| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op het voortgezet
onderwijs (WVO)
BESLUIT
KERNDOELEN ONDERBOUW VO
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 7 juni 2006, houdende vaststelling van de
kerndoelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs alsmede
aanpassing van het Inrichtingsbesluit W.V.O. (Besluit kerndoelen
onderbouw VO)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6
april 2006, nr. WJZ/2006/4655 (3805), directie Wetgeving en Juridische
Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
Gelet op de artikelen 11b, eerste lid,
11c, tweede lid, 11d, tweede lid, 11e, tweede lid,
en 22, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
De Raad van State gehoord (advies van
29 mei 2006, nr. W05.06.0100/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 2 juni 2006, nr. WJZ/2006/23193
(3805), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Kerndoelen onderbouw voortgezet onderwijs
De kerndoelen, bedoeld in de artikelen 11b en 11e van de Wet op het
voortgezet onderwijs, worden vastgesteld als aangegeven in de bij dit
besluit behorende bijlage.
Artikel 2
[Wijzigt het Inrichtingsbesluit W.V.O.]
Artikel 3. Overgangsrecht verleende vrijstellingen
Een vrijstelling die is verleend op grond van artikel 11e van de Wet
op het voortgezet onderwijs geldt met ingang van de inwerkingtreding van
dit besluit als een ontheffing die is verleend op grond van artikel 11d
van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 4. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 5. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kerndoelen onderbouw VO.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 7 juni 2006
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M.J.A. van der Hoeven
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman
Uitgegeven de elfde juli 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlage behorend bij artikel 1
van het Besluit kerndoelen onderbouw VO
Kerndoelen onderbouw voortgezet onderwijs
I. Kerndoelen op basis van artikel 11b WVO
Onderdeel A: Nederlands
De eerste tien kerndoelen zijn vooral gericht op de communicatieve
functie van de Nederlandse taal en kennen een belangrijke plaats toe aan
strategische vaardigheden. Daarnaast wordt ook aandacht besteed aan
culturele en literaire aspecten (kerndoelen 2 en 8).
1. De leerling leert zich mondeling en schriftelijk begrijpelijk
uit te drukken.
2. De leerling leert zich te houden aan conventies (spelling,
grammaticaal correcte zinnen, woordgebruik) en leert het belang van
die conventies te zien.
3. De leerling leert strategieën te gebruiken voor het
uitbreiden van zijn woordenschat.
4. De leerling leert strategieën te gebruiken bij het verwerven
van informatie uit gesproken en geschreven teksten.
5. De leerling leert in schriftelijke en digitale bronnen
informatie te zoeken, te ordenen en te beoordelen op waarde voor
hemzelf en anderen.
6. De leerling leert deel te nemen aan overleg, planning,
discussie in een groep.
7. De leerling leert een mondelinge presentatie te geven.
8. De leerling leert verhalen, gedichten en informatieve teksten
te lezen die aan zijn belangstelling tegemoet komen en zijn
belevingswereld uitbreiden.
9. De leerling leert taalactiviteiten (spreken, luisteren,
schrijven en lezen) planmatig voor te bereiden en uit te voeren.
10. De leerling leert te reflecteren op de manier waarop hij zijn
taalactiviteiten uitvoert en leert, op grond daarvan en van reacties
van anderen, conclusies te trekken voor het uitvoeren van nieuwe
taalactiviteiten.
Onderdeel B: Engels
Ook de acht kerndoelen voor het onderdeel Engelse taal zijn vooral
gericht op de communicatieve functie. De nadruk ligt op Engels als
wereldtaal. Vooral met de kerndoelen 11, 14, 15, 16 en 17 kan de relatie
worden gelegd met het Europees Referentiekader [Council of Europe
(1998), Modern languages; Learning, teaching, assessment. A Common
European Framework of Reference (pp. 131–135). Strassbourg: Council of
Europe]. Afhankelijk van de leerlingenpopulatie kan de school zich
oriënteren op de resultaatbeschrijvingen van de cellen in A1, A2 en B1
in het Referentiekader.
Er zijn geen kerndoelen geformuleerd voor andere moderne vreemde
talen – in het bijzonder Duitse taal en Franse taal – die voor de
leerroutes waarvoor op grond van de nieuwe artikelen 21 en 22 van het
Inrichtingsbesluit W.V.O. naast de Engelse taal verplicht worden
gesteld. Wel kunnen scholen de kerndoelen voor Engels gebruiken als
leidraad voor het onderwijs in andere moderne vreemde talen door overal
waar «Engels» staat de benaming van de desbetreffende andere moderne
vreemde taal te lezen.
11. De leerling leert verder vertrouwd te raken met de klank van
het Engels door veel te luisteren naar gesproken en gezongen
teksten.
12. De leerling leert strategieën te gebruiken voor het
uitbreiden van zijn Engelse woordenschat.
13. De leerling leert strategieën te gebruiken bij het verwerven
van informatie uit gesproken en geschreven Engelstalige teksten.
14. De leerling leert in Engelstalige schriftelijke en digitale
bronnen informatie te zoeken, te ordenen en te beoordelen op waarde
voor hemzelf en anderen.
15. De leerling leert in spreektaal anderen een beeld te geven
van zijn dagelijks leven.
16. De leerling leert standaardgesprekken te voeren om iets te
kopen, inlichtingen te vragen en om hulp te vragen.
17. De leerling leert informeel contact in het Engels te
onderhouden via e-mail, brief en chatten.
18. De leerling leert welke rol het Engels speelt in
verschillende soorten internationale contacten.
Onderdeel C: rekenen en wiskunde
Er zijn negen kerndoelen die betrekking hebben op rekenen en
wiskunde. Er wordt ruimte gelaten deze uit te werken op basis van
verschillende opvattingen en leerstijlen. Uiteindelijk gaat het bij deze
kerndoelen in de eerste plaats om de gebruiksmogelijkheden van
(elementaire) rekenvaardigheden en van wiskunde buiten en binnen het
onderwijsprogramma, zowel in de onderbouw als in de bovenbouw van het
voortgezet onderwijs (inclusief het derde leerjaar havo / vwo).
Systematische aandacht in het onderwijsprogramma voor (elementaire)
rekenvaardigheden is van belang om doorlopende leerlijnen te realiseren
van primair onderwijs, via het voortgezet onderwijs, naar mbo en hoger
onderwijs.
19. De leerling leert passende wiskundetaal te gebruiken voor het
ordenen van het eigen denken en voor uitleg aan anderen, en leert de
wiskundetaal van anderen te begrijpen.
20. De leerling leert alleen en in samenwerking met anderen in
praktische situaties wiskunde te herkennen en te gebruiken om
problemen op te lossen.
21. De leerling leert een wiskundige argumentatie op te zetten en
te onderscheiden van meningen en beweringen, en leert daarbij met
respect voor ieders denkwijze wiskundige kritiek te geven en te
krijgen.
22. De leerling leert de structuur en de samenhang te doorzien
van positieve en negatieve getallen, decimale getallen, breuken,
procenten en verhoudingen, en leert ermee te werken in zinvolle en
praktische situaties.
23. De leerling leert exact en schattend rekenen en redeneren op
basis van inzicht in nauwkeurigheid, orde van grootte en marges die
in een gegeven situatie passend zijn.
24. De leerling leert meten, leert structuur en samenhang
doorzien van het metrieke stelsel, en leert rekenen met maten voor
grootheden die gangbaar zijn in relevante toepassingen.
25. De leerling leert informele notaties, schematische
voorstellingen, tabellen, grafieken en formules te gebruiken om
greep te krijgen op verbanden tussen grootheden en variabelen.
26. De leerling leert te werken met platte en ruimtelijke vormen
en structuren, leert daarvan afbeeldingen te maken en deze te
interpreteren, en leert met hun eigenschappen en afmetingen te
rekenen en te redeneren.
27. De leerling leert gegevens systematisch te beschrijven,
ordenen en visualiseren, en leert gegevens, representaties en
conclusies kritisch te beoordelen.
Onderdeel D: mens en natuur
De volgende acht kerndoelen bestrijken een groot inhoudelijk terrein,
gericht op natuurwetenschappelijke, technologische en zorggerelateerde
onderwerpen. Deze kerndoelen geven in globale termen aan waar het
daarbij om gaat: een onderzoekende houding ten opzichte van de natuur,
herkennen van samenhangen en wisselwerkingen, verbinden van theorieën
en modellen met praktisch werk en waarneming, bevorderen van
duurzaamheid. Het begint bij vragen stellen (28, 31) en gaat via de
benadering van sleutelbegrippen (29, 30) naar kerndoelen waarin meer
specifieke onderwerpen en vaardigheden worden genoemd (32 t/m 35).
