BESLUIT van 1 december 2005, houdende nadere
voorschriften in verband met samenwerking tussen scholen voor voortgezet
onderwijs en instellingen voor educatie en beroepsonderwijs (Besluit
samenwerking VO-BVE)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14
oktober 2005, nr. WJZ/2005/44254 (3800), directie Wetgeving en
Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit;
Gelet op de artikelen 25a, vierde lid,
29 en 106, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
De Raad van State gehoord (advies van 9
november 2005, nr. W05.05.0464/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 november 2005, nr. WJZ2005/48453
(3800), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. WVO: Wet op het voortgezet onderwijs;
b. WEB: Wet educatie en beroepsonderwijs;
c. school: een uit s Rijks kas bekostigde school voor
voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de WVO;
d. instelling: een uit s Rijks kas bekostigde instelling als
bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de WEB;
e. VAVO: voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in
artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, van de WEB.
Artikel 2. Voorwaarden om als VO-ingeschrevene ook onderwijs te
kunnen ontvangen aan een andere school of aan een instelling
1. Het bevoegd gezag van een school kan de volgende leerlingen
in de gelegenheid stellen in het kader van het onderwijs waarvoor zij
aan de school zijn ingeschreven, ook onderwijs te ontvangen dat een
school van een ander bevoegd gezag of een instelling verzorgt:
a. voor het in artikel 25a, tweede lid onder a, van de WVO bedoelde
doel, leerlingen die het derde of het vierde leerjaar van het
voorbereidend beroepsonderwijs of het middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs volgen en naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder
gerichte ondersteuning een vergrote kans lopen om het onderwijs te
verlaten zonder ten minste een diploma van een basisberoepsopleiding
als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de WEB;
b. voor het in artikel 25a, tweede lid, onderdeel b, van de WVO
bedoelde doel, leerlingen die naar het oordeel van het bevoegd gezag
een grotere kans hebben om vervolgonderwijs met gunstig resultaat te
volgen door extra verrijking, verdieping en oriλntatie naast hun
reguliere opleiding, of door onderdelen van beroepsopleidingen of
opleidingen educatie als bedoeld in de WEB te volgen, naast hun
opleiding in het voortgezet onderwijs;
c. voor het in artikel 25a, tweede lid, onderdeel c, van de WVO
bedoelde doel, iedere leerling.
2. Een leerling als bedoeld in het eerste lid volgt per leerjaar
voor ten hoogste de helft van het aantal klokuren per schooljaar die
blijkens het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van
de WVO, worden besteed aan het volgen van lessen of stages, aan de
andere school of aan de instelling. Toepassing van het eerste lid leidt
er niet toe dat het bevoegd gezag zelf uitsluitend nog de stage van die
leerling verzorgt.
3. Indien het betreft het verzorgen van vakken of
programma-onderdelen als bedoeld in artikel 10b, zesde of zevende lid,
of artikel 10d, zesde of zevende lid, van de WVO, kan het bevoegd gezag
van de school op grond van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in
artikel 25a, derde lid, van de WVO of een regeling als bedoeld in
artikel 25a, vijfde lid, van de WVO afwijken van het tweede lid.
Artikel 3. Voorwaarden om als VO-ingeschrevene deel te kunnen nemen
aan een opleiding VAVO
1. Het bevoegd gezag van een school kan de volgende leerlingen
in de gelegenheid stellen in het kader van het onderwijs waarvoor zij
aan de school zijn ingeschreven, deel te nemen aan een opleiding VAVO
en die opleiding met een examen af te sluiten:
a. leerlingen van 16 en 17 jaar die niet in het bezit zijn van een
diploma als bedoeld in artikel 29, derde lid, van de WVO, en naar het
oordeel van het bevoegd gezag een grotere kans hebben om een diploma
te behalen indien zij VAVO volgen in plaats van voortgezet onderwijs;
b. leerlingen van 18 jaar of ouder die ononderbroken in het
voortgezet onderwijs of daarmee op grond van de Leerplichtwet 1969
gelijkgesteld onderwijs ingeschreven zijn geweest zonder een
eindexamen als bedoeld in artikel 29 van de WVO af te hebben gelegd,
en die naar het oordeel van het bevoegd gezag een grotere kans hebben
om een diploma te behalen indien zij VAVO volgen in plaats van
voortgezet onderwijs;
c. leerlingen die zijn afgewezen voor een eindexamen als bedoeld in
artikel 29 van de WVO, niet eerder al een diploma hebben behaald als
bedoeld in artikel 29, derde lid, van de WVO, en die naar het oordeel
van het bevoegd gezag een grotere kans hebben om een diploma te
behalen indien zij aansluitend voor een of meer vakken VAVO volgen in
plaats van voortgezet onderwijs;
d. leerlingen van 16 of 17 jaar die een diploma voorbereidend
middelbaar beroepsonderwijs in de gemengde of theoretische leerweg
hebben behaald en naar het oordeel van het bevoegd gezag van een
school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs een grotere kans
hebben om het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs te behalen
indien zij VAVO volgen in plaats van voortgezet onderwijs.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, vindt ten aanzien van de
daar bedoelde leerlingen toepassing voor ten hoogste de periode van de
resterende cursusduur van de opleiding, vermeerderd met een jaar.
3. Het eerste lid, aanhef en onder c, vindt ten aanzien van de
daar bedoelde leerlingen toepassing voor ten hoogste een jaar.
Artikel 4. Overdracht VO-bekostiging aan een andere school of aan een
instelling
Overdracht van een deel van de bekostiging met toepassing van artikel
96s van de WVO is uitsluitend mogelijk voor een leerling:
a. ten aanzien van wie na 1 oktober van het schooljaar blijkt dat
deze is aangewezen op onderwijs aan een andere school of aan een
instelling,
b. die in verband daarmee in dat schooljaar wordt uitgeschreven
aan de school, en
c. die aansluitend in dat schooljaar wordt ingeschreven als
leerling aan een andere school of als deelnemer aan een instelling.
Artikel 5. Afwijking van de WVO
In afwijking van artikel 33, eerste lid, van de WVO kan onderwijs ook
worden verzorgd door docenten van de instelling waarmee het bevoegd
gezag van de school een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als
bedoeld in artikel 25a, derde lid, van de WVO.
Artikel 6. Leerling geldt voor toepassing WMO 1992 ook als
WEB-deelnemer
Voor de toepassing van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 gelden
leerlingen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 ten aanzien van het
onderwijs dat zij volgen aan een instelling tevens als deelnemer in de
zin van de WEB.
Artikel 7. Wijziging Bekostigingsbesluit W.V.O.
[Wijzigt het Bekostigingsbesluit W.V.O.]
Artikel 8. Wijziging Inrichtingsbesluit W.V.O.
[Wijzigt het Inrichtingsbesluit W.V.O.]
Artikel 9. Wijziging Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.
[Wijzigt het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.]
Artikel 10. Inwerkingtreding
1. Dit besluit treedt, met uitzondering van artikel 9, in
werking met ingang van het tijdstip waarop de Wet van 8 september
2005, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de
Wet educatie en beroepsonderwijs om meer ruimte te scheppen voor
samenwerking tussen in die wetten geregelde onderwijsinstellingen (Stb.
2005, 512) in werking treedt.
2. Artikel 9 treedt in werking met ingang van een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 11. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit samenwerking VO-BVE.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 1 december 2005
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M.J.A. van der Hoeven
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman
Uitgegeven de twintigste december 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner