| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op het financieel
toezicht (Wft)
BESLUIT
BIJZONDERE PRUDENTIËLE MAATREGELEN,
BELEGGERSCOMPENSATIE EN DEPOSITOGARANTIE WFT
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 12 oktober 2006, houdende regels met
betrekking tot verscheidene bijzondere prudentiële maatregelen, het
beleggerscompensatie- en het depositogarantiestelsel op grond van de Wet
op het financieel toezicht (Besluit bijzondere prudentiële
maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Financiën van 27 juni 2006, nr.
FM 2006-01568;
Gelet op de Richtlijn nr. 94/19/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994
inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L135), de Richtlijn nr.
97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEG
L84) en de artikelen 3:116, 3:132, tweede lid, 3:136, derde lid, 3:156,
tiende lid, 3:259, derde en vierde lid, en 3:266, vijfde lid, van de Wet
op het financieel toezicht;
De Raad van State gehoord, advies van
17 augustus 2006, nr. W06.06.0258/IV;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Financiën van 9 oktober 2006 nr. FM 2006-01983;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. groep banken of groep financiële ondernemingen: twee of meer
banken onderscheidenlijk financiële ondernemingen die met elkaar
zijn verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur;
b. wet: Wet op het financieel toezicht.
Hoofdstuk 2. Portefeuilleoverdracht, fusies en splitsingen
Bepaling ter uitvoering van artikel 3:116 van de wet
Artikel 2
Een aanvraag ter verkrijging van instemming met een overdracht als
bedoeld in artikel 3:112, eerste lid, 3:113, eerste lid, 3:114, eerste
lid, 3:114a, eerste lid of 3:115, eerste lid, van de wet geschiedt,
onverminderd artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
onder opgave van een ontwerpovereenkomst met de volgende ter toelichting
dienende stukken:
a. een omschrijving van de rechten en verplichtingen, bedoeld in
artikel 3:112, eerste lid 1, 3:113, eerste lid, 3:114, eerste lid,
3:114a, eerste lid of 3:115, eerste lid, van de wet, die door de
verzekeraar worden overgedragen;
b. ontwerpteksten van de mededelingen die de overdragende
verzekeraar zal doen op grond van artikel 3:119, eerste lid, van de
wet;
c. een opgave van de verkrijgingsprijs van de rechten en
verplichtingen, bedoeld in onderdeel a, door de verkrijgende
verzekeraar;
d. een opgave van de veranderingen in de aanwezige
solvabiliteitsmarge als gevolg van de overdracht;
e. een opgave van de omvang van de aan te houden technische
voorzieningen in verband met de rechten en verplichtingen, bedoeld
in onderdeel a;
f. een opgave van de aard en omvang van de over te dragen
beleggingen ter dekking van de technische voorzieningen; en
g. ingeval van winstdeling, een beschrijving van de
winstdefinitie.
Hoofdstuk 3. Herstelplan
Bepaling ter uitvoering van artikel 3:132, tweede lid, van de wet
Artikel 3
1. Een herstelplan als bedoeld in artikel 3:132 van de wet vermeldt
op welke wijze en binnen welke termijn een einde wordt gemaakt aan de
omstandigheden die aanleiding gaven tot het verlangen van het
herstelplan.
2. Het herstelplan bevat voor de volgende drie boekjaren ten minste
gegevens betreffende:
a. een raming van de kosten van beheer, met name van de
algemene lopende kosten en de provisies;
b. een gedetailleerde prognose van de vermoedelijke ontvangsten
en uitgaven betreffende directe verzekeringen, de geaccepteerde
herverzekeringen en overdrachten uit hoofde van herverzekering;
c. de te verwachten balanspositie;
d. een raming van de financiële middelen ter dekking van de
verplichtingen en van de vereiste solvabiliteitsmarge; en
e. het algemene herverzekeringsbeleid.
3. De Nederlandsche Bank kan aanvullende gegevens verlangen, indien
dit nodig is voor een goede beoordeling van het herstelplan.
Hoofdstuk 4. Saneringsplan en financieringsplan
Bepaling ter uitvoering van artikel 3:136, derde lid, van de wet
Artikel 4
1. Een saneringsplan als bedoeld in artikel 3:136, eerste lid, van
de wet vermeldt op welke wijze en binnen welke termijn de
solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang zal worden gebracht.
Indien ingevolge artikel 3:132, eerste lid, van de wet een herstelplan
is vastgesteld waaraan instemming is verleend, vermeldt het
saneringsplan tevens hoe het herstelplan daarin wordt verwerkt.
2. Een financieringsplan als bedoeld in artikel 3:136, tweede lid,
van de wet vermeldt op welke wijze en binnen welke termijn de
solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang zal worden gebracht.
Indien ingevolge artikel 3:136, eerste lid, van de wet een
saneringsplan is vastgesteld waaraan instemming is verleend, vermeldt
het financieringsplan tevens hoe het saneringsplan daarin wordt
verwerkt.
Hoofdstuk 5. Opvanginstrument levensverzekeraars
Bepalingen ter uitvoering van artikel 3:156, tiende lid, van de wet
Artikel 5
1. Indien overeenkomstig paragraaf 3.5.4.1 van de wet
portefeuilleoverdracht aan een opvanginstelling heeft plaatsgevonden,
doet de opvanginstelling daarvan onverwijld mededeling in de
Staatscourant. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat de
opvanginstelling van de portefeuilleoverdracht tevens mededeling doet
op een andere, door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze. De inhoud
van deze mededelingen behoeft de voorafgaande instemming van de
Nederlandsche Bank.
2. De portefeuilleoverdracht wordt ten aanzien van alle andere
belanghebbenden dan de betrokken levensverzekeraars van kracht met
ingang van de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van de
Staatscourant waarin de overdracht is meegedeeld.
3. De Nederlandsche Bank geeft van de portefeuilleoverdracht
kennis:
a. indien het een levensverzekeraar met zetel in Nederland
betreft: aan de toezichthoudende instanties in de andere lidstaten
waar de levensverzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij
diensten verricht vanuit zijn vestigingen in een lidstaat;
b. indien het een levensverzekeraar betreft met zetel in een
staat die geen lidstaat is: aan de toezichthoudende instanties van
de andere lidstaten waarheen hij diensten verricht vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor.
4. Voordat de portefeuilleoverdracht plaatsvindt en na hiertoe
machtiging te hebben verkregen als bedoeld in artikel 3:154 van de
wet, stelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instanties,
bedoeld in het derde lid, in kennis van de voorgenomen
portefeuilleoverdracht, tenzij het met de opvang te bereiken doel
daardoor in gevaar komt.
Artikel 6
1. Een levensverzekeraar aan wie een aanslag wordt opgelegd
ingevolge artikel 3:156, zesde lid, van de wet, voldoet de aanslag aan
de opvanginstelling binnen een door de Nederlandsche Bank te bepalen
termijn.
2. De Nederlandsche Bank kan bepalen dat een levensverzekeraar het
bedrag van de aanslag geheel of gedeeltelijk aan een ander voldoet, om
deze in staat te stellen zijn aandelen in de opvanginstelling aan deze
verzekeraar over te dragen.
Artikel 7
1. De Nederlandsche Bank stelt, gehoord de vertrouwenscommissie,
een vergoedingsplan voor de opvang vast.
2. Onverminderd de bevoegdheden die in Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek worden toegekend aan de organen van de opvanginstelling, vindt
de uitkering van dividend en de teruggave van kapitaal aan de
aandeelhouders van de opvanginstelling, alsmede de rentevergoeding
voor en de terugbetaling van de aan de opvanginstelling verstrekte
achtergestelde lening plaats volgens het vergoedingsplan.
3. De Nederlandsche Bank kan, indien dringende omstandigheden dit
vergen en gehoord de vertrouwenscommissie, het vergoedingsplan
wijzigen.
Hoofdstuk 6. Beleggerscompensatiestelsel en depositogarantiestelsel
Bepalingen ter uitvoering van artikel 3:259, derde en vierde lid, en
3:266, vijfde lid, van de wet
§ 6.1. Beleggerscompensatiestelsel
Artikel 8
1. Het beleggerscompensatiestelsel is van toepassing op:
a. financiële ondernemingen die een vergunning als bedoeld in
artikel 2:11 van de wet hebben voor het uitoefenen van het bedrijf
van bank en waaraan het is toegestaan beleggingsdiensten te
verlenen op grond van artikel 2:97, eerste lid, onderdeel c, van
de wet;
b. financiële ondernemingen die een vergunning hebben als
bedoeld in artikel 2:65, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de
wet, voor zover het betreft het beheren van individuele vermogens,
of als bedoeld in artikel 2:96 van de wet voor zover het betreft
het verlenen van beleggingsdiensten;
c. financiële ondernemingen die een verklaring van
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 van de wet
hebben en waaraan het is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen
op grond van artikel 2:97, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
d. financiële ondernemingen als bedoeld in artikel 3:266,
eerste lid, onderdelen a en c, van de wet, voorzover het betreft
hun vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor uitgeoefende
bedrijf; en
e. financiële ondernemingen ten aanzien waarvan een besluit is
genomen als bedoeld in artikel 3:267, eerste lid, van de wet,
voorzover het hun vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor
uitgeoefende bedrijf betreft.
