| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet opneming
buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka)
BESLUIT
OPNEMING BUITENLANDSE KINDEREN TER ADOPTIE
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 4 juli 1989, houdende vaststelling van het
Besluit opneming buitenlandse pleegkinderen en wijziging van het
Uitvoeringsbesluit Kinderbescherming
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 30 maart 1989,
Hoofdafdeling Privaatrecht nr. 156/189;
Gelet op de artikelen 4, onderdeel d, 5,
derde lid, 7, achtste lid, en 16, achtste lid, van de Wet houdende
regelen inzake de opneming in Nederland van buitenlandse pleegkinderen
met het oog op adoptie (Wet opneming buitenlandse pleegkinderen) (Stb.
1988, 566);
De Raad van State gehoord (advies van 27 juni
1989, nr. W03.89.0169);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Justitie van 29 juni 1989, Hoofdafdeling
Privaatrecht, nr. 309/189;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel I
Vastgesteld worden de volgende bepalingen, die kunnen worden
aangehaald als: Besluit opneming buitenlandse pleegkinderen.
Artikel 1
Onze Minister wijst, ter uitvoering van artikel 5, tweede lid, van de
Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie, een rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid aan, die krachtens zijn doelstelling tot
taak heeft algemene voorlichting te verstrekken aan
aspirant-adoptiefouders die een verzoek tot verlening van een
beginseltoestemming hebben ingediend.
Artikel 2
De aan te wijzen rechtspersoon moet aan de volgende eisen voldoen:
a. hij heeft zich verzekerd van de diensten van geschoolde
voorlichters die bekend zijn met de gang van zaken op het gebied van
interlandelijke adoptie;
b. hij is op geen enkele wijze betrokken bij de bemiddeling
inzake de opneming van buitenlandse kinderen ter adoptie en is ook
overigens in staat tot een onafhankelijke vervulling van zijn taak;
c. zijn organisatie is op zodanige wijze opgezet dat
redelijkerwijze te verwachten is dat zijn werkzaamheden kunnen
worden bekostigd uit de bijdragen van aspirant-adoptiefouders in de
kosten van de algemene voorlichting;
d. hij is bereid tot samenwerking met andere instanties die
werkzaam zijn op het gebied van interlandelijke adoptie;
e. hij is ook overigens in staat zijn taak naar behoren te
vervullen;
f. zijn werkzaamheden zijn niet gericht op winst.
Artikel 3
1.Onze Minister kan de op grond van artikel 1 gedane aanwijzing
intrekken indien de aangewezen rechtspersoon naar zijn oordeel niet
langer voldoet aan de in artikel 2 genoemde eisen.
2.De in het eerste lid bedoelde intrekking vindt plaats onder
gelijktijdige voorziening door Onze Minister in de in artikel 1
bedoelde taak.
Artikel 4
De in artikel 1 bedoelde rechtspersoon verricht zijn taak onder de
naam Stichting adoptievoorzieningen.
Artikel 5
Het bestuur is slechts na voorafgaande goedkeuring van Onze Minister
bevoegd de statuten te wijzigen of de Stichting adoptievoorzieningen te
ontbinden.
Artikel 6
1. Behoudens het bepaalde in artikel 8 wordt de verstrekking van
algemene voorlichting bekostigd uit de in artikel 4, onder e, van de
Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie bedoelde bijdragen van
aspirant-adoptiefouders. De algemene voorlichting wordt gegeven
gedurende zes bijeenkomsten, waarvan de eerste inleidend is.
2. Het bedrag van de in het eerste lid genoemde bijdrage wordt
vastgesteld op €210,– voor de inleidende bijeenkomst en€ 1.385,–
voor vijf daaropvolgende bijeenkomsten tezamen.
3. De Stichting adoptievoorzieningen int de in het eerste lid
bedoelde bijdragen.
4. Omtrent de geïnde bedragen wordt maandelijks aan Onze Minister
een opgave verstrekt.
Artikel 7
De Stichting adoptievoorzieningen zendt jaarlijks vóór 1 oktober
een begroting voor het daaropvolgende jaar ter goedkeuring aan Onze
Minister. De begroting is voorzien van een toelichting en gaat vergezeld
van een beschrijving van de wijze waarop de Stichting
adoptievoorzieningen zich voorneemt zijn werkzaamheden in het komende
boekjaar te verrichten. De begroting geeft inzicht in de aard en de
omvang van de baten en lasten van de Stichting adoptievoorzieningen. De
begroting kan vergezeld gaan van een aanvraag om subsidie ter
tegemoetkoming in de kosten van de Stichting adoptievoorzieningen.
