|
BESLUIT van
12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot het
gedragstoezicht op financiële ondernemingen (Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Financiën van 12 juli 2006,
nr. FM 2006-01681 M;
Gelet op Richtlijn nr. 85/611/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot
coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten
(icbe’s) (PbEG L 375), Richtlijn nr. 87/102/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 22 december 1986 betreffende de
harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der
lidstaten inzake het consumentenkrediet (PbEG 1987 L 42), Richtlijn
nr. 92/49/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe
verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche,
en houdende wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (PbEG
L 228), Richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van
diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141),
Richtlijn nr. 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 23 september 2002 betreffende de verkoop op
afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de
Richtlijnen nr. 90/619/EEG, nr. 97/7/EG en nr. 98/27/EG (PbEG L
271), Richtlijn nr. 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van
5 november 2002 betreffende levensverzekering (PbEG L 345)
en Richtlijn nr. 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 9 december 2002 betreffende
verzekeringsbemiddeling (PbEG L 9) en de artikelen 4:3, vierde
lid, 4:5, derde lid, 4:9, derde lid, 4:10, derde lid, 4:11, derde en
vierde lid, 4:14, tweede lid, 4:15, tweede lid, aanhef en onder a
en onder b, onder 2º, 4:16, tweede en derde lid, 4:17, derde
lid, 4:20, eerste lid, tweede lid, derde lid, aanhef en onder b,
vierde lid, en vijfde lid, 4:22, eerste lid, 4:25, eerste lid, 4:26,
derde lid, 4:27, vierde lid, 4:30a, derde lid, 4:32, tweede lid,
4:33, derde en vierde lid, 4:34, derde lid, 4:43, tweede lid, 4:48,
tweede lid, 4:49, tweede lid, aanhef en onder e, 4:51, vierde
lid, 4:52, derde lid, 4:56, eerste lid, 4:61, 4:71, vierde lid, 4:72,
derde lid, aanhef en onder a, 4:73, derde lid, aanhef en onder a
en c, 4:74, tweede lid, 4:75, tweede lid, 4:76, tweede lid, 4:78,
eerste lid, 4:85, derde lid, 4:86, 4:87, derde lid, 4:88, derde lid, en
4:89, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht;
De Raad van State gehoord (advies van
20 september 2006, nr. W06.06.0334/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Financiën van 9 oktober 2006 (nr. FM 2006-02268 M);
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
§ 1.1. Definities
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
afsluitprovisie:
1°. beloning of vergoeding, in
welke vorm dan ook, die een aanbieder ter gelegenheid van de
totstandkoming van een overeenkomst inzake een
betalingsbeschermer, een complex product, een hypothecair krediet,
een hypothecair krediet gecombineerd met een beleggingsrekening,
een schadeverzekering of een uitvaartverzekering, tussen hem en
een consument rechtstreeks of middellijk voor het bemiddelen of
adviseren inzake die overeenkomst betaalt; of
2°. beloning of vergoeding, in
welke vorm dan ook, die een aanbieder van een financieel product
dat onderdeel uitmaakt van een complex product als bedoeld in
onderdeel d, onder 4°, dat is samengesteld of in de markt
verkrijgbaar gesteld door een bemiddelaar, ter gelegenheid van de
totstandkoming van een overeenkomst tussen hem en een consument
inzake dat financieel product voor het bemiddelen of adviseren
inzake die overeenkomst rechtstreeks of middellijk betaalt;
bestuurder: indien het een beheerder,
beleggingsmaatschappij of bewaarder betreft, een ieder die krachtens
wet een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder
vertegenwoordigt of het beleid van een beheerder,
beleggingsmaatschappij of bewaarder bepaalt;
betalingsbeschermer: verzekering ter
dekking van het risico dat de verzekeringnemer betalingsverplichtingen
uit hoofde van een overeenkomst inzake krediet niet kan nakomen;
betalingstermijn: tijdvak dat ligt
tussen:
1°. het tijdstip waarop een
aanbieder ter uitvoering van een overeenkomst inzake krediet een
geldsom ter beschikking stelt, of aanvangt met het verschaffen van
het genot van een roerende zaak, financieel instrument of
beleggingsobject of met het verlenen van een dienst en het
tijdstip waarop de consument gehouden is de eerste betaling ter
zake daarvan te hebben gedaan: of
2°. twee opeenvolgende tijdstippen
waarop een consument gehouden is ter zake van een overeenkomst
inzake krediet een betaling te hebben gedaan;
commissie: beloning of vergoeding, in
welke vorm dan ook, voor het optreden als gevolmachtigde agent of
ondergevolmachtigde agent;
complex product:
1°. combinatie van twee of meer
financiële producten die ten minste een financieel product omvat
waarvan de waarde afhankelijk is van de ontwikkelingen op
financiële markten of andere markten;
2°. recht van deelneming in een
beleggingsinstelling dat niet verhandelbaar is of dat op verzoek
van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect wordt
ingekocht of terugbetaald;
3°. levensverzekering, niet zijnde
een natura-uitvaartverzekering of een andere verzekering die
uitsluitend strekt tot het doen van geldelijke uitkeringen in
verband met de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke
persoon of een verzekering waarbij de verplichting van de
verzekeraar tot het doen van een uitkering of een reeks van
uitkeringen alleen dan ontstaat, indien het overlijden van degene
op wiens leven de verzekering betrekking heeft plaatsvindt voor de
in de polis genoemde datum;
4°. combinatie van een hypothecair
krediet met een levensverzekering als bedoeld onder 3°, of met
een spaarrekening;
5°. beleggingsobject;
6°. spaarrekening eigen woning als
bedoeld in artikel 3.116a, tweede lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
7°. beleggingsrecht eigen woning
als bedoeld in artikel 3.116a, derde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
8°. lijfrentespaarrekening als
bedoeld in artikel 3.126a, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
9°. lijfrentebeleggingsrecht als
bedoeld in artikel 3.126a, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
10°. ander financieel product dat
bij ministeriële regeling kan worden aangewezen indien dit ten
behoeve van de vergelijkbaarheid van de onder 2° tot en met 9°
bedoelde complexe producten met dit financiële product in verband
met de belangen die het Deel Gedragstoezicht financiële
ondernemingen van de wet beoogt te beschermen wenselijk is; of
11°. combinatie van een of meer
onder 2° tot en met 10° bedoelde complexe producten met een of
meer financiële producten;
consumptief krediet: krediet, niet
zijnde hypothecair krediet;
debetrentevoet: verschuldigde rente
voor een krediet, uitgedrukt op jaarbasis en toegepast in een vast of
variabel percentage;
dekkingspercentage: een door de
aanbieder van krediet vastgesteld percentage van de waarde van de in
onderpand gegeven financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1:1 van
de wet, of van de daartoe behorende afzonderlijke financiële
instrumenten aan de hand waarvan de aanbieder van krediet de
kredietlimiet bepaalt;
deposito: tegoed bij een bank dat
onmiddellijk kan worden opgevraagd en waarvan de rentetermijn ten
hoogste twaalf maanden bedraagt;
doorlopende provisie:
1°. beloning of vergoeding, in
welke vorm dan ook, niet zijnde afsluitprovisie, die een aanbieder
van een betalingsbeschermer, een complex product, een hypothecair
krediet, een hypothecair krediet gecombineerd met een
beleggingsrekening, een schadeverzekering of een
uitvaartverzekering, na de totstandkoming van een overeenkomst
tussen hem en een consument voor het bemiddelen of adviseren
inzake die overeenkomst rechtstreeks of middellijk betaalt; of
2°. beloning of vergoeding, in
welke vorm dan ook, niet zijnde afsluitprovisie, die door een
aanbieder van een financieel product dat onderdeel uitmaakt van
een complex product als bedoeld in onderdeel d, onder 4°, dat is
samengesteld of in de markt verkrijgbaar gesteld door een
bemiddelaar, na de totstandkoming van een overeenkomst inzake dat
financieel product tussen hem en een consument voor het bemiddelen
of adviseren inzake die overeenkomst rechtstreeks of middellijk
betaalt;
doorlopend krediet: overeenkomst
inzake:
1°. geldkrediet waarbij de
consument op verschillende tijdstippen geldsommen kan opnemen,
voorzover het uitstaande saldo de kredietlimiet niet overschrijdt;
of
2°. goederenkrediet waarbij de
aanbieder of een derde gehouden is aan een consument op
verschillende tijdstippen het genot van een roerende zaak,
financieel instrument of beleggingsobject te verschaffen of een
dienst te verlenen, voorzover het uitstaande saldo de
kredietlimiet niet overschrijdt;
effectenkrediet: het aan een consument
ter beschikking stellen van een doorlopend krediet tegen onderpand van
financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de wet,
waarmee de consument transacties kan verrichten in financiële
instrumenten en de aanbieder van krediet betrokken is bij die
transacties;
eindtermen: normen met betrekking tot
de vakbekwaamheid voor het verlenen van een bepaalde financiële
dienst met betrekking tot een bepaald financieel product;
essentiële beleggersinformatie: een
kort document waarin informatie over de in artikel 66a, eerste lid,
genoemde onderwerpen is weergegeven met betrekking tot rechten van
deelneming in een beleggingsinstelling die niet verhandelbaar zijn of
op verzoek van een deelnemer ten laste van de activa direct of
indirect worden ingekocht of terugbetaald;
financieel analist: een relevante
persoon die tastbaar onderzoek op beleggingsgebied verricht;
financieel derivaat: financieel
instrument als bedoeld in artikel 4:60, eerste lid, onderdeel d, e, f
of g, van de wet;
financiële bijsluiter: een document
waarin informatie over de in artikel 66, eerste lid, genoemde
onderwerpen met betrekking tot een complex product, niet zijnde
rechten van deelneming in een beleggingsinstelling, is weergegeven;
geldmarktinstrument: financieel
instrument als bedoeld in onderdeel c van de definitie van financieel
instrument in artikel 1:1 van de wet;
gelieerde partij:
1°. persoon die met een beheerder,
beleggingsmaatschappij of bewaarder of met een bestuurder van een
beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder in een formele of
feitelijke zeggenschapsstructuur is verbonden;
2°. persoon die direct of indirect
stemrecht kan uitoefenen of anderszins bepaalde rechten kan
uitoefenen waardoor invloed van betekenis kan worden uitgeoefend
op het zakelijk of financieel beleid van een beheerder,
beleggingsmaatschappij of bewaarder;
3°. natuurlijke persoon die in een
familierechtelijke betrekking staat tot een bestuurder van een
beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder of tot een
natuurlijke persoon als bedoeld onder 1° of 2°;
4°. natuurlijke persoon die een
persoonlijke relatie heeft met een bestuurder van een beheerder,
beleggingsmaatschappij of bewaarder of met een natuurlijke persoon
als bedoeld onder 1° of 2°, in welke relatie hij het handelen
van de bestuurder of de natuurlijke persoon met betrekking tot de
beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder kan beïnvloeden;
5°. rechtspersoon waarin een
bestuurder van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder
of een natuurlijke persoon als bedoeld onder 3° of 4°, direct of
indirect stemrecht kan uitoefenen of anderszins bepaalde rechten
kan uitoefenen waardoor sprake is van invloed van betekenis op het
zakelijk of financieel beleid van die rechtspersoon; of
6°. natuurlijke persoon die
onderdeel is van een orgaan dat belast is met toezicht op het
beleid en de algemene gang van zaken van een beheerder,
beleggingsmaatschappij of bewaarder;
gelieerd financieel instrument: een
financieel instrument waarvan de prijs sterk wordt beïnvloed door
prijsschommelingen van een ander financieel instrument dat het
onderwerp van onderzoek op beleggingsgebied is of van een van dit
andere financiële instrument afgeleid financieel instrument;
hypothecair krediet: overeenkomst
inzake krediet met een consument, bij het aangaan waarvan een recht
van hypotheek wordt gevestigd, strekkende tot verhaal bij voorrang van
de vordering tot voldoening van de door de consument verschuldigde
betaling, dan wel met betrekking waartoe reeds een zodanig recht is
gevestigd en waarbij het krediet wordt verleend tegen een voor
hypothecaire financieringen van de aanbieder gebruikelijk jaarlijks
kostenpercentage;
incident: gedraging of gebeurtenis die
een ernstig gevaar vormt voor de integere uitoefening van het bedrijf
van een financiële onderneming;
integriteitgevoelige functie:
1°. leidinggevende functie direct
onder de personen die het beleid van de financiële onderneming
bepalen of mede bepalen; of
2°. functie waaraan een
bevoegdheid is verbonden die een wezenlijk risico bevat voor de
integere uitoefening van het bedrijf van een financiële
onderneming;
integriteitrisico: gevaar voor de
aantasting van de reputatie of bestaande of toekomstige bedreiging van
vermogen of resultaat van een financiële onderneming als gevolg van
een ontoereikende naleving van hetgeen bij of krachtens enig wettelijk
voorschrift is voorgeschreven;
internationale jaarrekeningstandaarden:
internationale standaarden voor jaarrekeningen die door de Commissie
van de Europese Gemeenschappen van toepassing zijn verklaard
overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 (PbEG
L 243);
jaarlijks kostenpercentage: totale
kosten van een consumptief krediet voor de consument, uitgedrukt in
een percentage op jaarbasis van het totale kredietbedrag, berekend
volgens de basisvergelijking en aanvullende hypothesen, opgenomen in
bijlage A, of de bij de uitvoering van een overeenkomst inzake
hypothecair krediet overeenkomstig de betalingsregeling aan de
consument in rekening te brengen effectieve kredietvergoeding,
uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het uitstaand saldo,
berekend op bij ministeriële regeling vast te stellen wijze;
kosten: bedragen die een financiële
onderneming in rekening brengt of ten laste laat komen van een
cliënt, consument of deelnemer;
kredietlimiet:
1°. maximum bedrag van door een
consument bij de aanbieder van krediet op te nemen geldsommen ter
uitvoering van een overeenkomst inzake doorlopend geldkrediet; of
2°. maximumwaarde van door een
aanbieder van krediet aan de consument te verschaffen genot van
een zaak, financieel instrument of beleggingsobject, of te
verlenen dienst ter uitvoering van een overeenkomst inzake
doorlopend goederenkrediet;
kredietsom:
1°. geldsom die de consument in
het kader van een overeenkomst inzake geldkrediet ter beschikking
wordt gesteld, met dien verstande dat indien het doorlopend
krediet betreft de kredietlimiet als die geldsom wordt aangemerkt;
of
2°. verschil tussen het totaal van
de contante waarde van de roerende zaken, financiële
instrumenten, beleggingsobjecten of diensten, waarvan de consument
het genot wordt verschaft, onderscheidenlijk welke aan de
consument worden verleend, in het kader van een overeenkomst
inzake goederenkrediet, en de door deze in dat kader gedane
contante betalingen, met dien verstande dat indien het doorlopend
krediet betreft de kredietlimiet als dat verschil wordt
aangemerkt;
kredietvergoeding: kosten ter zake van
een overeenkomst inzake krediet;
maandlast: bedrag dat een consument
verschuldigd is aan betalingen ter zake van krediet, berekend voor
één kalendermaand, waaronder in ieder geval betalingen aan rente en
aflossing in verband met het krediet;
nauwe banden: situatie waarin twee of
meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door:
1°. een deelneming, dat wil zeggen
het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband houden
van ten minste 20% van de stemrechten of het kapitaal van een
rechtspersoon;
2°. een zeggenschapsband, dat wil
zeggen de band die bestaat tussen een moederonderneming en een
dochteronderneming, in alle gevallen zoals bedoeld in artikel 1,
eerste en tweede lid, van de richtlijn geconsolideerde
jaarrekening, of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke
of rechtspersoon en een andere rechtspersoon; een
dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd
als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het
hoofd van deze ondernemingen staat;
onderzoek op beleggingsgebied:
onderzoek of andere voor het publiek bestemde informatie waarbij
expliciet of impliciet een beleggingsstrategie wordt aanbevolen of
voorgesteld ten aanzien van één of meerdere financiële instrumenten
of uitgevende instellingen van financiële instrumenten, daaronder
begrepen aanbevelingen betreffende de huidige of toekomstige waarde of
koers van dergelijke instrumenten, welk onderzoek:
a. als onderzoek op
beleggingsgebied wordt gepresenteerd of op enigerlei andere wijze
wordt voorgesteld als een objectieve of onafhankelijke verklaring
van de aangelegenheden die in de aanbeveling aan de orde komen; en
b. indien het tot een cliënt zou
zijn gericht, geen adviseren is;
op- en afslagen: bedragen waarmee de
door de deelnemers voor rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling betaalde of ontvangen prijs of terugbetaling
worden verhoogd onderscheidenlijk verlaagd ten opzichte van de
intrinsieke waarde van de rechten van deelneming;
pensioenverzekering: levensverzekering
die een werkgever afsluit ten behoeve van zijn werknemers, waaronder
de directeur-grootaandeelhouder, bestaande uit een ouderdomspensioen
of nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;
PE-onderwijsprogramma:
onderwijsprogramma voor permanente educatie;
PE-toets: toets voor permanente
educatie;
PE-toetstermen: criteria waaraan de
vakbekwaamheid van een persoon wordt getoetst om te kunnen vaststellen
of deze voldoet aan de eisen voor permanente educatie;
persoonlijke transactie: een transactie
in een financieel instrument door of in naam van een relevante
persoon, waarbij:
1°. de betrokken relevante persoon
handelt anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of
bedrijf;
2°. de transactie wordt verricht
voor rekening van de relevante persoon;
3°. de transactie wordt verricht
voor rekening van een persoon met wie de relevante persoon
familiebanden of nauwe banden heeft; of
4°. de transactie wordt verricht
voor rekening van een persoon wiens relatie met de relevante
persoon van dien aard is dat de relevante persoon een direct of
indirect wezenlijk belang heeft bij het resultaat van de
transactie afgezien van een provisie voor de uitvoering van de
transactie;
relevante persoon:
1°. een persoon die het dagelijks
beleid bepaalt of een verbonden agent is van een
beleggingsonderneming;
2°. een ieder die het dagelijks
beleid bepaalt van een verbonden agent van een
beleggingsonderneming;
3°. een werknemer van de
beleggingsonderneming of van een verbonden agent van de
beleggingsonderneming of een andere natuurlijke persoon wiens
diensten ter beschikking en onder zeggenschap staan van een
beleggingsonderneming onderscheidenlijk de verbonden agent en die
betrokken is bij het verrichten van beleggingsactiviteiten of het
verlenen van beleggingsdiensten door de beleggingsonderneming; of
4°. een natuurlijke persoon die
uit hoofde van een overeenkomst tot uitbesteding met het oog op
het verlenen of verrichten door de beleggingsonderneming van
beleggingsdiensten of beleggingsactiviteiten rechtstreeks
betrokken is bij het verrichten van diensten ten behoeve van de
beleggingsonderneming of haar verbonden agent;
retourprovisie: gedeelte van een door
of ten laste van een beleggingsinstelling voor een dienst van een
derde te betalen of betaalde vergoeding dat direct of indirect door de
ontvanger wordt terugbetaald of doorbetaald;
richtlijn consumentenkrediet: richtlijn
nr. 2008/48/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten
en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PbEU L133);
richtlijn elektronisch geld: richtlijn
nr. 2009/110 van het Europees parlement en de Raad van de Europese
Unie van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening
van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen
voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en
2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (Pb EU L 267);
risico-indicator: weergave van het
risiconiveau van een complex product;
serie van beleggingsobjecten:
verzameling van beleggingsobjecten waarvoor hetzelfde
beleggingsobjectprospectus, bedoeld in artikel 4:30a, van de wet wordt
opgesteld;
termijnbedrag: bedrag van de betaling
die een consument aan het einde van een betalingstermijn moet hebben
gedaan;
toetstermen: criteria waaraan de
vakbekwaamheid van een persoon wordt getoetst om te kunnen vaststellen
of deze voldoet aan de eindtermen;
totale door de consument te betalen
bedrag: som van het totale kredietbedrag en de totale kosten van het
krediet voor de consument;
totale kosten van het krediet voor de
consument: alle kosten inzake een consumptief krediet, met
uitzondering van notariskosten, die de consument in verband met een
krediet moet betalen en die de aanbieder bekend zijn, met inbegrip van
rente, provisie, belastingen, vergoedingen van welke aard ook en
kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot het krediet,
indien het sluiten van een overeenkomst met betrekking tot die
diensten verplicht is om het krediet op de geadverteerde voorwaarden
te verkrijgen, of de som van de door een consument te betalen
termijnbedragen gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake
hypothecair krediet;
totale kredietbedrag: de kredietlimiet
of de kredietsom;
uitstaand saldo:
1°. indien het geldkrediet
betreft: op enig tijdstip bestaand totaal van de tot en met dat
tijdstip door de consument opgenomen geldsommen, vermeerderd met
de tot en met dat tijdstip aan de consument in rekening gebrachte
kredietvergoeding en verminderd met de tot en met dat tijdstip
door de consument gedane betalingen;
2°. indien het goederenkrediet
betreft: op enig tijdstip bestaand totaal van de contante waarde
van de roerende zaken, financiële instrumenten,
beleggingsobjecten of diensten waarvan tot en met dat tijdstip aan
de consument het genot is verschaft, of welke tot en met dat
tijdstip aan de consument zijn verleend, vermeerderd met het
totaalbedrag van de tot en met dat tijdstip aan de consument in
rekening gebrachte kredietvergoeding en verminderd met de tot en
met dat tijdstip door de consument gedane betalingen;
uitvaartverzekering: levensverzekering
die uitsluitend strekt tot het doen van geldelijke uitkeringen in
verband met de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon
of een natura-uitvaartverzekering;
wet: Wet op het financieel toezicht.
§ 1.2. Bijzondere bepalingen
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 4:3, vierde lid, en 4:5, derde lid, van de wet
Artikel 2
1. Het beleid van een houder van een
ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de wet wordt
bepaald of mede bepaald door personen wier betrouwbaarheid buiten
twijfel staat. Indien binnen de houder van een ontheffing een orgaan
is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van
zaken van de houder van een ontheffing wordt dit toezicht gehouden
door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat.
2. De aanvrager van een ontheffing
als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de wet toont aan dat zal
worden voldaan aan het eerste lid en legt ten aanzien van de
betrokken personen de volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, de
geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het
privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig
identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de
antecedenten, bedoeld in artikel 13; en
d. een opgave van referenten.
3. De betrouwbaarheid van een persoon
als bedoeld in het eerste lid staat buiten twijfel wanneer dat
eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van de wet is
vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of
omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe
beoordeling.
4. Op de vaststelling van de
betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in het eerste lid, zijn de
artikelen 12 tot en met 16 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3
1. De houder van een ontheffing als
bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de wet:
a. informeert, alvorens een
overeenkomst aan te gaan terzake van het als tussenpersoon
verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het buiten besloten
kring aantrekken of ter beschikking verkrijgen van opvorderbare
gelden van anderen dan professionele marktpartijen zijn
wederpartij duidelijk en volledig over diens rechten en plichten
met betrekking tot de overeenkomst;
b. meldt aan de Autoriteit
Financiële Markten iedere wijzing in de gegevens die eerder
door hemzelf of door een financiële onderneming aan een
toezichthouder zijn verstrekt ten behoeve van de beoordeling van
de ingevolge de wet gestelde eisen met betrekking tot de
betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in artikel 2, eerste
lid. De houder meldt de wijziging schriftelijk en onverwijld
nadat hij daarvan in het kader van de normale bedrijfsvoering
kennis heeft genomen; en
c. meldt aan de Autoriteit
Financiële Markten schriftelijk het voornemen tot wijziging van
de personen, bedoeld in artikel 2, eerste lid.
2. De houder van een ontheffing geeft
geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft
vastgesteld dat de betrouwbaarheid van de betrokken persoon buiten
twijfel staat. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit
omtrent de betrouwbaarheid:
a. binnen zes weken na ontvangst
van de melding; of
b. indien de Autoriteit
Financiële Markten binnen twee weken na ontvangst van de
melding om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na
ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken
na ontvangst van de melding.
3. Indien de Autoriteit Financiële
Markten een derde verzoekt om nadere gegevens als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel b, doet zij daarvan mededeling aan de houder.
4. Bij de melding, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, legt de houder ten aanzien van de betrokken
persoon de volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, de
geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het
privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig
identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de
antecedenten, bedoeld in artikel 13; en
d. een opgave van referenten.
5. Het tweede en vierde lid,
onderdelen b, c en d, zijn niet van toepassing indien de wijziging
een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de
wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld.
