvang van de periode van vier jaar waarvoor subsidie wordt
aangevraagd.
2.Een instelling die een jaarlijkse instellingssubsidie verlangt,
dient uiterlijk zes maanden vóór de aanvang van het betreffende jaar
een subsidieaanvraag in.
3.Een instelling of een natuurlijke persoon die een projectsubsidie
verlangt, dient uiterlijk dertien weken voor de aanvang van het
project een subsidieaanvraag in.
4.De subsidieaanvraag voor een vierjaarlijkse of een jaarlijkse
instellingssubsidie geeft mede aan of de aanvraag geschiedt voor het
geheel of een gedeelte van de activiteiten van de instelling.
5.Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van de in het
eerste en tweede lid bedoelde aanvraagtermijn;
6.In afwijking van het derde lid kan Onze Minister:
a. bepalen dat aanvragen voor bepaalde categorieën projecten
vóór een of meer door hem vastgestelde data dienen te worden
ingediend; of
b. een andere aanvraagtermijn vaststellen.
Artikel 8
1.De subsidieaanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:
a. een activiteitenplan; en
b. een begroting.
2.Het activiteitenplan geeft het doel aan van en geeft inzicht in
de voorgenomen activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.
3.Het activiteitenplan van de aanvraag voor een vierjaarlijkse
instellingssubsidie is uitgesplitst per jaar.
4.De begroting geeft inzicht in de geschatte baten en lasten van de
voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt uitgegaan van het prijspeil op
1 januari van het jaar van indiening van de aanvraag. De begroting is
tevens voorzien van een postgewijze toelichting.
5.De begroting van de aanvraag voor een vierjaarlijkse
instellingssubsidie omvat tevens een prestatieoverzicht dat in kort
bestek een inzichtelijk kwantitatief overzicht bevat van de te
verrichten activiteiten in ieder van de vier jaren van de periode
waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.
6.Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens
subsidie heeft aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen,
doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder vermelding van de
stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of
aanvragen.
Artikel 9
1.De aanvraag voor een jaarlijkse instellingssubsidie of een
projectsubsidie gaat vergezeld van een liquiditeitsprognose, indien de
liquiditeitsbehoefte van de betreffende instelling of de betrokken
natuurlijke persoon onregelmatig is gespreid over de duur van de
activiteiten.
2.De liquiditeitsprognose geeft gemotiveerd inzicht in het verloop
van de liquiditeitsbehoefte van de activiteiten.
Artikel 10
1.Bij de aanvraag worden tevens overgelegd:
a. een afschrift van de oprichtingsakte of de statuten;
b. een afschrift waaruit de inschrijving van de instelling in
het geldende openbaar register blijkt; en
c. een volledig overzicht van de financiële toestand van de
instelling op het tijdstip van de aanvraag, tenzij de aanvrager er
redelijkerwijs van uit kan gaan dat de in die bescheiden opgenomen
gegevens aan Onze Minister bekend zijn. Legt de aanvrager niet een
of meer van deze bescheiden over dan doet hij daarvan mededeling
in de aanvraag.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op publiekrechtelijke
rechtspersonen.
§ 2. Verplichtingen voorafgaand aan de vierjaarlijkse
subsidieverlening voor aangewezen instellingen en fondsen
Artikel 11
1.Aangewezen instellingen en fondsen dienen uiterlijk zes maanden
voor de aanvang van iedere subsidieperiode van vier kalenderjaren een
begroting in die betrekking heeft op de door die instellingen als
zodanig te verrichten activiteiten in die periode. De begroting is
uitgesplitst per jaar.
2.Artikel 8, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 12
Indien aan een aangewezen instelling of een fonds voor de eerste maal
een subsidie als bedoeld in artikel 11 wordt verleend, is artikel 10 van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk III. Subsidieverlening en bevoorschotting
Artikel 13
1.Op een aanvraag voor een vierjaarlijkse of jaarlijkse
instellingssubsidie wordt beslist dertien weken voorafgaand aan het
betrokken jaar.
2.Met het oog op de onderlinge afweging van aanvragen kan Onze
Minister bepalen dat op een aanvraag niet wordt beslist voor een
bepaalde datum in een kalenderjaar, dan wel dat wordt beslist op of na
een of meer data in een kalenderjaar.
Artikel 14
1. Onze Minister houdt bij het verlenen van voorschotten rekening
met de liquiditeitsbehoefte.