2. Het beleggerscompensatiestelsel is niet van toepassing op
financiële ondernemingen die uitsluitend beleggingsactiviteiten
verrichten als bedoeld in artikel 1:1 van de wet en financiële
ondernemingen die uitsluitend beleggingsdiensten verlenen als bedoeld
in onderdeel d van de definitie van het verlenen van een
beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet.
Artikel 9
Indien de Nederlandsche Bank op grond van artikel 3:260, eerste lid,
van de wet heeft besloten tot het in werking stellen van het
beleggerscompensatiestelsel, komen vorderingen van de hierna te noemen
categorieën van personen voor zover deze personen niet behoren tot een
van de in bijlage A bij dit besluit genoemde categorieën, voor
voldoening overeenkomstig dit hoofdstuk in aanmerking:
a. personen die in verband met beleggingsdiensten op eigen naam
en voor eigen rekening geld of financiële instrumenten aan de
betalingsonmachtige financiële onderneming hebben toevertrouwd;
b. personen die tezamen met een persoon als bedoeld in onderdeel
a op eigen naam al dan niet voor eigen rekening geld of financiële
instrumenten in verband met beleggingsdiensten aan de
betalingsonmachtige financiële onderneming hebben toevertrouwd; en
c. derden ten behoeve van wie een persoon als bedoeld in
onderdeel a of b, niet zijnde een beleggingsinstelling, krachtens
overeenkomst of wet op eigen naam geld of financiële instrumenten
in verband met beleggingsdiensten aan de betalingsonmachtige
financiële onderneming heeft toevertrouwd.
Artikel 10
1. Voor voldoening ingevolge het beleggerscompensatiestelsel komen
in aanmerking vorderingen die voortvloeien uit het onvermogen van de
betalingsonmachtige financiële onderneming om overeenkomstig de
wettelijke en contractuele voorwaarden:
a. geld terug te betalen dat zij aan personen als bedoeld in
artikel 9 verschuldigd is en voor hen wordt gehouden in verband
met het verlenen van beleggingsdiensten; of
b. financiële instrumenten terug te geven die door haar voor
personen als bedoeld in artikel 9worden gehouden, geadministreerd
of beheerd in verband met het verlenen van beleggingsdiensten.
2. Vorderingen van derden als bedoeld in artikel 9, onderdeel c,
komen slechts voor voldoening in aanmerking indien de identiteit van
de derde is of kan worden vastgesteld voordat de Nederlandsche Bank
heeft geconstateerd dat de financiële onderneming als bedoeld in
artikel 8, eerste lid, betalingsonmachtig is als bedoeld in artikel
3:260, tweede lid, van de wet.
Artikel 11
1. Het bedrag dat ingevolge het beleggerscompensatiestelsel wordt
uitgekeerd als gevolg van betalingsonmacht van een bank, wordt door de
banken, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, vergoed aan de
Nederlandsche Bank volgens het door de Nederlandsche Bank op grond van
artikel 12 vast te stellen omslagpercentage.
2. De bijdrageverplichting, bedoeld in het eerste lid, ontstaat op
het tijdstip waarop de Nederlandsche Bank de betalingsonmacht van een
bank constateert als bedoeld in artikel 3:260, tweede lid, van de wet.
Banken die na dat tijdstip niet langer voldoen aan de in artikel 8,
eerste lid, onderdeel a, genoemde criteria blijven de bijdrage
verschuldigd.
3. De Nederlandsche Bank kan, op verzoek van een groep banken, na
overleg met representatieve vertegenwoordigingen, bepalen dat een tot
deze groep behorende bank, die in het verzoek dient te worden
aangewezen, alle door de tot deze groep behorende banken in totaal
verschuldigde bijdragen betaalt. De Nederlandsche Bank voldoet in elk
geval aan het verzoek indien de tot de groep behorende banken zijn
geconsolideerd in de balans van de aangewezen bank.
4. De bijdrage van banken die zijn aangesloten bij een centrale
kredietinstelling wordt in een bedrag betaald door de centrale
kredietinstelling.
5. De verschuldigde bijdrage van iedere bank afzonderlijk wordt
bepaald door het omslagpercentage voor die bank te vermenigvuldigen
met het totaalbedrag dat ingevolge het beleggerscompensatiestelsel
wordt uitgekeerd.
6. De Nederlandsche Bank kan maandelijks de verschuldigde bijdragen
van de banken met betrekking tot de op dat moment ingevolge artikel
27, tweede lid, betaalde vergoeding, bij de banken in rekening
brengen.
7. De Nederlandsche Bank kan bepalen dat bijdragen beneden een door
haar, na overleg met representatieve vertegenwoordigingen vast te
stellen bedrag, niet behoeven te worden voldaan.
Artikel 12
1. De Nederlandsche Bank stelt, ambtshalve of op verzoek van
representatieve vertegenwoordigingen en na overleg met deze
vertegenwoordigingen, het voor elke bank geldende omslagpercentage
vast aan de hand van de door deze bank aan de Nederlandsche Bank
overgelegde geconsolideerde balans voorafgaand aan het tijdstip waarop
betalingsonmacht als bedoeld in artikel 2:295, tweede lid, van de wet
door de Nederlandsche Bank is geconstateerd. Na overleg met
representatieve vertegenwoordigingen bepaalt de Nederlandsche Bank
nader welke bedrijfseconomische balansen gebruikt worden en welke
posten uit deze balansen voor deze berekening in aanmerking worden
genomen. Daarbij wordt het totaalbedrag van deze posten van elke bank
gedeeld door het totaalbedrag van deze posten van alle banken
gezamenlijk en het verkregen getal vermenigvuldigd met 100 procent.
Hierbij worden de posten van de betalingsonmachtige bank niet
meegeteld.
2. Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 11, zevende lid,
heeft bepaald dat bijdragen beneden een door haar vast te stellen
bedrag niet behoeven te worden voldaan, stelt zij vast, op basis van
het omslagpercentage, bedoeld in het eerste lid, welke banken op grond
van artikel 11, zevende lid, geen bijdrage behoeven te voldoen. Indien
de Nederlandsche Bank vaststelt dat een of meer banken geen bijdrage
behoeven te voldoen, en stelt zij een nieuw omslagpercentage vast, dat
het omslagpercentage, bedoeld in het eerste lid, vervangt. Hiervoor
herhaalt de Nederlandsche Bank de berekening, bedoeld in het eerste
lid, met dien verstande dat de gegevens van de betalingsonmachtige
bank en van de banken die op grond van artikel 11, zevende lid, geen
bijdrage behoeven te voldoen, niet worden meegeteld.
3. De Nederlandsche Bank kan een voorlopige bijdrage vaststellen.
Daarvan wordt 70 procent bij wijze van voorschot aan de Nederlandsche
Bank betaald. Betaalde voorschotten worden met de definitieve
bijdragen verrekend. Artikel 3:262, tweede volzin, van de wet is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 13
1. Het bedrag dat ingevolge het beleggerscompensatiestelsel wordt
uitgekeerd als gevolg van betalingsonmacht van een financiële
onderneming die geen bank is, wordt als volgt aan de Nederlandsche
Bank vergoed:
a. ten laste van het compensatiefonds, bedoeld inartikel 16,
eerste lid, tot een bedrag dat gelijk is aan de in het fonds
aanwezige middelen;
b. door de financiële ondernemingen, bedoeld in artikel 8, die
geen bank zijn: het meerdere, met inachtneming van artikel 14, tot
een maximum van € 11,3 miljoen.
2. Het na de toepassing van het eerste lid, eventueel resterende
bedrag wordt met inachtneming van artikel 15 vergoed door de
financiële ondernemingen, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
3. De bijdrageverplichtingen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en
onderdeel b, en het tweede lid, ontstaan op het tijdstip waarop de
Nederlandsche Bank de betalingsonmacht van de financiële onderneming
constateert als bedoeld in artikel 3:260, tweede lid, van de wet.
