|
BESLUIT van 30 september 1992, houdende voorschriften
betreffende de uitkering van de vergoeding aan scholen, de
bevoorschotting, de boekhouding, het financieel beheer en de financiële
controle alsmede voorschriften betreffende de Adviesgroep, bedoeld in
artikel 80 van de W.V.O.
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, mede
namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 29 juni
1990, nr. 90010741/3181A, centrale directie Wetgeving en Juridische
Zaken;
Gelet op de artikelen 80, zesde lid, 84a,
tweede lid, 96b, tweede lid, 96c, eerste en tweede lid, 96p,
derde lid, 96r, eerste lid, 98, eerste lid, 106, eerste en tweede
lid, en 110a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb.
1986, 552);
Gehoord de Onderwijsraad (advies van 19 oktober
1989, nr. OR/719 Alg.);
De Raad van State gehoord (advies van 6
november 1990, nr. W05.90.0288);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, mede namens Onze
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 22 september 1992,
nr. 92028386/3181A, directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Titel 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
aanvullende bekostiging: aanvullende bekostiging als bedoeld in
artikel 85a of artikel 89 van de wet;
accountant: accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de wet;
bijzondere school: bijzondere school als bedoeld in artikel 1 van
de wet;
eerste schooldag:
1°. bij opening van de school aan het begin van het
schooljaar: 1 augustus,
2°. bij opening van de school tijdens het schooljaar: de dag
waarop het onderwijs aan de school is aangevangen;
formatieplaats: een formatieplaats als bedoeld in artikel 1 van
het Formatiebesluit W.V.O.;
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
of, voorzover het betreft het landbouwonderwijs, Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
openbare school:openbare school als bedoeld in artikel 1 van de
wet;
ouders: ouders, voogden of verzorgers;
school: school voor voortgezet onderwijs;
scholengemeenschap: scholengemeenschap bestaande uit twee of meer
scholen;
schooljaar: tijdvak van 1 augustus van enig kalenderjaar tot en
met 31 juli daaraanvolgend;
teldatum: datum van 1 oktober, bedoeld in artikel 8, tweede lid;
uitkering: een werkloosheidsuitkering, een suppletie inzake
arbeidsongeschiktheid alsmede een uitkering wegens ziekte en
arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van
de Ziektewet, en
wet:Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 2. Opheffing van een school
Het bevoegd gezag doet binnen twee weken na een besluit tot opheffing
van de school daarvan mededeling aan Onze Minister, gedeputeerde staten,
de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht, en indien het
een bijzondere school betreft, eveneens aan burgemeester en wethouders
van de gemeente waarin de school is gelegen.
Titel 2. Leerlingenadministratie en leerlingentelling
Paragraaf 1. Leerlingenadministratie
Artikel 3. Inhoud van de leerlingenadministratie
1.De directeur, rector of centrale directie van een school draagt
er zorg voor dat een overzichtelijke administratie van de
inschrijving, de uitschrijving en het verzuim van de leerlingen op de
school beschikbaar is, alsmede van de gegevens van de leerlingen en
hun ouders die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de
bekostiging.
2.Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven
omtrent de wijze waarop de leerlingenadministratie wordt ingericht.
Artikel 3a [Vervallen per 06-03-1998]
Artikel 3b [Vervallen per 06-03-1998]
Artikel 4. Inschrijving
1. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Les- en
cursusgeldwet schrijft de directeur, rector of centrale directie van
een school een leerling slechts in na overlegging van:
a. een bewijs van uitschrijving van de leerling van een andere
school of een school voor ander onderwijs, welk bewijs op het
moment van inschrijving niet ouder is dan zes maanden,
b. een schriftelijke verklaring van de ouders van de leerling,
of van de leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is, dat
de leerling binnen een periode van zes maanden voorafgaand aan de
inschrijving niet eerder op een andere school, een school voor
ander onderwijs of een instelling als bedoeld in artikel 1,
onderdeel c, van de Leerplichtwet 1969 was ingeschreven, of
c. een schriftelijke verklaring van de ouders van de leerling,
of van de leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is, dat
de leerling voorafgaand aan de inschrijving op een instelling als
bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Leerplichtwet 1969 was
ingeschreven en dat deze leerling daar is uitgeschreven.
2. Het bewijs van uitschrijving dan wel de verklaring, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b of c, wordt bewaard in de administratie
van de school.
3. De directeur, rector of centrale directie doet in het geval,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dan wel in het geval, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel b, indien hem respectievelijk haar bekend
is op welke andere school, school voor ander onderwijs of instelling
als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Leerplichtwet 1969 de
leerling was ingeschreven buiten de in het eerste lid, onderdeel b,
bedoelde periode, dan wel in het geval, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, indien hem respectievelijk haar bekend is op welke
instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Leerplichtwet
1969 de leerling was ingeschreven, onder vermelding van de datum van
inschrijving op zijn respectievelijk haar school, binnen één week
schriftelijk mededeling van de inschrijving aan de directeur, rector
of centrale directie van de school, de school voor ander onderwijs of
de instelling, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Leerplichtwet
1969, waarop de leerling voordien was ingeschreven.
4. De directeur, rector of centrale directie schrijft de leerling
in met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het eerst
bezoekt.
5. In afwijking van het vierde lid, schrijft de directeur, rector
of centrale directie de leerling die de school voor het eerst bezoekt
op de eerste schooldag van het schooljaar, in met ingang van 1
augustus van dat schooljaar.
Artikel 5. Uitschrijving
1. De directeur, rector of centrale directie van een school waarop
de leerling staat ingeschreven, schrijft de leerling, indien deze de
school verlaat, uit met ingang van de dag waarop de leerling de school
voor het laatst heeft bezocht en verstrekt de leerling een bewijs van
uitschrijving. De directeur, rector of centrale directie schrijft de
leerling die wordt uitgeschreven na de school op de laatste schooldag
van het schooljaar te hebben bezocht, uit met ingang van 31 juli van
dat schooljaar.
2. Indien de directeur, rector of centrale directie van een school
waarop de leerling stond ingeschreven, binnen vier weken na de dag
waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht een
mededeling ontvangt van de directeur, rector of centrale directie van
een school of een school voor ander onderwijs, van de inschrijving van
de leerling op laatstbedoelde scholen, wijzigt de directeur, rector of
centrale directie de datum van uitschrijving, bedoeld in het eerste
lid, alsnog in de datum van de dag voorafgaande aan de dag van
inschrijving op de andere school of de school voor ander onderwijs.
Artikel 6. Bewaren van de gegevens
De gegevens die in de leerlingenadministratie zijn opgenomen, blijven
daarvan in ieder geval deel uitmaken gedurende 5 jaar nadat de
desbetreffende leerling van de school is uitgeschreven.
Paragraaf 2. Leerlingentelling
Artikel 7. Leerlingentelling
1. Voor de toepassing van het bepaalde bij en krachtens de wet
worden, onverminderd artikel 5 en artikel 7a, de leerlingen op een
school meegeteld die:
a. op de teldatum op die school als werkelijk schoolgaand staan
ingeschreven, of
b. in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen tijdelijk
buiten de school waar zij staan ingeschreven zijn geplaatst.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op leerlingen die vanaf
het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het
aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt ten aanzien van de
leerplichtige leerling als geldige reden aangemerkt een vrijstelling
van geregeld schoolbezoek als bedoeld in de Leerplichtwet 1969. Ten
aanzien van de niet-leerplichtige leerling worden als geldige reden
aangemerkt dezelfde gronden als die welke leiden tot een vrijstelling
van geregeld schoolbezoek als bedoeld in de eerste volzin.
4. Indien de teldatum valt op een dag waarop geen onderwijs wordt
gegeven, worden op de eerstvolgende schooldag de leerlingen geteld,
die op de teldatum als werkelijk schoolgaand stonden ingeschreven.
5. Een leerling kan slechts op één school voor de bekostiging
meetellen.
Artikel 7a. Leerlingen in leerwegondersteunend onderwijs en
praktijkonderwijs
1. Onverminderd artikel 7 wordt een leerling in het op grond van
artikel 69 van de wet bekostigde leerwegondersteunend onderwijs in een
schooljaar meegeteld
a. als leerling in dat onderwijs indien de regionale
verwijzingscommissie voor 15 november volgend op de teldatum
bepaalt dat betrokkene is aangewezen op leerwegondersteunend
onderwijs of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs;
b. als leerling van de school waaraan dat onderwijs is
verbonden, in andere gevallen dan bedoeld onder a.