Artikel 4
De rechtspersoon, bedoeld in artikel
4:5, tweede lid, van de wet verstrekt bij de in dat lid bedoelde
melding aan de Autoriteit Financiële Markten de volgende gegevens
over de betrokken onderneming:
a. een opgave van de naam en het
adres;
b. een opgave van de rechtsvorm;
c. indien de onderneming een
rechtspersoon is: een opgave van de statutaire zetel, de
statutaire naam en de handelsnaam of handelsnamen; en
d. indien de onderneming is
ingeschreven in het handelsregister: een opgave van het nummer van
inschrijving.
Hoofdstuk 2. Vakbekwaamheid van
medewerkers
§ 2.1. Eindtermen van vakbekwaamheid
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:9, derde lid, van de wet
Artikel 5
1. De personen, bedoeld in artikel
4:9, tweede lid, van de wet, zijn vakbekwaam, indien zij voldoen aan
de inonderdeel 1 van bijlage B genoemde eindtermen alsmede,
voorzover zij zich rechtstreeks bezighouden met het verlenen van
financiële diensten met betrekking tot de hierna in de onderdelen a
tot en met e genoemde onderwerpen, aan de eindtermen genoemd in het
daarop betrekking hebbende onderdeel van bijlage B:
a. hypothecair krediet, al dan
niet gecombineerd met opstal-, inboedel-,
arbeidsongeschiktheids-, kapitaal- of
overlijdensrisicoverzekeringen, waarbij de verplichting van de
aanbieder tot het doen van een uitkering of een reeks van
uitkeringen alleen dan ontstaat, indien het overlijden van
degene op wiens leven de verzekering betrekking heeft
plaatsvindt voor de in de polis genoemde datum: onderdeel 2 van
bijlage B;
b. consumptief krediet, al dan
niet gecombineerd met arbeidsongeschiktheidsverzekeringen:
onderdeel 3 van bijlage B;
c. schadeverzekeringen: onderdeel
4 van bijlage B;
d. levensverzekeringen, al dan
niet gecombineerd met arbeidsongeschiktheidsverzekeringen:
onderdeel 5 van bijlage B;
e. pensioenverzekeringen, al dan
niet gecombineerd met
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen:onderdelen 5 en 7 van
bijlage B; of
f. premiepensioenvorderingen:onderdeel
7 van bijlage B.
2. Indien de
financiëledienstverlener, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van
de wet, optreedt als gevolmachtigde agent of als ondergevolmachtigde
agent, zijn de in dat lid bedoelde personen vakbekwaam, indien zij
voldoen aan de in onderdeel 6 van bijlage B genoemde eindtermen en
de in het eerste lid bedoelde onderdelen van die bijlage, met
betrekking tot het financiële product waarmee zij zich rechtstreeks
bezighouden.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op het verlenen van financiële diensten met betrekking
tot een arbeidsongeschiktheidsverzekeringverzekering als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, b, d of e, of een opstal-, inboedel-,
of overlijdensrisicoverzekering als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, die wordt gecombineerd met het in het desbetreffende
onderdeel genoemde onderwerp.
§ 2.2. Bewijs van vakbekwaamheid
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:9, derde lid, van de wet
Artikel 6
1. Een financiëledienstverlener
voldoet aan artikel 4:9, tweede lid, eerste volzin, van de wet,
indien:
a. zijn werknemers en andere
personen die zich onder zijn verantwoordelijkheid rechtstreeks
bezighouden met financiële dienstverlening, met uitzondering
van feitelijk leidinggevenden, allen beschikken over een geldig
diploma voor de in hun geval relevante eindtermen, bedoeld in
artikel 5, afgegeven door een door Onze Minister erkend
exameninstituut als bedoeld in artikel 9, eerste lid of over een
geldige erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in
artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties;
of
b. hij zijn bedrijfsvoering
zodanig heeft ingericht dat deze een vakbekwame financiële
dienstverlening aan consumenten of, indien het verzekeringen
betreft, cliënten voldoende waarborgt.
2. Een financiëledienstverlener
voldoet aan artikel 4:9, tweede lid, tweede volzin, van de wet,
indien:
a. de in die volzin bedoelde
feitelijk leidinggevenden beschikken over een geldig diploma
voor de in hun geval relevante eindtermen, bedoeld in artikel 5,
afgegeven door een door Onze Minister erkend exameninstituut of
over een geldige erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld
in artikel 5 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties; of
b. hij een
financiëledienstverlener is met een op jaarbasis gemiddeld
aantal voltijdse werknemers van meer dan 50 en hij zijn
bedrijfsvoering zodanig heeft ingericht dat deze een vakbekwame
financiële dienstverlening aan consumenten of, indien het
verzekeringen betreft, cliënten, voldoende waarborgt.
3. [Vervallen.]
4. Onverminderd het eerste en tweede
lid voldoet een bemiddelaar als bedoeld in artikel 2:81, tweede lid,
van de wet aan het bepaalde in artikel 4:9, tweede lid, van de wet,
indien zijn bedrijfsvoering onder de verantwoordelijkheid van de
aanbieder voor welke hij bemiddelt zodanig is ingericht dat een
vakbekwame financiële dienstverlening aan consumenten of, indien
het verzekeringen betreft, cliënten voldoende is gewaarborgd.
5. Onverminderd het eerste en tweede
lid voldoet een aangesloten onderneming als bedoeld in artikel
2:105, eerste lid, van de wet aan het bepaalde in artikel 4:9,
tweede lid, van de wet, indien haar bedrijfsvoering onder de
verantwoordelijkheid van de rechtspersoon waarbij zij is aangesloten
zodanig is ingericht dat een vakbekwame financiële dienstverlening
aan consumenten of, indien het verzekeringen betreft, cliënten
voldoende is gewaarborgd.
Artikel 7
1. Een diploma of een erkenning van
beroepskwalificaties is geldig, tenzij de houder ervan:
a. niet binnen achttien maanden
na de inwerkingtreding, bedoeld in artikel 8, derde lid, op de
door Onze Minister vastgestelde wijze heeft voldaan aan de in
zijn geval relevante toetstermen voor permanente educatie,
bedoeld in artikel 8, tweede lid; of
b. niet binnen achttien maanden
na de inwerkingtreding, bedoeld in artikel 8, derde lid, van
toetstermen voor permanente educatie met goed gevolg een examen
heeft afgelegd van een door Onze Minister erkend exameninstituut
dat voldoet aan de in zijn geval relevante toetstermen die
tegelijkertijd met toetstermen voor permanente educatie openbaar
zijn gemaakt.
2. Indien een houder van een diploma
of een erkenning van beroepskwalificaties niet binnen de in het
eerste lid bedoelde termijn heeft voldaan aan de in zijn geval
relevante toetstermen voor permanente educatie, is het diploma of de
erkenning van beroepskwalificaties ongeldig vanaf het einde van die
termijn tot hij alsnog daaraan voldoet.
§ 2.3. Vaststellen toetstermen
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:9, derde lid, van de wet
Artikel 8
1. Bij ministeriële regeling worden
toetstermen vastgesteld voor de examens die leiden tot afgifte van
een diploma als bedoeld in artikel 10, eerste lid.
2. Indien ontwikkelingen op de
financiële markten of relevante wettelijke voorschriften daartoe
aanleiding geven worden bij ministeriële regeling toetstermen
vastgesteld met betrekking tot permanente educatie, alsmede de wijze
waarop aan deze toetstermen kan worden voldaan.
3. Onze Minister draagt er zorg voor
dat de inwerkingtreding van de toetstermen voor examens en de
inwerkingtreding van de daarbij aansluitende toetstermen voor
permanente educatie gelijktijdig plaatsvinden.
§ 2.4. Exameninstituten
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:9, derde lid, van de wet
Artikel 9
1. Onze Minister erkent een
exameninstituut op aanvraag, indien de aanvrager heeft aangetoond te
kunnen voldoen aanartikel 10, tweede, derde, vijfde, zesde en
zevende lid, voorzover het in die leden bepaalde op de aanvrager van
toepassing is.
2. Onze Minister beslist op een
aanvraag om erkenning binnen vier maanden nadat de aanvraag is
ingediend. De beslissingstermijn kan ten hoogste tweemaal met twee
maanden worden verlengd.
3. Onze Minister kan aan een
erkenning voorschriften verbinden.
4. Onze Minister kan een erkenning
intrekken:
a. op verzoek van het erkende
exameninstituut;
b. indien de gegevens en
bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de erkenning
na de erkenning zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat de
erkenning zou zijn geweigerd, dan wel niet zonder het verbinden
van voorschriften zou zijn verleend, indien bij de behandeling
van de aanvraag de juiste gegevens volledig bekend waren
geweest; of
c. indien het exameninstituut
niet langer voldoet aanartikel 10 of 11 of aan een voorschrift,
verbonden aan de erkenning.
5. Van een besluit tot erkenning of
tot intrekking van de erkenning van een exameninstituut doet Onze
Minister mededeling in de Staatscourant.
Artikel 10
1. Een erkend exameninstituut geeft
een diploma af aan een kandidaat die een door het erkende
exameninstituut afgenomen examen met goed gevolg heeft afgelegd.
2. Een erkend exameninstituut dat
tevens opleidingen aanbiedt, brengt een zodanige scheiding aan in de
bedrijfsvoering tussen het ontwikkelen en verzorgen van opleidingen
en het afnemen van examens dat belangenverstrengeling tussen deze
activiteiten wordt voorkomen. Daartoe treft een erkend
exameninstituut in ieder geval adequate maatregelen, gericht op:
a. het voeren van gescheiden
administraties voor het ontwikkelen en verzorgen van opleidingen
en voor het afnemen van examens; en
b. het voorkomen van toegang tot
examenmateriaal van werknemers die op enige wijze betrokken zijn
bij de ontwikkeling of de verzorging van een opleiding, gericht
op het desbetreffende examen.
3. Een erkend exameninstituut stelt
de door hem aangeboden examens open voor een ieder.
4. Een door een erkend
exameninstituut af te nemen examen voldoet binnen zes maanden na de
openbaarmaking ervan aan de door Onze Minister vastgestelde
toetstermen, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
5. Een erkend exameninstituut neemt
ten aanzien van de wijze van examinering de maatregelen die
redelijkerwijs nodig zijn om te bevorderen dat examens op een
correcte en eerlijke wijze worden afgelegd.
6. Een erkend exameninstituut draagt
zorg voor een vakinhoudelijk juiste en objectieve beoordeling van
afgenomen examens.
7. Een erkend exameninstituut
beschikt over en handelt in overeenstemming met een examenreglement
waarin ten minste de volgende onderwerpen adequaat zijn geregeld:
a. de wijze van aanmelding van
kandidaten;
b. het aantal malen per jaar dat
gelegenheid wordt gegeven tot het afleggen van de afzonderlijke
examens;
c. de wijze van kennisgeving van
plaats, datum en tijdstip van aanvang der examens;
d. de vaststelling van de
identiteit van kandidaten;
e. de duur en wijze van
examineren;
f. de maatregelen indien
onregelmatigheden worden geconstateerd;
g. de aanwijzing van de
examinatoren bij de mondelinge examens;
h. de beoordeling van de examens;
i. de termijn waarbinnen de
examenuitslagen worden bekendgemaakt, alsmede de termijn
waarbinnen de diploma’s worden uitgereikt;
j. de aanwijzing van degene of
degenen die de uitslag van het schriftelijk examen vaststelt
onderscheidenlijk vaststellen;
k. de wijze van vaststelling van
de beoordelingsnormen en normen voor slagen en afwijzen;
l. de wijze van
verkrijgbaarstelling van de richtlijnantwoorden na afloop van
een examen;
m. de inzage in afgelegde
examens;
n. de bewaartermijnen voor de
afgelegde examens; en
o. de interne klachtenprocedure.
8. Een erkend exameninstituut
verstrekt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister een opgave van het
aantal in het vorige kalenderjaar afgenomen en beoordeelde examens,
alsmede een analyse van de resultaten van deze examens, de klachten
die over de examinering en de resultaten zijn ingediend en de
beslissingen hierop van het exameninstituut.
9. Het tweede en derde lid zijn niet
van toepassing op uit ’s rijks kas bekostigde opleidingen van
instellingen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste
lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek.
Artikel 11
1. Een erkend exameninstituut
verstrekt aan Onze Minister op diens verzoek de gegevens die Onze
Minister nodig heeft voor de uitoefening van zijn in dit
hoofdstukomschreven taken.
2. Met het toezicht op de naleving
van de artikelen 9 en 10 zijn belast de bij besluit van Onze
Minister aangewezen personen.
3. Van een besluit als bedoeld in het
tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
§ 2.5. Instituten voor permanente
educatie
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:9, derde lid, van de wet
Artikel 11a
Aanartikel 7, eerste lid, voldoet
degene die binnen achttien maanden na inwerkingtreding van
PE-toetstermen:
1. beschikt over een certificaat
dat is afgegeven door een door Onze Minister erkend instituut voor
permanente educatie waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een
PE-onderwijsprogramma heeft gevolgd met betrekking tot de in zijn
geval relevante toetstermen;
2. beschikt over een certificaat
dat is afgegeven door een door Onze Minister erkend
exameninstituut waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een
PE-toets heeft afgelegd met betrekking tot de in zijn geval
relevante toetstermen;
3. beschikt over een certificaat
dat is afgegeven door een door Onze Minister erkend
exameninstituut waaruit blijkt dat hij vakinhoudelijk betrokken is
geweest bij het afnemen van examens of bij de ontwikkeling van
examenmateriaal met betrekking tot de in zijn geval relevante
toetstermen bij dat exameninstituut; of
4. beschikt over een certificaat
dat is afgegeven door een door Onze Minister erkend instituut voor
permanente educatie waaruit blijkt dat hij als geregistreerd
docent betrokken is geweest bij de uitvoering van een
PE-onderwijsprogramma met betrekking tot de in zijn geval
relevante toetstermen bij dat instituut voor permanente educatie.
Artikel 11b
1. Onze Minister erkent een instituut
voor permanente educatie op aanvraag, indien de aanvrager heeft
aangetoond te zullen voldoen aan artikel 11c, voor zover het in dat
artikel bepaalde op de aanvrager van toepassing is.
2. Onze Minister beslist op een
aanvraag om erkenning binnen vier maanden nadat de aanvraag is
ingediend. De beslissingstermijn kan ten hoogste tweemaal met twee
maanden worden verlengd.
3. Onze Minister kan aan een
erkenning voorschriften verbinden.
4. Onze Minister kan een erkenning
intrekken:
a. op verzoek van het erkende
instituut voor permanente educatie;
b. indien de gegevens en
bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de erkenning,
na de erkenning zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat de
erkenning zou zijn geweigerd of zonder voorschriften zou zijn
verleend, indien bij de behandeling van de aanvraag de juiste
gegevens volledig bekend waren geweest; of
c. indien het instituut voor
permanente educatie niet langer voldoet aan artikel 11cof
artikel 11d of aan een voorschrift of voorwaarde, verbonden aan
de erkenning.
Artikel 11c
1. Een erkend instituut voor
permanente educatie beschikt over:
a. aantoonbare en actuele
ervaring met het op zorgvuldige en betrouwbare wijze
vervaardigen en verzorgen van cursussen en het beoordelen van
individuele kandidaten;
b. gekwalificeerde docenten in
inhoudelijk, onderwijskundig en toetstechnisch opzicht en maakt
daar bij de uitvoering van PE-onderwijsprogramma’s ook
uitsluitend gebruik van;
c. een registratie waaruit de
vakbekwaamheid van de docenten voor een PE-onderwijsprogramma
blijkt;
d. een evaluatiesysteem voor het
afgenomen PE-onderwijsprogramma;
e. een adequaat
kwaliteitsborgingssysteem.
2. Een erkend instituut voor
permanente educatie biedt een PE-onderwijsprogramma meerdere malen
in Nederland aan waarbij kandidaten die beschikken over het
relevante diploma, bedoeld inartikel 6, worden toegelaten.
3. Een erkend instituut voor
permanente educatie stemt in met een door Onze Minister te
organiseren controle.
4. Een erkend instituut voor
permanente educatie verzorgt het PE-onderwijsprogramma met een
toetsend element dat alle PE-toetstermen voor de desbetreffende
module omvat en levert daarbij tevens cursusmateriaal dat als
naslagwerk kan dienen voor kandidaten.
5. Een erkend instituut voor
permanente educatie stelt Onze Minister in kennis van een nieuw
ontwikkeld PE-onderwijsprogramma.
6. Een erkend instituut voor
permanente educatie legt een nieuw ontwikkeld PE-onderwijsprogramma
ter beoordeling voor aan Onze Minister.
7. Een erkend instituut voor
permanente educatie draagt zorg voor een vakinhoudelijk juiste en
objectieve beoordeling van de aangeboden PE-onderwijsprogramma’s.
8. Een erkend instituut voor
permanente educatie neemt de maatregelen die redelijkerwijs nodig
zijn om te bevorderen dat PE-onderwijsprogramma’s op een correcte
en eerlijke wijze worden aangeboden en draagt zorg voor een
vakinhoudelijke juiste en objectieve beoordeling van kandidaten.
9. Het aantal kandidaten per
PE-onderwijsprogramma dat een erkend instituut voor permanente
educatie aanbiedt, bedraagt ten hoogste 25 personen.
10. Een erkend instituut voor
permanente educatie beschikt over en handelt in overeenstemming met
een PE-reglement waarin ten minste de volgende onderwerpen met
betrekking tot het PE-onderwijsprogramma adequaat zijn geregeld:
a. wijze van aanmelding van de
kandidaten;
b. aantal malen per jaar dat
gelegenheid wordt gegeven tot het volgen van een
PE-onderwijsprogramma;
c. wijze van kennisgeving van
plaats, datum en tijdstip van de start- en eindtijden van het
PE-onderwijsprogramma;
d. opbouw, verschillende
interactieve onderwijsvormen en uitvoering van
PE-onderwijsprogramma’s gericht op actieve participatie van de
kandidaten en de wijze van beoordelen van kandidaten ten aanzien
van hun inhoudelijke vakbekwaamheid betreffende de
PE-toetstermen;
e. vaststelling van de identiteit
van kandidaten en docenten;
f. vaststelling van de presentie
van de kandidaten;
g. vaststelling van de rechten en
plichten van de kandidaten;
h. maatregelen om fraude te
voorkomen;
i. bewaartermijnen voor de
gegevens van afgelegde PE-onderwijsprogramma’s wat betreft
inhoud en evaluatie, gegevens van docenten en gegevens van
kandidaten;
j. interne klachtenprocedure.
Artikel 11d
1. Een erkend instituut voor
permanente educatie verstrekt aan Onze Minister twee maanden na de
periode, bedoeld in artikel 7, een opgave van het aantal afgenomen
PE-onderwijsprogramma’s, de geanonimiseerde klachten over de
PE-onderwijsprogramma’s, de slagingspercentages die zijn
geregistreerd door het instituut voor permanente educatie en een
analyse daarvan.
2. Een erkend instituut voor
permanente educatie verstrekt aan Onze Minister op diens verzoek de
gegevens die Onze Minister nodig heeft voor de uitoefening van zijn
in dit hoofdstuk omschreven taken.
3. Met het toezicht op de naleving
van de artikelen 11b en 11c zijn belast de bij besluit van Onze
Minister aangewezen personen.
4. Van een besluit als bedoeld in het
derde lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
Artikel 11e
Een erkenning die is verleend op grond
van artikel 3 van de Erkenningsregeling permanente educatie Wft berust
na de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit financiële markten
2010 op artikel 11b, eerste lid.
Hoofdstuk 3. Betrouwbaarheid
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:10, derde lid, van de wet
Artikel 12
De Autoriteit Financiële Markten stelt
vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel
4:10, eerste lid, van de wet buiten twijfel staat op basis van diens
voornemens, handelingen en antecedenten.
Artikel 13
De Autoriteit Financiële Markten neemt
bij de vaststelling, bedoeld in artikel 12, in ieder geval de volgende
antecedenten in aanmerking:
a. de in de onderdelen 1 en 2 van
bijlage C genoemde strafrechtelijke antecedenten;
b. de inonderdeel 3 van bijlage C
genoemde financiële antecedenten;
c. de in onderdeel 4 van bijlage C
genoemde toezichtantecedenten;
d. de in onderdeel 5 van bijlage C
genoemde fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten; en
e. de in onderdeel 6 van bijlage C
genoemde overige antecedenten.
Artikel 14
1. De Autoriteit Financiële Markten
verkrijgt inzicht in de in artikel 12 bedoelde voornemens,
handelingen en antecedenten op grond van:
a. door betrokkene verstrekte
gegevens en inlichtingen;
b. door de Landelijke Officier
van Justitie verstrekte politiegegevens;
c. gegevens uit de registratie,
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet controle op
rechtspersonen;
d. gegevens en inlichtingen,
verkregen van de Belastingdienst;
e. gegevens en inlichtingen,
verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties
dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege
aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op
financiële markten of op personen die op die markten werkzaam
zijn;
f. ambtsberichten van het
Openbaar Ministerie;
g. inlichtingen, verkregen van
door betrokkenen opgegeven referenties;
h. gegevens uit openbare bronnen;
i. inlichtingen, verkregen van
curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen,
surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen
waarbij de inartikel 12 bedoelde persoon betrokken is geweest;
j. inlichtingen, verkregen van
organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van
betrokkene; of
k. gegevens en inlichtingen,
verkregen uit andere bij ministeriële regeling aan te wijzen
bronnen.
2. Indien de gegevens en
inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Autoriteit
Financiële Markten aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de
Autoriteit Financiële Markten ook inlichtingen inwinnen en gegevens
opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid.
De Autoriteit Financiële Markten stelt de betrokkene in dat geval
schriftelijk vooraf in kennis van:
a. de reden van het nadere
onderzoek;
b. de personen of instanties bij
wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen; en
c. de aard van de nadere gegevens
of inlichtingen.
Artikel 15
1. De betrouwbaarheid van een persoon
als bedoeld in artikel 12 staat niet buiten twijfel indien deze
veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van
bijlage C, tenzij er sinds het onherroepelijk worden van de
uitspraak acht jaren of meer zijn verstreken.
2. De Autoriteit Financiële Markten
kan op grond van de omstandigheden of belangen, genoemd in artikel
16, afwijken van het eerste lid.
Artikel 16
De Autoriteit Financiële Markten neemt
bij de vaststelling, bedoeld in artikel 12, in aanmerking:
a. het onderlinge verband tussen de
aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen
en de overige omstandigheden van het geval;
b. de belangen die de wet beoogt te
beschermen; en
c. de overige belangen van de
beheerder, beleggingsmaatschappij, beleggingsonderneming,
bewaarder of financiëledienstverlener en de betrokkene.
Hoofdstuk 4. Integere uitoefening van
het bedrijf
§ 4.1. Beheerders,
beleggingsinstellingen, bewaarders en pensioenbewaarders
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 4:11, derde en vierde lid, en 4:14, tweede lid, aanhef en
onderdeel b, van de wet
Artikel 17
1. Een beheerder,
beleggingsinstelling, bewaarder of pensioenbewaarder als bedoeld in
artikel 4:11, eerste lid, van de wet draagt zorg voor een
systematische analyse van integriteitrisico´s.
2. De beheerder,
beleggingsinstelling, bewaarder of pensioenbewaarder draagt er zorg
voor dat het beleid, bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, van de
wet, zijn neerslag vindt in procedures en maatregelen.
3. De beheerder,
beleggingsinstelling, bewaarder of pensioenbewaarder stelt alle
relevante bedrijfsonderdelen in kennis van het beleid en de
procedures en maatregelen.
4. De beheerder,
beleggingsinstelling, bewaarder of pensioenbewaarder draagt zorg
voor de uitvoering en de systematische toetsing van het beleid en de
procedures en maatregelen.
5. De beheerder,
beleggingsinstelling, bewaarder of pensioenbewaarder draagt zorg
voor onafhankelijk toezicht op de uitvoering van het beleid en de
procedures en maatregelen.
6. De beheerder,
beleggingsinstelling, bewaarder of pensioenbewaarder beschikt over
procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of
gebreken met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf
tot een gepaste bijstelling leiden.
Artikel 18
Een beheerder, beleggingsinstelling,
bewaarder of pensioenbewaarder als bedoeld in artikel 4:14, eerste
lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking
tot het tegengaan van verstrengeling van de privé-belangen van
personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen,
personen die onderdeel zijn van een orgaan dat is belast met toezicht
op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële
onderneming, andere werknemers, of andere personen die in opdracht van
de betrokken onderneming op structurele basis werkzaamheden voor haar
verrichten met haar belangen of die van haar deelnemers.
Artikel 19
1. Een beheerder,
beleggingsinstelling, bewaarder of pensioenbewaarder als bedoeld in
artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en
maatregelen met betrekking tot de omgang met en vastlegging van
incidenten.
2. De beheerder,
beleggingsinstelling, bewaarder of pensioenbewaarder neemt naar
aanleiding van een incident maatregelen die zijn gericht op het
beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van
herhaling.
