1. Innovatieve initiatieven stimuleren
Deze beleidsregel biedt scholen voor voortgezet onderwijs die vallen
onder het ministerie van OCW de mogelijkheid om in 2004 aanvullende
bekostiging te ontvangen voor NUMMER 9●24●26 mei 2004
innovatieve projecten. Deze projecten moeten gericht zijn op versterking
en vernieuwing van het leerproces van jongeren in de meest brede zin van
het woord. Het gaat om innovaties die het leren van jongeren centraal
stellen, die de motivatie om te leren versterken, die leiden tot
verbetering van leerprestaties en die een bijdrage leveren aan het
aanboren, uitdagen en ontwikkelen van het talent van jongeren in het
voortgezet onderwijs.
Basis voor deze beleidsregel zijn artikel 85a, tweede lid, en artikel
89, tweede lid, van de WVO. Het gaat er bij deze beleidsregel om scholen
die nieuwe wegen banen een steun in de rug te geven én aan te moedigen
het resultaat van hun activiteiten te delen met anderen. Voor de goede
orde, de beleidsregel geldt ook voor het praktijkonderwijs.
Hoogte van de aanvullende bekostiging
De aanvullende bekostiging bedraagt ten hoogste 60% van de totale
projectkosten, tot maximaal € 300.000,-. Voor deze beleidsregel is €
10 miljoen beschikbaar voor 2004. De looptijd van het project bedraagt
maximaal drie jaar, zodat scholen de mogelijkheid hebben de aanvullende
bekostiging over meerdere jaren te verspreiden. Er mag ook voor minder
dan € 300.000,- worden aangevraagd.
Experimenteerruimte
Het kan bij innovatieve projecten nodig zijn dat wordt afgeweken van
de regelgeving. Op basis van artikel 25 en artikel 29, zesde lid van de
WVO kan ontheffing worden gegeven ten aanzien van de inrichtings- en
examenvoorschriften. Wanneer het voor een project nodig is dat een
dergelijke ontheffing wordt verleend, dan wordt dit bij de behandeling
van de projectaanvraag meegenomen. In Koers VO zal worden aangegeven
binnen welke marges deze ontheffingen kunnen worden verleend. Doordat
via deze wetsartikelen dergelijke ontheffingen kunnen worden verleend is
het ook mogelijk projecten te bedienen waarbij niet om aanvullende
bekostiging maar slechts om experimenteerruimte gevraagd wordt.
2. Welke projecten worden bedoeld?
Innoverende scholen zullen het in eerste instantie moeten hebben van
middelen waarover ze reeds beschikken. De reguliere lumpsum en
aanvullingen daarop zoals het nascholingsbudget, het schoolbudget en
specifiek voor het vmbo de impuls beroepsonderwijs kunnen daarvoor
worden aangewend. Het voordeel daarvan is dat scholen zelf hun
prioriteiten stellen en geen extra verantwoordingsverplichtingen hebben.
Veel scholen weten die mogelijkheden goed te benutten.
Er zijn echter ook scholen die een pioniersfunctie vervullen. Zij
banen nieuwe wegen en ontwikkelen werkwijzen, waarbij ze zich niet op
kunnen trekken aan voorbeelden om de eenvoudige reden dat die
voorbeelden er niet zijn. Door hun initiatief en door de resultaten die
ze boeken, worden ze zélf een voorbeeld. In die gevallen is het
redelijk dat deze scholen extra worden ondersteund, ook in materiële
zin. Deze beleidsregel is bedoeld voor zulke projecten. Dat betekent dus
een duidelijke beperking. Een school, die sterk twijfelt over de
haalbaarheid van een aanvraag op basis van deze beleidsregel of een
school die pas naar aanleiding van het lezen van deze beleidsregel
innovatief initiatief ontplooit, wordt geadviseerd zich de moeite van
een projectaanvraag te besparen.
De beleidsregel is bedoeld voor projecten die aan de volgende
criteria voldoen:
1. Leren van de leerling staat centraal
In deze beleidsregel staat, net als in Koers VO, het leren van de
leerling centraal. De innovatie heeft als doel het versterken en
vernieuwen van het leren in het voortgezet onderwijs. In lijn met
Koers VO is het de school die daarbij zijn eigen plan bepaalt. Het
projectresultaat impliceert een aantoonbare versterking en
vernieuwing van het leerproces van de leerling in het voortgezet
onderwijs.
Het gaat hierbij om projecten die zich vooral, maar niet
uitsluitend, richten op de hieronder genoemde onderwerpen. Het leren
binnen en buiten de school, inclusief vormen van buitenschools leren
in een bedrijf of een vrijwilligersorganisatie, of om combinaties
van binnen-en buitenschools leren. Dit leren hoeft niet beperkt te
zijn tot de onderwerpen die deel uitmaken van het reguliere
curriculum, ook onderwerpen als waarden en normen, burgerschap,
sociaal verkeer, veiligheid en verantwoordelijkheid kunnen aan de
orde zijn. Innovatie kan ook betrekking hebben op leerrendement
zodat meer jongeren beter gediplomeerd de school verlaten. Innovatie
is ook het leren in leergebieden in plaats van in vakken en schotten
overstijgend, ook in doorlopende leerlijnen. Aansluiten bij actuele
maatschappelijke thema’s als integratie of het versterken van
ondernemerschap. Versterken van het leren hoeft overigens niet
persé te betekenen meer zelfstandig leren; voor sommige jongeren
kan een strakke en gestructureerde aanpak juist het best aangewezen
zijn. Verder kunnen Bčta & Techniek en een intelligente inzet
van informatie- en communicatietechnologie thema’s zijn die bij de
projecten aan de orde komen. Tot slot maakt kwaliteitszorg een
belangrijk onderdeel uit van innovatie.
2. Het beoogde projectresultaat is nieuw
Onder nieuw wordt in eerste instantie verstaan ’nog niet eerder
vertoond’, maar het kan ook gaan om een originele combinatie van
bestaande innovaties die de vernieuwing van het VO, gericht op het
beter leren door leerlingen, versnelt. Verder moet nieuw niet
absoluut worden opgevat in de zin dat het nog helemaal nergens
voorkomt; een project waarbij bijvoorbeeld in een gymnasium iets
wordt ontwikkeld wat in vmbo zorg & welzijn al gemeengoed is,
kan ook als nieuw worden aangemerkt.
3. De aanvrager kan waarmaken wat hij belooft
Het project moet zodanig opgezet en georganiseerd zijn, en relevante
samenwerkingspartners zodanig gecommitteerd, dat het project tot een
goed einde kan worden gebracht. Een aspect daarvan is ook dat de
beoogde innovatie aansluit bij ontwikkelingen die nu al in de school
plaatsvinden. Bij dit criterium hoort ook dat intern overdracht van
de resultaten plaatsvindt, dat de innovatie binnen de school
verankerd wordt en dat sprake is van een deugdelijke
projectbegroting.
4. Kennis delen
Belangrijke reden voor het verstrekken van aanvullende bekostiging
is dat ook anderen kunnen profiteren van het pionierswerk en de
projectresultaten van de initiatiefnemer. De projectresultaten
moeten daarom breed beschikbaar komen, in elk geval na en bij
voorkeur ook tijdens de projectperiode. De verantwoordelijkheid
daarvoor ligt bij de aanvrager. Ook interne kennisdeling binnen de
school en zijn directe omgeving maken hier onderdeel van uit.
3. Scholen werken samen
Samenwerking met relevante partners is geen zelfstandig
beoordelingscriterium op zich, maar wordt in de praktijk wel bij de
beoordeling meegewogen als een afgeleide van de criteria in paragraaf 2.
Het is op zich mogelijk, maar in de praktijk niet waarschijnlijk dat een
school op eigen houtje in staat is een ingrijpende innovatie tot een
goed einde te brengen. Stel dat een school aan de slag wil met een vorm
van buitenschools leren, dan ligt het voor de hand dat te doen met ’buitenschoolse’
partners en dan moet de samenwerking goed in elkaar zitten. Er zijn ook
andere redenen om samen te werken: expertise, geld, kennis delen en
dergelijke. Hier is de hechtheid van de samenwerking een afgeleide van
het derde criterium dat de school moet kunnen waarmaken wat hij belooft.
4. Het indienen van de aanvraag, formele vereisten
Indientermijn
De aanvraag wordt ingediend door het bevoegd gezag van een school
voor voortgezet onderwijs, ook als sprake is van een
samenwerkingsverband met andere partners. De aanvraag moet uiterlijk 1
september 2004 worden ingediend bij SenterNovem, zie adres hieronder. De
aanvraag kan niet per fax of e-mail ingediend worden. Na 1 september
2004 worden geen aanvragen meer in behandeling genomen.