2. Onverminderd de artikelen 7 en7b wordt een leerling slechts
meegeteld als leerling van een school voor praktijkonderwijs indien de
regionale verwijzingscommissie heeft bepaald dat betrokkene
toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs. In afwijking van de eerste
volzin wordt een leerling voor wie de regionale verwijzingscommissie
na 1 oktober een afwijzende beschikking heeft afgegeven onverminderd
de artikelen 7 en7b in het jaar van de toelating meegeteld als
leerling van een school voor praktijkonderwijs indien is voldaan aan
het bepaalde in artikel 10g, tweede en derde lid, van de wet en de
leerling gedurende dat jaar onderwijs blijft volgen aan de school voor
praktijkonderwijs of een andere school.
Artikel 7b. Leerlingen binnen samenwerkingsovereenkomst VO-BVE
1. Leerlingen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van het Besluit
samenwerking VO-BVE worden aangemerkt als leerlingen die op de
teldatum als werkelijk schoolgaand zijn ingeschreven, als bedoeld in
artikel 7, eerste lid. Het bepaalde in artikel 7, eerste, tweede en
derde lid, over verzuim is van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, tellen
leerlingen die zijn afgewezen voor een eindexamen als bedoeld in
artikel 29 van de wet en aansluitend op grond van artikel 3 van het
Besluit samenwerking VO-BVE voor een of meer vakken voortgezet
algemeen volwassenenonderwijs volgen in plaats van voortgezet
onderwijs, op de teldatum voor 50% mee, met dien verstande dat zij
volledig meetellen voor de bepaling van de hoogte van de bekostiging
indien het betreft lesmateriaal als bedoeld in artikel 6e van de wet.
Hoofdstuk 2. Bekostiging van de personeels- en exploitatiekosten
Titel 1. Vaststelling van de bedragen voor personeels- en
exploitatiekosten
Artikel 8. Vaststelling van het bedrag voor personeels- en
exploitatiekosten
1.Onze Minister stelt jaarlijks het bedrag, bedoeld in artikel 96d,
eerste lid, van de wet vast. Het bedrag heeft betrekking op een
kalenderjaar.
2.Bij de vaststelling van het in artikel 96d, eerste lid, van de
wet bedoelde bedrag, neemt Onze Minister wat het aantal leerlingen
betreft in aanmerking het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het
jaar, voorafgaand aan het jaar waarop het in de eerste volzin bedoeld
bedrag betrekking heeft, als werkelijk schoolgaand aan de school stond
ingeschreven, onverminderd artikel 7.
3.Het Rijk betaalt elke maand van het kalenderjaar in verband met
de kosten voor het personeel en voor de voorzieningen ten behoeve van
de exploitatie aan het bevoegd gezag van een school een gedeelte van
het bedrag, bedoeld in artikel 96d, eerste lid, van de wet, waarop het
over dat jaar recht heeft.
4.Onze Minister kan op het in het eerste lid bedoelde bedrag in
mindering brengen, verwachte bedragen als bedoeld in artikel 96m,
tweede lid, onder a tot en met d, van de wet.
5.In geval van oprichting, verplaatsing of splitsing van een school
kan Onze Minister afwijken van de teldatum en de op die afwijkende
datum getelde leerlingen toerekenen aan de nieuwe scholen. Hij kan
daarbij nadere voorschriften geven.