3. De beheerder,
beleggingsinstelling, bewaarder of pensioenbewaarder informeert de
Autoriteit Financiële Markten onverwijld omtrent incidenten.
Artikel 20
1. Een beheerder,
beleggingsmaatschappij, bewaarder of pensioenbewaarder als bedoeld
in artikel 4:14, eerste lid, van de wet maakt een onderbouwde
beoordeling van de betrouwbaarheid van personen die hij
onderscheidenlijk zij wil benoemen in een integriteitgevoelige
functie.
2. De beheerder,
beleggingsmaatschappij, bewaarder of pensioenbewaarder draagt zorg
voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van degenen die, anders
dan op grond van een arbeidsovereenkomst, werkzaamheden in een
integriteitgevoelige functie verrichten.
Artikel 21
1. Een beleggingsinstelling als
bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt ter
bescherming van de integriteit van het bedrijf over procedures en
maatregelen met betrekking tot de acceptatie van deelnemers.
2. Onverminderd het bepaalde
ingevolge de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van
terrorisme beschikt de beleggingsinstelling over procedures en
maatregelen met betrekking tot de identificatie van deelnemers en de
verificatie daarvan. De beleggingsinstelling accepteert een
deelnemer niet indien zij de identiteit niet heeft vastgesteld
overeenkomstig het daarvoor opgestelde beleid.
3. De beleggingsinstelling beschikt
ter bescherming van de integriteit van het bedrijf over
organisatorische en administratieve procedures en maatregelen die
betrekking hebben op risicoclassificaties ten aanzien van cliënten,
producten of diensten.
4. De beleggingsinstelling beschikt
over procedures en maatregelen met betrekking tot de analyse van
gegevens van deelnemers, mede in relatie tot de door de deelnemer
afgenomen producten, en de detectie van afwijkende
transactiepatronen. Aan de hand van deze procedures en maatregelen
bepaalt de beleggingsinstelling tevens de risico’s van bepaalde
cliënten, producten of diensten voor de integere uitoefening van
haar bedrijf.
5. De beleggingsinstelling draagt
zorg voor de documentatie en vastlegging met betrekking tot de
acceptatie en indeling naar risico van cliënten, de identificatie
en verificatie van de gegevens van cliënten en de bewaking van
transacties van cliënten. Dergelijke gegevens worden tot vijf jaar
na de dienstverlening of het beëindigen van de relatie bewaard.
6. Het eerste tot en met vijfde lid
zijn niet van toepassing voorzover de beleggingsinstelling niet
voorafgaand aan het intreden of uittreden van deelnemers in de
beleggingsinstelling beslist omtrent acceptatie van deelnemers.
Artikel 22
1. Een beleggingsinstelling als
bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet onderzoekt, op
verzoek van de Autoriteit Financiële Markten, of in haar
administratie bepaalde personen of instellingen voorkomen die naar
het oordeel van Onze Minister, in verband met vermoede
terroristische activiteiten of daarmee verband houdende
activiteiten, de integriteit van de financiële sector kunnen
schaden.
2. De beleggingsinstelling verstrekt
de uitkomst van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, binnen een
door de Autoriteit Financiële Markten vast te stellen termijn, aan
de Autoriteit Financiële Markten.
§ 4.2. Beleggingsondernemingen
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 4:11, derde en vierde lid, en 4:14, tweede lid, aanhef en
onderdeel b, van de wet
Artikel 23
1. Een beleggingsonderneming draagt
er, met het oog op de integere uitoefening van haar bedrijf, zorg
voor dat het beleid, bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, van de
wet, zijn neerslag vindt in procedures en maatregelen.
2. De beleggingsonderneming draagt
zorg voor onafhankelijk toezicht op de uitvoering van het beleid en
de procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, en beschikt
over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen
of gebreken worden gerapporteerd aan de personen die belast zijn met
de taak, bedoeld inartikel 31c.
3. De beleggingsonderneming beschikt
over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen
of gebreken met betrekking tot de integere uitoefening van het
bedrijf onder toezicht van de personen die zijn belast met de taak,
bedoeld in artikel 31c, tot een gepaste bijstelling leiden.
Artikel 24
1. Een beleggingsonderneming als
bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over
procedures en maatregelen met betrekking tot de behandeling en
administratieve vastlegging van incidenten.
2. De beleggingsonderneming neemt
naar aanleiding van een incident maatregelen die zijn gericht op het
beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van
herhaling.
3. De beleggingsonderneming
informeert de Autoriteit Financiële Markten onverwijld omtrent
incidenten.
Artikel 25
1. Een beleggingsonderneming als
bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet maakt een
onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid van een personeelslid
dat zij wil benoemen in een integriteitgevoelige functie.
2. De beleggingsonderneming draagt
zorg voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van degenen die,
anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, werkzaamheden in
een integriteitgevoelige functie verrichten
Artikel 26
1. Een beleggingsonderneming als
bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over
procedures en maatregelen met betrekking tot de acceptatie van
cliënten. Deze procedures en maatregelen hebben betrekking op
risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, producten of
diensten.
2. Onverminderd het bepaalde
ingevolge de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van
terrorisme beschikt de beleggingsonderneming over procedures en
maatregelen met betrekking tot de identificatie van cliënten en de
verificatie daarvan. De beleggingsonderneming accepteert een cliënt
niet indien zij de identiteit niet heeft vastgesteld overeenkomstig
het daarvoor opgestelde beleid.
3. De beleggingsonderneming beschikt
over procedures met betrekking tot de analyse van gegevens van
cliënten, mede in relatie tot de door de cliënt afgenomen
producten en diensten, en de detectie van afwijkende
transactiepatronen. Aan de hand van deze procedures en maatregelen
worden tevens de risico’s ten aanzien van bepaalde cliënten of
producten bepaald.
4. De beleggingsonderneming draagt
zorg voor de documentatie en vastlegging met betrekking tot de
acceptatie en indeling van cliënten naar risico en de bewaking van
het handelen van cliënten. Dergelijke gegevens worden tot vijf jaar
na de dienstverlening of het beëindigen van de relatie bewaard.
Artikel 27
1. Een beleggingsonderneming als
bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet onderzoekt, op
verzoek van de Autoriteit Financiële Markten, of in haar
administratie bepaalde personen of instellingen voorkomen die naar
het oordeel van Onze Minister, in verband met vermoede
terroristische activiteiten of daarmee verband houdende
activiteiten, de integriteit van de financiële sector kunnen
schaden.
2. De beleggingsonderneming verstrekt
de uitkomst van het in het eerste lid bedoelde onderzoek aan de
Autoriteit Financiële Markten, binnen een door deze vast te stellen
termijn.
§ 4.3. Financiëledienstverleners
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 4:11, tweede en derde lid, en 4:15, tweede lid, aanhef en
onderdeel a, van de wet
Artikel 28
1. Een financiëledienstverlener als
bedoeld in artikel 4:11, tweede lid, van de wet draagt er zorg voor
dat de betrouwbaarheid van de werknemers en andere natuurlijke
personen die zich onder zijn verantwoordelijkheid rechtstreeks
bezighouden met het verlenen van financiële diensten, buiten
twijfel staat.
2. Een persoon als bedoeld in het
eerste lid is betrouwbaar, indien hij een verklaring omtrent het
gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens over kan leggen, en hij niet failliet is verklaard, tenzij
rehabilitatie als bedoeld in artikel 212 van de Faillissementswet
heeft plaatsgevonden.
Artikel 29
1. Een financiëledienstverlener als
bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, van de wet stelt procedures en
maatregelen vast met betrekking tot de omgang met en vastlegging van
incidenten.
2. De financiëledienstverlener neemt
naar aanleiding van een incident passende maatregelen. Deze
maatregelen zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risico’s
en het voorkomen van herhaling.
3. De financiëledienstverlener
informeert de Autoriteit Financiële Markten onverwijld omtrent
incidenten.
Hoofdstuk 5. Beheerste uitoefening van
het bedrijf
§ 5.1. Algemene aspecten van de
bedrijfsvoering
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de wet
Artikel 30
1. De bedrijfsvoering van een
beheerder, beleggingsinstelling, beleggingsonderneming, bewaarder of
pensioenbewaarder, bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet
voorziet in:
a. duidelijke
besluitvormingsprocedures en een duidelijke, evenwichtige en
adequate organisatiestructuur;
b. een duidelijke, evenwichtige
en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en
verantwoordelijkheden;
c. eenduidige rapportagelijnen;
d. een adequaat systeem van
informatievoorziening en communicatie; en
e. adequate interne
controleprocedures om te waarborgen dat beslissingen en
procedures op alle niveaus in acht worden genomen.
2. De bedrijfsvoering is afgestemd op
de aard, omvang, risico’s en complexiteit van de financiële
onderneming en de werkzaamheden van de financiële onderneming.
3. De bedrijfsvoering wordt op een
inzichtelijke wijze vastgelegd.
4. De financiële onderneming
beschikt over procedures en maatregelen om de vertrouwelijkheid en
integriteit van informatie en de voortdurende beschikbaarheid en
beveiliging van geautomatiseerde gegevensverwerking te waarborgen.
5. De effectiviteit van de
organisatie-inrichting en van de procedures en maatregelen, bedoeld
in het eerste lid, wordt door de financiële onderneming ten minste
jaarlijks getoetst.
De financiële onderneming voorziet
erin dat gesignaleerde tekortkomingen worden opgeheven.
6. De effectiviteit van de
organisatie-inrichting en van de procedures en maatregelen wordt bij
een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in
effecten of een beleggingsonderneming onafhankelijk getoetst.
Daartoe beschikt de beheerder of een beleggingsonderneming over een
organisatieonderdeel dat een interne controlefunctie uitoefent.
Artikel 31
1. Werknemers van een beheerder of
een beleggingsonderneming en andere personen die door de
desbetreffende financiële onderneming zijn belast met het beheren
van beleggingsinstellingen, het verlenen van beleggingsdiensten of
het verrichten van beleggingsactiviteiten beschikken over de nodige
vakbekwaamheid en deskundigheid om de hun toevertrouwde
verantwoordelijkheid uit te oefenen.
2. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten of een beleggingsonderneming
zorgt ervoor dat werknemers die verscheidene functies uitoefenen,
daardoor niet worden of kunnen worden belet een van deze functies op
degelijke, eerlijke en professionele wijze uit te oefenen.
3. Voor de toepassing van het eerste
en tweede lid wordt rekening gehouden met de aard, omvang en risico’s
van de financiële onderneming en de werkzaamheden van de beheerder
respectievelijk de beleggingsonderneming.
Artikel 31a
Het organisatieonderdeel, bedoeld in
artikel 30, zesde lid, heeft als taak:
a. het vaststellen en uitvoeren van
een controleplan om de deugdelijkheid en effectiviteit van de
systemen, interne controleprocedures en regels van de financiële
onderneming te onderzoeken en te beoordelen;
b. het doen van aanbevelingen op
basis van de resultaten van de werkzaamheden, bedoeld in onderdeel
a;
c. het controleren of aan deze
aanbevelingen gevolg wordt gegeven; en
d. het ten minste jaarlijks
rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de
financiële onderneming bepalen en aan het orgaan, indien
aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene
gang van zaken van de financiële onderneming inzake
aangelegenheden met betrekking tot de interne controle en de
genomen maatregelen in geval van gesignaleerde tekortkomingen.
Artikel 31b [Vervallen per 22-07-2011]
Artikel 31c
1. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten of een beleggingsonderneming
beschikt over een organisatieonderdeel dat op onafhankelijke en
effectieve wijze een compliancefunctie uitoefent.
2. Het organisatieonderdeel, bedoeld
in het eerste lid, heeft als taak:
a. het controleren van de
naleving van wettelijke regels en van interne regels die de
beheerder of de beleggingsonderneming zelf heeft opgesteld;
b. het adviseren van de personen
die verantwoordelijk zijn voor het beheren van instellingen voor
collectieve belegging in effecten, het verlenen van
beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten
bij de naleving van wettelijke regels en interne regels;
c. het toezien op de
deugdelijkheid en effectiviteit van de interne regels en
procedures;
d. het beoordelen van de
effectiviteit van de procedures die zijn opgesteld en
maatregelen die zijn genomen om gesignaleerde onvolkomenheden
bij de naleving van wettelijke regels en interne regels op te
heffen; en
e. het tenminste jaarlijks
rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de
beheerder of de beleggingsonderneming bepalen en aan het orgaan,
indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de
algemene gang van zaken van de beheerder of de
beleggingsonderneming inzake aangelegenheden met betrekking tot
de naleving van wettelijke regels en interne regels. In de
jaarlijkse rapportage wordt met name vermeld of maatregelen zijn
genomen in het geval van gesignaleerde tekortkomingen.
3. Het organisatieonderdeel dat de
compliancefunctie uitoefent beschikt over de nodige autoriteit,
middelen, deskundigheid en toegang tot alle noodzakelijke informatie
om haar taken onafhankelijk en effectief te kunnen uitoefenen.
Artikel 31d
1. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten zorgt ervoor dat de personen
die het dagelijks beleid bepalen van de beheerder:
a. verantwoordelijk zijn voor de
uitvoering van het algemene beleggingsbeleid voor elke door de
beheerder beheerde instelling voor collectieve belegging in
effecten als omschreven in het prospectus, het fondsreglement of
de statuten van de beheerder;
b. toezicht houden op de
goedkeuring van beleggingsstrategieën voor elke door de
beheerder beheerde instelling voor collectieve belegging in
effecten;
c. erop toezien dat de beheerder
over een effectieve compliancefunctie beschikt als bedoeld in
artikel 31c, eerste lid, heeft, ook al wordt deze functie door
een derde uitgeoefend;
d. ervoor zorgen en zich
periodiek van vergewissen dat het algemene beleggingsbeleid, de
beleggingsstrategieën en de risicolimieten voor elke door de
beheerder beheerde instelling voor collectieve belegging in
effecten op behoorlijke en doeltreffende wijze worden uitgevoerd
en in acht genomen, ook al wordt de risicobeheerfunctie door een
derde uitgeoefend;
e. periodiek de deugdelijkheid
van de interne procedures voor het nemen van
beleggingsbeslissingen voor elke door de beheerder beheerde
instelling voor collectieve belegging in effecten goedkeuren en
evalueren, om te zorgen dat deze beslissingen met de
goedgekeurde beleggingsstrategieën verenigbaar zijn; en
f. periodiek het
risicobeheerbeleid en de procedures en maatregelen voor de
uitvoering van het risicobeheerbeleid goedkeuren en evalueren,
met inbegrip van het risicolimietensysteem voor elke door de
beheerder beheerde instelling voor collectieve belegging in
effecten.
2. De beheerder zorgt ervoor dat ten
minste jaarlijks wordt gerapporteerd aan de personen die het
dagelijks beleid bepalen van de beheerder over de uitvoering van de
beleggingsstrategieën en interne procedures voor het nemen van de
beleggingsbeslissingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot
en met e.
§ 5.2. Gedragsaspecten van de
bedrijfsvoering
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel c, en 4:15, tweede
lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°, van de wet
Artikel 32
1. Een aanbieder als bedoeld in
artikel 4:15, eerste of derde lid, van de wet die een consument of,
indien het een verzekering betreft, cliënt adviseert, bewaart,
indien de advisering leidt tot het aangaan van een overeenkomst
inzake het aanbevolen product met de consument onderscheidenlijk de
cliënt, de informatie die hij overeenkomstig artikel 4:23, eerste
lid, onderdeel a, van de wet heeft ingewonnen, alsmede de gegevens
betreffende het verkochte financiële product, gedurende ten minste
één jaar vanaf het moment van advisering.
2. Een adviseur als bedoeld in
artikel 4:15, eerste of derde lid, van de wet die een consument of,
indien het een verzekering betreft, cliënt adviseert, en het
aanbevolen financiële product niet tevens aanbiedt aan de consument
of cliënt of met betrekking tot het aanbevolen financiële product
niet tevens bemiddelt of optreedt als gevolmachtigde agent of
ondergevolmachtigde agent, bewaart de informatie die hij
overeenkomstig artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, van de wet
heeft ingewonnen, alsmede de gegevens betreffende het aanbevolen
financiële product, gedurende ten minste één jaar vanaf het
moment van advisering.
3. Een bemiddelaar, gevolmachtigde
agent of ondergevolmachtigde agent als bedoeld in artikel 4:15,
eerste of derde lid, van de wet die een consument of, indien het een
verzekering betreft, cliënt adviseert bewaart, indien de advisering
leidt tot het aangaan van een overeenkomst met de consument
onderscheidenlijk de cliënt inzake het aanbevolen product, de
informatie die hij overeenkomstig artikel 4:23, eerste lid,
onderdeel a, van de wet heeft ingewonnen, alsmede de gegevens
betreffende het aanbevolen financiële product, gedurende ten minste
één jaar vanaf het moment van advisering.
4. Het eerste, tweede en derde lid
zijn niet van toepassing op financiële ondernemingen die bij de
advisering uitsluitend te werk gaan volgens een gestandaardiseerde
en gesystematiseerde procedure die voor de Autoriteit Financiële
Markten verifieerbaar is, en die aan de hand van deze procedure aan
de Autoriteit Financiële Markten kunnen aantonen welke informatie
zij overeenkomstig artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, van de wet
over consumenten onderscheidenlijk cliënten inwinnen en welke
adviezen consumenten onderscheidenlijk cliënten op basis van de
aldus ingewonnen informatie worden gegeven.
5. Een aanbieder, bemiddelaar,
gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent als bedoeld in
artikel 4:15, eerste of derde lid, van de wet die in het kader van
een door hem verstrekt advies met een consument of, indien het een
verzekering betreft, cliënt een overeenkomst aangaat
onderscheidenlijk bemiddelt bij de totstandkoming van een
overeenkomst inzake een ander financieel product dan waarover hij de
consument onderscheidenlijk de cliënt heeft geadviseerd, is
gedurende ten minste één jaar na de totstandkoming van de
overeenkomst in staat om aan de Autoriteit Financiële Markten aan
te tonen dat de consument onderscheidenlijk de cliënt in weerwil
van het advies de keuze heeft gemaakt voor het aangaan van die
overeenkomst.
Artikel 33
Een aanbieder van krediet als bedoeld
in artikel 4:15, eerste of derde lid, van de wet bewaart de informatie
die hij ingevolge de artikelen 4:34, eerste lid, van de wet en 113 en
114 heeft ingewonnen, alsmede de door hem aangeboden overeenkomst
inzake krediet, indien die overeenkomst tot stand is gekomen, ten
minste gedurende vijf jaren na de dag waarop die overeenkomst is
afgewikkeld.
Artikel 34
1. De bedrijfsvoering van een
beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder als bedoeld in artikel
4:14, eerste lid, van de wet omvat ten minste procedures en
maatregelen die waarborgen dat:
a. elke transactie waarbij de
beleggingsinstelling is betrokken, kan worden gereconstrueerd;
b. het beheerde vermogen van de
beleggingsinstelling overeenkomstig het beleggingsbeleid en de
bij of krachtens de wet gestelde regels wordt belegd;
c. een functiescheiding bestaat
tussen het verrichten van rechtshandelingen met betrekking tot
het vermogen van de beleggingsinstelling en het controleren en
administreren van deze handelingen;
d. een betrouwbare, juiste en
consistente intrinsieke waarde van de beleggingsinstelling wordt
bepaald;
e. het proces van intrinsieke
waardebepaling binnen de beheerder of de beleggingsmaatschappij
wordt gescheiden van de overige activiteiten van de beheerder of
de beleggingsmaatschappij;
f. de berekening van de
intrinsieke waarde van de beleggingsinstelling aansluit bij de
financiële administratie;
g. de risico’s die samenhangen
met het beleggingsproces op een systematische wijze worden
beheerst en geanalyseerd; en
h. er, voorzover mogelijk, een
systematische, toegankelijke en actuele administratie van
deelnemers in de beleggingsinstelling is waarin, voorzover van
toepassing, de met de deelnemers gemaakte afspraken inzichtelijk
worden gemaakt.
2. De maatregelen en procedures,
bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel f, voorzien er in
ieder geval in dat de voor de intrinsieke waardebepaling gebruikte
subadministraties ten minste een keer per maand worden aangesloten
met de saldibalans en dat de daaruit voortvloeiende verschillen
worden geanalyseerd en gecorrigeerd.
3. De procedures en maatregelen,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, van een instelling voor
collectieve belegging in effecten omvatten in ieder geval een
procedure voor de waardevaststelling van financiële derivaten die
niet op een gereglementeerde markt of een andere markt in
financiële instrumenten worden verhandeld.
4. Een beheerder richt voor iedere
beleggingsinstelling die hij beheert afzonderlijk een
bedrijfsvoering als bedoeld in het eerste lid in.
Artikel 34a
1. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten stelt procedures en
regelingen vast en past die toe zodat hij in staat is om de
Autoriteit Financiële Markten op verzoek zo spoedig mogelijk
financiële verslagen te verstrekken die een getrouw beeld geven van
zijn financiële positie en die aan alle toepasselijke standaarden
en regels voor financiële verslaggeving voldoen.
2. Onverminderdartikel 34 wordt de
administratie van een instelling voor collectieve belegging in
effecten zodanig gevoerd dat de activa en passiva van de instelling
voor collectieve belegging in effecten te allen tijde rechtstreeks
kunnen worden geïdentificeerd.
3. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten onderwerpt de
waardevaststelling van financiële derivaten, bedoeld in artikel 34,
derde lid, aan een adequate, accurate en onafhankelijke toetsing.
4. De procedure met betrekking tot de
waardevaststelling van financiële derivaten, bedoeld in artikel 34,
derde lid, is adequaat en evenredig gelet op de aard en complexiteit
van de desbetreffende financiële derivaten.
5. De procedure, bedoeld in het
vierde lid, wordt op adequate wijze vastgelegd.
Artikel 34b
1. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten treft maatregelen die
waarborgen dat gegevens ten behoeve van de reconstructie van elke
transactie, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, worden
bijgehouden.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste
lid, omvatten in ieder geval:
a. de naam of een andere
omschrijving van de instelling voor collectieve belegging in
effecten en van de persoon die voor rekening van de instelling
voor collectieve belegging in effecten handelt;
b. de bijzonderheden die nodig
zijn om het financieel instrument te identificeren;
c. het aantal orders of
transacties;
d. het soort order of transactie;
e. de prijs per eenheid;
f. met betrekking tot orders, de
datum en het tijdstip waarop de order is doorgegeven, en de naam
of een andere omschrijving van de persoon aan wie de order is
doorgegeven;
g. met betrekking tot
transacties, de datum en het tijdstip waarop de
handelsbeslissing is genomen en de transactie is uitgevoerd;
h. de naam van de persoon die de
order doorgeeft of de transactie uitvoert;
i. in voorkomend geval, de
redenen voor het intrekken van een order; en
j. voor uitgevoerde transacties,
de tegenpartij en de plaats van uitvoering.
Artikel 34c
1. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten treft redelijke maatregelen
om te waarborgen dat de gegevens over ontvangen opdrachten tot
inschrijving of terugbetaling van rechten van deelneming met
betrekking tot de instelling voor collectieve belegging in effecten
na ontvangst van een dergelijke opdracht onmiddellijk centraal
worden geadministreerd.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste
lid, omvatten informatie met betrekking tot de volgende aspecten:
a. de betrokken instelling voor
collectieve belegging in effecten;
b. de persoon die de opdracht tot
inschrijving of terugbetaling van rechten van deelneming heeft
gegeven of overgedragen;
c. de persoon die de opdracht
heeft ontvangen;
d. de datum en het tijdstip van
de ontvangen opdracht;
e. de betalingsvoorwaarden en
betalingsmiddelen;
f. het soort opdracht;
g. de datum van uitvoering van de
opdracht;
h. het aantal rechten van
deelneming waarop wordt ingeschreven of dat wordt terugbetaald;
i. de prijs van de inschrijving
of de terugbetaling voor elk recht van deelneming;
j. de totale waarde van de
inschrijving of terugbetaling van de rechten van deelneming; en
k. de brutowaarde van de opdracht
inclusief de kosten van inschrijving of het nettobedrag na
aftrek van de kosten van terugbetaling.
Artikel 34d
1. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten bewaart de gegevens, bedoeld
in de artikelen 34b, eerste lid, en 34c, eerste lid, gedurende
tenminste vijf jaar.
2. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten bewaart de gegevens op een
duurzame drager in en zodanige vorm en op zodanige wijze dat:
a. de Autoriteit Financiële
Markten vlot toegang kan hebben tot de gegevens en elk stadium
van de verwerking van een transactie kan reconstrueren;
b. alle wijzigingen, alsmede de
inhoud van de gegevens voordat wijzigingen zijn aangebracht,
gemakkelijk kunnen worden achterhaald; en
c. de gegevens niet anderszins
gemanipuleerd of gewijzigd kunnen worden.