• SenterNovem Educatieve Technologie
VO-innovatie
Postbus 93144
2509 AC Den Haag
Aanvraagformulier
Wil de aanvraag voor behandeling in aanmerking komen dan moet ze in
elk geval opgesteld zijn conform het aanvraagformulier van SenterNovem,
en vergezeld gaan van een projectplan. Het aanvraagformulier is op te
vragen en te downloaden bij SenterNovem (www.senternovem.nl/vooruit)
en bevat onder meer de volgende gegevens:
• de titel of naam van het project
• naam, adres en e-mail van de contactpersoon
• BRIN nummer van de school
• namen van de samenwerkingspartners (indien van toepassing)
• start- en looptijd van het project
• de omvang van de gevraagde aanvullende bekostiging
• eventueel het verzoek tot ontheffing op basis van artikel 25
en artikel 29, zesde lid WVO
• ondertekening van de aanvraag door het bevoegd gezag
Projectplan
Het projectplan dat de aanvraag vergezelt, moet inzicht bieden in de
volgende onderwerpen:
1. De aanleiding voor het project; welk vraagstuk wordt met dit
project aangepakt?
2. De relatie tot andere innovaties; heeft de aanvrager zich
vergewist van relevante ontwikkelingen en innovaties elders, en is
op grond daarvan de conclusie gewettigd dat met dit project iets
nieuws gerealiseerd wordt?
3. Een beschrijving van de projectresultaten waaruit blijkt dat
deze voldoet aan de in paragraaf 2 genoemde criteria.
4. Welke concrete activiteiten worden in het project uitgevoerd,
wanneer vinden deze plaats en wie gaat ze uitvoeren?
5. De organisatie van het project en het commitment van de
projectpartners, op basis waarvan mag worden verondersteld dat het
project tot een goed einde kan worden gebracht. Het commitment van
projectpartners moet blijken uit schriftelijke bewijsstukken en
verklaringen.
6. Het verspreiden en het delen van de projectresultaten en
ervaringen tijdens en na het project.
7. Een totaalbegroting voor het project waarin aannemelijk
gemaakt wordt dat de hoogte van de gevraagde aanvullende bekostiging
gerechtvaardigd is.
8. Bij een verzoek tot ontheffing op basis van artikel 25 en
artikel 29, zesde lid WVO, de motivering bij dat verzoek.
N.B:
Het projectplan hoeft niet dik te zijn om te kunnen overtuigen!
5. Spelregels voor de begrotingsopstelling
De aanvullende bekostiging bedraagt maximaal 60% van de projectkosten
en hooguit € 300.000,-. Dat veronderstelt wel dat de begroting op
basis van bepaalde spelregels is opgesteld. Die spelregels hebben
betrekking op de volgende kostensoorten.
Loonkosten direct personeel
Hiermee wordt bedoeld de loonkosten verbonden aan de inzet van
personeel aan het project van de aanvrager en eventuele
samenwerkingspartners. Deze loonkosten bestaan uitsluitend uit het
bruto-loon plus de sociale lasten. Leidinggevenden kunnen tot het
directe personeel worden gerekend wanneer zij rechtstreeks productieve
arbeid verrichten voor het project.
Overhead
Hieronder vallen de uitgaven voor faciliteiten of ondersteunende
activiteiten zoals reiskosten, secretariaatkosten, kopieer- en
verzendkosten, bureaukosten en dergelijke, voor het project.
Kosten derden
Hiermee wordt bedoeld de kosten van het inhuren van externen. Deze
kosten moeten tegen een marktconform tarief worden opgenomen. Is sprake
van dergelijke kosten dan moet dat bij de begroting inzichtelijk worden
gemaakt aan de hand van een offerte. In principe gelden kosten derden
inclusief omzetbelasting.
Materiële kosten
Hieronder kunnen vallen de kosten voor aanschaf van specifiek voor
het project te gebruiken apparatuur. Het moet dan gaan om apparatuur
waarvan het gebruik een functionele relatie heeft met het project. Deze
kosten mogen in de begroting worden meegenomen op afschrijvingsbasis met
een afschrijvingsperiode van drie jaar. Voor de goede orde: de
beleidsregel is niet bedoeld om structurele investeringen in inventaris
en huisvesting te financieren. Dergelijke kosten blijven dus buiten de
projectbegroting.