Financiële ondernemingen die na dat tijdstip niet langer voldoen aan
de in artikel 8 genoemde criteria, blijven de bijdrage verschuldigd.
4. De Nederlandsche Bank kan op verzoek van een groep financiële
ondernemingen die geen bank zijn, na overleg met representatieve
vertegenwoordigingen, bepalen dat een tot deze groep behorende
financiële onderneming die in het verzoek dient te worden aangewezen,
alle door de tot deze groep behorende financiële ondernemingen in
totaal verschuldigde bijdragen betaalt. De Nederlandsche Bank voldoet
in elk geval aan het verzoek indien de tot de groep behorende
financiële ondernemingen zijn geconsolideerd in de balans van de
aangewezen financiële onderneming.
5. De bijdrage van banken die zijn aangesloten bij een centrale
kredietinstelling wordt in een bedrag betaald door de centrale
kredietinstelling.
6. De Nederlandsche Bank kan maandelijks de verschuldigde bijdragen
met betrekking tot de op dat moment ingevolgeartikel 27, tweede lid,
betaalde vergoeding in rekening brengen.
7. De Nederlandsche Bank kan bepalen dat bijdragen beneden een door
haar, in overleg met representatieve vertegenwoordigingen, vast te
stellen bedrag, niet behoeven te worden voldaan.
Artikel 14
1. De Nederlandsche Bank stelt, ambtshalve of op verzoek van
representatieve vertegenwoordigingen, en na overleg met deze
vertegenwoordigingen, het bedrag vast van de bijdrage van iedere
financiële onderneming als bedoeld in artikel 13, eerste lid,
onderdeel b. Dat bedrag is gelijk aan de som van:
a. een vast bedrag dat gelijk is voor alle financiële
ondernemingen; en
b. een variabel bedrag dat wordt verkregen door het
omslagpercentage, bedoeld in het tweede lid of, indien van
toepassing, het derde lid, te vermenigvuldigen met het bedrag
bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, en verminderd met
de som van de onder a bedoelde vaste bedragen.
2. De Nederlandsche Bank stelt, ambtshalve of op verzoek van de
representatieve vertegenwoordigingen, na overleg met deze
vertegenwoordigingen, ten behoeve van de berekening van het in het
eerste lid bedoelde bedrag een omslagpercentage vast aan de hand van
de door de in dat lid bedoelde financiële ondernemingen aan de
Nederlandsche Bank overgelegde gegevens over een door de Nederlandsche
Bank nader vast te stellen periode betreffende het aantal personen
wier vorderingen ingevolge artikel 9 voor voldoening in aanmerking
komen. Daarbij wordt het aantal van deze personen per financiële
onderneming gedeeld door het totale aantal van deze personen bij alle
financiële ondernemingen als bedoeld in het eerste lid gezamenlijk en
het verkregen getal vermenigvuldigd met 100 procent. Hierbij worden de
gegevens van de betalingsonmachtige financiële ondernemingniet
meegeteld.
3. Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 13, zevende lid,
heeft bepaald dat bijdragen beneden een door haar vast te stellen
bedrag niet behoeven te worden voldaan, stelt de Nederlandsche Bank
vast, op basis van het omslagpercentage, bedoeld in het tweede lid,
welke financiële ondernemingen op grond van artikel 13, zevende lid,
geen bijdrage behoeven te voldoen. Indien de Nederlandsche Bank
vaststelt dat een of meer financiële ondernemingen geen bijdrage
behoeven te voldoen, stelt de Nederlandsche Bank een nieuw
omslagpercentage vast, dat het omslagpercentage, bedoeld in het tweede
lid, vervangt. Hiervoor herhaalt de Nederlandsche Bank de berekening,
bedoeld in het tweede lid, met dien verstande dat de gegevens van de
betalingsonmachtige financiële onderneming en van de financiële
ondernemingen die op grond van artikel 13, zevende lid, geen bijdrage
behoeven te voldoen, niet worden meegeteld.
4. De Nederlandsche Bank kan een voorlopige bijdrage vaststellen.
Van de voorlopig vastgestelde bijdrage betalen financiële
ondernemingen als bedoeld in het eerste lid 70 procent bij wijze van
voorschot aan de Nederlandsche Bank. Betaalde voorschotten worden met
de definitieve bijdragen verrekend. Financiële ondernemingen als
bedoeld in het eerste lid voldoen de voorschotten binnen een door de
Nederlandsche Bank vastgestelde termijn.
Artikel 15
1.De Nederlandsche Bank stelt, ambtshalve of op verzoek van
representatieve vertegenwoordigingen, na overleg met deze
vertegenwoordigingen, het bedrag vast van de bijdrage van iedere
inartikel 13, tweede lid, bedoelde financiële onderneming. Dat bedrag
wordt verkregen door het omslagpercentage, bedoeld in het tweede lid
of, indien van toepassing, het derde lid te vermenigvuldigen met het
bedrag, bedoeld in artikel 13, tweede lid.
2.De Nederlandsche Bank stelt, ambtshalve of op verzoek van
representatieve vertegenwoordigingen, na overleg met deze
vertegenwoordigingen, het voor iedere financiële onderneming, bedoeld
in artikel 8, eerste lid, geldende omslagpercentage vast aan de hand
van de door deze financiële onderneming aan de Nederlandsche Bank
overgelegde geconsolideerde balans voorafgaand aan het tijdstip waarop
betalingsonmacht als bedoeld in artikel 3:260, tweede lid, van de wet
door de Nederlandsche Bank is geconstateerd. Na overleg met
representatieve vertegenwoordigingen bepaalt de Nederlandsche Bank
nader welke bedrijfseconomische balansen gebruikt worden en welke
posten uit deze balansen voor deze berekening in aanmerking worden
genomen. Daarbij wordt het totaalbedrag van deze posten van elke
financiële onderneming gedeeld door het totaalbedrag van deze posten
van alle financiële ondernemingen gezamenlijk en het verkregen getal
vermenigvuldigd met 100 procent. Hierbij worden de gegevens van de
betalingsonmachtige financiële onderneming, bedoeld in artikel 3:260,
tweede lid, van de wet, niet meegeteld.
3.Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 13, zevende lid,
heeft bepaald dat bijdragen beneden een door haar vast te stellen
bedrag niet behoeven te worden voldaan, stelt de Nederlandsche Bank
vast, op basis van het omslagpercentage, bedoeld in het tweede lid,
welke financiële ondernemingen op grond van artikel 13, zevende lid,
geen bijdrage behoeven te voldoen. Indien de Nederlandsche Bank
vaststelt dat een of meer financiële ondernemingen geen bijdrage
behoeven te voldoen, stelt de Nederlandsche Bank een nieuw
omslagpercentage vast, dat het omslagpercentage, bedoeld in het tweede
lid, vervangt. Hiervoor herhaalt de Nederlandsche Bank de berekening,
bedoeld in het tweede lid, met dien verstande dat de gegevens van de
betalingsonmachtige financiële onderneming en van de financiële
ondernemingen die op grond van artikel 13, zevende lid, geen bijdrage
behoeven te voldoen, niet worden meegeteld.
4.De Nederlandsche Bank kan een voorlopige bijdrage vaststellen.
Van de voorlopig vastgestelde bijdrage betalen financiële
ondernemingen als bedoeld in het eerste lid 70 procent bij wijze van
voorschot aan de Nederlandsche Bank. Betaalde voorschotten worden met
de definitieve bijdragen verrekend. Financiële ondernemingen als
bedoeld in het eerste lid voldoen de voorschotten binnen een door de
Nederlandsche Bank vastgestelde termijn.
Artikel 16
1. De Stichting Beleggers Compensatiefonds draagt zorg voor het
beheer en de instandhouding van een compensatiefonds dat is bestemd
voor het aan de Nederlandsche Bank vergoeden van bedragen die deze
heeft uitgekeerd ingevolge het beleggerscompensatiestelsel.
2. De Nederlandsche Bank is bevoegd om, na overleg met
representatieve vertegenwoordigingen, de statuten van de Stichting
Beleggers Compensatiefonds te wijzigen.
3. Wijziging van de statuten behoeft de goedkeuring van Onze
Minister. Onze Minister kan goedkeuring weigeren in het belang van een
goede uitvoering van het beleggerscompensatiestelsel of wegens
onverenigbaarheid van de gewijzigde statuten met de wet of dit
besluit.
4. Het compensatiefonds wordt gevormd door bijdragen van de
financiële ondernemingen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, die geen
bank zijn en heeft een doelvermogen van € 11,3 miljoen.
