St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet op het voortgezet onderwijs (WVO)

 

REGELING  INRICHTING  DEELTIJDOPLEIDINGEN  LERAREN  VOORTGEZET  ONDERWIJS  ALGEMENE  VAKKEN

Tekst zoals deze geldt op 8 juli 2008

Verwijderd uit ons regelingenbestand

 

 

 

 
     De Minister van Onderwijs en Wetenschappen;
     Gelet op artikel 23, vijfde lid, en artikel 24, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1967, 387);
     De Onderwijsraad gehoord (advies van 6 september 1984, O.R. VII/222T);

     Besluit:

 

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

de minister: de minister van Onderwijs en Wetenschappen;

de wet: de Wet op het voortgezet onderwijs;

instelling: instelling die tweedegraads en derdegraads deeltijdopleidingen leraren voortgezet onderwijs in een algemeen vak verzorgt;

het bevoegd gezag: voor wat betreft

a. een gemeentelijke instelling: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen;

b. een bijzondere instelling: het bestuur van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt;

akte van bekwaamheid: akte van bekwaamheid als bedoeld in artikel 29, vierde lid onder a, van de wet;

getuigschrift: getuigschrift tot het geven van voortgezet godsdienstonderwijs als bedoeld in artikel 29, vierde lid onder a, van de wet;

vierjarige tweedegraads deeltijdopleiding: deeltijdopleiding voor leraren voortgezet onderwijs algemene vakken voor een akte van bekwaamheid dan wel getuigschrift van de tweede graad met een cursusduur van vier jaar;

eenjarige tweedegraads deeltijdopleiding: deeltijdopleiding voor leraren voortgezet onderwijs algemene vakken voor een akte van bekwaamheid dan wel een getuigschrift van de tweede graad met een cursusduur van een jaar;

derdegraads deeltijdopleiding: deeltijdopleiding voor leraren voortgezet onderwijs algemene vakken voor een akte van bekwaamheid dan wel een getuigschrift van de derde gaad;

de inspectie: de inspectie van het voortgezet onderwijs, belast met het toezicht op de instelling;

praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening: de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening, bedoeld in artikel 4;

studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daarop volgende kalenderjaar.

Artikel 2. Cursusduur

1. De derdegraads deeltijdopleiding heeft een cursusduur van drie jaren.

2. De eenjarige tweedegraads deeltijdopleiding heeft een cursusduur van een jaar.

3. De vierjarige tweedegraads deeltijdopleiding heeft een cursusduur van vier jaar.

Artikel 3. Het onderwijsprogramma

1. Het onderwijs aan de derde- en tweedegraads deeltijdopleidingen omvat een vakinhoudelijk en een beroepsvoorbereidend gedeelte.

2. Het onderwijs aan de derdegraads deeltijdopleidingen is zo ingericht, dat de studenten gedurende de cursusduur ten minste 960 lesuren onderwijs kunnen volgen, daarbij inbegrepen de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening. Het eerste leerjaar van deze opleidingen wordt zodanig ingericht dat deze fase oriëntatie op de verdere studie biedt, alsmede aan het einde ervan verwijzing en selectie mogelijk maakt.

3. Het onderwijs aan de eenjarige tweedegraads deeltijdopleidingen is zo ingericht, dat de studenten gedurende de cursusduur ten minste 320 lesuren ondermijn kunnen volgen, daarbij inbegrepen de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.

4. Het onderwijs aan de vierjarige tweedegraads deeltijdopleiding is zo ingericht, dat de studenten gedurende de cursusduur ten minste 1280 lesuren onderwijs kunnen volgen, daarbij inbegrepen de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.

5. Het onderwijs aan de derde- en tweedegraads deeltijdopleidingen is zo ingericht, dat de studenten gedurende de cursusduur vakinhoudelijk en beroepsvoorbereidend onderwijs kunnen volgen in de lesurenverhouding 3:1.

6. Van het vakinhoudelijke gedeelte van door de minister aan te wijzen derde- en tweedegraads deeltijdopleidingen kan een stage in het bedrijfsleven deel uitmaken. De minister bepaalt de minimumomvang van deze stage alsmede of en in hoeverre de stage-uren in mindering gebracht kunnen worden op het in het tweede, derde en vierde lid van dit artikel genoemde minimumaantal uren.

7. De duur van de lesuren is 50 minuten. Het bevoegd gezag kan hiervan afwijken, mits het produkt van de duur en het aantal lesuren gelijk is aan dat bij lesuren van 50 minuten.

Artikel 4. Beroepsvoorbereidend gedeelte

1. In het kader van het beroepsvoorbereidend gedeelte van het onderwijs wordt aan de studenten van de derde- en tweedegraads deeltijdopleidingen gelegenheid gegeven onderwijs te volgen in de leerstofgebieden algemene onderwijskunde, vakdidactiek en praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening. De algemene onderwijskunde omvat in ieder geval een oriëntatie op het Nederlandse onderwijs, elementen uit de onderwijssociologie, onderwijspsychologie, didaxologie, filosofie van de opvoeding en het onderwijs, en op taalgedrag.