3. Indien de beheerder zijn
verantwoordelijkheden met betrekking tot de instelling voor
collectieve belegging in effecten aan een andere beheerder
overdraagt, worden maatregelen getroffen zodat de gegevens
betreffende de voorafgaande vijf jaar voor de andere beheerder
toegankelijk zijn.
Artikel 34e
De bedrijfsvoering van een
pensioenbewaarder als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet
omvat ten minste procedures en maatregelen die waarborgen dat:
a. elke transactie in verband met
het overgedragen pensioenvermogen, kan worden gereconstrueerd;
b. het overgedragen
pensioenvermogen overeenkomstig het door de
premiepensioeninstelling bepaalde beleggingsbeleid en de bij of
krachtens de wet gestelde regels wordt belegd;
c. de risico’s die samenhangen
met het beleggingsproces op een systematische wijze worden
beheerst en geanalyseerd;
d. een functiescheiding bestaat
tussen het verrichten van rechtshandelingen met betrekking tot het
overgedragen pensioenvermogen en het controleren en administreren
van deze handelingen;
e. alle rechten en verplichtingen
van de pensioenbewaarder juist, tijdig en volledig worden
vastgelegd in een daartoe bestemde administratie; en
f. de administratie van het
overgedragen pensioenvermogen ten minste een keer per maand wordt
aangesloten met de saldibalans en dat de daaruit voortvloeiende
verschillen worden geanalyseerd en gecorrigeerd;
Artikel 35
1. Een beleggingsonderneming houdt
gegevens bij over alle door haar verleende beleggingsdiensten,
nevendiensten en verrichte beleggingsactiviteiten ten einde het
toezicht op de naleving van hetgeen ter implementatie van de
richtlijn markten voor financiële instrumenten ingevolge de wet is
bepaald mogelijk te maken.
2. De beleggingsonderneming bewaart
de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gedurende ten minste vijf
jaar.
3. Een beleggingsonderneming bewaart
de gegevens met betrekking tot de overeenkomst, bedoeld in artikel
4:89, tweede lid, van de wet, ten minste voor de duur van de relatie
met de cliënt.
4. Een beleggingsonderneming bewaart
de gegevens, bedoeld in het eerste en derde lid, op een duurzame
drager in een zodanige vorm en op zodanige wijze dat:
a. de Autoriteit Financiële
Markten vlot toegang kan hebben tot de gegevens en elk stadium
van de verwerking van een transactie kan reconstrueren;
b. alle wijzigingen, alsmede de
inhoud van de gegevens voordat wijzigingen zijn aangebracht,
gemakkelijk kunnen worden achterhaald;
c. de gegevens niet anderszins
gemanipuleerd of gewijzigd kunnen worden.
5. De Autoriteit Financiële Markten
stelt een lijst op van gegevens die een beleggingsonderneming op
grond van hetgeen ter implementatie van de richtlijn markten voor
financiële instrumenten ingevolge de wet is bepaald, ten minste
moet bewaren.
Artikel 35a
1. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten of beleggingsonderneming als
bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over
procedures en maatregelen voor het voorkomen van en omgaan met
belangenconflicten tussen de beheerder van een instelling voor
collectieve belegging in effecten of beleggingsonderneming en haar
cliënten of tussen haar cliënten onderling.
2. De procedures en maatregelen,
bedoeld in het eerste lid, zijn erop gericht dat relevante personen
die betrokken zijn bij verschillende bedrijfsactiviteiten waarbij
het risico bestaat op een belangenconflict als bedoeld in het eerste
lid, deze activiteiten verrichten in een mate van onafhankelijkheid
die evenredig is aan de omvang en activiteiten van de beheerder van
een instelling voor collectieve belegging in effecten of
beleggingsonderneming en de groep waarvan zij deel uitmaakt, en aan
de grootte van het risico dat de belangen van een cliënt worden
geschaad.
3. De procedures en maatregelen,
bedoeld in het eerste lid, omvatten, voor zover nodig en passend om
de mate van onafhankelijkheid, bedoeld in het tweede lid, te
waarborgen:
a. procedures ter voorkoming of
controle van de uitwisseling van informatie tussen relevante
personen die verschillende activiteiten verrichten waarbij het
risico bestaat op een belangenconflict wanneer de uitwisseling
van deze informatie de belangen van een cliënt kan schaden;
b. controle op de activiteiten
van relevante personen wier hoofdtaken bestaan in het uitoefenen
van activiteiten in naam van, of het verlenen van diensten aan
cliënten wier belangen met elkaar in strijd kunnen zijn;
c. de uitsluiting van elk direct
verband tussen de beloning van relevante personen die
hoofdzakelijk betrokken zijn bij de ene activiteit en de
beloning van of de inkomsten gegenereerd door andere relevante
personen die hoofdzakelijk betrokken zijn bij een andere
activiteit, wanneer door deze activiteiten een belangenconflict
kan ontstaan;
d. maatregelen om te voorkomen of
het risico te beperken dat een persoon zodanige invloed
uitoefent op de wijze waarop een relevante persoon werkzaamheden
in verband met het beheer van een instelling voor collectieve
belegging in effecten onderscheidenlijk beleggingsdiensten,
beleggingsactiviteiten of nevendiensten verricht, dat daardoor
een belangenconflict ontstaat of kan ontstaan;
e. maatregelen ter voorkoming of
controle van de gelijktijdige of achtereenvolgende betrokkenheid
van een relevante persoon bij verschillende werkzaamheden in
verband met het beheer van een instelling voor collectieve
belegging in effecten onderscheidenlijk beleggingsdiensten,
beleggingsactiviteiten of nevendiensten wanneer een dergelijke
betrokkenheid kan leiden tot het ontstaan van
belangenconflicten.
4. Indien bij vaststelling of
toepassing van procedures of maatregelen als bedoeld in het eerste
lid niet de in het tweede lid bedoelde mate van onafhankelijkheid
kan worden gewaarborgd, draagt de beheerder van een instelling voor
collectieve belegging in effecten of beleggingsonderneming zorg voor
alternatieve of aanvullende procedures of maatregelen.
Artikel 35b
1. Een beleggingsonderneming als
bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet legt de gegevens
vast die betrekking hebben op de soorten door of in naam van de
onderneming verrichte beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten of
nevendiensten waarbij een belangenconflict is ontstaan of kan
ontstaan dat een wezenlijk risico met zich brengt dat de belangen
van een of meer cliënten worden geschaad.
2. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten legt de gegevens vast die
betrekking hebben op de soorten door of in naam van de beheerder
verrichte werkzaamheden in verband met het beheren van beleggingen
waarbij een belangenconflict is ontstaan of kan ontstaan dat een
wezenlijk risico met zich brengt dat de belangen van een of meer
instellingen voor collectieve belegging in effecten of van de
deelnemers worden geschaad.
3. De beheerder zorgt ervoor dat de
personen die het dagelijks beleid bepalen van de beheerder
onmiddellijk in kennis worden gesteld wanneer de getroffen
maatregelen voor het voorkomen van en omgaan met belangenconflicten
niet volstaan om met redelijke zekerheid te garanderen dat risico’s
dat de belangen van de instelling voor collectieve belegging in
effecten of de deelnemers ervan worden geschaad, zullen worden
vermeden, zodat zij alle nodige beslissingen kunnen nemen om te
waarborgen dat de beheerder in ieder geval handelt in het belang van
de instelling voor collectieve belegging in effecten en haar
deelnemers.
4. De beheerder stelt de deelnemers
van een door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in
effecten via een duurzame drager op de hoogte van de situaties,
bedoeld in het derde lid, met opgave van redenen van de beslissing
die de personen die het dagelijks beleid bepalen ter zake hebben
genomen.
Artikel 35c
1. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten of beleggingsonderneming als
bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over
procedures en maatregelen met betrekking tot persoonlijke
transacties.
2. De procedures en maatregelen,
bedoeld in het eerste lid, zijn er op gericht dat indien een
relevante persoon betrokken is bij het verrichten van activiteiten
die een belangenconflict kunnen doen ontstaan, of indien een
relevante persoon als gevolg van een activiteit die hij in naam van
de beheerder of beleggingsonderneming verricht toegang heeft tot
informatie als bedoeld in artikel 5:53, eerste lid, van de wet of
tot andere vertrouwelijke informatie over cliënten of transacties
met of voor cliënten:
a. geen persoonlijke transactie
door of in naam van die relevante persoon wordt verricht die in
strijd is met artikel 5:56 of 5:58 Wft;
b. geen persoonlijke transactie
door of in naam van die relevante persoon wordt verricht die
gepaard gaat met misbruik of ongeoorloofde bekendmaking van de
in de aanhef bedoelde vertrouwelijke informatie;
c. geen persoonlijke transactie
door of in naam van die relevante persoon wordt verricht die
anderszins in strijd is of in strijd kan zijn met hetgeen ter
uitvoering van de herziene richtlijn beleggingsinstellingen of
de richtlijn markten voor financiële instrumenten ingevolge de
wet is bepaald;
d. de relevante persoon niet,
anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf,
een andere persoon adviseert om een transactie in een financieel
instrument aan te gaan die, wanneer dit een persoonlijke
transactie van de relevante persoon zou zijn, niet zou zijn
toegestaan op grond van onderdeel a, b of c, of onder artikel
35h, onderdeel a of b of artikel 164, derde lid zou vallen; en
e. de relevante persoon geen
informatie of advies aan een andere persoon bekendmaakt anders
dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, indien
de relevante persoon weet of redelijkerwijs behoort te weten dat
de andere persoon een transactie in een financieel instrument
zal of zou kunnen aangaan die, wanneer dit een persoonlijke
transactie van de relevante persoon zou zijn, niet zou zijn
toegestaan op grond van onderdeel a, b of c, of onder artikel
35h, onderdeel a of b ofartikel 164, derde lid zou vallen;
f. de relevante persoon geen
informatie of advies aan een andere persoon bekendmaakt anders
dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf indien
de relevante persoon weet of redelijkerwijs behoort te weten dat
de andere persoon een derde zal of zou kunnen adviseren een
transactie in een financieel instrument aan te gaan die, wanneer
het een persoonlijke transactie van de relevante persoon zou
zijn, niet zou zijn toegestaan.
Artikel 35d
Een beheerder van een instelling voor
collectieve belegging in effecten of beleggingsonderneming als bedoeld
in artikel 4:14, eerste lid, van de wet draagt er zorg voor dat
relevante personen op de hoogte zijn van de door haar vastgestelde
maatregelen en procedures, bedoeld in artikel 35c, eerste lid.
Artikel 35e
1. De procedures en maatregelen
bedoeld inartikel 35c, eerste lid, houden in dat de beheerder of
beleggingsonderneming onverwijld in kennis wordt gesteld van elke
persoonlijke transactie.
2. De beheerder of
beleggingsonderneming houdt gegevens bij van aan haar gemelde of
door haar onderkende persoonlijke transacties en vermeldt daarbij in
voorkomend geval tevens of de desbetreffende transactie is
toegestaan.
3. Ingeval van uitbesteding draagt de
beheerder of beleggingsonderneming zorg voor registratie door de
onderneming waaraan de activiteit wordt uitbesteed van gegevens met
betrekking tot persoonlijke transacties. Deze gegevens worden
desgevraagd onverwijld aan de beheerder of beleggingsonderneming
verstrekt.
4. Het eerste tot en met het derde
lid zijn niet van toepassing op achtereenvolgende persoonlijke
transacties, met uitzondering van de eerste persoonlijke transactie,
die worden uitgevoerd namens een relevante persoon overeenkomstig
vooraf door de relevante persoon gegeven instructies, wanneer de
instructies ongewijzigd van kracht blijven.
Artikel 35f
Deartikelen 35c, 35d en 35e, eerste tot
en met het derde lid, zijn niet van toepassing op:
a. persoonlijke transacties
verricht in het kader van het beheer van een individueel vermogen
of collectief beheer van een beleggingsportefeuille waarbij het
vermogen respectievelijk de portefeuille op discretionaire basis
wordt beheerd en waarbij over de transactie geen voorafgaande
communicatie heeft plaatsgevonden tussen de vermogensbeheerder en
de relevante persoon of een andere persoon als bedoeld in de
definitie vanpersoonlijke transactie, onder 3° of 4°, in artikel
1, voor wiens rekening de transactie wordt uitgevoerd;
b. persoonlijke transacties in
rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging
in effecten, indien noch de relevante persoon, noch een persoon
als bedoeld in de definitie van persoonlijke transactie, onder 3°
of 4°, in artikel 1, voor wiens rekening de transacties worden
uitgevoerd, bij de leiding van de betreffende instelling betrokken
is.
Artikel 35g
1. Indien een beleggingsonderneming
onderzoek op beleggingsgebied verricht of laat verrichten waarvan
het de bedoeling is of aangenomen mag worden dat het daarna onder
eigen verantwoordelijkheid of onder de verantwoordelijkheid van een
rechtspersoon die deel uitmaakt van dezelfde groep als de
beleggingsonderneming onder cliënten of onder het publiek wordt
verspreid, is artikel 35a, tweede tot en met vierde lid, van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de financieel analisten
die betrokken zijn bij het verrichten van onderzoek op
beleggingsgebied, en andere relevante personen wier
verantwoordelijkheden of zakelijke belangen in strijd kunnen zijn
met de belangen van degenen onder wie het onderzoek op
beleggingsgebied wordt verspreid.
2. De Autoriteit Financiële Markten
kan op aanvraag ontheffing verlenen van de ingevolge het eerste lid
toepasselijke bepalingen indien de beleggingsonderneming voornemens
is door een derde, die geen deel uitmaakt van de groep waartoe de
beleggingsonderneming behoort, verricht onderzoek op
beleggingsgebied te verspreiden en de beleggingsonderneming:
a. geen ingrijpende wijzigingen
aanbrengt in de aanbevelingen in het onderzoek;
b. het onderzoekniet presenteert
als onderzoek dat zij zelf heeft verricht; en
c. zich ervan vergewist dat
degene die het onderzoek heeft verricht aan verplichtingen
voldoet met betrekking tot het verrichten van het onderzoek die
gelijkwaardig zijn aan hetgeen ingevolge dit besluit is bepaald
met betrekking tot het verrichten van onderzoek op
beleggingsgebied.
Artikel 35h
Een beleggingsonderneming die onderzoek
op beleggingsgebied verricht of laat verrichten en voornemens is dat
onderzoek onder cliënten of het publiek te verspreiden, draagt er
zorg voor dat:
a. de bij het onderzoek betrokken
financieel analisten of andere relevante personen geen transacties
verrichten namens de beleggingsonderneming of andere personen, in
financiële instrumenten waarop het onderzoek op beleggingsgebied
betrekking heeft, dan wel in daarmee gelieerde financiële
instrumenten, behalve als marketmaker, indien zij op de hoogte
zijn van het tijdstip van verspreiding of de inhoud van het
onderzoek op beleggingsgebied en deze kennis niet openbaar is,
totdat de ontvangers van het onderzoek een redelijke kans hebben
gehad ernaar te handelen;
b. de bij het onderzoek betrokken
financieel analisten of andere relevante personen die bij het
verrichten van onderzoek op beleggingsgebied zijn betrokken, geen
met de gangbare aanbevelingen strijdige persoonlijke transacties
verrichten in financiële instrumenten waarop het onderzoek op
beleggingsgebied betrekking heeft, dan wel in daarmee gelieerde
financiële instrumenten, behalve in uitzonderingsgevallen en in
die gevallen met voorafgaande instemming van het
organisatieonderdeel dat de compliancefunctie, bedoeld in artikel
31c, uitoefent;
c. zijzelf, financieel analisten en
andere relevante personen die bij het verrichten van het onderzoek
zijn betrokken, geen vergoeding aanvaarden van degenen die een
wezenlijk belang hebben bij het onderwerp van het onderzoek;
d. zijzelf, de financieel analisten
en andere relevante personen die bij het verrichten van onderzoek
op beleggingsgebied zijn betrokken, aan uitgevende instellingen
als bedoeld in artikel 5:53, vierde lid, van de wet, niet een
gunstige behandeling beloven in hun onderzoek; en
e. uitgevende instellingen als
bedoeld in artikel 5:53, vierde lid, van de wet, relevante
personen die geen financieel analist zijn, en andere personen
vóór de verspreiding van het onderzoek geen inzage krijgen in
het concept-onderzoek ter controle van de juistheid van de
feitelijke beweringen in dit onderzoek of voor andere doeleinden,
met uitzondering van een controle op de naleving van de juridische
verplichtingen van de uitgevende instelling, indien het
concept-onderzoek een aanbeveling of richtprijs bevat.
Artikel 35i
1. Een financiële onderneming legt
het beleid inzake beloningen als bedoeld in artikel 86a schriftelijk
vast en draagt er zorg voor dit beleid te implementeren en in stand
te houden. Het beleid is afgestemd op de omvang en organisatie van
de financiële onderneming en aan de aard, omvang en complexiteit
van haar bedrijf.
2. Het beleid inzake beloningen
omschrijft, onder verwijzing naar de specifieke financiële diensten
of andere activiteiten die door of in naam van de financiële
onderneming worden verleend respectievelijk verricht, de
beloningscomponenten en beloningsstructuren die kunnen leiden tot
het risico van onzorgvuldige behandeling van consumenten, cliënten
of deelnemers, alsmede de te volgen procedures en maatregelen die
dat risico voorkomen en beheersen.
3. Een financiële onderneming
beschikt over procedures en maatregelen ter uitvoering van het
beleid, als bedoeld in het eerste lid.
4. De Autoriteit Financiële Markten
kan regels stellen met betrekking tot:
a. de wijzen waarop het beleid
inzake beloningen wordt opgesteld en vastgesteld of goedgekeurd,
uitgevoerd, geëvalueerd en aangepast; en
b. de wijze waarop vorm wordt
gegeven aan beloningscomponenten en beloningsstructuren en de
wijze waarop de risico’s die uit het beleid en de uitvoering
daarvan voortvloeien, worden beheerst.
Hoofdstuk 6. Uitbesteden van
werkzaamheden
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:16, tweede en derde lid, van de wet
Artikel 36
Dit hoofdstuk is niet van toepassing
op:
a. beheerders van instellingen voor
collectieve belegging in effecten met zetel in een andere
lidstaat, instellingen voor collectieve belegging in effecten met
zetel in een andere lidstaat en de eventueel aan die instellingen
verbonden bewaarders; en
b. beheerders van
beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat,
beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat en de
eventueel aan die beleggingsinstellingen verbonden bewaarders.
Artikel 37
Een financiële onderneming gaat niet
over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien dat een belemmering
vormt voor een adequaat toezicht op de naleving van het Deel
Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet.
Artikel 38
1. Indien een beheerder of bewaarder
in het kader van het beheer van een beleggingsinstelling
onderscheidenlijk in het kader van de bewaring van de activa van een
beleggingsinstelling een of meer werkzaamheden uitbesteedt:
a. is de derde op ieder door de
beheerder, de door de beheerder beheerde beleggingmaatschappij
of de bewaarder gewenst moment in staat verantwoording af te
leggen over de door hem uitgevoerde werkzaamheden en de
beheerder, de door de beheerder beheerde beleggingsmaatschappij
of de bewaarder daar inzicht in te bieden;
b. kan de beheerder of de
bewaarder te allen tijde instructies omtrent de uitvoering van
de werkzaamheden geven aan de derde en kan hij de uitbesteding
met onmiddellijke ingang beëindigen indien dit in het belang
van de beleggers is; en
c. is de derde, gelet op de aard
van de opdracht, aantoonbaar in staat om de opdracht in
overeenstemming met de wet te vervullen.
2. Een beheerder besteedt het bepalen
van het beleggingsbeleid van een beleggingsinstelling niet uit.
3. Iedere overeenkomst die een
beheerder of een bewaarder aangaat in het kader van het uitbesteden
van het beheer van de beleggingsinstelling onderscheidenlijk in het
kader van de bewaring van de activa van de beleggingsinstelling,
wordt schriftelijk vastgelegd.
Artikel 38a
1. Indien een beheerder van een
instelling voor collectieve belegging in effecten voornemens is
werkzaamheden uit te besteden, stelt hij de Autoriteit Financiële
Markten daarvan in kennis. De Autoriteit Financiële Markten geeft
deze informatie onverwijld door aan de toezichthoudende instantie
van de lidstaat van de zetel van de instelling voor collectieve
belegging in effecten.
2. Onverminderdartikel 38 draagt een
beheerder die het beheer van een instelling voor collectieve
belegging in effecten uitbesteedt aan een derde er zorg voor dat:
a. uitbesteding van het beheer
van beleggingengeschiedt aan een derde waaraan voor het beheren
van beleggingsinstellingen of het beheren van individuele
vermogens een vergunning of erkenning is verleend en die aan
prudentieel toezicht is onderworpen;
b. bij uitbesteding van het
beheer van beleggingen aan een derde met zetel in een staat die
geen lidstaat of aangewezen staat is, de samenwerking van de
toezichthouders met de toezichthoudende instanties van de staat
van de zetel van de derde op grond van een overeenkomst is
gewaarborgd;
c. de belangen van de derde niet
strijdig zijn met die van de beheerder zelf, de bewaarder of de
deelnemers in de instelling voor collectieve belegging in
effecten;
d. de uitbesteding niet
verhindert dat wordt gehandeld in het beste belang van de
deelnemers; en
e. hij de nodige deskundigheid
behoudt om een doeltreffende controle op de uitbestede
werkzaamheden uit te oefenen; en
f. hij over de nodige
deskundigheid beschikt en de nodige zorgvuldigheid en
waakzaamheid in acht neemt bij het aangaan, beheren of
beëindigen van overeenkomsten met derden.
3. De beheerder draagt er zorg voor
dat de betrokken derde over de nodige deskundigheid en capaciteit
beschikt om de uitbestede werkzaamheden op betrouwbare,
professionele en doeltreffende wijze uit te oefenen. De beheerder
stelt methoden vast voor de doorlopende beoordeling van het
prestatieniveau van de desbetreffende derde.
Artikel 38b
1. Een beleggingsonderneming gaat
niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien dat afbreuk
doet aan de kwaliteit van haar onafhankelijke interne toetsing als
bedoeld inartikel 31, zesde lid.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op banken die een vergunning hebben als bedoeld in
artikel 2:11 van de wet en in Nederland beleggingsdiensten mogen
verlenen of beleggingsactiviteiten mogen verrichten.
Artikel 38c
1. Een beleggingsonderneming die
werkzaamheden uitbesteedt aan een derde, draagt er zorg voor dat zij
daartoe over de nodige deskundigheid beschikt en daarbij de nodige
zorgvuldigheid en waakzaamheid in acht neemt.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op banken die een vergunning hebben als bedoeld in
artikel 2:11 van de wet en in Nederland beleggingsdiensten mogen
verlenen of beleggingsactiviteiten mogen verrichten.
Artikel 38d
1. Een beleggingsonderneming die
werkzaamheden uitbesteedt aan een derde draagt er zorg voor dat:
a. de uitbesteding geen afbreuk
doet aan de verantwoordelijkheid van de personen die het
dagelijks beleid bepalen;
b. door de uitbesteding de
relatie en verplichtingen van de beleggingsonderneming jegens
haar cliënten uit hoofde van hetgeen ter implementatie van de
richtlijn markten voor financiële instrumenten ingevolge de wet
is bepaald niet worden gewijzigd;
c. de voorwaarden waaraan de
beleggingsonderneming moet voldoen om een vergunning als bedoeld
in artikel 2:96 van de wet te verkrijgen en om deze te behouden
niet worden ondermijnd; en
d. door de uitbesteding geen
afbreuk wordt gedaan aan de naleving van voorschriften verbonden
aan de vergunning als bedoeld in artikel 2:96 van de wet.
2. Het eerste lid, aanhef en
onderdeel a, is niet van toepassing op banken die een vergunning
hebben als bedoeld in artikel 2:11 van de wet en in Nederland
beleggingsdiensten mogen verlenen of beleggingsactiviteiten mogen
verrichten.
Artikel 38e
1. Een beleggingsonderneming die
werkzaamheden uitbesteedt aan een derde legt de wederzijdse rechten
en verplichtingen vast in een schriftelijke overeenkomst.
