| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op het financieel
toezicht (Wft)
BESLUIT
BEKOSTIGING FINANCIEEL TOEZICHT
Tekst zoals deze geldt op
4 juli 2008
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 12 oktober 2006, houdende regels inzake
bekostiging van het toezicht ingevolge de Wet op het financieel toezicht
(Besluit bekostiging financieel toezicht)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Financiėn van 20 april 2006, nr. FM
2006-00962M;
Gelet op artikel 1:40, vijfde lid, van de Wet
op het financieel toezicht;
De Raad van State gehoord (advies van 18 mei
2006, nr. W06.06.137/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Financiėn van 6 oktober 2006, nr. FM 2006-1514U;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder wet: Wet op het financieel
toezicht.
Hoofdstuk 2. Bijdragen kosten eenmalige toezichthandelingen
Artikel 2
1. De toezichthouder brengt eenmalig een bedrag in rekening aan
een aanvrager of een verzoeker ter vergoeding van kosten van de
behandeling van een aanvraag of verzoek om verlening of wijziging van:
a. een vergunning als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, 2:6,
eerste lid, 2:11, eerste lid, 2:16, eerste lid, 2:20, eerste lid,
2:27, eerste lid, 2:36, eerste lid, 2:40, eerste lid, 2:48, eerste
lid, 2:50, eerste lid, 2:55, eerste lid, 2:60, eerste lid, 2:65,
eerste en tweede lid, 2:75, eerste lid, 2:80, eerste lid, 2:86, eerste
lid, 2:92, eerste lid, 2:96 of 3:4, eerste lid, 5:26, eerste lid, van
de wet;
b. een ontheffing als bedoeld in artikel 2:23, tweede lid, 2:55,
tweede lid, 2:60, tweede lid, 2:75, tweede lid, 2:80, tweede of derde
lid, 2:86, tweede lid, 2:92, tweede lid, 3:2, derde lid, 3:5, vierde
lid, 3:6, vierde lid, 3:7, vierde lid, 5:26, derde lid, en 5:71, zesde
en zevende lid, van de wet;
c. een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95,
3:96, of 5:32, eerste lid, van de wet of een mededeling als bedoeld in
artikel 3:108, vierde lid, van de wet;
d. een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel
3:110, eerste lid, van de wet;
e. een goedkeuring als bedoeld in artikel 5:2 van de wet;
f. een goedkeuring als bedoeld in artikel 5:23, eerste lid, van de
wet;
g. [vervallen;]
h. een goedkeuring van een biedingsbericht als bedoeld in artikel
5:77, eerste lid.
2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met
een bedrag ter vergoeding van kosten van een toetsing van de
deskundigheid of betrouwbaarheid van een beleidsbepaler,
medebeleidsbepaler, houder van een gekwalificeerde deelneming, of
persoon als bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, tweede volzin, van de
wet, voor zover deze kosten niet reeds op basis van het eerste lid in
rekening worden gebracht.
3. De toezichthouder brengt eenmalig een bedrag in rekening aan
een aanvrager of een verzoeker ter vergoeding van kosten van een
toetsing van de deskundigheid of betrouwbaarheid van een beleidsbepaler,
medebeleidsbepaler, houder van een gekwalificeerde deelneming, of
persoon als bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, tweede volzin, van de
wet, welke toetsing wordt verricht naar aanleiding van een melding van
een ingevolge artikel 3:29 of 4:26 van de wet voorgeschreven
kennisgeving, onderscheidenlijk melding.
Artikel 3
1. De toezichthouder brengt eenmalig een bedrag in rekening aan
een aanvrager of een verzoeker ter vergoeding van kosten van een
inschrijving in het register als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid,
onderdeel a, onder 2°, 3°, 6°, 8°, 9°, of onderdeel b, van de
wet.
2. De Autoriteit Financiėle Markten brengt eenmalig een bedrag
in rekening aan een bieder:
a. nadat de bieder omtrent de aanvraag tot goedkeuring van het
biedingsbericht een openbare mededeling als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, onderdeel a of b, of tweede lid, van het Besluit openbare
biedingen heeft gedaan.
b. nadat de bieder omtrent de gestanddoening van het openbaar bod
een openbare mededeling als bedoeld in artikel 16 van het Besluit
openbare biedingen heeft gedaan;
c. voor het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel
5:81, derde lid.
3. Autoriteit Financiėle Markten brengt eenmalig een bedrag in
rekening aan een aanvrager of verzoeker ter vergoeding van de kosten van
de behandeling van een aanvraag of verzoek om verlening, uitbreiding,
wijziging of aanmelding van een verbonden bemiddelaar als bedoeld in
artikel 2:81, tweede lid, onderdeel b, van de wet.
Artikel 4
De toezichthouder kan aan de betrokken financiėle onderneming een
bedrag in rekening brengen ter vergoeding van de kosten die hij maakt
voor de toepassing van artikel 1:76, eerste lid, van de wet.
Hoofdstuk 3. Bijdragen kosten doorlopend toezicht
Artikel 5
De toezichthouder brengt jaarlijks een bedrag in rekening aan
financiėle ondernemingen, uitgevende instellingen en pensioenfondsen
terzake van kosten als bedoeld in artikel 1:40 van de wet, voor zover de
desbetreffende kosten niet reeds op grond van de artikelen 2 tot en met
4 in rekening worden gebracht.
Artikel 6
1. De kosten, bedoeld in artikel 5, worden op basis van de
begroting waarmee is ingestemd door Onze Minister, geraamd voor het
jaar waarop het in rekening te brengen bedrag betrekking heeft.
2. De geraamde kosten worden toegerekend aan categorieėn van
financiėle ondernemingen, uitgevende instellingen en pensioenfondsen
naar de mate van hun beslag op de werkzaamheden, bedoeld in artikel 1:40
van de wet.
3. De per categorie toegerekende geraamde kosten worden
verminderd of vermeerderd met het aan de desbetreffende categorie toe te
rekenen exploitatiesaldo bedoeld in artikel 1:40, derde lid, van de wet,
en verminderd met de aan de desbetreffende categorie toe te rekenen
opbrengsten uit bestuurlijke boetes en verbeurde dwangsommen bedoeld in
artikel 1:40, vierde lid, van de wet die niet reeds zijn opgenomen in
het exploitatiesaldo.
Artikel 7
1. De in artikel 6, tweede lid, bedoelde categorieėn van
financiėle ondernemingen zijn, voor zover het door de Nederlandsche
Bank in rekening te brengen kosten betreft:
a. clearinginstellingen;
b. kredietinstellingen, verdeeld in:
1°. kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als
bedoeld in artikel 2:11 van de wet, die het bedrijf van bank
uitoefenen en ondernemingen waaraan een vergunning is verleend als
bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de wet en die het in de
onderdelen a of b van dat lid bedoelde bedrijf uitoefenen;
2°. kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als
bedoeld in artikel 2:11 van de wet, die het bedrijf van
elektronischgeldinstelling uitoefenen;
3°. kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als
bedoeld in artikel 2:16 van de wet, die het bedrijf van bank
uitoefenen;
4°. kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als
bedoeld in artikel 2:16 van de wet, die het bedrijf van
elektronischgeldinstelling uitoefenen;
5°. kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als
bedoeld in artikel 2:20 van de wet, die het bedrijf van bank
uitoefenen;
6°. kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als
bedoeld in artikel 2:20 van de wet, die het bedrijf van
elektronischgeldinstelling uitoefenen;
c. financiėle instellingen, verdeeld in:
1°. financiėle instellingen die beschikken over een verklaring
van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110, eerste lid,
van de wet;
2°. financiėle instellingen die ingevolge artikel 2:25 van de
wet in Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen;
3°. financiėle instellingen die ingevolge artikel 2:26 van de
wet in Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen;
d. zorgverzekeraars, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de
Zorgverzekeringswet waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in
artikel 2:27, eerste lid, van de wet;
e. verzekeraars, niet zijnde zorgverzekeraars als bedoeld in
onderdeel d;
f. beheerders, verdeeld in:
1°. beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 2:65, eerste lid,
onderdeel a, van de wet, niet zijnde beheerders als bedoeld onder
2ŗ;
2°. beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 2:65, tweede lid, van de
wet;
3°. beheerders waaraan een ontheffing is verleend;
4°. beheerders als bedoeld in artikel 2:71 van de wet, die met
inachtneming van dat artikel zijn overgegaan tot verhandeling van
rechten van deelneming;
5°. beheerders als bedoeld in artikel 2:72 van de wet, die met
inachtneming van dat artikel zijn overgegaan tot verhandeling van
rechten van deelneming;
6°. beheerders als bedoeld in artikel 2:73 van de wet, die met
inachtneming van dat artikel zijn overgegaan tot verhandeling van
rechten van deelneming;
g. beleggingsmaatschappijen zonder aparte beheerder;
h. beleggingsondernemingen verdeeld in:
1°. beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die
uitsluitend in de uitoefening van beroep of bedrijf handelen voor
eigen rekening;
2°. beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die in de
uitoefening van een beroep of bedrijf een multilaterale
handelsfaciliteit exploiteren;
3°. beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die
beleggingsdiensten verlenen;
4°. niet in Nederland gevestigde beleggingsondernemingen die in
Nederland beleggingsactiviteiten verrichten;
5°. niet in Nederland gevestigde beleggingsondernemingen die
niet of niet uitsluitend voor eigen rekening in Nederland
beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten;
6°. beleggingsondernemingen die in de uitoefening van beroep of
bedrijf uitsluitend adviseren over financiėle instrumenten.