5. De Nederlandsche Bank stelt periodiek, na overleg met
representatieve vertegenwoordigingen, de omvang van de noodzakelijk
geachte totale bijdrage aan het compensatiefonds vast. Indien het
doelvermogen van het compensatiefonds niet is bereikt, bedraagt de
omvang van de totale bijdrage aan het compensatiefonds jaarlijks ten
minste € 750.000. Wanneer de Nederlandsche Bank, na overleg met
representatieve vertegenwoordigingen, besluit tot een verhoging van de
bijdrage, wordt deze verhoging ineens opgelegd of over een door haar
te bepalen periode gespreid. De door de Nederlandsche Bank
vastgestelde totale bijdrage wordt over de in het vierde lid bedoelde
financiële ondernemingen omgeslagen.
6. Onverminderd het hiervoor bepaalde, wordt bij het bepalen van de
omvang van de totale bijdrage een voor alle in het vierde lid bedoelde
financiële ondernemingen gelijke heffing vastgesteld, vermeerderd met
een variabel bedrag dat voor de afzonderlijke financiële
ondernemingen wordt berekend naar rato van het aantal personen wier
vorderingen ingevolge artikel 9 voor voldoening in aanmerking komen
per financiële onderneming.Artikel 14, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
7. De Nederlandsche Bank kan ten aanzien van een instelling die na
de inwerkingtreding van dit besluit financiële onderneming wordt als
bedoeld in artikel 8bepalen dat deze financiële onderneming,
gedurende een alsdan vast te stellen termijn en frequentie, een
bijdrage doet, waarvan de omvang door de Nederlandsche Bank wordt
vastgesteld.
8. Indien het vermogen van het compensatiefonds het doelvermogen
overschrijdt, kan de Nederlandsche Bank, na overleg met
representatieve vertegenwoordigingen, het meerdere overeenkomstig een
door haar vast te stellen verdeelsleutel laten uitkeren aan de
financiële ondernemingen, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 17
1. Het in enig kalenderjaar door een bank ingevolge artikel 11,
eerste lid en 13, tweede lid, te betalen bedrag, vermeerderd met het
op grond van paragraaf 6.2 te betalen bedrag, is niet groter dan vijf
procent van haar eigen vermogen. Een eventueel excedent wordt door de
Nederlandsche Bank renteloos voorgeschoten.
2. Het in enig kalenderjaar door een financiële onderneming die
geen bank is, ingevolge artikel 13, eerste en tweede lid en artikel
16, vijfde lid, te betalen bedrag is niet groter dan drie procent van
haar eigen vermogen. Een eventueel excedent wordt door de
Nederlandsche Bank renteloos voorgeschoten.
3. Indien de solvabiliteits- of liquiditeitspositie van een bank,
of de solvabiliteitspositie van een beleggingsonderneming daartoe
aanleiding geeft, kan de Nederlandsche Bank voor die bank,
onderscheidenlijk beleggingsonderneming, een lager percentage
vaststellen.
§ 6.2. Depositogarantiestelsel
Artikel 18
Het depositogarantiestelsel is van toepassing op:
a. banken die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 van de
wet hebben;
b. banken als bedoeld in artikel 3:266, eerste lid, onderdeel b,
van de wet, voorzover het hun vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor uitgeoefende bedrijf betreft; en
c. banken als bedoeld in artikel 3:267, tweede lid, van de wet,
voorzover het een vanuit hun in Nederland gelegen bijkantoor
uitgeoefende bedrijf betreft.
Artikel 19
Indien de Nederlandsche Bank op grond van artikel 3:260, eerste lid,
van de wet heeft besloten tot het in werking stellen van het
depositogarantiestelsel, komen vorderingen van de hierna te noemen
categorieën van personen voor voldoening overeenkomstig deze paragraaf
in aanmerking:
a. personen die deposito’s op eigen naam en voor eigen rekening
bij de betalingsonmachtige bank aanhouden;
b. personen die tezamen met een persoon als bedoeld in onderdeel
a op eigen naam al dan niet voor eigen rekening deposito’s bij de
betalingsonmachtige bank aanhouden;
c. derden ten behoeve van wie een persoon als bedoeld in
onderdeel a of b krachtens overeenkomst of wet op eigen naam
deposito’s bij de betalingsonmachtige bank aanhoudt.
Artikel 20
1. Voor voldoening ingevolge het depositogarantiestelsel komen in
aanmerking vorderingen uit deposito’s, met uitzondering van
vorderingen uit deposito’s als bedoeld in bijlage B, die de
betalingsonmachtige bank aan de personen, bedoeld in artikel 19,
verschuldigd is of die hen toebehoren en die de betalingsonmachtige
bank voor hen overeenkomstig de wettelijke en contractuele voorwaarden
houdt. Indien een vordering ingevolge de eerste volzin niet voor
voldoening in aanmerking komt, stelt de bank de in die volzin bedoelde
personen hiervan in kennis.
2. Vorderingen van een derde als bedoeld in artikel 19, onderdeel
c, komen slechts voor voldoening in aanmerking indien de identiteit
van de derde is of kan worden vastgesteld voordat de Nederlandsche
Bank heeft geconstateerd dat de bank betalingsonmachtig is als bedoeld
in artikel 3:260, tweede lid, van de wet.
Artikel 21
1. Het bedrag dat ingevolge het depositogarantiestelsel wordt
uitgekeerd, wordt door de banken, bedoeld in artikel 18, vergoed aan
de Nederlandsche Bank volgens het door haar op grond van artikel 22
vast te stellen omslagpercentage.
2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, ontstaat op het
tijdstip waarop de Nederlandsche Bank de betalingsonmacht van een bank
constateert als bedoeld in artikel 3:260, tweede lid, van de wet.
Banken die na dat tijdstip niet langer voldoen aan de in artikel 18
genoemde criteria, blijven de bijdrage verschuldigd.
3. De Nederlandsche Bank kan, op verzoek van een groep banken, na
overleg met representatieve vertegenwoordigingen, bepalen dat een tot
deze groep behorende bank, die in het verzoek dient te worden
aangewezen, alle door de tot deze groep behorende banken in totaal
verschuldigde bijdragen betaalt. De Nederlandsche Bank voldoet in elk
geval aan het verzoek indien de tot die groep behorende banken zijn
geconsolideerd in de balans van de aangewezen bank.
4. De bijdrage van banken die zijn aangesloten bij een centrale
kredietinstelling wordt in een bedrag betaald door de centrale
kredietinstelling.
5. De verschuldigde bijdrage van iedere bank afzonderlijk wordt
bepaald door het omslagpercentage voor die bank te vermenigvuldigen
met het totaalbedrag dat ingevolge het depositogarantiestelsel wordt
uitgekeerd.
6. De Nederlandsche Bank kan maandelijks de verschuldigde bijdragen
van de banken met betrekking tot de op dat moment ingevolge artikel
27, tweede lid, betaalde vergoeding, bij de banken in rekening
brengen.
7. De Nederlandsche Bank kan bepalen dat bijdragen beneden een door
haar, na overleg met representatieve vertegenwoordigingen, vast te
stellen bedrag, niet behoeven te worden voldaan.
Artikel 22
1. De Nederlandsche Bank stelt, ambtshalve of op verzoek van
representatieve vertegenwoordigingen, na overleg met deze
vertegenwoordigingen het voor elke bank geldende omslagpercentage vast
aan de hand van de door elke bank aangehouden deposito’s voor zover
zij voor voldoening ingevolge het depositogarantiestelsel in
aanmerking zouden komen. In aanmerking worden genomen de deposito’s
die worden aangehouden op de datum van de laatste door die bank aan de
Nederlandsche Bank overgelegde balans voorafgaand aan het tijdstip
waarop de Nederlandsche Bank tot de toepassing van het
depositogarantiestelsel met betrekking tot de betalingsonmachtige bank
heeft besloten. Na overleg met representatieve vertegenwoordigingen
bepaalt de Nederlandsche Bank welke posten op deze overgelegde balans
voor deze berekening in aanmerking worden genomen. Daarbij wordt het
totaalbedrag van deze posten van elke bank gedeeld door het
totaalbedrag van deze posten van alle banken gezamenlijk en het
verkregen getal vermenigvuldigd met 100 procent. Hierbij worden de
gegevens van de betalingsonmachtige bank niet meegeteld.
2. Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 21, zevende lid,
heeft bepaald dat bijdragen beneden een door haar vast te stellen
bedrag niet behoeven te worden voldaan, stelt de Nederlandsche Bank
bepaalt op basis van het omslagpercentage, bedoeld in het eerste lid,
welke banken op grond vanartikel 21, zevende lid, geen bijdrage
behoeven te voldoen. Indien de Nederlandsche Bank vaststelt dat een of
meer banken geen bijdrage behoeven te voldoen, stelt de Nederlandsche
Bank een nieuw omslagpercentage vast, dat het omslagpercentage,
bedoeld in het eerste lid, vervangt. Hiervoor herhaalt de
Nederlandsche Bank de berekening, bedoeld in het eerste lid, met dien
verstande dat de gegevens van de betalingsonmachtige bank en van de
banken die op grond van artikel 21, zevende lid, geen bijdrage
behoeven te voldoen, niet worden meegeteld.
3. De Nederlandsche Bank kan een voorlopige bijdrage vaststellen.
Daarvan dient 70 procent bij wijze van voorschot aan de Nederlandsche
Bank te worden betaald. Betaalde voorschotten worden met de
definitieve bijdragen verrekend. Artikel 3:262, tweede volzin, van de
wet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
1. Het in enig kalenderjaar door een bank ingevolge artikel 21 te
betalen bedrag, vermeerderd met het door deze bank te betalen bedragen
uit hoofde van paragraaf 6.1 te betalen bedrag, is niet groter dan
vijf procent van haar eigen vermogen. Een eventueel excedent wordt
door de Nederlandsche Bank renteloos voorgeschoten.
2. Indien de solvabiliteits- of liquiditeitspositie van een bank
daartoe aanleiding geeft, kan de Nederlandsche Bank voor die bank een
lager percentage vaststellen.
§ 6.3. Procedure uitkering beleggerscompensatiestelsel
Artikel 24
1. De Nederlandsche Bank doet de mededeling, bedoeld in artikel
3:260, derde lid, van de wet, in de Staatscourant zo spoedig mogelijk
na het nemen van het in het eerste lid van dat artikel bedoelde
besluit tot het in werking stellen van het beleggerscompensatiestelsel.
2. Tevens doet de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk nadat zij
betalingsonmacht heeft vastgesteld mededeling door middel van
advertenties in door haar te bepalen landelijke nieuwsbladen dat:
a. zij het beleggerscompensatiestelsel, bedoeld in artikel
3:259, eerste lid, van de wet, in werking geeft gesteld; en
b. de personen, bedoeld in artikel 9, binnen vijf maanden na de
datum van de bekendmaking in de Staatscourant met gebruikmaking
van een daartoe door de Nederlandsche Bank vast te stellen
formulier een aanvraag tot vergoeding van de in artikel 10
bedoelde vorderingen bij haar kunnen indienen.
3. De Nederlandsche Bank verzoekt de bewindvoerders of curatoren
van de betalingsonmachtige financiële onderneming om in hun
correspondentie met de personen, bedoeld in artikel 9, te wijzen op
het in werking stellen van het beleggerscompensatiestelsel.
4. De Nederlandsche Bank neemt aanvragen die na het verstrijken van
de termijn, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, zijn ingediend
niet in behandeling, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld
dat de aanvrager in verzuim is.
Artikel 25
1. De Nederlandsche Bank stelt het bestaan en de waarde van de
ingediende en ingevolge artikel 10 voor vergoeding in aanmerking
komende vorderingen vast aan de hand van de op de vorderingen
toepasselijke wettelijke bepalingen en contractuele voorwaarden, de
administratie van de betalingsonmachtige financiële onderneming en
eventuele andere relevante documenten.
2. De Nederlandsche Bank baseert zich bij de waardevaststelling van
vorderingen die in vreemde valuta luiden op de referentiekoersen van
de Europese Centrale Bank zoals deze golden op de dag waarop de
Nederlandsche Bank de betalingsonmacht constateerde.
Artikel 26
1. Vorderingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, die door de Nederlandsche Bank zijn vastgesteld, worden
voldaan in de vorm van terugbetaling tot het in het vierde lid
genoemde maximum.
2. Vorderingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b,
die door de Nederlandsche Bank zijn vastgesteld, worden voorzover
mogelijk voldaan door het teruggeven van de in artikel 10, eerste lid,
onderdeel b, genoemde financiële instrumenten. Indien dit niet
mogelijk is, wordt de vordering in geld voldaan tot het in het vierde
lid genoemde maximum. In het laatste geval wordt de waarde van de
vordering, tenzij wettelijk of contractueel anders is bepaald,
vastgesteld op de marktwaarde van de financiële instrumenten op het
tijdstip waarop de Nederlandsche Bank de betalingsonmacht bij de
financiële onderneming constateerde.
3. Bij het vaststellen van de waarde van een vastgestelde vordering
houdt de Nederlandsche Bank rekening met mogelijke bevoegdheden om die
vordering en andere vorderingen onderling op grond van de wet of
overeenkomst te verrekenen.
4. Voor voldoening komen in aanmerking vorderingen tot maximaal €
20.000 per persoon als bedoeld in artikel 9 per betalingsonmachtige
financiële onderneming.
5. Tenzij contractueel is bepaald dat de personen, bedoeld in
artikel 9, onderdeel b, in een andere verhouding gerechtigd zijn tot
de vorderingen, ontvangen zij ieder een vergoeding ter grootte van een
evenredig deel van het totaal van de vastgestelde vorderingen met
inachtneming van hetgeen in het tweede lid is bepaald.
6. Is er meer dan een derde als bedoeld in artikel 9, onderdeel c,
dan wordt het aandeel van elk van hen en de vergoeding als bedoeld in
het tweede lid aan elk van hen berekend op de voet van het vijfde lid
van dit artikel.
7. Onze Minister kan besluiten dat, in afwijking van het vierde
lid, andere maxima gelden voor de voor voldoening in aanmerking
komende vorderingen. Onze Minister maakt het besluit daartoe bekend in
de Staatscourant.
Artikel 27
1. In geval van een vergoeding op grond van het
beleggerscompensatiestelsel betaalt de Nederlandsche Bank zo spoedig
mogelijk, doch in elk geval binnen drie maanden nadat een van de
volgende tijdstippen zich als eerste heeft voorgedaan:
a. het tijdstip waarop de Nederlandsche Bank de
beleggerscompensatieregeling in werking heeft gesteld ingevolge
artikel 3:260, eerste lid, aanhef en onderdeel a;
b. het tijdstip waarop de rechtbank de noodregeling heeft
uitgesproken;
c. het tijdstip waarop de rechtbank het faillissement heeft
uitgesproken.
2. De betaling vindt plaats op een door de aanvrager aangewezen
rekening bij een bank met zetel in een lidstaat of bij een in een
lidstaat gelegen bijkantoor van een bank met zetel in een staat die
geen lidstaat is.
3. De betaling vindt slechts plaats indien de aanvrager eventuele
rechten tot teruggave of terugbetaling van financiële instrumenten
jegens derden tot de hoogte van het uitbetaalde bedrag overdraagt aan
de Nederlandsche Bank.
Artikel 28
Indien een aanvrager strafrechtelijk wordt vervolgd ter zake van een
misdrijf dat voortvloeit uit of verband houdt met het witwassen van geld
kan de Nederlandsche Bank de termijnen, bedoeld inartikel 27, eerste
lid, opschorten. Deze opschorting eindigt zodra de vervolging is
beëindigd of de beslissing van de bevoegde rechterlijke instantie
onherroepelijk is.
Artikel 29
1. De Nederlandsche Bank verhaalt, voorzover mogelijk, de aan haar
ingevolge artikel 27,derde lid, overgedragen vorderingen of de rechten
waarin zij overeenkomstig artikel 3:261, derde lid, van de wet is
getreden, op de betalingsonmachtige financiële onderneming.
2. De baten die door de Nederlandsche Bank worden ontvangen
ingevolge het in het eerste lid bedoelde verhaal, worden door haar
uitgekeerd aan de financiële ondernemingen die op grond van de
artikelen 11 en 13 een bijdrage hebben gedaan. Bij de uitkering zal
het vastgestelde omslagpercentage worden gebruikt.
§ 6.3a. Procedure uitkering depositogarantiestelsel
Artikel 29.01
1. De Nederlandsche Bank doet de mededeling, bedoeld in artikel
3:260, derde lid, van de wet, in de Staatscourant zo spoedig mogelijk
na het nemen van het in het eerste lid van dat artikel bedoelde
besluit tot het in werking stellen van het depositogarantiestelsel.