Artikel 8
Onze Minister kan een subsidie verlenen ter tegemoetkoming in de
kosten van de Stichting adoptievoorzieningen, indien de voor het
begrotingsjaar voorziene baten aanmerkelijk achterblijven bij de lasten.
De beschikking wordt voor 1 januari van het jaar waarvoor de subsidie is
aangevraagd bekendgemaakt.
Artikel 9
Het bedrag van de subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, kan
in de loop van het begrotingsjaar naar boven worden aangepast, indien de
noodzaak daartoe is gebleken in verband met het aanmerkelijke
achterblijven van te ontvangen bijdragen van aspirant-adoptiefouders.
Een daartoe strekkende aanvraag dient uiterlijk op 1 oktober van het
lopende begrotingsjaar te zijn ingediend. De aanvraag gaat vergezeld van
een actueel overzicht van de financiële toestand van de Stichting
adoptievoorzieningen.
Artikel 10
1. De Stichting adoptievoorzieningen verstrekt Onze Minister alle
gevraagde inlichtingen omtrent de uitvoering van zijn taak.
2. De Stichting adoptievoorzieningen zendt jaarlijks binnen vier
maanden na afloop van het boekjaar aan Onze Minister een balans en een
exploitatierekening alsmede een verslag van zijn werkzaamheden over
het afgelopen boekjaar. Deze stukken gaan vergezeld van een verklaring
omtrent de getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Na ontvangst van de bescheiden als bedoeld in het tweede lid,
wordt, indien subsidie was verleend, de subsidie vastgesteld
overeenkomstig artikel 8, eerste lid, en met inachtneming van de
aanpassingen op grond van artikel 9. Subsidiebaten mogen tot een door
Onze Minister vast te stellen maximum worden gereserveerd door
opneming als risicofonds op de balans. De in het fonds opgenomen
subsidiebaten dienen te worden bestemd ter bekostiging van de
uitvoering van de in artikel 1 omschreven taak.
4. Indien blijkt dat de subsidie ten gevolge van het verstrekken
van onjuiste of onvolledige gegevens is vastgesteld op een bedrag dat
hoger is dan wanneer het zou zijn vastgesteld op grond van juiste en
volledige gegevens wordt de subsidie opnieuw vastgesteld.
Artikel 11
De aan aspirant-adoptiefouders te verstrekken algemene voorlichting
omvat in elk geval:
a. een schriftelijke documentatie betreffende de opneming en de
adoptie van een buitenlands kind;
b. ten minste drie voorlichtingsbijeenkomsten waarin de
schriftelijke documentatie wordt toegelicht en
aspirant-adoptiefouders nader op de opneming en de adoptie van een
buitenlands kind worden voorbereid.
Artikel 12
Het bestuur van een vergunninghouder is zodanig samengesteld dat
daarin voldoende deskundigheid met betrekking tot de financiële, de
juridische en de maatschappelijke aspecten van de werkzaamheden is
vertegenwoordigd.
Artikel 13
Een vergunninghouder stelt Onze Minister onverwijld in kennis van
elke wijziging van zijn statuten alsmede van de samenstelling van zijn
bestuur.
Artikel 14
Indien werkzaamheden door vrijwilligers worden verricht, geschiedt
zulks onder de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder.
Artikel 15
Een vergunninghouder beschikt over zodanige kantoorruimte dat de
vertrouwelijkheid van besprekingen in verband met de opneming van
buitenlandse pleegkinderen is gewaarborgd. Voorts beschikt hij over een
niet voor derden toegankelijke, tegen brand beschermde archiefruimte.
Artikel 16
De vergunninghouder legt de afspraken die tussen hem en de
aspirant-pleegouders zijn gemaakt, schriftelijk vast.
Artikel 17
1. Een vergunninghouder verleent het Bureau alle noodzakelijke
medewerking bij het verzamelen en bijhouden van de voor algemene
voorlichting vereiste documentatie.
2. Een vergunninghouder verstrekt andere vergunninghouders alle
inlichtingen die in verband met de verrichting van hun taak voor hen
van nut kunnen zijn.
Artikel 18 [Vervallen per 01-10-1998]
Artikel 19 [Vervallen per 01-10-1998]
Artikel II
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel III
Dit besluit, alsmede de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb.
1988, 566), treden in werking met ingang van 15 juli 1989.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
’s-Gravenhage, 4 juli 1989
BEATRIX
De Staatssecretaris van Justitie,
V.N.M. Korte-van Hemel
Uitgegeven de elfde juli 1989
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|