2. De beleggingsonderneming draagt er
zorg voor dat:
a. de derde over de
deskundigheid, de capaciteit en elke bij wet vereiste vergunning
beschikt om de uitbestede werkzaamheden op betrouwbare en
professionele wijze uit te voeren;
b. de derde de uitbestede
werkzaamheden efficiënt verricht en dat zij methoden vaststelt
om het prestatieniveau van de derde te beoordelen;
c. de derde de uitvoering van de
uitbestede werkzaamheden afdoende controleert en de daaraan
verbonden risico´s op adequate wijze beheerst;
d. zij passende actie onderneemt
indien blijkt dat de derde de werkzaamheden niet efficiënt en
met inachtneming van de wettelijke voorschriften uitvoert;
e. zij de nodige deskundigheid
behoudt om een doeltreffend controle op de uitbestede
werkzaamheden uit te oefenen;
f. de derde haar in kennis stelt
van elke ontwikkeling die van wezenlijke invloed kan zijn op
zijn vermogen om de uitbestede werkzaamheden efficiënt en met
inachtneming van de wettelijke voorschriften uit te voeren;
g. zij de
uitbestedingsovereenkomst indien nodig kan beëindigen zonder
dat dit nadelige gevolgen heeft voor de continuïteit of de
kwaliteit van haar dienstverlening aan cliënten;
h. de derde met betrekking tot de
uitbestede werkzaamheden medewerking verleent aan de
toezichthouders;
i. zij, haar accountants en de
toezichthouders toegang hebben tot de gegevens over de
uitbestede werkzaamheden en dat de toezichthouders bij de derde
een onderzoek ter plaatse kunnen doen of laten doen;
j. de derde alle vertrouwelijke
informatie over haar en haar cliënten beschermt;
k. zij en de derde over een
noodplan beschikken dat voorziet in calamiteitenbeheersing en in
een periodieke controle van de noodvoorzieningen wanneer dit
noodzakelijk is gelet op de uitbestede werkzaamheden.
3. De toezichthouders maken slechts
gebruik van de mogelijkheid, bedoeld in het tweede lid, onderdeel i,
om bij de derde een onderzoek ter plaatse te doen of te laten doen,
indien niet op andere wijze kan worden vastgesteld dat ten aanzien
van de uitbestede werkzaamheden wordt voldaan aan het bij of
krachtens de wet bepaalde.
4. Het eerste, tweede en derde lid,
onderdelen a, b, d, e en g zijn niet van toepassing op banken die
een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:11 van de wet en in
Nederland beleggingsdiensten mogen verlenen of
beleggingsactiviteiten mogen verrichten.
Artikel 38f
1. Een beleggingsonderneming die het
beheren van een individueel vermogen van een niet-professionele
belegger uitbesteedt aan een derde in een staat die geen lidstaat
is, draagt er, onverminderd de artikelen 38cen 38d, zorg voor dat:
a. de derde in de staat van
herkomst voor het beheren van individueel vermogen een
vergunning heeft of in een register is ingeschreven en onder
prudentieel toezicht staat; en
b. er een
samenwerkingsovereenkomst is gesloten tussen de toezichthouders
en de toezichthoudende instantie van de staat die geen lidstaat
is.
2. Indien niet wordt voldaan aan het
eerste lid, kan de beleggingsonderneming de betreffende
werkzaamheden uitbesteden indien zij de Autoriteit Financiële
Markten vooraf in kennis stelt van de uitbestedingsovereenkomst en
deze binnen een redelijke termijn geen bezwaar maakt.
3. De Autoriteit Financiële Markten
stelt beleidsregels vast met betrekking tot de gevallen waarin zij
geen bezwaar zal aantekenen in de zin van het tweede lid.
4. De Autoriteit Financiële Markten
maakt een lijst bekend van toezichthoudende instanties in staten die
geen lidstaat zijn met wie zij een samenwerkingsovereenkomst als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft gesloten.
Artikel 38g
Een betaalinstelling of
elektronischgeldinstelling besteedt de taken en werkzaamheden van
personen die het dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan het
vaststellen van het beleid en het afleggen van verantwoording over het
gevoerde beleid, niet uit.
Artikel 38h
Een betaalinstelling of
elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 38g gaat niet over
tot het uitbesteden van werkzaamheden indien dat afbreuk doet aan de
kwaliteit van de interne controle van de betaalinstelling of
elektronischgeldinstelling.
Artikel 38i
Indien een betaalinstelling of
elektronischgeldinstelling voornemens is werkzaamheden in verband met
het verlenen van betaaldiensten dan wel met de uitgifte van
elektronisch geld uit te besteden, stelt zij de toezichthouder daarvan
in kennis.
Artikel 38j
Bij de uitbesteding van werkzaamheden
in verband met het verlenen van betaaldiensten dan wel de uitgifte van
elektronisch geld draagt de betaalinstelling of de
elektronischgeldinstelling er zorg voor dat uitbesteding de
verplichtingen van de betaalinstelling, onderscheidenlijk de
elektronischgeldinstelling, jegens haar cliënten en de rechten van
haar cliënten uit hoofde van de wet of Titel 7B van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek niet wijzigt.
Artikel 38k
1. Deartikelen 37, 38g, 38h en 38j
zijn slechts van toepassing op het uitbesteden van werkzaamheden
door betaalinstellingen of elektronischgeldinstellingen voor zover
het belangrijke werkzaamheden betreft.
2. Een werkzaamheid wordt als
belangrijk aangemerkt indien een gebrekkige of tekortschietende
uitvoering ervan wezenlijk afbreuk zou doen aan de naleving door de
betaalinstelling of de elektronischgeldinstelling van de
vergunningsvereisten, als bedoeld in artikel 2:3b van de wet
respectievelijk artikel 2:10b van de wet, of van andere
verplichtingen ingevolge de wet of Titel 7B van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, dan wel aan haar financiële resultaten of de
soliditeit of continuïteit van haar betaaldiensten of uitgifte van
elektronisch geld.
Artikel 38l
Indien een premiepensioeninstelling of
pensioenbewaarder in het kader van het beheer van een pensioenvermogen
onderscheidenlijk in het kader van de bewaring van een
pensioenvermogen een of meer werkzaamheden uitbesteedt:
a. is de derde op ieder door de
premiepensioeninstelling of de pensioenbewaarder gewenst moment in
staat verantwoording af te leggen over de door hem uitgevoerde
werkzaamheden en de premiepensioeninstelling of de
pensioenbewaarder daar inzicht in te bieden;
b. kan de premiepensioeninstelling
of de pensioenbewaarder te allen tijde instructies omtrent de
uitvoering van de werkzaamheden geven aan de derde en kan hij de
uitbesteding met onmiddellijke ingang beëindigen indien dit in
het belang van de pensioendeelnemers is; en
c. is de derde, gelet op de aard
van de opdracht, aantoonbaar in staat om de opdracht in
overeenstemming met de wet te vervullen.
Hoofdstuk 7. Klachtenafhandeling
§ 7.1. Interne klachtenprocedure
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:17, derde lid, van de wet
Artikel 39
Een beleggingsonderneming of
financiëledienstverlener als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van
de wet stelt aan alle personen die binnen haar onderscheidenlijk zijn
onderneming betrokken zijn bij de afhandeling van klachten van
cliënten of consumenten over financiële diensten of financiële
producten van de financiële onderneming, een beschrijving beschikbaar
van de te volgen procedure voor de afhandeling van die klachten.
Artikel 40
Met het oog op een adequate behandeling
van klachten van cliënten of consumenten over financiële diensten of
financiële producten van een beheerder, beleggingsonderneming of
financiëledienstverlener als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van
de wet, beschikt de beheerder, beleggingsonderneming of
financiëledienstverlener over een behoorlijke administratie van die
klachten, waarin ten minste worden vastgelegd:
a. de naam en het adres van de
cliënt of consument die een klacht heeft ingediend;
b. de klacht, met de daarbij
behorende dagtekening van ontvangst;
c. een omschrijving van de klacht;
en
d. een beschrijving van de wijze
waarop de financiële onderneming de klacht heeft behandeld.
Artikel 41
Een beleggingsonderneming of
financiëledienstverlener als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van
de wet bewaart de gegevens, bedoeld in artikel 40, gedurende een
periode van ten minste een jaar nadat de klacht door haar
onderscheidenlijk hem is afgehandeld.
Artikel 42
1. Een beheerder als bedoeld in
artikel 4:17, eerste lid, van de wet voorziet in procedures en
maatregelen die waarborgen dat klachten van deelnemers in door hem
beheerde beleggingsinstellingen zorgvuldig, verifieerbaar,
consistent en binnen een redelijke termijn worden afgehandeld.
2. De beheerder stelt kosteloos
informatie over de procedures, bedoeld in het eerste lid, ter
beschikking aan de deelnemers in een door hem beheerde
beleggingsinstelling.
3. Een betaaldienstverlener voorziet
in procedures en maatregelen die waarborgen dat klachten van
cliënten over het verlenen van betaaldiensten door deze
betaaldienstverlener, zorgvuldig, verifieerbaar, consistent en
binnen een redelijke termijn worden afgehandeld.
4. Een elektronischgeldinstelling
voorziet in procedures en maatregelen die waarborgen dat klachten
van cliënten over het verlenen van betaaldiensten dan wel over de
uitgifte van elektronisch geld door deze elektronischgeldinstelling,
zorgvuldig, verifieerbaar, consistent en binnen een redelijke
termijn worden afgehandeld.
§ 7.2. Erkende geschilleninstantie
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:17, derde lid, van de wet
Artikel 43
1. Onze Minister erkent een
geschilleninstantie als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid,
onderdeel b, van de wet op aanvraag, indien de aanvrager heeft
aangetoond te kunnen voldoen aan deartikelen 44 tot en met 48.
2. Onze Minister beslist op een
aanvraag om erkenning binnen vier maanden nadat de aanvraag is
ingediend. De beslissingstermijn kan ten hoogste tweemaal met twee
maanden worden verlengd.
3. Onze Minister kan aan een
erkenning voorschriften verbinden.
4. Een erkende geschilleninstantie
verstrekt aan Onze Minister binnen een half jaar na afloop van elk
kalenderjaar een opgave van:
a. de in het afgelopen
kalenderjaar bij de geschilleninstantie aangesloten
betaaldienstverleners en financiëledienstverleners; en
b. een opgave van het aantal in
het afgelopen kalenderjaar ingediende en behandelde geschillen,
alsmede een algemene weergave van de aard van de geschillen en
de uitkomst van de geschilbeslechting.
5. Een erkende geschilleninstantie
informeert Onze Minister onverwijld over wijzigingen in het
reglement, bedoeld inartikel 45, eerste lid, en van de samenstelling
van het orgaan, bedoeld in artikel 44. Bij wijzigingen van de
samenstelling van dit orgaan vermeldt de geschilleninstantie de
leeftijd, genoten opleiding en professionele achtergrond van het
betrokken lid.
6. Een erkende geschilleninstantie
verstrekt aan Onze Minister op diens verzoek de gegevens die Onze
Minister nodig heeft voor de uitoefening van diens in deze paragraaf
omschreven taken.
7. Onze Minister kan een erkenning
intrekken:
a. op verzoek van de
geschilleninstantie;
b. indien de gegevens en
bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de erkenning
zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat de erkenning zou zijn
geweigerd, dan wel niet zonder het verbinden van voorschriften
zou zijn verleend, indien bij de behandeling van de aanvraag de
juiste gegevens volledig bekend waren geweest;
c. indien de geschilleninstantie
niet voldoet aan het vierde of zesde lid, artikel 44, 45, 46, 47
of 48 of een voorschrift, verbonden aan de erkenning.
8. Van een beslissing tot erkenning
of tot intrekking van de erkenning van een geschilleninstantie wordt
door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 44
1. Een erkende geschilleninstantie
draagt zorg voor de onafhankelijkheid en deskundigheid van het
orgaan dat binnen haar organisatie verantwoordelijk is voor de
behandeling van het geschil.
2. De onafhankelijkheid van het
orgaan wordt voldoende gewaarborgd indien de leden:
a. gedurende een jaar
voorafgaande aan de aanvaarding van hun functie niet gewerkt
hebben voor of enige functie bekleed hebben bij een
beroepsorganisatie voor betaaldienstverleners of
financiëledienstverleners of voor, onderscheidenlijk bij een
betaaldienstverlener of financiëledienstverlener, ten aanzien
van wiens betaaldiensten, financiële producten en financiële
diensten geschillen ter behandeling aan de geschilleninstantie
kunnen worden voorgelegd; en
b. vanaf de aanvaarding van hun
functie niet werkzaam zijn voor of enige functie bekleden bij
een beroepsorganisatie voor betaaldienstverleners of
financiëledienstverleners, of voor, onderscheidenlijk bij een
betaaldienstverlener of financiëledienstverlener, ten aanzien
van wiens betaaldiensten, financiële producten en financiële
diensten geschillen ter behandeling aan de geschilleninstantie
kunnen worden voorgelegd.
3. Ter waarborging van de
deskundigheid van het orgaan bezit in ieder geval de voorzitter van
het orgaan de hoedanigheid van meester in de rechten.
4. De bij de benoeming van een lid
van het orgaan te volgen procedure is schriftelijk vastgelegd.
Artikel 45
1. Een erkende geschilleninstantie
beschikt over en handelt in overeenstemming met een reglement voor
de behandeling van geschillen dat ten minste omvat:
a. een duidelijke omschrijving
van de geschillen die ter behandeling aan de geschilleninstantie
kunnen worden voorgelegd;
b. regels met betrekking tot het
aanhangig maken van een geschil en een duidelijke omschrijving
van de partijen die een geschil aanhangig kunnen maken;
c. indien de mogelijkheid daartoe
wordt geboden: de regels met betrekking tot wraking van een lid
van het orgaan, bedoeld in artikel 44, eerste lid, door
partijen, op grond van feiten of omstandigheden die een
onpartijdig of onafhankelijk oordeel van dat lid zouden
bemoeilijken;
d. regels met betrekking tot de
behandeling van een geschil door de geschilleninstantie;
e. regels met betrekking tot het
op voet van gelijkheid bieden van gelegenheid aan partijen om
mondeling en schriftelijk, desgewenst met bijstand van derden,
hun mening aan de geschilleninstantie kenbaar te maken;
f. regels met betrekking tot de
voorwaarden waaronder een deskundige kan worden verzocht een
advies uit te brengen;
g. regels met betrekking tot de
voorwaarden waaronder getuigen en deskundigen kunnen worden
gehoord, dan wel inlichtingen van hen kunnen worden ingewonnen;
h. regels met betrekking tot de
mogelijkheid voor partijen om van alle door hen naar voren
gebrachte feiten en stellingen, alsmede van verklaringen van
getuigen en deskundigen, over en weer kennis te nemen en daarop
te reageren;
i. regels met betrekking tot de
voorwaarden waaronder een geschil door middel van een verkorte
schriftelijke procedure of een voorlopig oordeel kan worden
afgedaan;
j. regels met betrekking tot het
soort regels waarop de geschilleninstantie haar beslissingen
baseert;
k. regels met betrekking tot de
mogelijkheid dat de beslechting van een geschil resulteert in
een niet-bindend advies;
l. de bepaling dat de beslechting
van een geschil slechts resulteert in een bindend advies indien
de betaaldienstverlener of financiële dienstverlener daarmee
uitdrukkelijk vooraf heeft ingestemd;
m. regels met betrekking tot de
vaststelling van de hoogte van het bedrag dat, zo dit
verschuldigd is, bij het aanhangig maken van het geschil dient
te worden voldaan;
n. regels met betrekking tot de
mogelijkheid om partijen in de kosten van de behandeling van een
geschil te veroordelen en vaststelling van een hierbij geldend
maximumbedrag;
o. regels met betrekking tot de
vorm, inhoud en bekendmaking van de uitkomst van het advies,
bedoeld in de onderdelen k en l, waarbij in ieder geval is
bepaald dat deze uitkomst, met redenen omkleed, ondertekend en
schriftelijk aan partijen wordt medegedeeld; en
p. indien beroep tegen een
uitspraak mogelijk is, de regels met betrekking tot het
mededelen van de mogelijkheid van beroep, de wijze en termijn
van het instellen, alsmede de behandeling van dit beroep.
2. Een erkende geschilleninstantie
houdt het reglement, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar en
verstrekt het kosteloos op verzoek aan iedere belanghebbende.
Artikel 46
Een erkende geschilleninstantie draagt
er zorg voor dat de kosten voor het aanhangig maken van een geschil
zodanig beperkt blijven dat de toegang tot de geschilleninstantie niet
onredelijk wordt belemmerd.
Artikel 47
Een erkende geschilleninstantie draagt
er zorg voor dat de behandeling van een geschil binnen een redelijke
termijn wordt voltooid.
Artikel 48
Een erkende geschilleninstantie stelt
aan een betaaldienstverlener of financiëledienstverlener die zich bij
haar wil aansluiten niet als voorwaarde voor aansluiting dat de
betaaldienstverlener of financiëledienstverlener andere regels
naleeft dan die welke betrekking hebben op het aanhangig maken van een
geschil bij de geschilleninstantie of de verdere behandeling van een
geschil door de geschilleninstantie.
Hoofdstuk 8. Zorgvuldige
dienstverlening
Afdeling 8.1. Informatieverstrekking
§ 8.1.1. Inleidende bepaling
Bepaling ter uitvoering van de
artikelen 4:22, eerste lid, 4:72, derde lid, aanhef en onderdeel a, en
4:73, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de wet
Artikel 49
1. Een financiële onderneming
verstrekt de ingevolge deze afdeling en de artikelen 4:72, eerste
lid, en 4:73, eerste lid, van de wet aan de consument of cliënt te
verstrekken informatie schriftelijk, tenzij in deze afdeling anders
wordt bepaald. De financiële onderneming kan de informatie via een
andere duurzame drager verstrekken, indien zij zich ervan heeft
vergewist dat de consument onderscheidenlijk cliënt over de
benodigde middelen beschikt om kennis te nemen van de aldus te
verstrekken informatie.
2. De financiële onderneming
verstrekt de informatie, bedoeld in het eerste lid, in de
Nederlandse taal. De informatie kan in een andere taal worden
verstrekt:
a. indien de consument of cliënt
daarom verzoekt en de financiële onderneming hiermee heeft
ingestemd;
b. indien partijen een keuze
hebben gemaakt voor de toepasselijkheid van het recht van een
andere staat op de overeenkomst inzake een financieel product;
of
c. indien het essentiële
beleggersinformatie betreft en het gebruik van de desbetreffende
taal door de Autoriteit Financiële Markten is goedgekeurd.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing op het verstrekken van informatie met betrekking tot
het verlenen van beleggingsdiensten.
Artikel 49a
1. Een beleggingsonderneming
verstrekt de ingevolge deze afdeling en de artikelen 4:20, derde
lid, 4:90b, derde en achtste lid, en artikel 4:90c, derde lid, van
de wet aan de cliënt te verstrekken informatie schriftelijk, tenzij
in deze afdeling of die artikelen anders wordt bepaald. De
beleggingsonderneming kan na toestemming van de cliënt, de
informatie op een andere duurzame drager verstrekken, indien dat
past in de context waarin zij met de cliënt zaken doet.
2. Een beleggingsonderneming kan, na
toestemming van de cliënt, de op grond van de artikelen 58a tot en
met 58e en 59a te verschaffen informatie die niet persoonlijk tot de
cliënt is gericht via haar website verstrekken indien:
a. het gebruik van de website
past in de context waarin zij met de cliënt zaken doet;
b. de cliënt elektronisch op de
hoogte wordt gesteld van het adres van de website en de plaats
op de website waar de informatie kan worden verkregen;
c. de informatie actueel is en,
zolang dat voor de cliënt van belang is, op de website
toegankelijk blijft.
3. De verstrekking van informatie
door de beleggingsonderneming aan de cliënt via elektronische
mededelingen past in de context waarin de beleggingsonderneming met
de cliënt zaken doet, indien is bewezen dat de cliënt regelmatig
toegang heeft tot internet. Het gegeven dat de cliënt een
e-mailadres opgeeft om zaken te kunnen doen geldt in ieder geval als
bewijs hiervan.
§ 8.1.1a. Cliëntenclassificatie
Bepaling ter uitvoering van artikel
4:18c, vierde lid, van de wet
Artikel 49b
Een cliënt die als niet-professionele
belegger is gekwalificeerd, kan door een beleggingsonderneming op
schriftelijk verzoek als professionele belegger worden behandeld
indien is voldaan aan het in artikel 4:18c van de wet bepaalde, en:
a. de beleggingsonderneming de
cliënt schriftelijk waarschuwt voor het lagere beschermingsniveau
en het niet van toepassing zijn van het
beleggerscompensatiestelsel; en
b. de cliënt in een afzonderlijk
document bevestigt dat hij zich bewust is van de gevolgen die aan
het lagere beschermingsniveau verbonden zijn.
§ 8.1.2. Algemene informatie over
financiële ondernemingen
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:22, eerste lid, van de wet
Artikel 50
1. Een beheerder houdt de volgende
gegevens beschikbaar op zijn website:
a. de gegevens omtrent hemzelf,
de door hem beheerde beleggingsinstellingen en de bewaarders die
aan de beleggingsinstellingen zijn verbonden welke ingevolge
enig wettelijk voorschrift in het handelsregister moeten worden
opgenomen;
b. de overeenkomst, bedoeld in
artikel 4:43, eerste lid, van de wet;
c. zijn vergunning; en
d. elk door de Autoriteit
Financiële Markten genomen geldend besluit tot ontheffing van
het ingevolge deze wet bepaalde met betrekking tot hemzelf, de
door hem beheerde beleggingsinstellingen en de eventueel daaraan
verbonden bewaarder.
De beheerder verstrekt deze gegevens
desgevraagd tegen ten hoogste de kostprijs aan een ieder.
2. Een beheerder publiceert ten
behoeve van de deelnemers in een door hem beheerde
beleggingsinstelling maandelijks een opgave met toelichting van de
hierna te noemen gegevens op zijn website, waarbij tussen de
tijdstippen van opstelling een periode van ten minste een week ligt.
De opgave is, indien van toepassing, mede door de bewaarder
ondertekend en bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de totale waarde van de
beleggingen van de beleggingsinstelling;
b. een overzicht van de
samenstelling van de beleggingen;
c. het aantal uitstaande rechten
van deelneming; en
d. voorzover het betreft een
beleggingsinstelling waarvan de rechten van deelneming op
verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of
indirect worden ingekocht of terugbetaald: de meest recente
bepaalde intrinsieke waarde van de rechten van deelneming, onder
vermelding van het moment waarop de bepaling van de intrinsieke
waarde plaatsvond.
De beheerder verstrekt deze opgave
desgevraagd tegen ten hoogste de kostprijs aan de deelnemers in de
beleggingsinstelling.
3. Een beleggingsinstelling met zetel
in een aangewezen staat waarvan de rechten van deelneming op verzoek
van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden
ingekocht of terugbetaald, deelt desgevraagd aan ieder de
intrinsieke waarde van de rechten van deelneming mee. De intrinsieke
waarde wordt bepaald op het meest recente moment van in- en
uittreden van deelnemers in de beleggingsinstelling.
4. Het eerste tot en met derde lid
zijn niet van toepassing op beheerders van instellingen voor
collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat
voor zover het gaat om de soort informatieverschaffing aan de
deelnemers.
Artikel 50a
Een financiële onderneming maakt een
beschrijving van haar beleid inzake beloningen openbaar. De Autoriteit
Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de inhoud en
de wijze van openbaarmaking.
Artikel 51
1. Een beleggingsonderneming of bank
deelt aan een ieder die een gerechtvaardigd belang heeft op verzoek
mede aan welke systemen als bedoeld in artikel 212a van de
Faillissementswet de beleggingsonderneming onderscheidenlijk de bank
deelneemt.
2. Een beleggingsonderneming of bank
verstrekt aan een ieder die een gerechtvaardigd belang heeft op
verzoek informatie over de belangrijkste regels die gelden voor de
werking van de systemen bedoeld in artikel 212a van de
Faillissementswet, waaraan de beleggingsonderneming
onderscheidenlijk de bank deelneemt.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een andere
lidstaat.
§ 8.1.2a. Informatieverstrekking door
beleggingsondernemingen
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:19, vierde lid, van de wet
Artikel 51a
1. De door een beleggingsonderneming
aan een niet-professionele belegger verstrekte informatie:
a. bevat de naam van de
beleggingsonderneming;
b. is accuraat en wijst niet op
de mogelijke voordelen van een beleggingsdienst of financieel
instrument zonder dat ook een correcte en duidelijke indicatie
van de mogelijke risico´s wordt gegeven;
c. is toereikend en door de
presentatie ervan te begrijpen voor het gemiddelde lid van de
groep tot wie zij is gericht; en
d. geeft belangrijke zaken,
vermeldingen of waarschuwingen niet verhuld of afgezwakt weer.
2. Indien in de informatie
beleggingsdiensten, nevendiensten, personen die deze diensten
verrichten of financiële instrumenten onderling worden vergeleken:
a. is de vergelijking zinvol en
op correcte en evenwichtige wijze voorgesteld;
b. worden de voor de vergelijking
gebruikte informatiebronnen vermeld; en
c. worden de voornaamste voor de
vergelijking gebruikte feiten en aannames vermeld.