Artikel 8a. Vaststelling bedrag leerlinggebonden budget
1. Voor elke leerling met een leerlinggebonden budget, dat beschikbaar
is op grond van artikel 77a van de wet, die op de school is ingeschreven
wordt een bedrag verstrekt volgens de onderstaande tabel:
|
Toelaatbaar verklaard tot (voortgezet) speciaal onderwijs aan/van:
|
Bedrag LWOO/PRO exclusief her te besteden bedragen
|
Bedrag overig VO exclusief her te besteden bedragen
|
Her te besteden bedrag personele bekostiging
|
Her te besteden bedrag materiële bekostiging
|
|
a. dove kinderen
|
€ 2.487,09
|
€ 3.227,31
|
€ 5.272,35
|
€ 569
|
|
b. slechthorende kinderen
|
€ 1.598,84
|
€ 3.227,31
|
€ 3.410,10
|
€ 220
|
|
c. lichamelijk gehandicapte kinderen
|
€ 1.628,45
|
€ 3.227,31
|
€ 4.552,84
|
€ 413
|
|
d. langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap
|
€ 1.598,84
|
€ 3.227,31
|
€ 2.944,53
|
€ 241
|
|
e. zeer moeilijk lerende kinderen
|
€ 1.598,84
|
€ 3.227,31
|
€ 2.944,53
|
€ 131
|
|
f. cluster 4
|
€ 1.598,84
|
€ 3.227,31
|
€ 2.944,53
|
€ 241
|
|
g. meervoudig gehandicapte kinderen met de combinatie:
|
|
|
|
|
|
Doof en zeer moeilijk lerend
|
€ 1.598,84
|
€ 3.227,31
|
€ 3.410,10
|
€ 279
|
|
Doof en blind
|
€ 1.598,84
|
€ 3.227,31
|
€ 3.410,10
|
€ 279
|
|
Slechthorend en zeer moeilijk lerend
|
€ 1.598,84
|
€ 3.227,31
|
€ 3.410,10
|
€ 279
|
|
Lichamelijk gehandicapt en zeer moeilijk lerend
|
€ 1.598,84
|
€ 3.227,31
|
€ 2.944,53
|
€ 241
|
2. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden jaarlijks per 1
augustus, telkens te rekenen met het laatstelijk aangepaste bedrag, bij
ministeriële regeling aangepast aan de ontwikkeling van de gemiddelde
personeelslasten in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal
onderwijs in het voorafgaande kalenderjaar.
Artikel 8b. Vaststelling bedrag maatschappelijke stage
1. De hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 85, vierde lid, van
de wet, dat per schooljaar in verband met de maatschappelijke stage,
bedoeld in artikel 6f van de wet, wordt verstrekt is:
a. voor elke leerling die op de school in één van de eerste
vier leerjaren is ingeschreven€ 70;
b. voor elke leerling die op de school in het vijfde of zesde
leerjaar is ingeschreven € 0.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is de hoogte van
het daar bedoelde bedrag in de schooljaren 2011–2012 tot en met 2014–2015
€ 60.
3. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en in het
tweede lid wordt in twee termijnen betaald, in november en
daaropvolgend in maart van het schooljaar waarop de bekostiging
betrekking heeft.
4. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en in het
tweede lid worden jaarlijks voor 1 augustus, telkens te rekenen met de
laatstelijk aangepaste bedragen, bij ministeriële regeling aangepast
aan de ontwikkeling van de gemiddelde personeelslasten in het
voortgezet onderwijs.
5. Het eerste lid is tevens van toepassing op het
praktijkonderwijs, met dien verstande dat voor «leerjaren» wordt
gelezen: inschrijvingsjaren.
Artikel 9. Vaststelling van de aanvullende bekostiging personeels- en
exploitatiekosten
1.Onze Minister stelt het bedrag, bedoeld in artikel 96d, tweede
lid, van de wet, vast.
2.Het bedrag wordt in een keer betaald dan wel wordt betaald
volgens een door Onze Minister te bepalen kasritme.
Artikel 10. Bekostiging deel exploitatiekosten voorafgaand aan
volledige bekostiging
Het Rijk bekostigt de exploitatiekosten met ingang van de eerste
schooldag van een school waarvan het bekostigd onderwijs op grond van
afdeling I van titel III van de wet een aanvang neemt. Onze Minister kan
op verzoek van het bevoegd gezag een door hem te bepalen deel van de
exploitatiekosten gedurende een periode van ten hoogste vier maanden
voor de eerste schooldag voor bekostiging in aanmerking brengen.