28. De leerling leert vragen over natuurwetenschappelijke,
technologische en zorggerelateerde onderwerpen om te zetten in
onderzoeksvragen, een dergelijk onderzoek over een
natuurwetenschappelijk onderwerp uit te voeren en de uitkomsten
daarvan te presenteren.
29. De leerling leert kennis te verwerven over en inzicht te
verkrijgen in sleutelbegrippen uit het gebied van de levende en
niet-levende natuur, en leert deze sleutelbegrippen te verbinden met
situaties in het dagelijks leven.
30. De leerling leert dat mensen, dieren en planten in
wisselwerking staan met elkaar en hun omgeving (milieu), en dat
technologische en natuurwetenschappelijke toepassingen de duurzame
kwaliteit daarvan zowel positief als negatief kunnen beďnvloeden.
31. De leerling leert onder andere door praktisch werk kennis te
verwerven over en inzicht te verkrijgen in processen uit de levende
en niet-levende natuur en hun relatie met omgeving en milieu.
32. De leerling leert te werken met theorieën en modellen door
onderzoek te doen naar natuurkundige en scheikundige verschijnselen
als elektriciteit, geluid, licht, beweging, energie en materie.
33. De leerling leert door onderzoek kennis te verwerven over
voor hem relevante technische producten en systemen, leert deze
kennis naar waarde te schatten en op planmatige wijze een technisch
product te ontwerpen en te maken.
34. De leerling leert hoofdzaken te begrijpen van bouw en functie
van het menselijk lichaam, verbanden te leggen met het bevorderen
van lichamelijke en psychische gezondheid, en daarin een eigen
verantwoordelijkheid te nemen.
35. De leerling leert over zorg en leert zorgen voor zichzelf,
anderen en zijn omgeving, en hoe hij de veiligheid van zichzelf en
anderen in verschillende leefsituaties (wonen, leren, werken,
uitgaan, verkeer) positief kan beďnvloeden.
Onderdeel E: mens en maatschappij
In de twaalf kerndoelen van het onderdeel mens en maatschappij is een
enigszins vergelijkbare structuur te herkennen als bij de kerndoelen van
het onderdeel mens en natuur: vragen stellen en onderzoek doen (36, 39),
verschijnselen in tijd en ruimte plaatsen (37, 38), gebruik van bronnen
(40, 41, 42) en de inhoudelijke thema’s (42 tot 47) geordend van
dichtbij en kleinschalig naar verder weg of grootschalig. Verschillende
kerndoelen concretiseren de opdracht aan elke school om aandacht te
besteden aan burgerschap. Het gaat vooral om de kerndoelen 43 en 44,
maar ook met andere kerndoelen wordt invulling gegeven aan deze
opdracht: te denken valt aan de kerndoelen 6, 35, 36 en 56.
36. De leerling leert betekenisvolle vragen te stellen over
maatschappelijke kwesties en verschijnselen, daarover een
beargumenteerd standpunt in te nemen en te verdedigen, en daarbij
respectvol met kritiek om te gaan.
37. De leerling leert een kader van tien tijdvakken te gebruiken
om gebeurtenissen, ontwikkelingen en personen in hun tijd te
plaatsen. De leerling leert hierbij over kenmerkende aspecten van de
volgende tijdvakken:
– tijd van jagers en boeren (prehistorie tot 3000 voor Chr.);
– tijd van Grieken en Romeinen (3000 voor Chr.–500 na
Chr.);
– tijd van monniken en ridders (500–1000);
– tijd van steden en staten (1000–1500);
– tijd van ontdekkers en hervormers (1500–1600);
– tijd van regenten en vorsten (1600–1700);
– tijd van pruiken en revoluties (1700–1800);
– tijd van burgers en stoommachines (1800–1900);
– tijd van wereldoorlogen (1900–1950), en
– tijd van televisie en computer (1950–heden).
De leerling leert daarbij in elk geval de relatie te leggen
tussen de gebeurtenissen en ontwikkelingen in de 20e eeuw (waaronder
de Wereldoorlogen en de Holocaust), en hedendaagse ontwikkelingen.
De vensters van de canon van Nederland dienen als uitgangspunt ter
illustratie van de tijdvakken.
38. De leerling leert een eigentijds beeld van de eigen omgeving,
Nederland, Europa en de wereld te gebruiken om verschijnselen en
ontwikkelingen in hun omgeving te plaatsen.