3. Indien de informatie een indicatie
bevat van de resultaten die in het verleden met een financieel
instrument, een financiële index of een beleggingsdienst zijn
behaald:
a. vormt deze indicatie niet het
meest opvallende kenmerk van de mededeling;
b. bevat de informatie passende
gegevens over de resultaten over de onmiddellijk voorafgaande
vijf jaar of over de gehele periode waarin het financiële
instrument is aangeboden, de financiële index is vastgesteld of
de beleggingsdienst is verleend, indien deze periode korter is
dan vijf jaar, dan wel over een door de onderneming gekozen
langere periode waarbij altijd wordt uitgegaan van volledige
perioden van twaalf maanden;
c. worden de referentieperiode en
de informatiebron duidelijk aangegeven;
d. wordt in de informatie
duidelijk gewaarschuwd dat het om resultaten uit het verleden
gaat en dat deze geen betrouwbare indicator vormen voor
toekomstige resultaten;
e. wordt, indien de indicatie
berust op gegevens die in een andere valuta luiden dan die van
de lidstaat waarin de niet-professionele belegger woonachtig is,
de desbetreffende valuta duidelijk vermeld en wordt tegelijk
gewaarschuwd dat het rendement door valutaschommelingen hoger of
lager kan uitvallen; en
f. wordt indien de indicatie op
brutoresultaten berust, het effect van provisies, vergoedingen
en andere lasten vermeld.
4. Indien de informatie fictieve, in
het verleden behaalde resultaten bevat of daarnaar verwijst, heeft
deze betrekking op een financieel instrument of een financiële
index, en:
a. berusten de fictieve, in het
verleden behaalde resultaten op de feitelijke resultaten die in
het verleden zijn behaald met een of meer financiële
instrumenten of financiële indices die identiek zijn aan of de
onderliggende waarde vormen van het betrokken financiële
instrument;
b. is op de onder a bedoelde
feitelijke resultaten die in het verleden zijn behaald, het
derde lid, onderdelen a, b, c, e en f van overeenkomstige
toepassing; en
c. wordt in de informatie
duidelijk gewaarschuwd dat het om fictieve, in het verleden
behaalde resultaten gaat en dat in het verleden behaalde
resultaten geen betrouwbare indicator vormen voor toekomstige
resultaten.
5. Indien de informatie gegevens over
toekomstige resultaten bevat:
a. wordt niet uitgegaan van of
verwezen naar fictieve in het verleden behaalde resultaten;
b. wordt uitgegaan van redelijke
aannames die worden ondersteund door objectieve gegevens;
c. wordt het effect van
provisies, vergoedingen en andere lasten vermeld indien de
informatie op brutoresultaten berust; en
d. wordt duidelijk gewaarschuwd
dat dergelijke prognoses geen betrouwbare indicator vormen voor
toekomstige resultaten.
6. Indien de informatie verwijst naar
een bepaalde fiscale behandeling, wordt duidelijk vermeld dat deze
behandeling afhangt van de individuele omstandigheden van de cliënt
en in de toekomst aan wijzigingen onderhevig kan zijn.
7. In de informatie wordt de naam van
de toezichthouder niet zodanig gebruikt dat daarmee wordt beweerd of
gesuggereerd dat deze de producten of diensten van de
beleggingsonderneming steunt of aanbeveelt.
§ 8.1.3. Reclame-uitingen en andere
onverplichte precontractuele informatie
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:22, eerste lid, van de wet
Artikel 52
1. Indien een financiële onderneming
in een reclame-uiting, anders dan via de televisie of de radio,
informatie verstrekt over een complex product, verstrekt zij daarbij
informatie over de belangrijkste financiële risico’s van dat
product, die onder meer inzichtelijk worden gemaakt door een
risico-indicator en, indien het een beleggingsobject betreft, de
belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.
2. Indien een financiële onderneming
in een reclame-uiting via de televisie informatie verstrekt over een
complex product, verstrekt zij daarbij informatie over de
belangrijkste financiële risico’s van dat product door het
weergeven van een risico-indicator en, indien het een
beleggingsobject betreft, de belangrijkste overige risico’s die
samenhangen met dat product.
3. Indien een financiële onderneming
in een reclame-uiting via de radio informatie verstrekt over een
complex product, verstrekt zij daarbij informatie over de
belangrijkste financiële risico’s van dat product en, indien het
een beleggingsobject betreft, de belangrijkste overige risico’s
die samenhangen met dat product.
4. Indien een financiële onderneming
voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een
complex product informatie verstrekt over dat product, verwijst zij
daarbij naar de financiële bijsluiter of, indien het rechten van
deelneming in een instelling voor collectieve belegging in effecten
betreft, naar de essentiële beleggersinformatie.
5. Indien een financiële onderneming
voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een
complex product, anders dan in een reclame-uiting via de televisie
of de radio, informatie verstrekt over een historisch of toekomstig
rendement, verstrekt zij daarbij informatie over de belangrijkste
kosten en de belangrijkste financiële risico’s van dat product
en, indien het een beleggingsobject betreft, over de belangrijkste
overige risico’s die samenhangen met dat product.
6. Indien een financiële onderneming
in een reclame-uiting via de televisie of de radio informatie
verstrekt over een historisch of toekomstig rendement van een
complex product, verstrekt zij daarbij of op enig ander moment
voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake dat
product informatie over de belangrijkste kosten van dat product.
7. Indien een financiële onderneming
voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een
complex product informatie verstrekt over een gegarandeerd
rendement, verstrekt zij daarbij of, indien de informatie wordt
verstrekt in een reclame-uiting, op enig ander moment voorafgaande
aan de totstandkoming van de overeenkomst inzake dat product,
informatie over de belangrijkste voorwaarden van die garantie.
8. Artikel 49, eerste lid, eerste
volzin, is niet van toepassing op het verstrekken van informatie in
een reclame-uiting als bedoeld in dit artikel.
9. Het eerste tot en met achtste lid
zijn niet van toepassing indien het een complex product betreft,
niet zijnde een recht van deelneming in een beleggingsinstelling,
ten aanzien waarvan uitsluitend financiële diensten worden verleend
aan personen die handelen in de uitoefening van hun bedrijf of
beroep.
10. Het eerste lid, met uitzondering
van de verplichting om een risico-indicator te verstrekken, en het
derde tot en met zevende lid, zijn niet van toepassing op
beleggingsondernemingen voor zover zij beleggingsdiensten of
nevendiensten verlenen met betrekking tot deelnemingsrechten in
beleggingsinstellingen.
Artikel 53
1. Indien een financiële onderneming
in een reclame-uiting over krediet melding maakt van een
debetrentevoet of andere gegevens betreffende de kosten van een
krediet, verstrekt zij daarbij tevens informatie over:
a. de vaste of variabele
debetrentevoet en de andere kosten die deel uitmaken van de
totale kosten van het krediet;
b. het totale kredietbedrag;
c. het jaarlijks
kostenpercentage; en, indien van toepassing,
d. de duur van de
kredietovereenkomst;
e. in geval van goederenkrediet,
de contante waarde en contante betalingen, genoemd in de
definitie van kredietsom in artikel 1;
f. het totale door de consument
te betalen bedrag; en
g. het termijnbedrag.
2. Indien het sluiten van een
overeenkomst voor een nevendienst verplicht is om het krediet op de
in de reclame-uiting genoemde voorwaarden te verkrijgen, en de
kosten voor die nevendienst vooraf niet kunnen worden bepaald, wordt
de verplichting tot het sluiten van die overeenkomst op een
duidelijke, beknopte en opvallende wijze, tezamen met het jaarlijks
kostenpercentage vermeld.
3. De informatie, bedoeld in het
eerste lid, heeft alleen betrekking op kredieten die representatief
zijn voor de kredieten die feitelijk door de financiële onderneming
worden verstrekt.
4. Een financiële onderneming geeft
de informatie, bedoeld in het eerste lid, en de vermelding, bedoeld
in het tweede lid, indien deze wordt verstrekt in een reclame-uiting
over krediet, anders dan via de televisie of radio, gecombineerd
weer in een tabel waarin geen andere informatie wordt opgenomen.
5. Indien een financiële onderneming
in een reclame-uiting over krediet reclame maakt voor met krediet
aan te schaffen goederen of diensten, verstrekt zij daarbij de
informatie, bedoeld in het eerste lid.
6. Indien een reclame-uiting
betrekking heeft op een krediet met een debetrentevoet die voor een
beperkte duur of een beperkt deel van het krediet geldt, wordt bij
het verstrekken van de informatie, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, de hoogste debetrentevoet in aanmerking genomen. Bij
een krediet met een variabele debetrentevoet die voor beperkte duur
of een beperkt deel van het krediet afwijkt van de variabele
debetrentevoet die op het moment van het doen van de reclame-uiting
geldt voor overeenkomsten over krediet van gelijke soort, omvang en
duur, wordt bij het verstrekken van de informatie, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, de hoogste van genoemde variabele
debetrentevoeten genoemd.
7. Een financiële onderneming neemt
in een reclame-uiting over krediet een waarschuwing op met
betrekking tot de gevolgen die aan het krediet zijn verbonden,
tenzij het een reclame-uiting voor hypothecair krediet betreft
waarbij geen relatie met een ander bestedingsdoel wordt gelegd dan
de verwerving van de eigen woning.
8. Een financiële onderneming:
a. neemt in een reclame-uiting
over krediet geen mededelingen op die gericht zijn op het gemak
of de snelheid waarmee het krediet wordt verstrekt;
b. brengt in een reclame-uiting
over krediet niet tot uiting dat lopende overeenkomsten inzake
krediet bij de beoordeling van een kredietaanvraag geen of een
ondergeschikte rol spelen;
c. brengt in een reclame-uiting
over krediet niet tot uiting dat met een negatieve uitkomst van
de raadpleging van het stelsel van kredietregistratie of
anderszins in afwijking van de geldende gedragscode toch een
krediet kan worden verkregen; en
d. geeft in een reclame-uiting
over krediet geen kenmerken van het krediet weer waarin fiscale
voordelen zijn verwerkt.
9. Indien een financiële onderneming
in een reclame-uiting informatie als bedoeld in het eerste of tweede
lid of informatie over een specifiek product verstrekt over een
krediet, verstrekt zij daarbij informatie over de verkrijgbaarheid
van de informatie, bedoeld in artikel 4:33, eerste lid, van de wet.
De eerste volzin is niet van toepassing op reclame-uitingen over
krediet, voorzover het krediet onderdeel uitmaakt van een complex
product.
10. Indien een financiële
onderneming informatie verstrekt over de kenmerken van het krediet,
bedoeld in het eerste lid en tweede lid, is het vierde lid van
overeenkomstige toepassing.
11. Artikel 49, eerste lid, eerste
volzin, is niet van toepassing op het verstrekken van informatie in
een reclame-uiting als bedoeld in dit artikel.
12. Indien een financiële
onderneming in een reclame-uiting over effectenkrediet melding maakt
van een debetrentevoet of andere gegevens betreffende de kosten van
een effectenkrediet, meldt zij tevens:
a. dat een doorlopend krediet
wordt verleend of toegezegd tegen onderpand van financiële
instrumenten, en de kredietlimiet afhankelijk is van de waarde
daarvan;
b. de vaste of variabele
debetrentevoet en de andere kosten die deel uitmaken van de
totale kosten van het effectenkrediet; en
c. indien een contract voor een
nevendienst verplicht is om het effectenkrediet, in voorkomend
geval op de geadverteerde voorwaarden te verkrijgen, en de
kosten van die dienst niet vooraf bepaald kunnen worden, de
verplichting tot het sluiten van die overeenkomst op een
duidelijke, beknopte en opvallende wijze,
13. Onverminderd het eerste tot en
met twaalfde lid meldt een bemiddelaar in krediet in een
reclame-uiting over krediet tevens dat hij:
a. adviseert op grond van een
objectieve analyse;
b. een contractuele verplichting
heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te bemiddelen; of
c. geen contractuele verplichting
heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te bemiddelen en
hij niet adviseert op grond van een objectieve analyse.
Artikel 54
De Autoriteit Financiële Markten kan
regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de informatie,
bedoeld in deartikelen 52 en 53, wordt gepresenteerd of geformuleerd,
de wijze van berekening van historische of toekomstige rendementen,
kosten en risico’s als bedoeld in artikel 52, eerste, tweede, derde,
vijfde en zesde lid, en de wijze van berekening van de kosten van
verzekeringen en zekerheidsrechten als bedoeld in 53, eerste lid,
onderdeel e, en tweede lid, onderdeel b, onder 3°.
Artikel 55
1. In een reclame-uiting over een
beheerder of beleggingsinstelling worden in ieder geval vermeld:
a. de naam van de beheerder of
beleggingsinstelling;
b. het feit dat het een beheerder
of beleggingsinstelling betreft;
c. dat de beheerder of de
beleggingsinstelling is opgenomen in het register dat wordt
gehouden door de Autoriteit Financiële Markten; en
d. indien het een instelling voor
collectieve belegging in effecten betreft: waar het prospectus,
bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, van de wet, verkrijgbaar
is.
2. Het eerste lid, onderdelen c en d,
is niet van toepassing op reclame-uitingen op radio en televisie.
3. Onverminderd artikel 52 wordt in
een reclame-uiting anders dan via de televisie of radio over een
instelling voor collectieve belegging in effecten, indien van
toepassing, duidelijk de aandacht gevestigd op het feit dat:
a. de instelling voor collectieve
belegging in effecten voornamelijk belegt in financiële
derivaten;
b. de instelling voor collectieve
belegging in effecten een aandelen- of obligatie-index volgt;
c. de waarde van de activa van de
instelling voor collectieve belegging in effecten als gevolg van
het beleggingsbeleid sterk kan fluctueren; of
d. aan de instelling voor
collectieve belegging in effecten een ontheffing als bedoeld in
artikel 136, tweede lid, is verleend onder vermelding van de
staat, het openbaar lichaam of de internationale organisatie die
de financiële instrumenten, bedoeld in het artikel 136, tweede
lid, uitgeeft of garandeert waarin de instelling voor
collectieve belegging in effecten beleggingsinstelling voor meer
dan vijfendertig procent van het beheerde vermogen belegt.
Artikel 56
De Autoriteit Financiële Markten kan
nadere regels stellen met betrekking tot de vorm van
waarschuwingszinnen in reclame-uitingen van beleggingsondernemingen.
§ 8.1.4. Verplichte precontractuele
informatie
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 4:20, eerste en tweede lid, artikel 4:22, eerste en tweede
lid, 4:73, derde lid, aanhef en onderdeel a, en 4:90b, tiende lid, van
de wet.
Artikel 57
1. Een financiëledienstverlener
verstrekt een consument of, indien het een verzekering betreft,
cliënt, voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst
inzake een financieel product of financiële dienst ten minste de
volgende informatie:
a. zijn naam en adres en, indien
de financiëledienstverlener een rechtspersoon is, de statutaire
naam en handelsnaam of handelsnamen;
b. de aard van zijn financiële
dienstverlening;
c. voorzover artikel 4:17 van de
wet van toepassing is: zijn interne klachtenprocedure, bedoeld
in artikel 4:17, eerste lid, onderdeel a, van de wet, en de
erkende geschilleninstantie waarbij hij is aangesloten; en
d. zijn inschrijving in het door
de toezichthouder gehouden register.
2. In afwijking van artikel 49,
eerste lid, kan de informatie, bedoeld in het eerste lid, en in
artikel 4:73, eerste lid, van de wet, op verzoek van de cliënt
mondeling worden verstrekt, indien het financiële product een
verzekering is en onmiddellijke dekking noodzakelijk is. In dat
geval verstrekt de financiëledienstverlener de informatie tevens
onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst overeenkomstig
artikel 49, eerste lid, aan de cliënt.
Artikel 58
1. Voorafgaand aan de totstandkoming
van een overeenkomst inzake een betalingsbeschermer, complex
product, hypothecair krediet of uitvaartverzekering verstrekt een
bemiddelaar een consument informatie over de hoogte van de provisie,
de afsluitprovisie, het jaarlijkse bedrag aan doorlopende provisie
en het aantal termijnen daarvan die de desbetreffende aanbieder
rechtstreeks of middellijk zal betalen in verband met de
betalingsbeschermer, het complexe product, het hypothecair krediet,
onderscheidenlijk de uitvaartverzekering.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op bemiddelaars die complexe producten
als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 4°, samenstellen of in
de markt verkrijgbaar stellen, voor zover het betreft de financiële
producten die onderdeel zijn van die complexe producten.
3. Voorafgaand aan het zonder
tussenkomst van een bemiddelaar doen van een voorstel tot het
aangaan van een overeenkomst inzake een betalingsbeschermer, complex
product, hypothecair krediet of uitvaartverzekering, verstrekt een
aanbieder een consument informatie over het feit dat hij kosten
maakt ten behoeve van de distributie met inbegrip van het adviseren
en dat deze kosten onderdeel uitmaken van de prijs van het product
of verwerkt kunnen zijn in het rentepercentage, alsmede informatie
over de aard en reikwijdte van zijn dienstverlening.
4. Het in het eerste tot en met derde
lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op bemiddelaars die
complexe producten als bedoeld inartikel 1, onderdeel d, onder 4°,
samenstellen of in de markt verkrijgbaar stellen en bemiddelen in de
financiële producten die onderdeel zijn van die complexe producten.
Indien een bemiddelaar als bedoeld in de vorige volzin niet kan
voldoen aan het tweede lid, verstrekt hij aan de consument de in het
derde lid bedoelde informatie.
5. Het eerste tot en met het derde
lid zijn niet van toepassing op beleggingsondernemingen voor zover
zij beleggingsdiensten of nevendiensten verlenen met betrekking tot
deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen.
5. De Autoriteit Financiële Markten
kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de informatie,
bedoeld in het eerste en derde lid, wordt geformuleerd of
gepresenteerd.
Artikel 58a
1. Een beleggingsonderneming
verstrekt voorafgaand aan het verlenen van een beleggingsdienst of
nevendienst aan een niet-professionele belegger:
a. informatie over de wederzijdse
rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst
met betrekking tot de beleggings- of nevendienst;
b. de inartikel 58b bedoelde
informatie over de overeenkomst of de beleggingsdiensten of
nevendiensten;
c. de overige op grond van de
artikelen 58b tot en met 58e vereiste informatie.
2. In afwijking van het eerste lid
mag een beleggingsonderneming de informatie bedoeld in het eerste
lid verstrekken onmiddellijk na aanvang van het verlenen van een
beleggingsdienst of nevendienst, indien:
a. zij de in het eerste lid
genoemde termijnen niet in acht heeft kunnen nemen omdat de
overeenkomst op verzoek van de niet-professionele belegger is
gesloten door middel van een techniek voor communicatie op
afstand die haar belet de informatie overeenkomstig het eerste
lid te leveren; of
b. de beleggingsonderneming ten
aanzien van de niet-professionele belegger voldoet aan artikel
79, eerste lid, als ware deze belegger een consument en de
beleggingsonderneming een financiële dienstverlener.
3. Indien een reclame-uiting van een
beleggingsonderneming een aanbod bevat om een overeenkomst met
betrekking tot een financieel instrument of een beleggings- of
nevendienst aan te gaan, of de uitnodiging bevat om een dergelijk
aanbod te doen en vermeldt hoe hierop kan worden gereageerd, wordt
daarin tevens de voor het aanbod of de uitnodiging van belang zijnde
informatie als bedoeld in de artikelen 58b tot en met 58eopgenomen.
4. Het derde lid is niet van
toepassing indien het aanbod of de uitnodiging is gericht tot een
niet-professionele belegger en deze voor een reactie wordt verwezen
naar een ander document of andere documenten die afzonderlijk of
tezamen deze informatie bevatten.
Artikel 58b
1. De informatie, bedoeld in artikel
58a, eerste lid, onderdelen b en c, omvat de volgende gegevens:
a. de naam, het adres en de
contactgegevens van de beleggingsonderneming;
b. de talen waarin de cliënt met
de beleggingsonderneming kan communiceren en stukken en andere
informatie van haar kan ontvangen;
c. methoden van communicatie
tussen de beleggingsonderneming en de cliënt, waaronder die
betreffende het versturen en ontvangen van orders;
d. een verklaring waarin staat
dat de beleggingsonderneming over een vergunning beschikt,
alsmede de naam en het contactadres van de toezichthouder die de
vergunning heeft verleend;
e. een verklaring dat de
beleggingsonderneming door tussenkomst van een verbonden agent
beleggingsdiensten verleent en in welke lidstaat deze agent in
een register staat ingeschreven;
f. aard, frequentie en tijdschema
van de rapporten over de verrichting van de dienst die
overeenkomstig de artikelen 69, 70, 71 en 71a door de
beleggingsonderneming aan de cliënt worden toegezonden;
g. indien de
beleggingsonderneming financiële instrumenten of gelden van
cliënten aanhoudt, een korte beschrijving van de maatregelen
die zij heeft genomen om deze financiële instrumenten of gelden
te beschermen, alsmede beknopte gegevens over de vangnetregeling
die op de onderneming van toepassing is;
h. een beschrijving, die in
beknopte vorm mag worden verstrekt, van het beleid inzake
belangenconflicten dat de onderneming overeenkomstig artikel 35a
voert;
i. indien de cliënt daarom
verzoekt, nadere bijzonderheden over het beleid inzake
belangenconflicten.
2. Een beleggingsonderneming stelt
bij het beheren van een individueel vermogen op basis van de
beleggingsdoelstellingen van de cliënt en de soorten financiële
instrumenten in de portefeuille van de cliënt, een geschikte
evaluatie- en vergelijkingsmethode vast, zodat de cliënt de
prestaties van de onderneming kan beoordelen.
3. Een beleggingsonderneming
verstrekt bij het beheren van een individueel vermogen van een niet-
professionele belegger, naast de informatie op grond van het eerste
lid, voor zover van toepassing, aan de cliënt informatie over:
a. de waarderingsmethode en
-frequentie voor de financiële instrumenten in diens
portefeuille;
b. de bijzonderheden van een
eventuele overdracht van het beheer op discretionaire basis van
alle of een deel van de financiële instrumenten of gelden in de
portefeuille van de cliënt;
c. elke evaluatie- of
vergelijkingsmaatstaf, bedoeld in het tweede lid, waartegen de
resultaten van de portefeuille worden afgezet;
d. de soorten financiële
instrumenten die mogen worden opgenomen in de portefeuille en de
soorten transacties die in deze instrumenten mogen worden
verricht, alsmede de begrenzingen;
e. de beheersdoelstellingen, de
omvang van het risico dat voortvloeit uit de beoordelingsruimte
die de beleggingsonderneming heeft, alsmede eventuele specifieke
beperkingen in deze beoordelingsruimte.
Artikel 58c
1. De informatie, bedoeld in artikel
58a, eerste lid, onderdeel c, omvat een algemene beschrijving van de
aard en risico’s van financiële instrumenten die gedetailleerd
genoeg is om de niet-professionele belegger in staat te stellen een
beleggingsbeslissing te nemen.
2. De beschrijving van de risico’s,
bedoeld in het eerste lid, omvat, indien van toepassing, mede:
a. de risico´s die verbonden
zijn aan het desbetreffende soort financiële instrument,
waaronder een uitleg over de hefboomwerking en de gevolgen
daarvan en het risico dat de gehele belegging verloren gaat;
b. de volatiliteit van de prijs
van het desbetreffende soort financiële instrument en eventuele
beperkingen in de bestaande markt daarvoor;
c. het feit dat de cliënt met
transacties in dergelijke instrumenten naast de
aanschaffingskosten extra financiële- en andere verplichtingen,
waaronder voorwaardelijke verplichtingen, zou kunnen aangaan;
d. eventuele marge- of
soortgelijke verplichtingen die van toepassing zijn op het
desbetreffende soort financiële instrumenten.
3. Een beleggingsonderneming die aan
een niet-professionele belegger informatie verstrekt over een
financieel instrument waarvoor overeenkomstig de richtlijn
prospectus een prospectus is gepubliceerd, deelt de cliënt mede
waar dit prospectus verkrijgbaar is.
4. Indien aangenomen mag worden dat
de risico´s die verbonden zijn aan een financieel instrument dat
uit twee of meer verschillende financiële instrumenten bestaat,
groter zijn dan de risico´s die verbonden zijn aan elk van de
financiële instrumenten afzonderlijk, verstrekt de
beleggingsonderneming een adequate beschrijving van de verschillende
financiële instrumenten waaruit het instrument bestaat en van de
risicoverhogende wisselwerking daartussen.
5. Een beleggingsonderneming
verstrekt over een financieel instrument dat een garantie van een
derde omvat, aan een niet-professionele belegger voldoende
bijzonderheden over de garantie en de garantiegever.
6. De essentiële beleggersinformatie
wordt voor de toepassing van artikel 4:20, eerste lid, van de wet
met betrekking tot een recht van deelneming in een
beleggingsinstelling als passende informatie aangemerkt.