Artikel 11 [Vervallen per 06-04-2005]
Titel 2. (vervallen)
Artikel 12 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 13 [Vervallen per 06-04-2005]
Titel 3. Wijze van vaststelling en wijziging van de bekostiging
Artikel 14 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 14a. Terugmelding gegevens aantal leerlingen op de teldatum;
accountantscontrole
1. Ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in
artikel 8, doet Onze Minister aan het bevoegd gezag jaarlijks voor 15
januari volgend op de teldatum overzichten toekomen van de gegevens,
bedoeld in artikel 103b, tweede lid, onderdelen b, c, d, e, h en i,
van de wet, over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de
vaststelling van de bekostiging voor het daarop volgende kalenderjaar
in aanmerking wordt genomen.
2. Het bevoegd gezag dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze Minister
voor het daaropvolgende schooljaar in:
a. een verklaring van het bevoegd gezag omtrent de juistheid
van de gegevens, bedoeld in artikel 103b, tweede lid, onderdelen
b, c, d, e, h en i, van de wet, van de leerlingen op de teldatum
die het aan Onze Minister heeft gemeld, of
b. indien de onder a bedoelde gegevens naar het oordeel van het
bevoegd gezag onjuist zijn, de door het bevoegd gezag
gecorrigeerde gegevens, alsmede
c. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van
de gegevens, bedoeld in onderdeel a of onderdeel b.
3. Bij ministeriële regeling kan een model voor de in het tweede
lid, onder a en c, bedoelde verklaringen worden vastgesteld. Onze
Minister kan een leidraad vaststellen ten behoeve van de controle door
de accountant, bedoeld in het tweede lid, onder c.
4. Indien voor 1 juli in enig jaar aanvullende bekostiging is
vastgesteld, dient het bevoegd gezag voor die datum bij Onze Minister
een verklaring in omtrent de juistheid van de in voorkomende gevallen
voor de vaststelling van de aanvullende bekostiging aan Onze Minister
gemelde gegevens. Het tweede lid, onder b en c, en het derde lid, zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15. Vaststelling en latere wijziging bekostiging
1. Onze Minister maakt de in artikel 8 bedoelde bekostiging bekend
voorafgaand aan het kalenderjaar, waarop deze betrekking heeft. Indien
de verklaring van de accountant, bedoeld in de artikelen 14a, tweede
lid, onder c, daartoe aanleiding geeft, wijzigt Onze Minister de
bekostiging of aanvullende bekostiging.
2. De in artikel 8 bedoelde bekostiging kan door Onze Minister
worden gewijzigd wegens algemene salarismaatregelen of wegens andere
al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Artikel 15a [Vervallen per 12-10-2011]
Artikel 15b [Vervallen per 12-10-2011]
Artikel 15c [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 15d [Vervallen per 01-08-2008]
Hoofdstuk 2a. Berekeningswijze rijksbijdrage voor taken kenniscentra
beroepsonderwijs bedrijfsleven inzake leer-werktrajecten vmbo
Artikel 15e. Berekeningswijze rijksbijdrage voor taken kenniscentra
beroepsonderwijs bedrijfsleven inzake leer-werktrajecten vmbo
De rijksbijdrage, bedoeld in artikel 10b5, tweede lid, van de wet
omvat een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per
leer-werkovereenkomst als bedoeld in artikel 10b3 van de wet waarbij het
desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven partij is,
welke overeenkomst is gesloten in het schooljaar voorafgaand aan het
jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft. Per leerling per
leer-werkplek telt niet meer dan één leer-werkovereenkomst mee in de
berekening van de rijksbijdrage op grond van de eerste volzin.
