| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet opneming
buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka)
RICHTLIJNEN
OPNEMING BUITENLANDSE KINDEREN TER ADOPTIE
2000
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
De
Staatssecretaris van Justitie;
Gelet op de artikelen 3, 5 en 8 van de Wet
opneming buitenlandse kinderen ter adoptie;
Besluit:
Artikel 1
Verlening van toestemming tot opneming van meer dan een kind (artikel
3, tweede lid, van de wet)
1. Een beginseltoestemming betreft slechts de opneming van één
buitenlands kind ter adoptie; toestemming kan echter worden verleend
voor de opneming van:
a. broer(s) en/of zuster(s), dan wel
b. twee of meer kinderen, al dan niet uit één familie, tussen wie
een, in beginsel door middel van bescheiden aangetoonde, zodanige
relatie bestaat dat zij bezwaarlijk gescheiden kunnen worden.
2. In beide gevallen dient uit onderzoek, verricht door de raad
voor de kinderbescherming, de geschiktheid van de
aspirant-adoptiefouders voor de verzorging en opvoeding van meer dan een
buitenlands kind aannemelijk te zijn geworden.
Artikel 2
Verlening van een beginseltoestemming bij overschrijding van de
leeftijdsgrens van tweeënveertig jaren door een aspirant-adoptiefouder
(artikel 5, vijfde lid, onder b., juncto artikel 3, eerste lid, laatste
zin van de wet).
1. Indien een aspirant-adoptiefouder op het tijdstip van
indiening van het verzoek om verlening van een beginseltoestemming de
leeftijd van tweeënveertig jaren heeft bereikt, kan dit verzoek worden
ingewilligd indien bijzondere omstandigheden inwilliging wenselijk
maken.
Op bijzondere omstandigheden kan geen beroep worden gedaan in de
volgende gevallen:
a. bij een verzoek om verlening van een beginseltoestemming van
twee met elkaar gehuwde aspirant-adoptiefouders tezamen:
– indien beide aspirant-adoptiefouders op het tijdstip van de
indiening van het verzoek de leeftijd van vierenveertig jaren hebben
bereikt, of
– indien redelijkerwijs te verwachten is dat de oudste
aspirant-adoptiefouder op het tijdstip van de beslissing over de
verlening van een beginseltoestemming de leeftijd van zesenveertig
jaren zal hebben bereikt.
b. bij een verzoek om verlening van een beginseltoestemming van
één aspirant-adoptiefouder alleen, indien die aspirant-adoptiefouder
op het tijdstip van de indiening van het verzoek de leeftijd van
vierenveertig jaren heeft bereikt.
2. Als bijzondere omstandigheden worden in ieder geval
aangemerkt:
a. aannemelijk geworden geschiktheid van en afwezigheid van
risicofactoren bij de aspirant-adoptiefouders voor de verzorging en
opvoeding van een buitenlands kind van twee jaar of ouder;
b. gebleken bereidheid en aannemelijk geworden geschiktheid van en
afwezigheid van risicofactoren bij de aspirant-adoptiefouders voor de
verzorging en opvoeding van een gehandicapt buitenlands kind;
c. de aanwezigheid van een ter adoptie opgenomen buitenlands kind,
dat als enig kind in het gezin van de aspirant-adoptiefouders
verblijft, mits dit leidt tot een onderplaatsing;
d. de aanwezigheid van een broer of zus van het op te nemen
buitenlands kind in het gezin van de aspirant-adoptiefouders.
In de onder a. tot en met d. genoemde gevallen dient uit specifiek
daarop gericht onderzoek, verricht door de raad voor de
kinderbescherming, te blijken dat de aspirant-adoptiefouders geschikt
zijn tot de verzorging en opvoeding van een daar bedoeld buitenlands
kind en dat risicofactoren redelijkerwijs uitgesloten worden geacht.
In de onder c. en d. genoemde gevallen dient bovendien door
onderzoek, verricht door de raad voor de kinderbescherming, de daar
bedoelde bijzondere omstandigheid bevestigd te worden.
3. In ieder geval wordt niet als bijzondere omstandigheid
aangemerkt de enkele omstandigheid van of combinatie van:
a. kinderloosheid;
b. het niet eerder ingediend hebben van een verzoek in verband met
pogingen om langs natuurlijke weg een kind te krijgen;
c. uitstel van gezinsvorming uit overwegingen van
carrièreplanning;
d. behoefte aan hernieuwde gezinsvorming nadat kinderen inmiddels
het gezin hebben verlaten;
e. het - regelmatig - functioneren als vakantieadres voor kinderen;
f. het uitoefenen van een beroep of functie waaruit een bijzondere
geschiktheid tot het omgaan met kinderen zou blijken.