2. Tevens doet de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk nadat zij
betalingsonmacht heeft vastgesteld mededeling door middel van
advertenties in door haar te bepalen landelijke nieuwsbladen dat:
a. zij het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259,
tweede lid, van de wet, in werking heeft gesteld;
b. de personen, bedoeld in artikel 19, gedurende drie maanden
na de datum van de bekendmaking in de Staatscourant
1° kunnen inloggen op een internetfaciliteit van de
Nederlandsche Bank om de Nederlandsche Bank het nummer en de
tenaamstelling van de rekening waarnaar de overboeking van de
vergoeding zal worden uitgevoerd, de bank waarbij de rekening
wordt aangehouden, alsmede hun elektronische adres mede te
delen en te bewerkstelligen dat de in het besluit vastgestelde
waarde van de vordering wordt overgemaakt naar die rekening;
of
2° de Nederlandsche Bank schriftelijk het nummer en de
tenaamstelling van de rekening waarnaar de overboeking van de
vergoeding zal worden uitgevoerd, en de bank waarbij de
rekening wordt aangehouden, kunnen mededelen; en
c. het waarschijnlijk is dat degenen die verzoeken hun
aanspraken schriftelijk af te handelen later over de vergoeding
zullen kunnen beschikken dan degenen die gebruik maken van de
mogelijkheid, bedoeld in onderdeel b, onder 1°, om in te loggen.
3. De Nederlandsche Bank verzoekt de bewindvoerders of curatoren
van de betalingsonmachtige financiële onderneming om in hun
correspondentie met de personen, bedoeld in artikel 19, te wijzen op
het in werking stellen van het depositogarantiestelsel.
Artikel 29.02
1. De Nederlandsche Bank stelt vast wie de depositohouders zijn,
alsmede het bestaan en de hoogte van de ingevolge artikel 20 voor
vergoeding in aanmerking komende vorderingen, aan de hand van de op de
vorderingen toepasselijke wettelijke bepalingen en contractuele
voorwaarden, de administratie van de betalingsonmachtige bank en
eventuele andere relevante documenten.
2. De Nederlandsche Bank baseert zich bij de waardevaststelling van
deposito’s in vreemde valuta op de referentiekoersen van de Europese
Centrale Bank zoals deze golden op de dag waarop de Nederlandsche Bank
de betalingsonmacht constateerde.
Artikel 29.03
1. Vorderingen als bedoeld in artikel 20, eerste lid, die door de
Nederlandsche Bank zijn vastgesteld, worden voldaan in de vorm van
terugbetaling tot het in het vierde lid genoemde maximum.
2. Voor voldoening komen in aanmerking vorderingen tot maximaal€
100.000 per persoon als bedoeld in artikel 19 per betalingsonmachtige
onderneming.
3. Tenzij contractueel is bepaald dat de personen, bedoeld in
artikel 19, onderdeel b, in een andere verhouding gerechtigd zijn tot
de vorderingen, ontvangen zij ieder een vergoeding ter grootte van een
evenredig deel van het totaal van de vastgestelde vorderingen.
4. Is er meer dan een derde als bedoeld in artikel 19, onderdeel c,
dan wordt het aandeel van elk van hen berekend op de voet van het
vierde lid van dit artikel.
Artikel 29.04
In afwijking van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht geschiedt voor een persoon als bedoeld inartikel 19, die
overeenkomstig artikel 29.01, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, heeft
ingelogd de bekendmaking van een besluit tot vaststelling van de waarde
van de vordering door middel van publicatie door de Nederlandsche Bank
op een internetfaciliteit waarop de desbetreffende persoon heeft
ingelogd.
Artikel 29.05
1. De Nederlandsche Bank is zo spoedig mogelijk in staat, doch in
elk geval binnen twintig werkdagen nadat een van de volgende
tijdstippen zich als eerste heeft voorgedaan tot het honoreren van
aanspraken van personen als bedoeld in artikel 19:
a. het tijdstip waarop de Nederlandsche Bank de
depositogarantieregeling in werking heeft gesteld ingevolge
artikel 3:260, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet;
b. het tijdstip waarop de rechtbank de noodregeling heeft
uitgesproken;
c. het tijdstip waarop de rechtbank het faillissement heeft
uitgesproken.
2. De Nederlandsche Bank kan in zeer uitzonderlijke gevallen deze
termijn ten hoogste een keer verlengen met ten hoogste tien werkdagen.
Nog toelichten
Artikel 29.06
1. De inartikel 19 bedoelde personen kunnen gedurende drie maanden
na de mededeling, bedoeld in artikel 3:260, derde lid, van de wet, in
de Staatscourant, inloggen op een internetfaciliteit van de
Nederlandsche Bank om aan de Nederlandsche Bank het nummer en de
tenaamstelling van de rekening waarnaar de overboeking van de
vergoeding zal worden uitgevoerd, de bank waarbij de rekening wordt
aangehouden, alsmede hun elektronische adres mede te delen en opdracht
te geven de in het besluit vastgestelde waarde van de vordering over
te maken naar die rekening.
2. De in artikel 19 bedoelde personen verklaren tevens dat zij geen
gebruik hebben gemaakt, maken of zullen maken van hun bevoegdheden om
hun vordering, voor zover deze voor een vergoeding op grond van
artikel 9of 20 in aanmerking komt, te verrekenen. Bij gebreke van een
dergelijke verklaring wordt de opdracht om de in het besluit
vastgestelde waarde van de vordering over te maken naar de door de in
artikel 19 bedoelde personen opgegeven rekening niet uitgevoerd.
Artikel 29.07
Indien een persoon als bedoeld in artikel 19 wordt vervolgd ter zake
van een misdrijf dat voortvloeit uit of verband houdt met het witwassen
van geld kan de Nederlandsche Bank de termijnen, bedoeld in artikel
29.06 opschorten. Deze opschorting eindigt zodra de vervolging is
beëindigd of de beslissing van de bevoegde rechterlijke instantie
onherroepelijk is.
Artikel 29.08
1. De Nederlandsche Bank verhaalt, voor zover mogelijk, de rechten
waarin zij overeenkomstig artikel 3:261, derde lid, van de wet is
getreden, op de betalingsonmachtige financiële onderneming.
2. De baten die door de Nederlandsche Bank worden ontvangen
ingevolge het in het eerste lid bedoelde verhaal, worden door haar
uitgekeerd aan de financiële ondernemingen die op grond van artikel
21 een bijdrage hebben gedaan. Bij de uitkering zal het vastgestelde
omslagpercentage worden gebruikt.
§ 6.4. Deelname aan de Nederlandse vangnetregeling door een bank,
beleggingsonderneming of financiële instelling met zetel in een andere
lidstaat ter aanvulling van de dekking van de vangnetregeling in de
andere lidstaat
Artikel 29a
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. het Nederlandse beleggerscompensatiesatiestelsel: het
beleggerscompensatiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, eerste lid,
van de wet;
b. het Nederlandse depositogarantiestelsel: het
depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid, van
de wet;
c. de Nederlandse vangnetregeling: het Nederlandse
beleggerscompensatiesatiestelsel of het Nederlandse
depositogarantiestelsel.
Artikel 29b
1. Een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling als
bedoeld in artikel 3:258, eerste lid, onderdeel c, van de wet, met
zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent
onderscheidenlijk beleggingsdiensten verleent vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor en die op grond van artikel 3:266, tweede, derde of
vierde lid, van de wet voornemens is aanvullend deel te nemen aan de
Nederlandse vangnetregeling, geeft de Nederlandsche Bank schriftelijk
kennis van dat voornemen.
2. Met betrekking tot het voornemen legt de financiële onderneming
een beschrijving over van de omvang en reikwijdte van de dekking van
de desbetreffende toepasselijke vangnetregeling in de andere lidstaat
en in hoeverre deze afwijkt van de Nederlandse vangnetregeling waaraan
de financiële onderneming voornemens is aanvullend deel te nemen.
3. De financiële onderneming neemt slechts aanvullend deel aan de
Nederlandse vangnetregeling indien aan de volgende voorwaarden is
voldaan:
a. er zijn geen operationele of juridische risico’s die een
goede uitvoering van de Nederlandse vangnetregeling in de weg
staan als gevolg van de wederzijdse verplichtingen van de
betrokken vangnetregelingen of als gevolg van de aanvullende
deelname van de financiële onderneming;
b. de financiële onderneming en de uitvoerder van de
vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming
haar zetel heeft, hebben aangetoond dat er voldoende waarborgen
zijn dat zij de verplichtingen die voortvloeien uit deelname door
de financiële onderneming aan de Nederlandse vangnetregeling
zullen naleven;
c. de financiële onderneming en de uitvoerder van de
vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming
haar zetel heeft, hebben in voldoende mate aan de Nederlandsche
Bank aannemelijk gemaakt dat de aanvullende deelname de
Nederlandse vangnetregeling niet zodanig beïnvloedt dat een
eventueel beroep door de beleggers of depositohouders van de
aanvullend deelnemende financiële onderneming de stabiliteit van
de Nederlandse financiële sector of de bescherming door de
Nederlandse vangnetregeling van beleggers of depositohouders in
gevaar brengt;
d. tussen de Nederlandsche Bank en de uitvoerder van de
vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming
haar zetel heeft, is een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin
ten minste de wederzijdse verplichtingen op grond van de betrokken
vangnetregelingen en de juridische en operationele aspecten van de
uitvoering ervan zijn vastgelegd; en
e. tussen de Nederlandsche Bank en de financiële onderneming
is een toetredingsovereenkomst gesloten, waarin in elk geval de
juridische en operationele aspecten van de uitvoering van de
Nederlandse vangnetregeling zijn vastgelegd.