Hoofdstuk 2b. Verrekening kosten van werkloosheidsuitkeringen en
suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
Artikel 15f. Vermindering bekostiging
1.Onze Minister brengt op de bekostiging, bedoeld in artikel 96m,
eerste lid, van de wet voor een school voor een kalenderjaar een
bedrag in mindering volgens de volgende formule:
(PI/PL) x (A + B + C + D)
In deze formule wordt verstaan onder:
PI: de bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in Titel III,
afdeling II, hoofdstuk II, paragraaf 2 van de wet, voor zover
gebaseerd op de formatieplaatsen, van de desbetreffende school voor
het desbetreffende kalenderjaar;
PL: de bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in Titel III,
afdeling II, hoofdstuk II, paragraaf 2 van de wet, voor zover
gebaseerd op de formatieplaatsen, van de scholen voor het
desbetreffende kalenderjaar;
A: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar
voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag
dat is geëffectueerd voor 1 augustus 1995;
B: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar
voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag
dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 januari
2007 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de wet,
zoals luidend op 31 december 2006, heeft ingestemd op grond van
artikel 96o, derde lid, tweede volzin, van de wet, zoals luidend op 31
december 2006, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen
van de kosten van deze uitkeringen;
C: een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de
kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor
gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is
geëffectueerd op of na 1 januari 2007, waarbij ten aanzien van de
verschillende soorten uitkeringen verschillende percentages kunnen
worden vastgesteld;
D: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar
voor gewezen personeel van een school die de taken beëindigt, anders
dan op grond van een samenvoeging, een bestuursoverdracht als bedoeld
in artikel 42c van de wet indien het een openbare school betreft, en
artikel 50 van de wet indien het een bijzondere school betreft, of een
splitsing, indien het bevoegd gezag van deze school niet tevens een
andere school onder zijn bestuur heeft.
2.Onze Minister brengt tevens op de bekostiging van een school voor
het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar in mindering:
a. de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende
kalenderjaar voor gewezen personeel van de desbetreffende school
voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode
tussen 31 juli 1995 en 1 januari 2007 en waarvoor de
rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de wet, zoals luidend op
31 december 2006, niet heeft ingestemd op grond van artikel 96o,
derde lid, tweede volzin, van de wet, zoals luidend op 31 december
2006, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de
kosten van deze uitkeringen, en
b. een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage
van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende
kalenderjaar voor gewezen personeel van de desbetreffende school
voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1
januari 2007, waarbij het percentage bedoeld in het eerste lid,
onder C, en het in dit onderdeel bedoelde percentage samen 100
bedraagt.
3.De uitkomsten van de in het eerste en tweede lid bedoelde
berekeningen worden rekenkundig afgerond op hele eurocenten.
4.Indien een school is opgeheven, wordt het desbetreffende bevoegd
gezag belast indien deze nog ten minste één andere school onder zijn
bestuur heeft.
5.Over het moment en de wijze van in mindering brengen, bedoeld in
het eerste en tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling nadere
voorschriften worden gegeven.
Artikel 15g. Voorlopige inhouding; definitieve vaststelling
1.Onze Minister gaat gedurende het kalenderjaar waarop de
verminderingen op de bekostiging, bedoeld in artikel 15f, eerste lid,
betrekking hebben, per maand over tot een voorlopige inhouding op de
bekostiging.
2.De definitieve vaststelling van de verminderingen, bedoeld in het
eerste lid, vindt plaats zo snel als mogelijk is na afloop van het
desbetreffende jaar.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften over de
wijze van toepassing van het eerste en tweede lid worden gegeven.
Hoofdstuk 3. Voorschriften inzake boekhouding, financieel beheer en
financiële controle
Titel 1. Voorschriften betreffende de boekhouding
Artikel 16. Boekhouding
1.De boekhouding van een school is zodanig ingericht dat op
doelmatige wijze informatie kan worden verkregen omtrent het gevoerde
financiële beheer.
2.Het bevoegd gezag verstrekt op verzoek van Onze Minister nadere
financiële informatie met betrekking tot de school. De wijze waarop
deze informatie wordt verstrekt, kan bij ministeriële regeling worden
geregeld.
3.Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Titel 2. Voorschriften betreffende het financieel beheer
Artikel 17. Vaststelling begroting
1.Het bevoegd gezag stelt jaarlijks tijdig voor het komende
begrotingsjaar een begroting vast voor de school.
2.De begroting behelst een raming van de baten en lasten van de
school en is sluitend. De in de begroting voorziene baten uit de van
het Rijk te ontvangen bekostiging komen overeen met de voor het
desbetreffende jaar door Onze Minister vastgestelde bekostiging.
3.Het bevoegd gezag doet de noodzakelijke uitgaven binnen de
grenzen van de begroting.
4.Af- en overschrijving op de uitgavenposten van de begroting
kunnen door het bevoegd gezag geschieden overeenkomstig door het
bevoegd gezag vastgestelde regels.
5.Indien Onze Minister het bevoegd gezag daarom verzoekt, wordt de
vastgestelde begroting aan Onze Minister overgelegd.
