BESLUIT van 21 september 1936, houdende uitvoering van
artikel 3 der Wet van 27 maart 1936, Stb. 1936, 201, tot
overbrenging van de consignatiekas voor het bewaren van effecten aan
toonder naar de Nederlandsche Bank
WIJ WILHELMINA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Financiën van den 1
Augustus 1936, 1ste Afdeeling C, n°. 866, en van den 6 Augustus 1936,
n°. 148, afdeeling Indirecte Belastingen;
Gelet op artikel 3 van de wet van 27 Maart
1936, Staatsblad n°. 201;
Den Raad van State gehoord (advies van 25
Augustus 1936, n°. 28);
Gezien de nadere rapporten van Onze Ministers
voornoemd van den 7 September 1936, 1ste Afdeeling C, n°. 859, en van
den 11 September 1936, n°. 82, afdeeling Indirecte Belastingen;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
De bemoeiingen van de Nederlandsche Bank met de krachtens de wet van
27 Maart 1936, Staatsblad n°. 201, in bewaring gegeven effecten
omvatten:
a. het verzilveren der coupons en dividendbewijzen of het
incasseeren op andere wijze van vervallen of betaalbaar gestelde
opbrengsten en het verantwoorden daarvan, met inachtneming van het
bepaalde in artikel 4 der bovengenoemde wet, aan den bewaargever of
zijn vertegenwoordiger op een der wijzen, krachtens de Voorwaarden
van bewaarneming van de Nederlandsche Bank toegelaten;
b. het inleveren van talons of stukken ter verkrijging van nieuwe
coupon- of dividendbladen of nieuwe rentegevende stukken;
c. het bezorgen van noodzakelijke verwisselingen, in het
bijzonder die van voorloopige stukken in definitieve stukken;
d. het nazien van uitlotingen en het kennisgeven van
losbaarstellingen of gelegenheden tot verwisseling aan den
bewaargever of zijn vertegenwoordiger;
e. het nazien van de aankondigingen betreffende conversies,
reorganisaties, kapitaalsuitbreidingen of -reduceeringen,
gelegenheden tot inlevering bij beschermingscomité's, oproepingen
tot bijstorting of terugbetaling van kapitaal, en andere dergelijke
financieele gebeurtenissen, een en ander voor zoover het fondsen
betreft die aan de Amsterdamsche Beurs verhandeld worden, alsmede
het kennisgeven daarvan aan den bewaargever of zijn
vertegenwoordiger;
f. het verrichten van de handelingen, die uit de onder d
en e genoemde gebeurtenissen voortvloeien, voor zooveel
noodig na overleg met den bewaargever of zijn vertegenwoordiger, of
krachtens de beslissing van den Kantonrechter in artikel 7, laatste
lid, der bovengenoemde wet bedoeld;
g. het verleenen van haar bemiddeling bij het doen uitvoeren van
effectenorders in de gevallen in bovengenoemde wet bedoeld;
h. het eventueel te gelde maken van een voorkeursrecht,
voortspruitende uit het bezit van een der krachtens bovengenoemde
wet in bewaring gegeven stukken.
Artikel 2
[1.] De Nederlandsche Bank brengt voor de in artikel 1 bedoelde
werkzaamheden een loon in rekening van € 0,68 per € 453,78
werkelijke waarde per jaar, met een minimum van € 1,82 per jaar per
bewaargeving. De werkelijke waarde der fondsen wordt berekend naar de
grondslagen daarvoor in de Voorwaarden van bewaarneming van de
Nederlandsche Bank aangegeven. Het loon wordt zooveel mogelijk
verrekend met de opbrengst van de in bewaring gegeven effecten.
[2.] Onkosten, welke aan de Nederlandsche Bank bij het verrichten
der in artikel 1 bedoelde werkzaamheden in rekening worden gebracht,
komen ten laste van de bewaargevers.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking gelijktijdig met de wet van 27 Maart
1936, Staatsblad n°. 201.
Onze Ministers van Justitie en van
Financiën zijn, ieder voor zooveel hem aangaat, belast met de
uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden
geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van
State.
Het Loo, den 21sten September 1936
WILHELMINA
De Minister van Justitie,
Van Schaik
De Minister van Financiën,
Oud
Uitgegeven den negen en twintigsten September
1936
De Minister van Justitie,
Van Schaik