Artikel 3
Verlening van toestemming tot opneming van een buitenlands kind,
indien is te verwachten dat op het mogelijke tijdstip van opneming van
een buitenlands kind het leeftijdsverschil tussen een of beide
aspirant-adoptiefouders en het kind meer dan veertig jaren bedraagt
(artikel 5, zesde en zevende lid, van de wet)
1. In geval van opneming van een buitenlands kind in een gezin
van aspirant-adoptiefouders, waarin eigen kinderen, Nederlandse
pleegkinderen dan wel uit het buitenland geadopteerd kinderen
verblijven, kan, indien dat buitenlandse kind in verband met de
leeftijdsopbouw van het gezin jonger zal zijn dan de reeds in het gezin
verblijvende kinderen, een overschrijding van het leeftijdsverschil van
ten hoogste veertig jaren tussen een van de aspirant-adoptiefouders en
het buitenlandse kind worden toegestaan met ten hoogste twee jaren, met
dien verstande dat het verschil in leeftijd tussen dat kind en het
jongste kind in het gezin in beginsel niet meer dan twee jaren mag
bedragen.
2. Het leeftijdsverschil van ten hoogste veertig jaren tussen een
van de aspirant-adoptiefouders en het buitenlandse kind mag met meer dan
twee jaren worden overschreden bij opneming van een buitenlands kind, in
ieder geval indien:
a. er sprake is van een buitenlands kind in de leeftijd vanaf twee
jaar, dat kan worden opgenomen door aspirant-adoptiefouders van wie
een of beiden ouder zijn dan tweeënveertig jaar;
b. het betreft een jongere broer of zus van een reeds ter adoptie
opgenomen buitenlands kind;
c. het betreft de gezamenlijke opneming van twee of meer
buitenlandse kinderen uit een familie tussen wie onderling een groot
leeftijdsverschil bestaat en de overschrijding een of meer kinderen
betreft;
d. er sprake is van een moeilijk plaatsbaar buitenlands kind
vanwege een, in beginsel door middel van bescheiden aangetoonde
lichamelijke handicap, een manifeste gedragsstoornis, een meer dan
normale achterstand in lichamelijke en/of geestelijke ontwikkeling, of
een directe noodzaak tot medische behandeling, die niet of bezwaarlijk
in het land van herkomst kan plaats vinden.
3. In alle gevallen dient uit specifiek daarop gericht onderzoek
door de raad voor de kinderbescherming te blijken dat de
aspirant-adoptiefouders geschikt zijn tot de verzorging en opvoeding van
een buitenlands kind als bedoeld in het tweede lid, a. tot en met d. en
dat risicofactoren redelijkerwijs uitgesloten worden geacht.
Artikel 4
Verlening van toestemming tot opneming van een buitenlands kind dat
op het tijdstip van binnenkomst in Nederland zes jaar of ouder zal zijn
(artikel 8, onder a, van de wet)
1. De opneming van een buitenlands kind dat op het tijdstip van
binnenkomst in Nederland de leeftijd van zes jaar of ouder zal hebben
bereikt, kan worden toegestaan, indien:
a. het de opneming betreft van een oudere broer of zus van een
reeds ter adoptie opgenomen buitenlands kind;
b. het de opneming betreft van twee of meer buitenlandse kinderen
als bedoeld in artikel 1, onder b.
2. In alle gevallen, genoemd in het eerste lid, dient uit
onderzoek verricht door de raad voor de kinderbescherming de
geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders voor de verzorging en
opvoeding van een kind of kinderen als daar bedoeld aannemelijk te zijn
geworden.
Voorts dient in de gevallen, genoemd in het eerste lid onder a., uit
dat onderzoek te zijn gebleken dat de opneming van het buitenlandse kind
niet in strijd is met het belang van het reeds in het gezin verblijvende
buitenlandse kind.
Artikel 5
Deze regeling kan worden aangehaald als: Richtlijnen opneming
buitenlandse kinderen ter adoptie 2000.
Artikel 6
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag van plaatsing
van de regeling met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant.
Met ingang van datzelfde tijdstip vervallen de Richtlijnen opneming
buitenlandse kinderen ter adoptie 1998 II.
's-Gravenhage, 10 november 2000.
De Staatssecretaris van Justitie,
M.J. Cohen.
|
|
|