6.Bij ministeriële regeling kan een model voor de inrichting van
de begroting worden vastgesteld.
Titel 3. Voorschriften betreffende de financiële controle
Artikel 18. Jaarrekening
1.Het bevoegd gezag stelt jaarlijks ten behoeve van de school een
jaarrekening vast over het afgelopen jaar.
2.In de jaarrekening legt het bevoegd gezag verantwoording af over
het financieel beheer. Uit de jaarrekening blijkt dat sprake is van
een rechtmatige aanwending van de rijksbekostiging. De jaarrekening
omvat mede de gegevens die van belang zijn voor de verantwoording met
betrekking tot de besteding van toegekende aanvullende bekostiging.
3.Het bevoegd gezag dient de vastgestelde jaarrekening voor 1 juli
van het jaar volgend op het boekjaar in bij Onze Minister. De
jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid,
afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant. Bij
de aanwijzing van de accountant bedingt het bevoegd gezag dat aan Onze
Minister op diens verzoek inzage wordt geboden in de controlerapporten
en de controledossiers van de accountant.
4.Indien het bevoegd gezag meer dan één school in stand houdt,
wordt voor deze scholen een gezamenlijke balans en een gezamenlijke
exploitatierekening vastgesteld. Bij de jaarrekening is een bijlage
gevoegd die inzicht biedt in het bestedingspatroon ten aanzien van de
afzonderlijke scholen van het bevoegd gezag.
5.Bij ministeriële regeling wordt een model voor de inrichting van
de jaarrekening vastgesteld.
6.Onze Minister kan een leidraad vaststellen met betrekking tot de
inrichting en de uitvoering van de controle door de accountant.
Artikel 19. Onderzoek vanwege de minister
1.De accountant die door Onze Minister is belast met het onderzoek
van de jaarrekening en met het onderzoek van de juistheid van de
gegevens, bedoeld in artikel 14a, tweede en vierde lid, en artikel
15b, zesde en achtste lid, heeft met het oog op het verrichten van dat
onderzoek toegang tot elke school. Aan de accountant wordt desgevraagd
inzage in de boeken en bescheiden gegeven en worden alle inlichtingen
verstrekt die deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
2.Onze Minister kan naast het accountantsonderzoek, bedoeld in het
eerste lid, een onderzoek instellen of doen instellen naar de
jaarrekening en naar de gegevens, bedoeld in artikel 14a, tweede en
vierde lid, en artikel 15b, zesde en achtste lid, naar de
rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het
beheer van de school. Het bevoegd gezag verstrekt aan degene die door
Onze Minister met het onderzoek is belast, alle inlichtingen die deze
voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt en geeft desgevraagd
inzage in de boeken en bescheiden.
Artikel 20. Verstrekking gegevens i.v.m. aanvullende bekostiging
1. Indien aan het bevoegd gezag van een school een aanvullende
bekostiging is verstrekt onder de voorwaarde dat deze bekostiging voor
het bij de verstrekking aangegeven doel wordt besteed, blijkt uit de
jaarrekening van de school in hoeverre deze bekostiging voor dat doel
is besteed.
2. Indien verrekening plaatsvindt of zal plaatsvinden van het
daadwerkelijk bestede bedrag met de vastgestelde aanvullende
bekostiging, maakt het bevoegd gezag in de desbetreffende jaarrekening
melding van het daadwerkelijk bestede bedrag.
Artikel 21. Correctie op bekostiging
1.Indien uit een op grond van artikel 19, eerste of tweede lid,
ingesteld onderzoek blijkt dat de omvang van de bekostiging of
aanvullende bekostiging voor een school onjuist is vastgesteld, kan
Onze Minister tot uiterlijk één jaar na ontvangst van de bevindingen
uit dat onderzoek correcties aanbrengen op de desbetreffende
bekostiging of aanvullende bekostiging. Onze Minister deelt het
bevoegd gezag uiterlijk één jaar na ontvangst van deze bevindingen
schriftelijk mede of en zo ja welke correcties hij aanbrengt.