4. De financiële onderneming voldoet aan de
toetredingsovereenkomst.
5. Aan de aanvullende deelname aan de Nederlandse vangnetregeling
kunnen door de Nederlandsche Bank voorschriften worden verbonden en
beperkingen gesteld met het oog op de stabiliteit van de Nederlandse
financiële sector of de bescherming door de Nederlandse
vangnetregeling van beleggers of depositohouders.
Artikel 29c
1. Indien de financiële onderneming, bedoeld in artikel 29b, niet
voldoet aan het vierde lid van dat artikel of aan hetgeen overigens
bij of krachtens de wet is bepaald, stelt de Nederlandsche Bank de
toezichthoudende instantie van de andere lidstaat hiervan in kennis.
2. De Nederlandsche Bank kan, na de toezichthoudende instantie van
de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft daarvan
in kennis te hebben gesteld, het besluit nemen dat de betrokken
financiële onderneming geen nieuwe overeenkomsten in Nederland mag
afsluiten, indien deze niet voldoet aan artikel 29b, vierde lid, of
aan hetgeen overigens bij of krachtens de wet is bepaald:
a. in weerwil van de maatregelen, getroffen door die
toezichthoudende instantie;
b. in het geval deze maatregelen ontoereikend zijn; of
c. in het geval die toezichthoudende instantie geen maatregelen
heeft getroffen.
3. De Nederlandsche Bank kan tevens, na de toezichthoudende
instantie van de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel
heeft daarvan in kennis te hebben gesteld met de toestemming van de
toezichthouder van de andere lidstaat de overeenkomst, bedoeld in
artikel 29b, derde lid, onderdeel e, opzeggen met een termijn van ten
minste twaalf maanden indien de financiële onderneming niet voldoet
aan verplichtingen uit die overeenkomst of aan hetgeen bij of
krachtens deze wet is bepaald:
a. in weerwil van de maatregelen, getroffen door die
toezichthoudende instantie;
b. in het geval deze maatregelen ontoereikend zijn; of
c. in het geval die toezichthoudende instantie geen maatregelen
heeft getroffen.
4. Indien het derde lid is toegepast, eindigt de aanvullende
deelname op de dag waartegen de overeenkomst is opgezegd.
Artikel 29d
1. In de samenwerkingsovereenkomst en toetredingsovereenkomst,
bedoeld inartikel 29b, derde lid, onderdeel d onderscheidenlijk e,
wordt in ieder geval vastgelegd dat de Nederlandsche Bank de
samenwerkingsovereenkomst onderscheidenlijk de toetredingsovereenkomst
met onmiddellijke ingang kan wijzigen of met onmiddellijke ingang
beëindigen en de aanvullende deelname met onmiddellijke ingang kan
beëindigen indien:
a. de financiële onderneming of de uitvoerder van de
vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming
haar zetel heeft, onjuiste of onvolledige gegevens heeft
verstrekt, en kennis omtrent de juiste en volledige gegevens tot
een andere overeenkomst zou hebben geleid;
b. de financiële onderneming of de uitvoerder van de
vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming
haar zetel heeft omstandigheden of feiten heeft verzwegen op grond
waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de overeenkomsten werden
aangegaan zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de
Nederlandsche Bank de overeenkomsten, of een van beide
overeenkomsten, niet zou zijn aangegaan;
c. de financiële onderneming of de uitvoerder van de
vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming
haar zetel heeft niet meer voldoet aan de ingevolge de wet
gestelde regels dan wel niet meer voldoet aan de voorwaarden die
aan de aanvullende deelname zijn verbonden;
d. de financiële onderneming of het bijkantoor haar of zijn
activiteit heeft beëindigd;
e. de financiële onderneming of de uitvoerder van de
vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming
haar zetel heeft in gebreke blijft bij de naleving van haar of
zijn verplichtingen;
f. zich onvoorziene omstandigheden voordoen welke van dien aard
zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
ongewijzigde instandhouding van de samenwerkingsovereenkomst of
toetredingsovereenkomst niet mag worden verwacht door de
financiële onderneming of de uitvoerder van de vangnetregeling
van de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel heeft;
of
g. de financiële onderneming niet of niet volledig binnen de
gestelde termijn aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75
van de wet ofartikel 29f, eerste lid, gevolg heeft gegeven.
2. Voorts wordt in de samenwerkingsovereenkomst onderscheidenlijk
de toetredingsovereenkomst vastgelegd dat, onverminderd artikel 29c,
indien de uitvoerder van de vangnetregeling in de lidstaat waar de
financiële onderneming haar zetel heeft of de financiële onderneming
niet binnen een door de Nederlandsche Bank gestelde redelijke termijn
instemt met de wijziging van de samenwerkingsovereenkomst
onderscheidenlijk de toetredingsovereenkomst, deze overeenkomst van
rechtswege is ontbonden na het verstrijken van die termijn.
Artikel 29e
1. Ingeval de aanvullende deelname eindigt ingevolge artikel 29c,
vierde lid, of op de wijze, voorzien in artikel 29d, eerste lid,
vallen de vorderingen van de beleggers en de deposito’s onder de
dekking van het Nederlandse depositogarantiestelsel tot de datum
waarop zij verschuldigd worden.
2. De financiële onderneming stelt de beleggers en de
depositohouders in kennis van de beëindiging van de aanvullende
dekking.
Artikel 29f
1. In de toetredingsovereenkomst, bedoeld in artikel 29b, derde
lid, onderdeel e, wordt in ieder geval vastgelegd dat de Nederlandsche
Bank, indien een financiële onderneming die aanvullend deelneemt aan
de Nederlandse vangnetregeling niet voldoet aan verplichtingen uit de
overeenkomst, bedoeld in artikel 29b, derde lid, onderdeel e, of de
stabiliteit van de financiële sector of de bescherming van beleggers
of depositohouders in gevaar komt door de aanvullende deelname van de
financiële onderneming aan de Nederlandse vangnetregeling, de
financiële onderneming door middel van een aanwijzing als bedoeld in
artikel 1:75 van de wet kan verplichten om binnen een door haar
gestelde redelijke termijn ten aanzien van in de aanwijzingbeschikking
aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, dient erop gericht te
zijn dat de financiële onderneming aan de verplichtingen die
voortvloeien uit deelname aan de Nederlandse vangnetregeling, voldoet
of dat de stabiliteit van de Nederlandse financiële sector of de
bescherming door de Nederlandse vangnetregeling van beleggers of
depositohouders niet langer in gevaar komen door de aanvullende
deelname van de financiële onderneming aan de Nederlandse
vangnetregeling.
Artikel 29g
Op het bedrag van de vergoeding dat overeenkomstig artikel 26, vierde
lid, is berekend, wordt in mindering gebracht het bedrag dat, ingevolge
de vangnetregeling in de lidstaat waar de financiële onderneming haar
zetel heeft, is vastgesteld voor de betreffende depositohouder of
belegger door de uitvoerder van de vangnetregeling in de lidstaat waar
de financiële onderneming haar zetel heeft.
Artikel 29h
1. De Nederlandsche Bank besluit tot toepassing van een Nederlandse
vangnetregeling waaraan een bank, beleggingsmaatschappij of
financiële instelling met zetel in een andere lidstaat aanvullend
deelneemt, indien de vangnetregeling in de lidstaat waar de
financiële ondernemer haar zetel heeft, op die financiële
onderneming wordt toegepast.
2. De Nederlandsche Bank doet mededeling van de toepassing van de
Nederlandse vangnetregeling in de Staatscourant. Tevens doet de
Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk nadat zij het besluit, bedoeld
in het eerste lid, heeft genomen, mededeling door middel van
advertenties in door haar te bepalen landelijke nieuwsbladen dat:
a. zij het beleggerscompensatiestelsel, bedoeld in artikel
3:259, eerste lid, van de wet of het depositogarantiestelsel,
bedoeld in artikel 3:259, tweede lid, van de wet in werking heeft
gesteld; en
b. de personen, bedoeld in artikel 9 of artikel 19, met
gebruikmaking van een door de Nederlandsche Bank vast te stellen
formulier een aanvraag tot vergoeding van de in artikel 10
onderscheidenlijk artikel 20 bedoelde vorderingen bij haar kunnen
indienen, binnen een termijn die aanvangt op het moment van de
plaatsing van de advertenties en die verstrijkt vijf maanden na de
datum waarop zij een vergoeding hebben ontvangen van de uitvoerder
van de vangnetregeling in de andere lidstaat.
Artikel 29i
De Nederlandsche Bank neemt een aanvraag voor vergoeding uit hoofde
van een vangnetregeling waaraan een bank, beleggingsonderneming of
financiële instelling met zetel in een andere lidstaat deelneemt in
behandeling indien de uitvoerder van de vangnetregeling in de lidstaat
waar de financiële onderneming haar zetel heeft, heeft vastgesteld wat
de hoogte van de vergoeding voor de desbetreffende depositohouder of
belegger is.
Artikel 29j
1. Indien een aanvullende deelname aan de Nederlandse
vangnetregeling door een bank, beleggingsonderneming of financiële
instelling met een zetel in een andere lidstaat wordt beëindigd,
blijven deposito’s, aangehouden op de dag waarop de aanvullende
deelname eindigt, aanvullend gedekt.
2. De dekking, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het bedrag van
het deposito op de datum waarop de aanvullende deelname is beëindigd,
tot het maximum, bedoeld in artikel 26, vierde lid of het
ingevolgeartikel 26, zevende lid vastgestelde maximum, dan wel, indien
het bedrag na die datum kleiner is geworden, tot het lagere bedrag.
3. Deposito’s die worden geopend na de datum waarop de
aanvullende deelname eindigt, worden niet aanvullend gedekt.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 30
1. Onverminderd artikel 16 voorziet de Nederlandsche Bank gedurende
de periode dat het doelvermogen van het compensatiefonds niet bereikt
is, doch uiterlijk tot en met 31 december 2008, in een renteloos
voorschot ten behoeve van uitkeringen die ten laste van het
compensatiefonds komen op grond vanartikel 13, eerste lid, onder a.
2. Het in het eerste lid bedoelde voorschot betreft een bedrag dat
door de Nederlandsche Bank wordt vastgesteld en maximaal€ 1 miljoen
bedraagt. Dit voorschot wordt, voorafgaand aan een omslag als bedoeld
in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, beschikbaar gesteld indien het
compensatiefonds door een uitkering in de zin van artikel 13, eerste
lid, onderdeel a, uitgeput is geraakt.
3. Een uitgekeerd renteloos voorschot als bedoeld in het eerste lid
wordt aan de Nederlandsche Bank terugbetaald door de financiële
ondernemingen, bedoeld inartikel 16, vierde lid, na 1 januari 2009. De
Nederlandsche Bank stelt, na overleg met representatieve
vertegenwoordigingen, de modaliteiten omtrent de terugbetaling van dit
renteloos voorschot vast, waarbij zij er voor zorgt dat de in artikel
17 beschreven maximumbijdrage per kalenderjaar voor een financiële
onderneming als bedoeld in artikel 8 niet wordt overschreden.
Artikel 31
De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instanties die in
andere lidstaten zijn belast met taken met betrekking tot een
beleggerscompensatiestelsel in kennis van een wijziging in het
beleggerscompensatiestelsel.
Artikel 32
Het koninklijk besluit van 17 december 1998 ter uitvoering van
artikel 9, onder c, van de Bankwet 1998 (Stbl. 719) wordt ingetrokken.
Artikel 33
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 34
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bijzondere prudentiële
maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 12 oktober 2006
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de eenendertigste oktober 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage A, behorende bij artikel 9
Categorieën van personen wier vorderingen niet onder de reikwijdte
van dit besluit vallen
1. Personen wier vorderingen voortvloeien uit transacties in verband
waarmee een strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken wegens het
witwassen van geld.
2. Professionele beleggers en professionele marktpartijen.
3. Personen die:
a. tevens bestuurder, beheerder, of hoofdelijk aansprakelijke
vennoot van de betalingsonmachtige financiële onderneming zijn;
b. personen voor ten minste vijf procent in het kapitaal van de
betalingsonmachtige financiële onderneming deelnemen; of
c. een met b. vergelijkbare zeggenschap hebben in andere
ondernemingen in dezelfde groep als de betalingsonmachtige
financiële onderneming.
4. Naaste verwanten van de onder 3 bedoelde personen en derden die
voor rekening van deze personen optreden. Onder naaste verwanten worden
in dit verband verstaan familieleden in de eerste graad, alsmede de
eventuele echtgenoten en partners van deze personen. Met betrekking tot
deze partners dient uit notariële stukken te blijken dat zij de partner
zijn van de onder 4 bedoelde personen, tenzij zij geregistreerd partner
zijn.
5. Rechtspersonen die deel uitmaken van dezelfde groep als bedoeld in
artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek als de
betalingsonmachtige financiële onderneming.
6. Personen die mede veroorzaker zijn van, dan wel voordeel hebben
gehaald uit de betalingsonmacht van de financiële onderneming.
7. Rechtspersonen van zodanige omvang dat zij geen verkorte balans
overeenkomstig artikel 11 van de Vierde richtlijn nr. 78/660/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1978, op de grondslag
van artikel 54, derde lid, onder g, van het Verdrag betreffende de
jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PbEG L 222) mogen
opstellen.
8. Personen, wier vorderingen voortvloeien uit
beleggingsverrichtingen bij een bijkantoor, gelegen in een staat die
geen lidstaat is.
Bijlage B, behorende bij artikel 20, eerste lid
Deposito’s als bedoeld in artikel 20, eerste lid, waarvan de
daaruit voortvloeiende vorderingen niet onder de werking van dit besluit
vallen
1. Financiële instrumenten die vallen onder de definitie van eigen
vermogen als bedoeld in artikel 2 van richtlijn nr. 89/299/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 april 1989 betreffende het
eigen vermogen van kredietinstellingen (PbEG L124) zoals deze
laatstelijk is gewijzigd bijrichtlijn nr. 92/16/EEG (PbEG L 75) 21 maart
1992.
2. Deposito’s uit hoofde van transacties in verband waarmee een
strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken wegens het witwassen van
geld.
3. Deposito’s van professionele beleggers en professionele
marktpartijen
4. Deposito’s van:
a. bestuurders, beheerders of hoofdelijk aansprakelijke vennoten
van de betalingsonmachtige bank;
b. personen die voor ten minste vijf procent in het kapitaal van
de betalingsonmachtige bank deelnemen;
c. personen die een met onderdeel b vergelijkbare zeggenschap
hebben bij andere ondernemingen in dezelfde groep als de
betalingsonmachtige bank
5. Deposito’s van naaste verwanten van de onder 4 bedoelde personen
en deposito’s van derden die voor rekening van deze personen optreden.
Onder naaste verwanten worden verstaan familieleden in de eerste graad,
alsmede de eventuele echtgenoten en geregistreerde partners van deze
personen. Met betrekking tot deze partners dient uit notariële stukken
te blijken dat zij de partner zijn van de onder 4 bedoelde personen,
tenzij zij geregistreerd partner zijn.
6. Deposito’s van rechtspersonen die deel uitmaken van dezelfde
groep als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
als die waartoe de betalingsonmachtige bank behoort.
7. Deposito’s die niet op naam luiden.
8. Deposito’s waarvoor de crediteur van de betalingsonmachtige bank
zodanige rentetarieven en financiële voordelen heeft verkregen dat die
hebben bijgedragen tot de betalingsonmacht van deze bank.
9. Schulden die voortvloeien uit accepten of promessen van de
betalingsonmachtige bank.
10. Deposito’s van rechtspersonen van zodanige omvang dat zij geen
verkorte balans overeenkomstig artikel 11 van de Vierde richtlijn nr.
78/660/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 25 juli 1978
op de grondslag van artikel 54, derde lid, onder g, van het Verdrag
betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PbEG L
222) mogen opstellen.
11. Obligaties die voldoen aan de voorwaarden van artikel 22, vierde
lid, van richtlijn nr. 85/611/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke
en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor
collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEG L 375).
12. Deposito’s, aangehouden bij een bijkantoor, gelegen in een
staat die geen lidstaat is.
|
|
|