Relatie met andere regelingen
De mogelijkheid om aanvullende bekostiging te krijgen kan niet worden
gecombineerd met andere subsidieregelingen van OCW, bijvoorbeeld het
Innovatie/arrangement Beroepsonderwijs. Is sprake van een project dat
voor beide regelingen in aanmerking zou kunnen komen dan moet de
aanvrager kiezen.
6. Service
SenterNovem kan u adviseren over de haalbaarheid van uw
projectvoorstel. U kunt daarvoor telefonisch of via de mail contact
opnemen met:
• SenterNovem.
Telefoon 070-373 53 13
E-mail adres et@senter.nl
Internet www.senternovem.nl/onderwijs
7. Hoe wordt de aanvraag beoordeeld?
Op basis van de formele vereisten in paragraaf 4 en de spelregels
voor de begroting in paragraaf 5 stelt SenterNovem vast of een aanvraag
voor behandeling in aanmerking komt. Is dat het geval dan brengt
SenterNovem over de aanvraag een preadvies uit aan een NUMMER 9●27●26
mei 2004 onafhankelijke jury. De jury beoordeelt de aanvragen aan de
hand van de in paragraaf 2 genoemde criteria.
De jury stelt voor elke aanvraag een advies vast. De jury rangschikt
vervolgens de aanvragen waarover zij positief advies uitbrengt zodanig,
dat een aanvraag hoger gerangschikt wordt naar de mate waarin het
project beter voldoet aan de criteria die beschreven staan in paragraaf
2. Vervolgens worden de projectaanvragen voor toekenning voorgedragen
aan de minister, voorzover het beschikbare bedrag voor deze beleidsregel
dat mogelijk maakt.
Wanneer bij de rangschikking meerdere projecten op een gelijke plaats
eindigen en een keuze tussen deze projecten in verband met het bereiken
van het subsidieplafond vereist is, dan prevaleert het project dat op
het criterium van innovatie het hoogste scoort.
8. Advisering door de jury, besluitvorming door de minister
De jury legt het totaal van de adviezen voor aan de minister. De
minister neemt in principe het advies van de jury over. Slechts in
uitzonderlijke gevallen zal de minister van het advies afwijken. De
minister zal dat gemotiveerd en niet dan na overleg met de jury doen.
9. Beschikking
Het besluit van de minister wordt per aanvraag geformuleerd in een
beschikking. De aanvrager krijgt deze beschikking in december 2004
toegestuurd.
Positief
Als de beschikking positief is dan wordt zo nodig ook de ontheffing
ex artikel 25 en 29, zesde lid WVO verleend. Tevens wordt aangegeven wat
de hoogte van de toegekende aanvullende bekostiging is. De aanvrager
ontvangt dit bedrag in december 2004. In dat geval gelden de volgende
voorwaarden:
• De aanvrager zorgt ervoor dat op Internet actuele informatie
over het project beschikbaar is, zodat iedere belangstellende daar
via zoekmachines kennis van kan nemen.
• De aanvullende bekostiging wordt uitsluitend aangewend voor
het doel waarvoor zij is verstrekt. Eventueel niet-bestede middelen
of overschotten worden na afloop van de activiteiten teruggestort.
• Drie maanden nadat het project is afgerond, wordt de
inhoudelijke en financiële eindrapportage toegestuurd aan
SenterNovem. Tot uiterlijk 31 december 2007 bestaat de mogelijkheid
om de inhoudelijke en financiële rapportage toe te zenden.
• De aanvullende bekostiging wordt tijdens de looptijd van het
project besteed en herkenbaar verantwoord in de jaarrekeningen die
op de looptijd van het project betrekking hebben.
• De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat
tevens een oordeel over de rechtmatigheid van de besteding van de
aanvullende bekostiging.
• Naast de verantwoording in de jaarrekening verleent het
bevoegd gezag medewerking aan tussentijdse audits tijdens de
looptijd van het project en een inhoudelijk evaluatieonderzoek na
afloop van de projectperiode.
10. Geldigheidsduur van de beleidsregel
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 mei 2004 en
vervalt met ingang van 1 januari 2008 zodat scholen de mogelijkheid
hebben de aanvullende bekostiging over meerdere jaren te spreiden.