39. De leerling leert een eenvoudig onderzoek uit te voeren naar
een actueel maatschappelijk verschijnsel en de uitkomsten daarvan te
presenteren.
40. De leerling leert historische bronnen te gebruiken om zich
een beeld van een tijdvak te vormen of antwoorden te vinden op
vragen, en hij leert daarbij ook de eigen cultuurhistorische
omgeving te betrekken.
41. De leerling leert de atlas als informatiebron te gebruiken en
kaarten te lezen en te analyseren om zich te oriënteren, zich een
beeld van een gebied te vormen of antwoorden op vragen te vinden.
42. De leerling leert in eigen ervaringen en in de eigen omgeving
effecten te herkennen van keuzes op het gebied van werk en zorg,
wonen en recreëren, consumeren en budgetteren, verkeer en milieu.
43. De leerling leert over overeenkomsten, verschillen en
veranderingen in cultuur en levensbeschouwing in Nederland, leert
eigen en andermans leefwijze daarmee in verband te brengen, en leert
de betekenis voor de samenleving te zien van respect voor elkaars
opvattingen en leefwijzen.
44. De leerling leert op hoofdlijnen hoe het Nederlandse
politieke bestel als democratie functioneert en leert zien hoe
mensen op verschillende manieren bij politieke processen betrokken
kunnen zijn.
45. De leerling leert de betekenis van Europese samenwerking en
de Europese Unie te begrijpen voor zichzelf, Nederland en de wereld.
46. De leerling leert over de verdeling van welvaart en armoede
over de wereld, hij leert de betekenis daarvan te zien voor de
bevolking en het milieu, en relaties te leggen met het (eigen) leven
in Nederland.
47. De leerling leert actuele spanningen en conflicten in de
wereld te plaatsen tegen hun achtergrond, en leert daarbij de
doorwerking ervan op individuen en samenleving (nationaal, Europees
en internationaal), de grote onderlinge afhankelijkheid in de
wereld, het belang van mensenrechten en de betekenis van
internationale samenwerking te zien.
Onderdeel F: kunst en cultuur
Met de vijf kerndoelen voor het onderdeel kunst en cultuur wordt het
gemeenschappelijke en het gelijkwaardige van de verschillende
kunstzinnige disciplines benadrukt. Doel is een brede oriëntatie op
kunst en cultuur. Deze kerndoelen geven ook variatie in activiteiten
aan: eigen werk maken en presenteren, andermans werk ervaren en
plaatsen, verslag doen van activiteiten, en reflecteren op eigen en
andermans werk.
48. De leerling leert door het gebruik van elementaire
vaardigheden de zeggingskracht van verschillende kunstzinnige
disciplines te onderzoeken en toe te passen om eigen gevoelens uit
te drukken, ervaringen vast te leggen, verbeelding vorm te geven en
communicatie te bewerkstelligen.
49. De leerling leert eigen kunstzinnig werk, alleen of als
deelnemer in een groep, aan derden te presenteren.
50. De leerling leert op basis van enige achtergrondkennis te
kijken naar beeldende kunst, te luisteren naar muziek en te kijken
en luisteren naar theater-, dans- of filmvoorstellingen.
51. De leerling leert met behulp van visuele of auditieve
middelen verslag te doen van deelname aan kunstzinnige activiteiten,
als toeschouwer en als deelnemer.
52. De leerling leert mondeling of schriftelijk te reflecteren op
eigen werk en werk van anderen, waaronder dat van kunstenaars.
Onderdeel G: bewegen en sport
In de zes kerndoelen voor het onderdeel bewegen en sport gaat het om
een brede oriëntatie op verschillende soorten bewegingsactiviteiten en
daarin het verkennen en uitbreiden van de eigen mogelijkheden (53 t/m
55). Omdat sport en bewegen bij uitstek samenwerking vereisen, zijn
daarvoor afzonderlijke kerndoelen opgenomen (56 en 57). Het laatste
kerndoel (58) expliciteert de relatie met gezondheid en welzijn.
Onderwijs in lichamelijke opvoeding, voornamelijk bestaande uit
praktische bewegingsactiviteiten, vindt plaats gespreid over het gehele
schooljaar, en in zodanige omvang dat wordt voldaan aan de inhoudelijke
eisen op het gebied van kwaliteit en variëteit zoals neergelegd in deze
kerndoelen.