2. Ingeval van voorschotverlening aan instellingen met
vierjaarlijkse instellingssubsidie, aan aangewezen instellingen of aan
fondsen wordt in de beschikking tot voorschotverlening vermeld welk
bedrag elk jaar van de betrokken periode als voorschot zal worden
verstrekt.
3. Indien een subsidieaanvraag voor een vierjaarlijkse of
jaarlijkse instellingssubsidie of voor een projectsubsidie te laat
wordt ingediend en Onze Minister de aanvraag desondanks in behandeling
neemt, kan hij het verlenen van voorschotten evenredig later doen
plaatsvinden.
4. Onze Minister kan met betrekking tot de bevoorschotting nadere
regels stellen.
Artikel 15
1.Bij de subsidieverlening aan instellingen met vierjaarlijkse
instellingssubsidie, aan aangewezen instellingen of aan fondsen kan
Onze Minister bepalen dat het subsidiebedrag jaarlijks door hem wordt
bijgesteld, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil en
met de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden.
2.Met het oog op de toepassing van het eerste lid kan Onze Minister
bij de verlening van de subsidie tevens bepalen welk deel van het
subsidiebedrag in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling
in verband met de ontwikkeling van het prijspeil, onderscheidenlijk
van de kosten van de arbeidsvoorwaarden.
3.Indien een subsidie met toepassing van het eerste lid wordt
bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.
4.Jaarlijks vindt overleg plaats tussen Onze Minister en, naar het
oordeel van Onze Minister, representatieve vertegenwoordigers van
subsidieontvangers over de ontwikkeling van de kosten van de
arbeidsvoorwaarden in het daarop volgende jaar in relatie tot de
kwaliteit en de kwantiteit van de gesubsidieerde activiteiten. Een
bijstelling van het subsidiebedrag met toepassing van het eerste lid
vindt eerst plaats nadat dit overleg heeft plaatsgevonden.
Artikel 16 [Vervallen per 17-10-2007]
Artikel 17 [Vervallen per 15-05-1998]
Artikel 18 [Vervallen per 15-05-1998]
Hoofdstuk IV. Aan subsidieverlening verbonden verplichtingen van de
subsidieontvanger
Artikel 19
De subsidieontvanger zorgt ervoor dat:
a. de doeleinden gesteld in het activiteitenplan of, in geval van
subsidieverlening aan aangewezen instellingen of fondsen, het
prestatieoverzicht op doelmatige wijze worden nagestreefd;
b. dat de werkzaamheden op een zodanige manier worden geregeld
dat een goed beleid en beheer worden gevoerd; en
c. dat de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de
doeleinden waarvoor het wordt verleend.
Artikel 20
De subsidieontvanger zorgt er voorts voor dat:
a. de administratie op overzichtelijke en doelmatige wijze wordt
gevoerd;
b. de administratie een juist, volledig en actueel beeld geeft
van het functioneren van de instelling;
c. van alle ontvangsten en uitgaven deugdelijke bewijsstukken
waaruit de aard en de omvang van de geleverde goederen of van de
verrichte diensten duidelijk blijken, aanwezig zijn; en
d. de administratie en de daarbij behorende bewijsstukken ten
minste gedurende vijf jaar na de vaststelling van de subsidie worden
bewaard.
Artikel 21
1.Bij instellingen met vierjaarlijkse of jaarlijkse
instellingssubsidie, bij aangewezen instellingen en bij fondsen is het
boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.
2.Onze Minister kan van het eerste lid ontheffing verlenen.
Artikel 22
De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling
aan Onze Minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een
beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.
Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.
Artikel 23
1.Instellingen met vierjaarlijkse of jaarlijkse
instellingssubsidie, aangewezen instellingen en fondsen verzekeren hun
roerende en onroerende zaken op afdoende wijze tegen het risico van
diefstal en brand, alsmede tegen het risico van wettelijke
aansprakelijkheid tegenover derden.
2.Instellingen met een vierjaarlijkse of jaarlijkse
instellingssubsidie, aangewezen instellingen en fondsen verzekeren
voor vrijwilligers die werkzaamheden voor deze verrichten in het kader
van de gesubsidieerde activiteiten, hun wettelijke aansprakelijkheid.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op zaken van provincies en
gemeenten en op collecties van musea.
4.Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste
of tweede lid.
5.Onze Minister kan het eerste of tweede lid van overeenkomstige
toepassing verklaren op de ontvanger van een projectsubsidie.
Artikel 23a [Vervallen per 25-03-2005]
Artikel 24
1.Instellingen met vierjaarlijkse instellingssubsidie, aangewezen
instellingen en fondsen dienen binnen vier maanden na afloop van enig
jaar waarvoor subsidie is verleend een bestuursverslag en een
jaarrekening of financieel verslag in. De jaarrekening of het
financieel verslag gaat vergezeld van een toelichting.
2.Op de jaarrekening zijn de artikelen 35 en 37 van toepassing.
3.Op het financieel verslag zijn de artikelen 36 en 37 van
toepassing.
4.Het bestuursverslag geeft toelichting op:
a. het exploitatieresultaat van de instelling;
b. de financiële positie van de instelling;
c. het al dan niet realiseren van de voorgenomen activiteiten;
d. de zaken die nu of in de toekomst van invloed kunnen zijn op
het functioneren van de instelling.
5.Het bestuursverslag bevat naast de toelichting, bedoeld in het
vierde lid, in kort bestek een inzichtelijke kwalitatieve beschrijving
van de verrichte activiteiten in het afgelopen jaar.
6.Het bestuursverslag dat betrekking heeft op het laatste jaar van
een periode van vier kalenderjaren waarvoor subsidie is verleend,
bevat tevens een beschouwing over die vier kalenderjaren gezamenlijk.
7.Het bestuur van de instelling ondertekent het bestuursverslag.
8.Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot tussentijdse
verslaglegging bij projectsubsidies die zich over meer dan één
kalenderjaar uitstrekken.
Artikel 25
1.Indien een gesubsidieerd project leidt tot een publicatie, draagt
de subsidieontvanger er zorg voor dat bij de publicatie wordt
aangegeven wie de uitvoerder en subsidiënt van het project zijn
geweest.
2.Indien een subsidie gericht is of mede gericht is op de
totstandkoming van een werk als bedoeld in artikel 10, onder 1°, van
de Auteurswet, draagt de subsidieontvanger er zorg voor
auteursrechthebbende te zijn ter zake van dat werk.
3.De subsidieontvanger vrijwaart de Staat der Nederlanden voor
aanspraken van derden ter zake van alle schade die zij lijden ten
gevolge van de door of vanwege de subsidieontvanger verrichte
publicaties.
Artikel 26
1.Voor zover na uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten
overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens dit besluit het bedrag
van een verleend instellingssubsidie niet is besteed aan de doeleinden
waarvoor de subsidie is verstrekt, wordt het gereserveerd in een
bestemmingsfonds OCW. De aldus gereserveerde bedragen kunnen
uitsluitend worden besteed aan doeleinden waarvoor de subsidie werd
verstrekt.
2.Over de aanwending van het bedrag in het bestemmingsfonds OCW
neemt Onze Minister na afloop van de subsidieperiode binnen tien
maanden een besluit.
Artikel 27
1.In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, is de subsidieontvanger aan Onze Minister
een door hem te bepalen vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd.
2.Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan
van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het
tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande
dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of
beschadiging van zaken, wordt uitgegaan van het bedrag dat als
schadevergoeding door de instelling wordt ontvangen. Indien het
onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door één of
drie onafhankelijke deskundigen.
3.Toepassing van het eerste lid blijft achterwege indien de
activiteiten van de subsidieontvanger, na toestemming van Onze
Minister, door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa
tegen boekwaarde aan die andere rechtspersoon in eigendom zijn
overgedragen.
Artikel 28
1.De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die
zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen
ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling ter
beschikking gestelde goederen, is niet hoger dan het bedrag dat op
grond van de historische kostprijs berekend wordt, rekening houdend
met de geldende afschrijvingspercentages.
2.De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die
zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen
ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde
diensten, is indien het diensten betreft die in het algemeen door
soortgelijke instellingen in eigen beheer worden verricht, niet hoger
dan het bedrag dat gelijk is aan de kosten die de instelling zou
hebben gehad bij het verrichten van de diensten in eigen beheer.
3.De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die
zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen
ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde
diensten, andere dan de in het tweede lid bedoelde diensten, is niet
hoger dan het bedrag dat voor het doen verrichten van dergelijke
diensten door andere organisaties gebruikelijk kan worden geacht.
Artikel 29
De subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of
voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in
rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor
wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn. Onze Minister kan ook
andere gevallen aanwijzen waarin de bepaling niet geldt.