Artikel 58d
1. De informatie, bedoeld in artikel
58a, eerste lid, onderdeel c, omvat, indien van toepassing, gegevens
over de omstandigheid dat een derde namens de beleggingsonderneming
financiële instrumenten of gelden die toebehoren aan de
niet-professionele belegger kan aanhouden, alsmede gegevens over
haar wettelijke verantwoordelijkheid voor het handelen of nalaten
van de derde en voor de gevolgen die insolventie van de derde voor
de cliënt heeft.
2. Indien een derde namens een
beleggingsonderneming, voor zover het toepasselijke recht dit
toelaat, financiële instrumenten die toebehoren aan een
niet-professionele belegger op een omnibusrekening mag aanhouden,
brengt de beleggingsonderneming de cliënt daarvan op de hoogte en
waarschuwt zij op duidelijke wijze voor de risico’s die daaruit
voortvloeien.
3. Indien het op grond van het
toepasselijke recht niet mogelijk is om door een derde
namens een beleggingsonderneming
aangehouden financiële instrumenten die toebehoren aan een
niet-professionele belegger te onderscheiden van de financiële
instrumenten die toebehoren aan deze derde of de
beleggingsonderneming zelf, brengt de beleggingsonderneming de
cliënt daarvan op de hoogte en waarschuwt zij op duidelijke wijze
voor de risico’s die daaruit voortvloeien.
4. Indien op een rekening waarop
financiële instrumenten of gelden worden aangehouden die aan een
niet-professionele belegger toebehoren, het recht van toepassing is
van een staat die geen lidstaat is, brengt de beleggingsonderneming
de cliënt daarvan op de hoogte en wijst zij erop dat dit van
invloed kan zijn op de rechten die aan deze financiële instrumenten
of gelden verbonden zijn.
5. Een beleggingsonderneming die
financiële instrumenten of gelden aanhoudt die toebehoren aan een
niet-professionele belegger brengt hem op de hoogte van het bestaan
en de voorwaarden van zakelijke zekerheidsrechten of voorrechten die
zij heeft of kan hebben op die financiële instrumenten of gelden,
en van haar eventuele recht van verrekening op deze financiële
instrumenten of gelden. Voor zover van toepassing brengt zij de
cliënt er ook van op de hoogte dat een bewaarder een zakelijk
zekerheidsrecht, een voorrecht of een recht van verrekening op deze
instrumenten of gelden heeft of kan hebben.
6. Een beleggingsonderneming die
financiële instrumenten aanhoudt die toebehoren aan een
niet-professionele belegger verstrekt, geruime tijd voordat zij
effectenfinancieringstransacties aangaat met betrekking tot die
financiële instrumenten, of van dergelijke financiële instrumenten
anderszins voor eigen rekening of voor rekening van een andere
cliënt gebruikmaakt, de cliënt voorafgaand aan het gebruik van
deze instrumenten duidelijke, volledige en accurate informatie over
haar verplichtingen en verantwoordelijkheden met betrekking tot het
gebruik van deze financiële instrumenten, met inbegrip van de
voorwaarden voor restitutie ervan, alsmede over de risico´s die uit
dat gebruik voortvloeien.
Artikel 58e
1. De informatie, bedoeld in artikel
58a, eerste lid, onderdeel c, omvat gegevens over de kosten en
bijbehorende lasten, die voor zover van toepassing bestaat uit de
volgende elementen:
a. de totale prijs van het
financiële instrument, de beleggingsdienst of nevendienst, met
inbegrip van alle bijbehorende kosten en als geen exacte prijs
kan worden gegeven de grondslag voor de berekening van de totale
prijs.
b. de door de
beleggingsonderneming in rekening gebrachte provisies;
c. een vermelding van de
desbetreffende buitenlandse valuta en de toepasselijke
omrekeningskoers en wisselkosten, wanneer een deel van de totale
prijs moet worden betaald in of luidt in een buitenlandse
valuta;
d. vermelding van de mogelijkheid
dat transacties die verband houden met het financiële
instrument of de beleggingsdienst, nog andere kosten, voor de
niet-professionele belegger kunnen meebrengen die niet via de
beleggingsonderneming worden betaald of door haar worden
opgelegd;
e. de regelingen voor betaling of
andere prestaties met betrekking tot de uitvoering van de
beleggings- of nevendienst.
2. De essentiële beleggersinformatie
wordt voor de toepassing van artikel 4:20, eerste lid, van de wet
met betrekking tot een recht van deelneming in een
beleggingsinstelling als passende informatie aangemerkt wat de aan
de beleggingsinstelling zelf verbonden kosten en bijbehorende
lasten, met inbegrip van de instap- en uitstapprovisies, betreft.
Artikel 58f
1. De beleggingsonderneming verstrekt
aan een professionele belegger een algemene beschrijving van de aard
en risico’s van financiële instrumenten die gedetailleerd genoeg
is om hem in staat te stellen een beleggingsbeslissing te nemen.
2. Artikel 58c, tweede en vierde lid,
zijn van overeenkomstige toepassing op de beschrijving van de aard
en risico’s bedoeld in het eerste lid.
3. Indien op een rekening waarop
financiële instrumenten of gelden worden aangehouden die aan een
professionele belegger toebehoren, het recht van toepassing is van
een staat die geen lidstaat is, brengt de beleggingsonderneming de
cliënt daarvan op de hoogte en wijst zij erop dat dit van invloed
kan zijn op de rechten die aan deze financiële instrumenten of
gelden verbonden zijn.
4. Een beleggingsonderneming die
financiële instrumenten of gelden aanhoudt die toebehoren aan een
professionele belegger brengt hem op de hoogte van het bestaan en de
voorwaarden van zakelijke zekerheidsrechten of voorrechten die zij
heeft of kan hebben op die financiële instrumenten of gelden, en
van haar eventuele recht van verrekening op deze financiële
instrumenten of gelden. Voor zover van toepassing brengt zij de
cliënt er ook van op de hoogte dat een bewaarder een zakelijk
zekerheidsrecht, een voorrecht of een recht van verrekening op deze
instrumenten of gelden heeft of kan hebben.
5. Een beleggingsonderneming
verstrekt de in dit artikel bedoelde informatie aan een
professionele belegger voorafgaand aan het verlenen van een
beleggingsdienst of nevendienst.
6. Artikel 58c, zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 59
Een beleggingsonderneming verstrekt een
niet-professionele belegger voorafgaand aan het uitvoeren van een
order met betrekking tot een financieel instrument voor diens rekening
de volgende informatie over haar orderuitvoeringsbeleid:
a. een uitleg over het relatieve
gewicht dat de beleggingsonderneming overeenkomstig artikel 4:90a,
tweede lid, van de wet toekent aan de in artikel 4:90a, eerste
lid, van de wet genoemde factoren, of over de wijze waarop zij het
relatieve gewicht van deze factoren bepaalt;
b. een overzicht van de plaatsen
van uitvoering waarop de beleggingsonderneming een aanzienlijk
beroep doet om haar verplichting na te komen om alle redelijke
maatregelen te nemen teneinde bij de uitvoering van orders van
cliënten steeds het best mogelijke resultaat te behalen;
c. een duidelijke waarschuwing dat
een specifieke instructie van de cliënt de beleggingsonderneming
kan beletten de door haar vastgestelde en in haar
orderuitvoeringsbeleid opgenomen maatregelen te nemen om bij de
uitvoering van de desbetreffende order het best mogelijke
resultaat te behalen voor de elementen waarvoor deze instructie
geldt.
Artikel 59a
1. Een aanbieder verstrekt
voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een
consument inzake een complex product of hypothecair krediet, aan de
consument informatie over de totale prijs van het complexe product
of hypothecaire krediet, met inbegrip van alle bijbehorende kosten.
2. Onverminderd het eerste lid
verstrekt een aanbieder voorafgaand aan de totstandkoming van een
overeenkomst met een consument inzake een complex product dat strekt
tot vermogensopbouw, aan de consument, voor zover van toepassing,
ten minste de volgende informatie:
a. het bedrag van de totale
kosten;
b. de kosten die worden
ingehouden op de inleg of de premie, onderverdeeld naar soorten
kosten, zoals in elk geval eerste kosten, doorlopende kosten en
aan- en verkoopkosten;
c. de kosten die worden
ingehouden op de vermogensopbouw of uitkering, onderverdeeld
naar soorten kosten zoals in elk geval eerste kosten,
doorlopende kosten en aan- en verkoopkosten;
d. de kosten die de beheerder van
de beleggingsinstelling jaarlijks in rekening brengt voor het
beheer van rechten van deelneming in die beleggingsinstelling;
e. de invloed van het gemiddelde
jaarlijkse percentage van de kosten, bedoeld onder b, c en d, op
het rendement en de vermogensopbouw of uitkering, verbonden aan
de overeenkomst; en
f. de wijze waarop de kosten,
bedoeld onder b, c en d, worden verdeeld over de looptijd van de
overeenkomst.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing op:
a. overeenkomsten met betrekking
tot beleggingsobjecten; en
b. overeenkomsten met betrekking
tot het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst.
4. Het tweede lid, aanhef en de
onderdelen b tot en met f, zijn niet van toepassing op een
levensverzekeraar die een levensverzekering aanbiedt waarbij de
uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling.
5. Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing op financiële ondernemingen die een
complex product als bedoeld inartikel 1, onderdeel d, onder 1°, 4°
of 11°samenstellen en dat product in de markt verkrijgbaar stellen
voor consumenten of, indien het een recht van deelneming in een
beleggingsinstelling betreft, cliënten.
Artikel 59b
1. Een betaaldienstverlener stelt een
betaaldienstgebruiker voordat deze is gebonden door een overeenkomst
betreffende een eenmalige betalingstransactie op gemakkelijk
toegankelijke wijze de in artikel 59c bedoelde informatie en
voorwaarden ter beschikking.
2. Op verzoek van de
betaaldienstgebruiker verstrekt de betaaldienstaanbieder hem de
informatie en voorwaarden op papier of op een andere duurzame
drager.
3. De betaaldienstverlener verstrekt
de informatie en voorwaarden aan de betaaldienstgebruiker in
gemakkelijk te begrijpen bewoordingen en in duidelijke en
bevattelijke vorm. Indien de betaaldienstverlener de betaaldienst
verleent aan een betaaldienstgebruiker in een lidstaat, verstrekt
hij de in de vorige volzin bedoelde informatie en voorwaarden in een
officiële taal van die lidstaat of in een andere taal die tussen de
partijen is overeengekomen.
4. Indien de overeenkomst betreffende
een eenmalige betalingstransactie op verzoek van de
betaaldienstgebruiker is gesloten met gebruikmaking van een techniek
voor communicatie op afstand welke het de betaaldienstverlener
onmogelijk maakt aan het eerste lid te voldoen, voldoet deze
onmiddellijk na de uitvoering van de betalingstransactie aan zijn
verplichtingen ingevolge het genoemde lid.
5. Aan het eerste tot en met het
derde lid kan ook worden voldaan door het verstrekken van een
exemplaar van het ontwerpcontract betreffende een eenmalige
betalingstransactie of de ontwerpbetaalopdracht waarin de inartikel
59c bedoelde informatie en voorwaarden zijn opgenomen.
Artikel 59c
1. Een betaaldienstverlener verstrekt
aan een betaaldienstgebruiker in het geval van een eenmalige
betalingstransactie de volgende informatie en voorwaarden of stelt
deze aan hem ter beschikking:
a. gedetailleerde informatie of
een unieke identificator die door de betaaldienstgebruiker moet
worden verstrekt opdat een betaalopdracht correct kan worden
uitgevoerd;
b. de maximale uitvoeringstermijn
voor de aangeboden betaaldienst;
c. alle kosten die de
betaaldienstgebruiker aan de betaaldienstverlener verschuldigd
is en, voor zover van toepassing, de splitsing van de bedragen
van eventuele kosten; en
d. voor zover van toepassing, de
bij de betalingstransactie toe te passen feitelijke of
referentiewisselkoers.
2. Voor zover van toepassing stelt de
betaaldienstverlener de overige inartikel 59d bedoelde informatie en
voorwaarden op gemakkelijk toegankelijke wijze aan de
betaaldienstgebruiker ter beschikking.
Artikel 59d
1. Een betaaldienstverlener verstrekt
een betaaldienstgebruiker ruimschoots voordat deze is gebonden aan
een raamovereenkomst voor betaaldiensten op papier of op een andere
duurzame drager de in artikel 59d bedoelde informatie en
voorwaarden.
2. De betaaldienstverlener verstrekt
de informatie en voorwaarden in gemakkelijk te begrijpen
bewoordingen en in duidelijke en bevattelijke vorm. Indien de
betaaldienstverlener de betaaldienst verleent aan een
betaaldienstgebruiker in een lidstaat, verstrekt hij de in de vorige
volzin bedoelde informatie en voorwaarden in een officiële taal van
die lidstaat of in een andere taal die door de partijen is
overeengekomen.
3. Indien de raamovereenkomst voor
betaaldiensten op verzoek van de betaaldienstgebruiker is gesloten
met gebruikmaking van een techniek voor communicatie op afstand
welke het de betaaldienstverlener onmogelijk maakt te voldoen aan
het eerste lid, voldoet deze onmiddellijk na de sluiting van de
raamovereenkomst aan zijn verplichtingen ingevolge het genoemde lid.
4. Aan het eerste lid kan ook worden
voldaan door het verstrekken van een exemplaar van de
ontwerpraamovereenkomst waarin de in artikel 59dbedoelde informatie
en voorwaarden zijn opgenomen.
Artikel 59e
1. De betaaldienstverlener verstrekt
aan de betaaldienstgebruiker de volgende informatie en voorwaarden:
a. de naam van de
betaaldienstverlener, het adres van het hoofdkantoor en, in
voorkomend geval, het adres van zijn betaaldienstagent of
bijkantoor in de lidstaat waar de betaaldienst wordt aangeboden,
en enig ander adres, inclusief emailadres, dat relevant is voor
de communicatie met de betaaldienstverlener;
b. de gegevens betreffende de
relevante toezichthouders of toezichthoudende autoriteiten en
betreffende het in artikel 1:107 van de wet bedoelde register en
gegevens aan de hand waarvan de registerinschrijving kan worden
gecontroleerd;
c. een beschrijving van de
voornaamste kenmerken van de aan te bieden betaaldienst;
d. de gedetailleerde informatie
of de unieke identificator die door de betaaldienstverlener
wordt verstrekt opdat een betaalopdracht correct kan worden
uitgevoerd;
e. de vorm waarin en de procedure
volgens welke de instemming met het uitvoeren van een
betalingstransactie wordt verstrekt, respectievelijk wordt
ingetrokken, overeenkomstig de artikelen 522 en 534 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek;
f. een referentie aan het in
artikel 532 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek omschreven
tijdstip van ontvangst van een betaalopdracht en aan het
eventueel door de betaaldienstverlener bepaalde uiterste
tijdstip;
g. de maximum uitvoeringstermijn
voor de aangeboden betaaldiensten; en
h. de vermelding of de
mogelijkheid bestaat uitgavenlimieten voor het gebruik van het
betaalinstrument overeenkomstig artikel 523, eerste lid, van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek overeen te komen;
i. alle kosten die door de
betaaldienstgebruiker aan de betaaldienstverlener verschuldigd
zijn en, voor zover van toepassing, de splitsing van de bedragen
en eventuele kosten;
j. voor zover van toepassing, de
toe te passen rentevoet en wisselkoers, of, indien de
referentierentevoet en -wisselkoers te hanteren zijn, de wijze
van berekening van de feitelijke interesten en de relevante
datum en de index of basis voor de vaststelling van die
referentierentevoet of -wisselkoers;
k. indien overeengekomen, de
onmiddellijke toepassing van wijzigingen in de
referentierentevoet of -wisselkoers en de informatievereisten
met betrekking tot de wijzigingen overeenkomstig artikel 517,
derde en vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
l. voor zover van toepassing, de
technieken voor communicatie, met inbegrip van de technische
vereisten van de apparatuur van de betaaldienstgebruiker, zoals
tussen de partijen voor de mededeling van informatie en
kennisgevingen krachtens de wet en Titel 7B van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek overeengekomen;
m. de wijze waarop en de
frequentie waarmee informatie betreffende betaaldiensten
krachtens de wet en Titel 7B van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek ter beschikking moet worden gesteld;
n. de taal of talen waarin de
raamovereenkomst voor betaaldiensten wordt gesloten en waarin de
communicatie gedurende de looptijd van de contractuele
betrekking plaatsvindt; en
o. een vermelding dat de
betaaldienstgebruiker het recht heeft de contractuele
voorwaarden van de raamovereenkomst voor betaaldiensten en
informatie en voorwaarden overeenkomstig artikel 516 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek te ontvangen;
p. voor zover van toepassing, een
beschrijving van de maatregelen die de betaaldienstgebruiker
moet nemen om de veilige bewaring van een betaalinstrument te
waarborgen evenals de wijze waarop de betaaldienstverlener in
kennis moet worden gesteld voor de toepassing van artikel 524,
eerste lid, onderdeel b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
q. indien overeengekomen, de
voorwaarden waaronder de betaaldienstverlener zich het recht
voorbehoudt het gebruik van een betaalinstrument te blokkeren
overeenkomstig artikel 523 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek;
r. informatie over de
aansprakelijkheid van de betaler overeenkomstig artikel 529 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, onder vermelding van het
relevante bedrag;
s. op welke wijze en binnen welke
termijn de betaaldienstgebruiker de betaaldienstverlener in
kennis moet stellen van een niet-toegestane of foutief
uitgevoerde betalingstransactie overeenkomstig artikel 526 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, onder vermelding van de
aansprakelijkheid van de betaaldienstverlener voor
niet-toegestane betalingstransacties overeenkomstig artikel 528
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
t. informatie over de
aansprakelijkheid van de betaaldienstverlener voor de uitvoering
van betalingstransacties overeenkomstig de artikelen 543 tot en
met 545 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; en
u. de voorwaarden voor
terugbetaling overeenkomstig de artikelen 530 en 531 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek;
v. indien overeengekomen, de
informatie dat de betaaldienstgebruiker geacht wordt
overeenkomstig artikel 517 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
wijzigingen in de voorwaarden te hebben aanvaard tenzij hij de
betaaldienstverlener voor de voorgestelde datum van
inwerkingtreding van die wijzigingen ervan in kennis heeft
gesteld dat hij de wijzigingen niet aanvaardt;
w. de looptijd van de
raamovereenkomst voor betaaldiensten; en
x. een vermelding dat de
betaaldienstgebruiker een raamovereenkomst voor betaaldiensten
kan beëindigen en alle afspraken met betrekking tot
beëindiging van de overeenkomst overeenkomstig de artikelen
517, eerste lid, en 518 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
y. de contractuele bepalingen
inzake het op de raamovereenkomst voor betaaldiensten
toepasselijke recht of de ter zake bevoegde rechter; en
z. de klachtenprocedure en
buitengerechtelijke geschillenbeslechting die ingevolge artikel
4:17 van de wet voor de betaaldienstgebruiker openstaan.
Artikel 59f
1. Een betaaldienstverlener
verstrekt, in afwijking van de artikelen 59c en59d, met betrekking
tot betaalinstrumenten die overeenkomstig een raamovereenkomst voor
betaaldiensten uitsluitend worden gebruikt voor afzonderlijke
betalingstransacties van maximaal € 30, met een uitgavenlimiet van
€ 150 of waarop maximaal een bedrag van € 150 tegelijk kan
worden opgeslagen, de betaler uitsluitend informatie over de
voornaamste kenmerken van de betaaldienst, met inbegrip van de wijze
waarop van het betaalinstrument gebruik kan worden gemaakt, de
aansprakelijkheid, alle in rekening gebrachte kosten en andere
belangrijke informatie die nodig is om een weloverwogen besluit te
nemen, en geeft tevens aan waar andere inartikel 59d bedoelde
informatie en voorwaarden op gemakkelijk toegankelijke wijze
beschikbaar zijn gesteld.
2. Voor nationale
betalingstransacties worden de in het eerste lid genoemde bedragen
verdubbeld.
3. Voor vooraf betaalde
betaalinstrumenten, bedoeld voor nationale betalingstransacties,
worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd tot € 500.
Artikel 59g
1. Een betaaldienstverlener brengt
een betaaldienstgebruiker geen kosten in rekening voor de ingevolge
de artikelen 59a tot en met 59e te verstrekken informatie.
2. Een betaaldienstverlener en een
betaaldienstgebruiker kunnen overeenkomen dat kosten in rekening
worden gebracht voor door de betaaldienstgebruiker gevraagde
aanvullende informatie of voor informatie die frequenter of met
andere communicatiemiddelen wordt verstrekt dan in de
raamovereenkomst voor betaaldiensten is bepaald.
3. Kosten die de betaaldienstverlener
ingevolge het tweede lid in rekening mag brengen zijn passend en in
overeenstemming met de kosten die de betaaldienstverlener feitelijk
heeft gemaakt.
Artikel 60
1. Onverminderd de artikelen 57 en 58
verstrekt een levensverzekeraar een cliënt voorafgaande aan de
totstandkoming van een overeenkomst inzake een levensverzekering,
voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:
a. zijn rechtsvorm;
b. het bedrag van de uitkering of
uitkeringen waartoe hij zich verplicht of, voorzover dit bedrag
niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige
omschrijving van die uitkering of uitkeringen, alsmede van de
factoren waarvan de hoogte van de uitkering of uitkeringen
afhankelijk is;
c. een omschrijving van de
keuzemogelijkheden die de cliënt of de gerechtigde op een
uitkering heeft ingevolge de overeenkomst;
d. een nauwkeurige omschrijving
van de valuta waarin de premie of de uitkering is uitgedrukt,
indien dit een andere valuta is dan de euro, of van de units,
eenheden of datgene waar de premie of de uitkering anderszins in
is uitgedrukt, of, indien de uitkering strekt tot het verrichten
van andere dan geldelijke prestaties, van die prestatie;
e. een nauwkeurige omschrijving
van de omzettingsmethode indien bij een uitkering omzetting
plaatsvindt in euro’s of een andere valuta;
f. de aard van de waarden,
waaronder aandelen of andersoortige rechten van deelneming in
een beleggingsinstelling, indien de uitkering daarin wordt
uitgedrukt;
g. de wijze van berekening en
toewijzing van de winstdeling, indien de overeenkomst een recht
op winstdeling omvat;
h. de looptijd van de
overeenkomst;
i. de premie, verschuldigd voor
de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of
meer nevenuitkeringen, de premies die voor elk van de
nevenuitkeringen zijn verschuldigd en, indien deze premies
gedurende de looptijd fluctueren, een zo nauwkeurig mogelijke
beschrijving van de wijze waarop ze worden berekend en van de
factoren waardoor het beloop ervan wordt bepaald;
j. een opgave of de premie
eenmalig is verschuldigd dan wel periodiek;
k. de periode gedurende welke
premie verschuldigd is;
l. indien de uitkering wordt
uitgedrukt in rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling:
1°. de kosten die worden
ingehouden op de premie, bedoeld in onderdeel i,
onderverdeeld naar eerste kosten, doorlopende kosten en aan-
en verkoopkosten;
2°. de kosten die worden
ingehouden op de waarde van de rechten van deelneming,
onderverdeeld naar eerste kosten, doorlopende kosten en aan-
en verkoopkosten;
3°. de kosten die de
beheerder van de beleggingsinstelling jaarlijks in rekening
brengt voor het beheer van de rechten van deelneming in die
beleggingsinstelling;
4°. de invloed van het
gemiddelde jaarlijkse percentage van de kosten, bedoeld
onder 1°, 2° en 3°, op het rendement en de uitkering,
verbonden aan de overeenkomst;
5°. de wijze waarop de
kosten, bedoeld onder 1°, 2° en 3°, worden verdeeld over
de looptijd van de overeenkomst met de cliënt;
m. een omschrijving van de
gevolgen van een verhoging of verlaging van de premie, met
inbegrip van premievrijmaken, en, indien de overeenkomst in die
mogelijkheid voorziet, van afkoop, en een opgave van de
afkoopwaarde gedurende ten minste de eerste tien jaren van de
looptijd, onder vermelding van het voor de berekening
gehanteerde rendementspercentage;
n. de wijze waarop de cliënt
gebruik kan maken van zijn recht, bedoeld in artikel 4:63 van de
wet, om de overeenkomst op te zeggen;
o. de wijze waarop de
overeenkomst kan worden beëindigd en de termijn die daarbij in
acht wordt genomen;
p. een globale indicatie van de
fiscale behandeling van overeenkomsten van het desbetreffende
type, waaronder begrepen de fiscale behandeling van premies,
uitkeringen en de fiscale consequenties van afkoop;
q. het op de overeenkomst toe te
passen recht, of de door de aanbieder voorgestelde rechtskeuze;
r. de kosten die naast de
brutopremie in rekening worden gebracht;
s. het aan de overeenkomst
verbonden financiële risico en de mate waarin dit risico voor
rekening is van de cliënt; en
t. de overige polisvoorwaarden.