2. Bij ministeriėle regeling kunnen nadere categorieėn worden
vastgesteld.
Artikel 8
1. De in artikel 6, tweede lid, bedoelde categorieėn van
financiėle ondernemingen, uitgevende instellingen en pensioenfondsen
zijn, voor zover het door de Autoriteit Financiėle Markten in
rekening te brengen kosten betreft:
a. clearinginstellingen en kredietinstellingen die het bedrijf van
clearinginstelling uitoefenen;
b. kredietinstellingen, verdeeld in:
1°. kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als
bedoeld in artikel 2:11 van de wet, die het bedrijf van bank
uitoefenen;
2°. kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als
bedoeld in artikel 2:16 van de wet, die het bedrijf van bank
uitoefenen;
3°. kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als
bedoeld in artikel 2:20 van de wet, die het bedrijf van bank
uitoefenen;
c. financiėle instellingen, verdeeld in:
1°. financiėle instellingen die beschikken over een verklaring
van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110, eerste lid,
van de wet;
2°. financiėle instellingen die ingevolge artikel 2:25 van de
wet in Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen;
3°. financiėle instellingen die ingevolge artikel 2:26 van de
wet in Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen;
d. verzekeraars, verdeeld in:
1°. schadeverzekeraars of natura-uitvaartverzekeraars waaraan
een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid,
of artikel 2:47 onderscheidenlijk 2:48, eerste lid, van de wet;
2°. andere schadeverzekeraars of natura-uitvaartverzekeraars dan
bedoeld onder 1°;
3°. levensverzekeraars waaraan een vergunning is verleend als
bedoeld in de artikelen 2:27, eerste lid, of 2:47 van de wet;
4°. andere levensverzekeraars dan bedoeld onder 3°;
e. beheerders die rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling aanbieden en beleggingsmaatschappijen zonder
aparte beheerder, verdeeld in:
1°. beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een
beleggingsinstelling en beleggingsmaatschappijen zonder aparte
beheerder als bedoeld in artikel 2:65 van de wet;
2°. beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een
beleggingsinstelling en beleggingsmaatschappijen zonder aparte
beheerder als bedoeld in de artikelen 2:71 en 2:72 van de wet, die
zijn overgegaan tot het aanbieden van rechten van deelneming;
f. [vervallen;]
g. beleggingsondernemingen verdeeld in:
1°. beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend
als bedoeld in artikel 2:99 van de wet, die in de uitoefening van
beroep of bedrijf in Nederland uitsluitend adviseren over
financiėle instrumenten;
2°. beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend
als bedoeld in artikel 2:99 van de wet, die in de uitoefening van
beroep of bedrijf in Nederland niet of niet uitsluitend voor eigen
rekening in Nederland beleggingsactiviteiten verrichten of
beleggingsdiensten verlenen;
3°. beleggingsondernemingen met zetel in Nederland waaraan een
vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:99 van de wet, die
uitsluitend in de uitoefening van beroep of bedrijf voor eigen
rekening in Nederland beleggingsactiviteiten verrichten;
4°. beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend
als bedoeld in artikel 2:99 van de wet, die in Nederland een
multilaterale handelsfaciliteit exploiteren of beheren;
5°. beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend
als bedoeld in artikel 2:99 van de wet, die in de uitoefening van
beroep of bedrijf in Nederland financiėle instrumenten overnemen of
plaatsen bij aanbieding ervan, als bedoeld in hoofdstuk 5.1 van de
wet, met plaatsingsgarantie;
6°. beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend
als bedoeld in artikel 2:99 van de wet, die in de uitoefening van
beroep of bedrijf in Nederland financiėle instrumenten plaatsen bij
aanbieding ervan, als bedoeld in hoofdstuk 5.1 van de wet, zonder
plaatsingsgarantie;
7°. beleggingsondernemingen die in een andere lidstaat een
vergunning hebben gekregen voor het verlenen van beleggingsdiensten
onderscheidenlijk het verrichten van beleggingsactiviteiten, die in
Nederland actief zijn;
8°. houders van een met een multilaterale handelsfaciliteit
vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is, die in
Nederland actief zijn;
9° beleggingsondernemingen die in Nederland een multilaterale
handelsfaciliteit exploiteren waarvoor in een andere lidstaat een
vergunning is verleend;
10°. financiėle ondernemingen die ingevolge artikel 2:97,
eerste lid, onderdeel b of c, of 2:98, eerste lid, onderdeel a of b,
van de wet beleggingsdiensten mogen verlenen of
beleggingsactiviteiten mogen verrichten;
h. marktexploitanten, verdeeld in:
1°. marktexploitanten waaraan een vergunning is verleend als
bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de wet, die in Nederland
actief zijn;
2°. marktexploitanten waaraan een ontheffing is verleend als
bedoeld in artikel 5:26, derde lid, van de wet, die in Nederland
actief zijn;
3°. houders van een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar
systeem uit een staat die geen lidstaat is, die in Nederland actief
zijn;
i. uitgevende instellingen, verdeeld in:
1°. uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 5:33, eerste
lid, onderdeel a, van de wet;
2°. uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 5:59 van de
wet;
3°. uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 5:60, eerste
lid, onderdeel a, van de wet;
j. pensioenfondsen;
k. natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel
1:15 van de wet;
l. aanbieders van een financieel product, verdeeld in:
1°. aanbieders van krediet waaraan een vergunning is verleend
als bedoeld in artikel 2:60 van de wet;
2°. aanbieders van beleggingsobjecten;
m.
1°. adviseurs en bemiddelaars in een financieel product,
daaronder begrepen herverzekeringsbemiddelaars, ondergevolmachtigde
agenten en gevolmachtigde agenten;
2°. adviseurs en bemiddelaars in een recht van deelneming in een
beleggingsinstelling, niet zijnde een effect.
2. Bij ministeriele regeling kunnen nadere categorieėn worden
vastgesteld.
Hoofdstuk 4. Vaststelling bedragen en tarieven
Artikel 9
Bij ministeriėle regeling wordt jaarlijks voor 15 januari de hoogte
van de eenmalig in rekening te brengen bedragen, bedoeld in de artikelen
2 en 3, vastgesteld.
Artikel 10
1. De hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 4, wordt per
geval vastgesteld door de toezichthouder.
2. Het bedrag wordt op zodanige wijze gespecificeerd dat daaruit
blijkt dat het overeenkomt met de door de toezichthouder voor de
toepassing van artikel 1:76, eerste lid, van de wet, werkelijk gemaakte
kosten.
Artikel 11
1. Ter bepaling van de hoogte van het bedrag, bedoeld in
artikel 5, wordt bij ministeriėle regeling jaarlijks voor 15 juli op
voorstel van de toezichthouder per categorie een tarief vastgesteld.
Onze Minister kan daarbij maatstaven hanteren en bandbreedtes bepalen
en per bandbreedte een tarief vaststellen.
2. De toezichthouder baseert zijn voorstel voor het in het eerste
lid bedoelde tarief op de kosten die aan de desbetreffende categorie
zijn toegerekend op de wijze, bedoeld in artikel 6, en, in voorkomend
geval, op de maatstafgegevens die betrekking hebben op het voorafgaande
jaar, dan wel, indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, het daaraan
voorafgaande jaar of het lopende jaar.