Artikel 30 [Vervallen per 15-05-1998]
Artikel 31
1.De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens Onze Minister
ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht Onze Minister
inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het
beleid.
2.Indien bij Onze Minister het vermoeden is gerezen dat artikel 28
niet is nageleefd, spant de subsidieontvanger zich desgevraagd in de
jaarrekening van de desbetreffende organisatie over te leggen.
Artikel 31a
1.Tijdens iedere periode waarin aan de aangewezen instellingen of
fondsen subsidie is verleend, wordt bij ieder van die instellingen een
visitatie uitgevoerd die ten doel heeft de wijze waarop die instelling
haar taken verricht te beoordelen.
2.Met de visitatie zijn visitatiecommissies belast.
3.Een visitatiecommissie wordt door Onze Minister ingesteld na
overleg met de instelling of instellingen waarbij die visitatie wordt
uitgevoerd. Onze Minister stelt daarbij vast over welke instelling of
instellingen de visitatiecommissie haar bemoeienis uitstrekt.
4.De leden van de visitatiecommissie worden benoemd, ontslagen en
geschorst door Onze Minister, gehoord de instelling of instellingen,
waartoe de visitatiecommissie haar bemoeienis zal uitstrekken.
5.Na afloop van iedere visitatie stelt de visitatiecommissie een
visitatierapport vast. Het visitatierapport is openbaar.
6.Op de visitatiecommissies is het Vacatiegeldenbesluit 1988 van
toepassing. De visitatiecommissies worden als «algemeen» in de zin
van dat besluit aangemerkt.
Artikel 32
1.Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent aan de verlening
van bepaalde categorieën subsidies te verbinden verplichtingen.
2.Indien subsidie wordt verstrekt voor activiteiten op een terrein
van cultuur waarvoor een sponsorcode is vastgesteld, kan Onze Minister
bij de subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger zich dient
aan te sluiten bij de code.
Hoofdstuk V. Subsidievaststelling
Artikel 33
Binnen vier maanden na afloop van de periode dan wel het project,
waarvoor subsidie is verleend, dient de subsidieontvanger in ieder geval
de volgende bescheiden in:
a. een activiteitenverslag;
b. een jaarrekening of een financieel verslag.
Artikel 34
Het activiteitenverslag geeft inzicht in de aard, duur en omvang van
de in het kader van de subsidiëring verrichte activiteiten. Het
activiteitenverslag vergelijkt de verrichte activiteiten met de
voorgenomen activiteiten in het activiteitenplan of, ingeval van
subsidieverlening aan aangewezen instellingen of fondsen, in het
prestatieoverzicht.
Artikel 35
1.Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing
op de jaarrekening, met dien verstande dat de winst- en
verliesrekening vervangen wordt door een exploitatierekening; op deze
rekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening van
overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn
van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.
2.Onze Minister kan bepalen dat bepalingen van Titel 9 of
onderdelen daarvan niet van toepassing zijn op bepaalde instellingen
of categorieën instellingen.
3.De jaarrekening omvat de balans en de exploitatierekening, en
gaat vergezeld van een toelichting op beide.
4.De jaarrekening van instellingen met vierjaarlijkse
instellingssubsidie, van aangewezen instellingen en van fondsen gaat
tevens vergezeld van een prestatieverantwoording die in kort bestek
een inzichtelijk kwantitatief overzicht bevat van de activiteiten die
zijn verricht in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft.
5.De jaarrekening behoeft niet te worden ingezonden, indien het
gaat om:
a. een subsidie waarvan de omvang kleiner is dan een door Onze
Minister vast te stellen bedrag;
b. een projectsubsidie; of
c. een subsidie aan een publiekrechtelijke rechtspersoon.
Artikel 36
1.Het financieel verslag geeft een zodanig inzicht dat een
verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de aanwending en de
besteding van de subsidie door de instelling. Het financieel verslag
sluit aan op de indeling van de begroting die voorafgaand aan de
subsidieverlening is overgelegd. Belangrijke verschillen tussen
financieel verslag en begroting worden toegelicht.
2.Op het financieel verslag is artikel 35, vierde lid, van
overeenkomstige toepassing.
3.Een financieel verslag kan achterwege blijven indien de daarmee
te verstrekken informatie reeds in de in te zenden jaarrekening is
opgenomen.