53. De leerling leert zich mede met het oog op buitenschoolse
beoefening op praktische wijze te oriënteren op veel verschillende
bewegingsactiviteiten uit gevarieerde gebieden als spel, turnen,
atletiek, bewegen op muziek, zelfverdediging en actuele
ontwikkelingen in de bewegingscultuur, en daarin de eigen
mogelijkheden te verkennen.
54. De leerling leert door middel van uitdagende
bewegingssituaties zijn bewegingsrepertoire uit te breiden.
55. De leerling leert de hoofdbeginselen van de
bewegingsactiviteiten op eigen niveau toe te passen.
56. De leerling leert tijdens bewegingsactiviteiten sportief te
zijn, rekening te houden met de mogelijkheden en voorkeuren van
anderen, en respect en zorg te hebben voor elkaar.
57. De leerling leert eenvoudige regelende taken te vervullen die
het mogelijk maken, zelfstandig en samen met andere leerlingen
bewegingsactiviteiten te beoefenen.
58. De leerling leert door deel te nemen aan praktische
bewegingsactiviteiten de waarde van het bewegen voor gezondheid en
welzijn kennen en ervaren.
II. Kerndoelen op basis van artikel 11e WVO
Enig onderdeel: Friese taal en cultuur
Fryslân is een tweetalige provincie doordat zowel de Nederlandse als
de Friese taal een belangrijke positie innemen. Veel leerlingen in
Fryslân spreken Fries, de meeste leerlingen verstaan het Fries naar
eigen zeggen voldoende tot goed. Ze beleven de tweetalige cultuur van de
provincie dagelijks. Leerlingen worden zich bewust van het tweetalige
karakter van hun leefomgeving en leren tevens over de verschillen en
overeenkomsten met situaties in Nederland en daarbuiten. De taal staat
niet op zich zelf, maar is zeker in Fryslân direct verbonden met de
cultuur en de geschiedenis van de provincie. Leerlingen krijgen meer
zicht op specifieke kenmerken van de Friese taal en cultuur en de
achtergronden daarvan, zodat ze daardoor beter aan de Friese cultuur
kunnen deelnemen.
Er zijn op grond van artikel 11e van de WVO voor Friese taal en
cultuur kerndoelen geformuleerd die in de provincie Fryslân dezelfde
status hebben als de algemene kerndoelen op grond van artikel 11a van de
WVO. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen kerndoelen die voor alle
leerlingen verplicht zijn (1–3), en kerndoelen die anders zijn
uitgewerkt voor leerlingen die de Friese taal als tweede taal spreken
(4a–6a), en voor leerlingen voor wie Fries de moedertaal is (4b–6b).
Deelnemer in een tweetalige cultuur
1. De leerling leert de betekenis onderkennen van de tweetalige
Friese cultuur voor het dagelijks leven en leert deze te vergelijken
met situaties in de rest van Nederland en daarbuiten.
2. De leerling leert aan de hand van voorbeelden de specifieke
kenmerken van de Friese cultuur begrijpen en deze in verband te
brengen met de historische achtergronden daarvan.
3. De leerling leert aan de hand van voorbeelden het belang van
Friese cultuuruitingen onderkennen (teksten, muziek, toneel, film, TV
en radio) en de betekenis die hij daaraan hecht onder woorden te
brengen.
Voor leerlingen met Fries als tweede taal en voor leerlingen met
Fries als moedertaal
4a. De leerling leert om via voor hem zinvolle contexten een Friese
woordenschat op te bouwen door verschillende strategieën toe te
passen.
5a. De leerling leert informatie op te zoeken en te ordenen uit
schriftelijke en digitale Friestalige bronnen op basis van vragen over
onderwerpen binnen zijn eigen belangstellingssfeer.
6a. De leerling leert een informeel gesprek in het Fries te voeren
met leeftijdgenoten over onderwerpen uit zijn dagelijks leven.
Voor leerlingen met Fries als moedertaal
4b. De leerling leert zich mondeling en schriftelijk begrijpelijk
uit te drukken en zich te houden aan taalconventies die voor het Fries
gelden (spelling, grammaticaal juiste zinnen, woordgebruik).
5b. De leerling leert het belang van het communiceren volgens
gangbare taalregels van het Fries in formele situaties ontdekken
(werkoverleg, planning, discussie).
6b. De leerling leert Friese verhalen, gedichten en informatieve
teksten te kiezen en te lezen die tegemoet komen aan zijn
belangstelling en zijn belevingswereld uitbreiden.
|
|
|