3. Voor de categorieėn van financiėle ondernemingen waarvoor de
hoogte van het tarief, bedoeld in het eerste lid, wordt gerelateerd aan
maatstafgegevens, bestaat de hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel
5, uit een jaarlijks voor 15 juli bij ministeriėle regeling, op
voorstel van de toezichthouder, per categorie vast te stellen
minimumbedrag ter dekking van de minimale toezichtkosten per financiėle
onderneming in de desbetreffende categorie, vermeerderd met een bedrag
dat:
a. wordt gebaseerd op de kosten die per categorie zijn toegerekend
op de wijze, bedoeld in artikel 6, onder aftrek van het totaal van de
aan de desbetreffende categorie in rekening te brengen
minimumbedragen, en
b. is doorberekend naar rato van de maatstafgegevens die betrekking
hebben op het voorafgaande jaar dan wel, indien deze gegevens niet
beschikbaar zijn, het daaraan voorafgaande jaar of het lopende jaar.
Artikel 12
1. Ten aanzien van financiėle ondernemingen die participeren
in een stelsel van zelftoezicht, worden de bedragen, bedoeld in de
artikelen 9 en 11, derde lid, en de tarieven, bedoeld in artikel 11,
eerste lid, op voorstel van de toezichthouder verlaagd vastgesteld,
voor zover deze bedragen of tarieven betrekking hebben op de
toerekening van kosten van werkzaamheden die de toezichthouder
verricht in verband met de uitvoering van zijn taak op grond de
artikelen 2:75, 2:80, 2:86 en 2:92 van de wet.
2. Als een stelsel van zelftoezicht als bedoeld in het eerste lid
wordt aangemerkt een organisatorisch verband van marktpartijen dat zich
ten doel stelt een doeltreffende bijdrage te leveren aan de uitvoering
door de toezichthouder van het toezicht op de naleving van de wet en
waarmee de toezichthouder een convenant heeft gesloten dat waarborgen
biedt voor een adequaat zelftoezicht.
3. Aan financiėle ondernemingen als bedoeld in het eerste lid
kan bij ministeriėle regeling een korting worden verleend voor het
elektronisch indienen van een aanvraag.
Artikel 13
1. Het bedrag, bepaald op basis van artikel 11, wordt voor een
financiėle onderneming die niet eerder dan 1 februari van het lopende
jaar onder een categorie valt, in rekening gebracht naar evenredigheid
van het aantal maanden in het jaar dat de financiėle onderneming
onder de categorie valt, waarbij een gedeelte van een maand geldt als
volledige maand.
2. Aan een financiėle onderneming die niet langer onder een
categorie valt, wordt het bedrag terugbetaald naar evenredigheid van het
aantal maanden van het jaar dat de financiėle onderneming niet langer
onder de categorie valt, waarbij een gedeelte van een maand geldt als
volledige maand.
Hoofdstuk 5. Verstrekking gegevens en betaling
Artikel 14
1. Een financiėle onderneming waaraan het bedrag, bedoeld in
artikel 5, in rekening wordt gebracht op grond van een maatstaf als
bedoeld in artikel 11, verstrekt binnen een door de toezichthouder te
stellen redelijke termijn een opgave van haar maatstafgegevens.
2. Indien een financiėle onderneming niet binnen de in het
eerste lid bedoelde termijn een opgave heeft gedaan of een kennelijk
onjuiste of onvolledige opgave heeft gedaan, kan de toezichthouder een
schatting doen van de maatstafgegevens.
Artikel 15
1. De toezichthouder bepaalt de wijze en het tijdstip van
betaling van de bedragen, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4 en 5.
2. Indien als wijze van betaling automatische incasso is
overeengekomen, kan de toezichthouder bij het in rekening brengen van
het bedrag per factuur een korting toepassen.
Artikel 16
Indien een financiėle onderneming het vermogen heeft verkregen van
een financiėle onderneming die in het lopende jaar of in het
voorafgaande jaar heeft opgehouden onder een categorie als bedoeld in
artikel 6, tweede lid, te vallen, wordt het bedrag ter vergoeding van de
kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, die door de toezichthouder ten
aanzien van laatstbedoelde financiėle onderneming zijn gemaakt, in
rekening gebracht bij de verkrijgende financiėle onderneming, voor
zover deze kosten niet reeds bij de laatstbedoelde financiėle
onderneming in rekening zijn gebracht.
Artikel 17
De toezichthouder kan artikel 2 buiten toepassing laten of daarvan
afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van een reėle en
rechtvaardige kostendoorberekening, zal leiden tot een onbillijkheid van
overwegende aard.
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 18
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 19
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bekostiging financieel
toezicht.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 12 oktober 2006
BEATRIX
De Minister van Financiėn,
G. Zalm
Uitgegeven de eenendertigste oktober 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|