2. De praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening vindt in ieder geval plaats door middel van een stage buiten de instelling, bij een of meer scholen.

3. Het bevoegd gezag stelt de studenten van de derdegraads deeltijdopleidingen in de gelegenheid ten minste voor de duur van 60 lesuren stage te lopen.

4. Het bevoegd gezag stelt de studenten van de eenjarige tweedegraads deeltijdopleidingen in de gelegenheid ten minste voor de duur van 20 lesuren stage te lopen.

5. Het bevoegd gezag stelt de studenten van de vierjarige tweedegraads deeltijdopleidingen in de gelegenheid ten minste voor de duur van 80 lesuren stage te lopen.

6. Voor de aanvang van het cursusjaar zendt de directeur van de instelling aan de inspectie een opgave van de scholen, waar de stages zullen plaatsvinden.

Artikel 5. Leerplan en lesrooster

1. Het leerplan van de derde- en tweedegraads deeltijdopleidingen bevat in ieder geval per opleiding:

a. de keuze en de omvang van de leerstof per vak of vakgebied en de wijze waarop de leerstof daarbinnen is geordend;

b. een omschrijving van de didactische werkvormen;

c. een plan voor de stages in het kader van de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.

2. Het bevoegd gezag werkt het leerplan jaarlijks uit in een lesrooster, waarin tevens zijn vermeld de vakanties en de andere dagen waarop de studenten geen onderwijs ontvangen.

3. Het leerplan en de wijzigingen daarvan worden ter goedkeuring aan de minister voorgelegd. De minister toetst ten aanzien van de derde- en tweedegraads deeltijdopleidingen tot leraar godsdienstonderwijs het beroepsvoorbereidend gedeelte van het leerplan alsmede of ten aanzien van het vakinhoudelijk gedeelte door het bevoegd gezag de betrokken kerkelijke organisaties of vertegenwoordigers daarvan zijn gehoord. De goedkeuring van het beroepsvoorbereidend gedeelte van het leerplan van de derde- en tweedegraads deeltijdopleidingen tot leraar godsdienstonderwijs wordt geacht te zijn verleend indien de minister niet binnen dertig dagen na de ontvangst bij aangetekend schrijven heeft verklaard bezwaar te hebben tegen het beroepsvoorbereidend gedeelte van het leerplan uit een oogpunt van voldoende waarborg van deugdelijkheid.

4. Tegen de verklaring, bedoeld in het derde lid, kan het bevoegd gezag binnen dertig dagen bij de Kroon in beroep komen. Het beroep heeft schorsende kracht.

5. Het bevoegd gezag zendt de inspectie een afschrift van het lesrooster alsmede van het leerplan en de wijzigingen daarvan.

6. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het leerplan en lesrooster in de gebouwen van de instelling ter inzage wordt neergelegd op een voor het personeel en de studenten toegankelijke plaats.

Artikel 6. Vakanties

1. De tijd die per cursusjaar ten hoogste voor vakantie van de studenten mag worden besteed, bedraagt 72 lesdagen.

2. Onder lesdag wordt verstaan elke dag van de week met uitzondering van de zondag. Niet tot de lesdagen worden gerekend:

a. nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag en de beide Kerstdagen;

b. nationale feestdagen.

3. Indien aan een bijzondere instelling onderwijs wordt gegeven, gebaseerd op een levensbeschouwing volgens welke andere dan de in het vorige lid onder a genoemde dagen als feestdagen worden aangemerkt, kunnen in de plaats daarvan 6 andere dagen niet tot de lesdagen worden gerekend.

4. Onze minister stelt tijdig het begin en het einde van de zomervakantie vast. De begin- en einddatum kunnen per groep van instellingen verschillen.

Artikel 7. Tijdstip van onderwijsverstrekking

Het onderwijs aan de derde- en tweedegraads deeltijdopleidingen kan op elke lesdag vóór 18.00 uur worden verzorgd, mits het aantal vóór 18.00 uur te verzorgen lesuren, de zaterdag niet meegerekend, niet meer bedraagt dan 50% van het totaal door de instelling te verzorgen lesuren.

Artikel 8. Slotbepaling

1. Deze regeling, welke met de daarbij behorende toelichting wordt bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Nederlandse Staatscourant waarin hij wordt bekend gemaakt en werkt terug tot 1 augustus 1984. Zij kan worden aangehaald als: Regeling inrichting deeltijdopleidingen leraren voortgezet onderwijs algemene vakken.

 

 

Zoetermeer, 30 mei 1985.
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
W.J. Deetman
.

 

 

 

 

    
 

x

   

home | WVO | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x