Artikel 37
1.De jaarrekening en het financieel verslag zijn ieder afzonderlijk
voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.De jaarrekening of het financieel verslag gaat vergezeld van een
rapportage omtrent de naleving van de subsidiebepalingen door de
subsidieontvanger, opgesteld door de accountant overeenkomstig een
door Onze Minister vast te stellen protocol.
3.De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de accountant
meewerkt aan door of namens de departementale accountantsdienst in te
stellen onderzoeken naar de door de accountant verrichte
(controle)werkzaamheden. De daaraan verbonden kosten worden geacht te
zijn begrepen in de subsidie.
4.Indien het totaal van de door Onze Minister verleende subsidies
met betrekking tot het boekjaar minder bedraagt dan een door hem vast
te stellen bedrag zijn het eerste en het tweede lid niet van
toepassing.
Artikel 38
Na ontvangst van de gegevens, bedoeld in de artikelen 33 tot en met
37, stelt Onze Minister de subsidie binnen zes maanden vast.
Artikel 39 [Vervallen per 15-05-1998]
Hoofdstuk VI. Specifieke uitkeringen aan provincies en gemeenten
Artikel 40
Specifieke uitkeringen aan provincies en gemeenten ten behoeve van
het door het desbetreffende openbaar lichaam te voeren cultuurbeleid
worden door Onze Minister verstrekt met inachtneming van de artikelen 41
tot en met 49.
Artikel 41
1.De aanvraag voor een specifieke uitkering wordt uiterlijk zes
maanden vóór de aanvang van de desbetreffende uitkeringsperiode
ingediend. Bij ministeriële regeling kan een andere termijn worden
vastgesteld.
2.In de aanvraag voor een specifieke uitkering geeft het college
van gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders
aan welke:
a. doelen worden nagestreefd,
b. indicatoren de realisatie van deze doelen uitdrukken, en
c. kosten met het realiseren van deze doelen zullen zijn
gemoeid.
3.Bij ministeriële regeling kunnen indicatoren worden vastgesteld.
4.Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat het
college van gedeputeerde staten of het college van burgemeester en
wethouders geen toepassing behoeft te geven aan het tweede lid,
onderdeel b.
Artikel 42
Met het oog op de onderlinge afweging van aanvragen kan Onze Minister
bepalen dat op een aanvraag niet wordt beslist voor een bepaalde datum
in een kalenderjaar, dan wel op of na een of meer data in een
kalenderjaar. Op een aanvraag wordt dertien weken voorafgaande aan de
betrokken uitkeringsperiode beslist.
Artikel 43
1.Nadat een aanvraag voor een specifieke uitkering is ingediend,
kan Onze Minister voorschotten verlenen.
2.Onze Minister kan met betrekking tot de bevoorschotting nadere
regels stellen.
Artikel 44
Gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders
doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan Onze Minister van
omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot
wijziging of intrekking van een specifieke uitkering. Daarbij worden de
relevante stukken overgelegd. Artikel 4:49 van de Algemene wet
bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 45 [Vervallen per 24-01-2007]
Artikel 46
Gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders
werkt mee aan door of namens Onze Minister ingestelde onderzoekingen die
erop zijn gericht Onze Minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve
van de ontwikkeling van het beleid.
Artikel 47
Voor zover niet uit de jaarrekening van de provincie of gemeente,
alsmede uit de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen,
behorend bij die jaarrekening krachtens artikel 217 van de Provinciewet
of artikel 213 van de Gemeentewet, blijkt dat een specifieke uitkering
rechtmatig is besteed, kan het bedrag waarvan de rechtmatige besteding
niet vaststaat, worden teruggevorderd.
Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Artikel 48
Onze Minister kan nadere regels stellen ten aanzien van de inrichting
van aanvragen, het activiteitenplan de begroting, de
liquiditeitsprognose, de administratie, de jaarrekening, bedoeld in de
hoofdstukken IV en V, het financieel verslag, de verklaring van de
accountant, bedoeld in artikel 36, eerste lid, het activiteitenverslag
en het bestuursverslag.
Artikel 49
Onze Minister kan, gelet op het belang dat dit besluit beoogt te
beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor
zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende
aard.
Artikel 50 [Vervallen per 15-05-1998]
Artikel 51 [Vervallen per 15-05-1998]
Artikel 52
Dit besluit kan worden aangehaald als: Bekostigingsbesluit
cultuuruitingen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 21 juni 1994
BEATRIX
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H. d’Ancona
Uitgegeven de dertigste juni 1994
De Minister van Justitie,
A. Kosto
|
|
|