2.Indien uit de jaarrekening, uit de in artikel 18, derde lid,
bedoelde verklaring van de accountant of uit op grond van artikel 19
ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging of aanvullende
bekostiging voor een school waarop de jaarrekening betrekking heeft,
onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister
bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging of
aanvullende bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de
daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de
bekostiging respectievelijk aanvullende bekostiging. Onze Minister
doet hiervan binnen een jaar na de ontvangst van de jaarrekening,
respectievelijk binnen een jaar na ontvangst van de bevindingen uit
dat onderzoek, schriftelijk mededeling aan het bevoegd gezag.
3.Indien daarvoor naar zijn oordeel aanleiding is, kan Onze
Minister de in het eerste lid bedoelde termijn waarbinnen correcties
kunnen worden aangebracht, alsmede de in het tweede lid bedoelde
termijn, met ten hoogste een jaar verlengen.
Artikel 22. Verrekening of betaling i.v.m. correcties
Een in artikel 21, eerste lid, bedoelde correctie wordt, indien de
correctie strekt tot verhoging van de bekostiging respectievelijk
aanvullende bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in
artikel 21, eerste lid, door Onze Minister betaald.
Hoofdstuk 4. Voorschriften inzake samenvoeging
Artikel 23. Dóórlopen bekostiging in geval van samenvoeging of
afsplitsing per 1 augustus
Bij samenvoeging van scholen als bedoeld in artikel 71, tweede of
derde lid, van de wet of afsplitsing van een of meer scholen van een
scholengemeenschap als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel c,
van de wet, op 1 augustus van enig kalenderjaar worden:
a. de bekostiging van de personeelskosten op grond van de
artikelen 84 en 84b van de wet,
b. de bekostiging van de exploitatiekosten op grond van artikel
86 van de wet, en
c. aanvullende bekostiging op grond van de artikelen 85a of 89
van de wet, van alle bij de samenvoeging betrokken scholen dan wel
van de bij de afsplitsing betrokken scholengemeenschap gehandhaafd
tot het einde van dat kalenderjaar.
Hoofdstuk 5. Voorschriften betreffende verrekening van overschotten
bij opheffing of beëindiging van de bekostiging van scholen
Artikel 24. Verrekening exploitatie-overschot bij opheffing school
1.Indien een school wordt opgeheven anders dan in verband met
samenvoeging met een andere school of de aanspraak op bekostiging voor
een school verloren gaat, stort het bevoegd gezag het
exploitatie-overschot terug in ’s Rijks kas. Het neemt daarbij het
derde lid in acht.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
exploitatie-overschot verstaan:
a. het bedrag van de bekostiging, bedoeld in artikel 96m,
eerste lid, van de wet, verminderd met de lasten over dat jaar
voor zover deze als rechtmatig kunnen worden aangemerkt,
b. de reserveringen voor zover afkomstig uit ’s Rijks kas,
met inbegrip van de ontvangen rentebaten, en
c. voor zover het een bijzondere school betreft, de niet
bestede gedeelten van de uitkeringen op grond van de voorschriften
inzake de gemeentelijke overschrijding.
3.Indien het exploitatie-overschot van een bijzondere school mede
is opgebouwd uit uitkeringen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel
c, geldt als maatstaf voor de verdeling van dat deel van het
exploitatie-overschot tussen Rijk en de desbetreffende gemeente de
verhouding tussen het ontvangen bedrag aan bekostiging van het Rijk en
het ontvangen bedrag aan overschrijdingsuitkeringen van de gemeente in
een periode van vijf jaren, voorafgaand aan het jaar van de
beëindiging van de bekostiging. De verdeling behoeft de goedkeuring
van Onze Minister.
Artikel 25. Geen bedrag per school in bekostiging exploitatiekosten
voor scholen voortgezet onderwijs in verticale scholengemeenschappen
Indien een of meer scholen voor voortgezet onderwijs deel uitmaken
van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, geldt wat de grondslag en de wijze van
bekostiging van de exploitatiekosten betreft dat in afwijking van
artikel 86, derde lid, van de wet niet worden verstrekt de bedragen,
bedoeld onder a en b van dat lid.
Hoofdstuk 6. Citeertitel
Artikel 26. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Bekostigingsbesluit WVO.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 30 september 1992
BEATRIX
De
Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,
J. Wallage
De Minister
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
P. Bukman
Uitgegeven de zesde november
1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|