2. In afwijking van het eerste lid
kan de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de
totstandkoming van de overeenkomst worden verstrekt of uiterlijk
tegelijk met het afgeven van de polis, indien de cliënt het recht
heeft zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van
redenen de overeenkomst binnen dertig kalenderdagen na de dag waarop
hij de informatie heeft ontvangen, terugwerkend tot de datum van de
totstandkoming van de overeenkomst, te ontbinden en de cliënt is
geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat
recht.
3. Voorzover het financiële risico
ingevolge een overeenkomst inzake een levensverzekering voor
rekening van de cliënt is, kan de levensverzekeraar met de cliënt
overeenkomen dat de eventueel na de totstandkoming van de
overeenkomst opgetreden waardevermeerdering of-vermindering van de
beleggingen voor rekening van de cliënt blijft indien deze
overeenkomstig het tweede lid de overeenkomst, terugwerkend tot de
datum van de totstandkoming van de overeenkomst, ontbindt.
4. Indien een uitkering op grond van
een overeenkomst inzake een levensverzekering wordt uitgedrukt in
rechten van deelneming in een beleggingsinstelling stelt de
levensverzekeraar aan de cliënt op diens verzoek informatie ter
hand over het beleggingsbeleid van de beleggingsinstelling, waarin
aandacht wordt besteed aan de volgende aspecten:
a. de doelstelling van het
beleggingsbeleid, alsmede de voor het beheer gehanteerde
referentieportefeuille;
b. aan het beleggingsbeleid
gestelde restricties; en
c. de beleggingstitels die zijn
toegestaan alsmede de afgeleide instrumenten die kunnen worden
gebruikt.
5. Het eerste lid, aanhef en
onderdeel m, is niet van toepassing indien de cliënt een werkgever
is die een overeenkomst afsluit ten behoeve van zijn werknemers in
verband met een door hem toegezegd pensioen.
Artikel 61
1. Onverminderd artikel 57 verstrekt
een schadeverzekeraar een cliënt voorafgaande aan de totstandkoming
van een overeenkomst inzake een schadeverzekering, voorzover van
toepassing, ten minste de volgende informatie:
a. zijn rechtsvorm;
b. het recht dat op de
overeenkomst van toepassing is, of de door de schadeverzekeraar
voorgestelde rechtskeuze; en
c. de naam en het adres van de
schade-afhandelaar, bedoeld in artikel 4:71, eerste lid,
onderdeel e, van de wet.
2. In afwijking van het eerste lid
kan de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de
totstandkoming van de overeenkomst worden verstrekt, of uiterlijk
tegelijk met het afgeven van de polis, indien de cliënt het recht
heeft zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van
redenen de overeenkomst binnen veertien kalenderdagen na de dag
waarop hij de informatie heeft ontvangen te ontbinden en de cliënt
is geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat
recht.
Artikel 62
Indien in geval van een overeenkomst
inzake een schadeverzekering een risico is gelegen in een andere
lidstaat wordt de aan de cliënt te verstrekken informatie gegeven
volgens de in die andere lidstaat vastgestelde regels ter uitvoering
van de artikelen 31 en 43 van richtlijn nr. 92/49/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 tot coördinatie van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe
verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de
levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen
73/239/EEG en 88/357/EEG (PbEG L 228).
Artikel 63
1. Onverminderd artikel 57 verstrekt
een natura-uitvaartverzekeraar voorafgaande aan de totstandkoming
van een overeenkomst inzake een natura-uitvaartverzekering of een
overeenkomst die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de
verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon, voorzover
van toepassing, ten minste de volgendeinformatie:
a. zijn rechtsvorm;
b. een omschrijving van de
prestatie waartoe de natura-uitvaartverzekeraar zich verplicht;
c. een omschrijving van de
keuzemogelijkheden die de cliënt of de verzekerde ingevolge de
overeenkomst heeft;
d. een opgave of de premie
eenmalig is verschuldigd dan wel periodiek;
e. de periode gedurende welke
premie verschuldigd is;
f. een opgave van de indexering
die wordt toegepast op de verzekerde prestatie of op de premie;
g. de overige mogelijkheden die
de aanbieder heeft om de verzekerde prestatie of de premie aan
te passen;
h. een opgave of indicatie van de
afkoop- of premievrije waarde of een opgave van de wijze waarop
deze waarden worden berekend;
i. de wijze waarop de cliënt
gebruik kan maken van zijn recht, bedoeld in artikel 4:63 van de
wet, om de overeenkomst op te zeggen;
j. de wijze waarop de
overeenkomst kan worden beëindigd en de termijn die daarbij in
acht wordt genomen;
k. het op de overeenkomst toe te
passen recht, of de door de natura-uitvaartverzekeraar
voorgestelde rechtskeuze;
l. een opgave van de
uitvaartonderneming die de uitvaart zal verzorgen, dan wel van
de wijze waarop wordt bepaald welke uitvaartonderneming de
uitvaart zal verzorgen;
m. de overige polisvoorwaarden,
en
n. indien het een overeenkomst
betreft die strekt fondsvorming als bedoeld in artikel 4:18,
tweede lid, van de wet: informatie over de wijze waarop de
ingelegde gelden worden belegd.
2. Indien de termijn van
beëindiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, langer is dan
een jaar, maakt de natura-uitvaartverzekeraar dit op een opvallende
wijze uitdrukkelijk kenbaar aan de cliënt, bij gebreke waarvan een
opzegtermijn van een jaar geldt ongeacht het in de overeenkomst
bepaalde.
3. In afwijking van het eerste lid
kan de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de
totstandkoming van de overeenkomst worden verstrekt, of uiterlijk
tegelijk met het afgeven van de polis, indien de cliënt het recht
heeft zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van
redenen de overeenkomst binnen dertig kalenderdagen na de dag waarop
hij de informatie heeft ontvangen, terugwerkend tot de datum van de
totstandkoming van de overeenkomst, te ontbinden en de cliënt is
geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat
recht.
4. Indien een
natura-uitvaartverzekeraar bij de totstandkoming van een
overeenkomst die strekt tot fondsvorming als bedoeld in 4:18, tweede
lid, van de wet in afwijking van het eerste lid, de in dat lid
bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van een
overeenkomst of uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis
verstrekt in overeenstemming met het derde lid, komt de
natura-uitvaartverzekeraar met de cliënt overeen dat de eventueel
na de totstandkoming van de overeenkomst opgetreden
waardevermeerdering of -vermindering van de beleggingen voor
rekening van de cliënt blijft, indien deze overeenkomstig het derde
lid de overeenkomst, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming
van de overeenkomst, ontbindt.
§ 8.1.5. Financiële bijsluiter en
essentiële beleggersinformatie
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:22, eerste lid, van de wet
Artikel 64
1. Deze paragraaf is niet van
toepassing op beheerders van instellingen voor collectieve belegging
in effecten met zetel in een andere lidstaat.
2. Deze paragraaf is niet van
toepassing op financiële ondernemingen voorzover zij overeenkomsten
inzake complexe producten beheren of uitvoeren dan wel daarbij
assisteren.
Artikel 65
1. Een aanbieder van een complex
product, niet zijnde rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling, stelt voor dat product een financiële
bijsluiter op.
2. Een aanbieder van rechten van
deelneming in een beleggingsinstelling die niet verhandelbaar zijn
of die op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct
of indirect worden ingekocht of terugbetaald, stelt voor elke
beleggingsinstelling waarvan door hem rechten van deelneming worden
aangeboden een document met de essentiële beleggersinformatie op.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op complexe producten ten aanzien waarvan uitsluitend
financiële diensten worden verleend aan anderen dan consumenten.
4. Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing op financiële ondernemingen die een
complex product als bedoeld inartikel 1, onder 1°, 4° of 11°,
samenstellen en dat product algemeen in de markt verkrijgbaar
stellen voor consumenten of, indien het een recht van deelneming in
een beleggingsinstelling betreft, cliënten.
Artikel 65a
1. Een aanbieder van een complex
product houdt een bijgewerkte versie van de financiële bijsluiter
respectievelijk de essentiële beleggingsinformatie beschikbaar op
zijn website.
2. De aanbieder van een complex
product niet zijnde rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling verstrekt de financiële bijsluiter onverwijld
kosteloos op verzoek van een consument.
3. Indien een complex product niet
zijnde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling wordt
aangeboden door tussenkomst van een bemiddelaar, gevolmachtigde
agent of ondergevolmachtigde agent, wordt een financiële bijsluiter
door deze bemiddelaar, gevolmachtigde agent onderscheidenlijk
ondergevolmachtigde agent onverwijld kosteloos op verzoek van de
consument verstrekt, tenzij de aanbieder en de bemiddelaar,
gevolmachtigde agent onderscheidenlijk ondergevolmachtigde agent
zijn overeengekomen dat de aanbieder zelf aan de verplichting
voldoet.
4. Een aanbieder van rechten van
deelneming in een beleggingsinstelling of degene die
beleggingsdiensten verleent als bedoeld in artikel 1, onderdelen a,
b, of d, van de wet, met betrekking tot rechten van deelneming in
een beleggingsinstelling, verstrekt geruime tijd voorafgaand aan een
inschrijving op de rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling kosteloos de essentiële beleggersinformatie
aan de cliënt. De essentiële beleggersinformatie wordt
schriftelijk, op een duurzame drager of via een website verstrekt.
Op verzoek wordt de essentiële beleggersinformatie kosteloos
schriftelijk aan de cliënt verstrekt.
5. Het eerste, tweede en vierde lid
zijn van overeenkomstige toepassing op financiële ondernemingen die
een complex product als bedoeld inartikel 1, onder 1°, 4° of 11°,
samenstellen en dat product algemeen in de markt verkrijgbaar
stellen voor consumenten of, indien het een recht van deelneming in
een beleggingsinstelling betreft, cliënten.
Artikel 66
1. In een financiële bijsluiter
wordt informatie over de volgende onderwerpen opgenomen:
a. het doel van de financiële
bijsluiter;
b. de aard en het doel van het
complexe product;
c. de financiële risico’s van
het complexe product die onder meer inzichtelijk worden gemaakt
door een risico-indicator en, indien het een beleggingsobject
betreft, de overige risico’s die samenhangen met dat product;
d. de verplichtingen voor de
consument;
e. het al dan niet bestaan van
een contractueel recht om de overeenkomst inzake het complexe
product tussentijds op te zeggen, de daaraan verbonden kosten en
de overige gevolgen;
f. de gevolgen bij overlijden van
de consument;
g. voorbeeldrendementen en de
kosten van het complexe product; en
h. bij ministeriële regeling aan
te wijzen andere onderwerpen.
2. Een financiële bijsluiter bevat
geen informatie over andere onderwerpen dan bedoeld in het eerste
lid.
3. De Autoriteit Financiële Markten
stelt regels met betrekking tot de wijze waarop de informatie over
de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, in de financiële
bijsluiter wordt opgenomen, alsmede met betrekking tot de wijze van
berekening van de rendementen, kosten en risico’s als bedoeld in
het eerste lid, onderdelen c en g.
Artikel 66a
1. In de essentiële
beleggersinformatie wordt de volgende informatie over de
beleggingsinstelling opgenomen:
a. de identificatie van de
beleggingsinstelling;
b. een korte beschrijving van de
beleggingsdoelstellingen en beleggingsbeleid;
c. het historisch rendement of,
indien relevant, toekomstscenario’s;
d. de kosten; en
e. het risico-opbrengstprofiel
van het recht van deelneming, waaronder voldoende toelichting en
waarschuwingen met betrekking tot de risico’s die aan het
recht van deelneming in de desbetreffende beleggingsinstelling
zijn verbonden.
2. De essentiële
beleggingsinformatie vermeldt duidelijk:
a. waar en hoe aanvullende
informatie over de aangeboden rechten van deelneming en het
prospectus kan worden verkregen;
b. dat de jaarrekening en
halfjaarcijfers op de website van de beheerder beschikbaar zijn
en dat deze stukken te allen tijde op verzoek kosteloos kunnen
worden verkregen bij de beheerder; en
c. in welke taal de informatie,
bedoeld in de onderdelen a en b, voor de deelnemers beschikbaar
is.
3. De essentiële beleggersinformatie
wordt zodanig opgesteld dat cliënten de aard en de risico’s
verbonden aan de rechten van deelneming in een beleggingsinstelling
kunnen begrijpen, zonder dat naar andere documenten wordt verwezen.
4. Een vertaling van de essentiële
beleggersinformatie bevat geen andere wijzigingen of aanvullingen
ten opzichte van het vertaalde document, dan noodzakelijk vanwege de
vertaling.
5. Met betrekking tot de essentiële
beleggersinformatie zijn nadere regels gesteld in verordening nr.
583/2010 van de Europese Commissie van 1 juli 2010 tot uitvoering
van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie wat betreft essentiële beleggersinformatie en de
voorwaarden waaraan moet worden voldaan als de essentiële
beleggersinformatie of het prospectus op een andere duurzame drager
dan papier of via een website wordt verstrekt (PbEU L 176).
6. De verordening, bedoeld in het
vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op aanbieders van
rechten van deelneming in een beleggingsinstelling, niet zijnde een
instelling voor collectieve belegging in effecten, voor zover de
aard van de beleggingsinstelling zich hiertegen niet verzet.
§ 8.1.6. Informatie gedurende de
looptijd van een overeenkomst
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 4:20, derde lid, aanhef en onderdeel b, vierde en vijfde
lid, en 4:22, tweede lid, van de wet en artikel 549 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek
Artikel 67
1. Gedurende de looptijd van een
overeenkomst inzake een beleggingsobject verstrekt de aanbieder de
consument ten minste de volgende informatie:
a. een door een accountant dan
wel een deskundige die ingevolge het recht van de staat waar de
aanbieder zijn zetel heeft, bevoegd is de jaarrekening te
onderzoeken, gecontroleerde jaarrekening, waarvan de toelichting
ten minste een opsplitsing bevat van de totale verkoopkosten, de
productiekosten, de beheerkosten en de administratieve kosten
van de aanbieder, een opsplitsing van deze kosten per serie van
beleggingsobjecten waartoe het beleggingsobject behoort, alsmede
het totaal van de door consumenten ingelegde gelden in de serie
van beleggingsobjecten. De opstelling van de jaarrekening
geschiedt door een aanbieder met een zetel in Nederland zoveel
mogelijk overeenkomstig Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden. De
opstelling van de jaarrekening van een aanbieder met een zetel
in een andere lidstaat geschiedt overeenkomstig de voorschriften
van de richtlijn jaarrekening en van de richtlijn
geconsolideerde jaarrekening of overeenkomstig de internationale
jaarrekeningstandaarden. Voor de overige aanbieders geschiedt de
opstelling op gelijkwaardige wijze. In de jaarrekening wordt
meegedeeld overeenkomstig welke voorschriften de opstelling
geschiedt;
b. ten minste een maal per jaar
een door een onafhankelijke deskundige in dat jaar opgestelde
waardering van de serie van beleggingsobjecten waartoe het
beleggingsobject behoort; en
c. bij ministeriële regeling aan
te wijzen andere onderwerpen.
2. De aanbieder houdt de informatie,
bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, gedurende
ten minste drie jaar beschikbaar op zijn website.
3. De Autoriteit Financiële Markten
kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de informatie,
bedoeld in het eerste lid, wordt gepresenteerd of geformuleerd
alsmede met betrekking tot de wijze van berekening van de kosten,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
Artikel 68
1. Gedurende de looptijd van een
overeenkomst inzake krediet verstrekt de aanbieder de consument op
diens verzoek een gespecificeerd overzicht van het uitstaand saldo.
Hij kan daarbij een vergoeding in rekening brengen van ten hoogste
het bedrag van de werkelijke kosten.
2. Tot een jaar na de afwikkeling van
een overeenkomst inzake krediet verstrekt de aanbieder van krediet
aan de consument op diens verzoek kosteloos een gespecificeerde
afrekening.
Artikel 68a
Gedurende de looptijd van een
overeenkomst inzake hypothecair krediet met een variabele
kredietvergoeding informeert de aanbieder de consument over elke
wijziging van de kredietvergoeding, waarbij hij de consument tevens
informeert over het gewijzigde jaarlijks kostenpercentage.
Artikel 69
1. Een beleggingsonderneming die voor
rekening van een cliënt een order met betrekking tot een financieel
instrument heeft uitgevoerd die niet strekt ter uitvoering van een
beslissing in verband met het beheren van een individueel vermogen,
verstrekt aan de cliënt onmiddellijk de belangrijkste informatie
over de uitvoering van deze order.
2. Een beleggingsonderneming die een
order als bedoeld in het eerste lid heeft uitgevoerd voor een
niet-professionele belegger geeft de cliënt, onverminderd het
eerste lid, onverwijld en uiterlijk op de eerste werkdag na de
uitvoering van de order kennis van de uitvoering van de order.
Indien de beleggingsonderneming een bevestiging van de uitvoering
ontvangt van een derde, geeft de beleggingsonderneming de cliënt
daarvan kennis uiterlijk op de eerste werkdag na ontvangst van de
bevestiging van deze derde, tenzij deze derde de cliënt reeds
onmiddellijk in kennis heeft gesteld.
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid informeert een beleggingsonderneming die een order als
bedoeld in het eerste lid met betrekking tot obligaties ter
financiering van een hypothecair krediet heeft uitgevoerd, de
cliënt die dit krediet is aangegaan over de uitvoering van de order
bij de mededeling van de kredietsom, doch uiterlijk een maand na
uitvoering van de order.
4. Indien een beleggingsonderneming
periodiek orders met betrekking tot rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling uitvoert voor een niet-professionele belegger,
kan een beleggingsonderneming de kennisgeving, bedoeld in het tweede
lid, éénmaal per zes maanden verstrekken.
5. Een beleggingsonderneming
verstrekt de cliënt desgevraagd informatie over de status van diens
order.
6. De kennisgeving, bedoeld in tweede
lid, bevat, voorzover van toepassing en voorzover relevant in
overeenstemming met tabel 1 van bijlage 1 bij de
uitvoeringsverordening markten voor financiële instrumenten, de
volgende informatie:
a. de identificatiegegevens van
de melder;
b. de naam of een andere
omschrijving van de cliënt;
c. de handelsdag;
d. de handelstijd;
e. het soort order;
f. de identificatiegegevens van
de plaats van uitvoering;
g. de identificatiegegevens van
het financieel instrument;
h. de aankoop of verkoop;
i. de aard van de order indien
het geen koop- of verkooporder betreft;
j. de hoeveelheid;
k. de prijs per eenheid;
l. de totale vergoeding;
m. de totale kosten die in
rekening zijn gebracht, en een specificatie daarvan indien de
niet-professionele belegger daarom verzoekt;
n. de verantwoordelijkheden van
de cliënt met betrekking tot de afwikkeling van de transactie,
waaronder de betalings- of levertermijn en de
beleggingsrekeninggegevens voorzover deze gegevens en
verantwoordelijkheden nog niet eerder aan de cliënt zijn
medegedeeld;
o. het feit dat de tegenpartij
van de cliënt de beleggingsonderneming zelf, een persoon die
deel uitmaakt van de groep waartoe de beleggingsonderneming
behoort dan wel een andere cliënt van de beleggingsonderneming
was, tenzij de order is uitgevoerd via een handelssysteem dat
anonieme handel mogelijk maakt.
7. Indien een beleggingsonderneming
een order met betrekking tot financiële instrumenten in tranches
uitvoert, kan zij voor de toepassing van het zesde lid, onderdeel k,
de cliënt informatie over de prijs van elke tranche afzonderlijk
dan wel over de gemiddelde prijs verstrekken. Indien de
beleggingsonderneming informatie over de gemiddelde prijs geeft,
verstrekt zij de niet-professionele cliënt op verzoek informatie
over de prijs van elke tranche afzonderlijk.
8. Een beleggingsonderneming kan de
informatie, bedoeld in het zesde lid, door middel van standaardcodes
verstrekken indien zij een toelichting op de gebruikte codes geeft.
Artikel 70
1. Een beleggingsonderneming die een
individueel vermogen beheert, verstrekt de cliënt een periodiek
overzicht van de vermogensbeheeractiviteiten die namens hem zijn
uitgevoerd, tenzij dit overzicht reeds door een derde is verstrekt.
2. Voorzover het periodieke
overzicht, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op het
vermogen van een niet-professionele belegger, bevat het, voorzover
van toepassing, de volgende gegevens:
a. de naam van de
beleggingsonderneming;
b. de naam of een andere
omschrijving van de ten behoeve van het beheer gehanteerde
beleggingsrekening van de niet-professionele belegger;
c. een vermelding van de inhoud
en de waardering van de portefeuille, waaronder gegevens over
elk financieel instrument dat aangehouden wordt, de marktwaarde
of, als deze niet beschikbaar is, de reële waarde ervan en het
kassaldo aan het begin en het einde van de rapportageperiode,
alsmede de portefeuilleresultaten over de rapportageperiode;
d. het totale bedrag aan kosten
over de rapportageperiode met een afzonderlijke specificatie van
in elk geval de totale beheersvergoedingen en de totale
uitvoeringskosten en, voor zover van toepassing, met de
vermelding dat desgewenst een gedetailleerdere specificatie
wordt verstrekt;
e. een vergelijking van de
resultaten van de portefeuille over de overzichtsperiode met
elke tussen de beleggingsonderneming en de cliënt
overeengekomen evaluatie- of vergelijkingsmaatstaf;
f. het totale bedrag aan
dividenden, rente en andere betalingen die over de
rapportageperiode zijn ontvangen in verband met de portefeuille
van de cliënt;
g. informatie over corporate
actions waardoor rechten worden verkregen die verband houden met
financiële instrumenten in de portefeuille;
h. voor elke in de
rapportageperiode uitgevoerde transactie, voor zover van
toepassing, de informatie, bedoeld in artikel 69, zesde lid,
onderdelen c tot en met l, tenzij de cliënt per transactie
informatie wenst te ontvangen overeenkomstig het vijfde lid.
3. De beleggingsonderneming verstrekt
het periodieke overzicht, bedoeld in het eerste lid, voor zover het
betrekking heeft op het vermogen van een niet-professionele belegger
eenmaal per zes maanden.
4. In afwijking van het derde lid
verstrekt een beleggingsonderneming het periodieke overzicht,
bedoeld in het eerste lid, dat betrekking heeft op het vermogen van
een niet-professionele belegger:
a. eenmaal per kwartaal, indien
de niet-professionele belegger een verzoek daartoe heeft
ingediend;
b. ten minste eenmaal per jaar,
indien het vijfde lid van toepassing is, tenzij het periodieke
overzicht betrekking heeft op transacties in effecten als
bedoeld in onderdeel c van de definitie van effect in artikel
1:1 van de wet of in financiële instrumenten als bedoeld in de
onderdelen d tot en met j van de definitie van financieel
instrument in dat artikel; of
c. maandelijks, indien het een
overeenkomst betreft die een portefeuille met hefboomwerking
toestaat.
5. De beleggingsonderneming wijst
haar cliënten die niet-professionele belegger zijn erop dat zij het
recht hebben om een verzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdeel
a, in te dienen.
6. Indien de cliënt per uitgevoerde
transactie informatie wenst te ontvangen, verstrekt de
beleggingsonderneming onmiddellijk na uitvoering van de transactie
de belangrijkste informatie over deze transactie.
7. Indien de cliënt een
niet-professionele belegger is en per uitgevoerde transactie
informatie wenst te ontvangen, zendt de beleggingsonderneming de
cliënt een bevestiging van de transactie waarin de informatie,
bedoeld in artikel 69, zesde lid, is opgenomen, uiterlijk op de
eerste werkdag na de uitvoering van die transactie of, indien de
beleggingsonderneming een bevestiging van de uitvoering ontvangt van
een derde, uiterlijk op de eerste werkdag na ontvangst van de
bevestiging van deze derde. De eerste volzin is niet van toepassing
wanneer de derde onmiddellijk na het uitvoeren van de transactie een
bevestiging die dezelfde informatie bevat aan de cliënt zendt.
Artikel 71
1. Indien een beleggingsonderneming
in het kader van het beheer van een individueel vermogen voor een
niet-professionele belegger transacties verricht of een
beleggingsrekening beheert waarbij sprake is van een ongedekte open
positie als gevolg van een transactie waarbij een voorwaardelijke
verplichting is aangegaan, stelt de beleggingsonderneming deze
cliënt tevens in kennis van verliezen die uitstijgen boven een van
tevoren tussen de beleggingsonderneming en de cliënt overeengekomen
drempel.
2. De kennisgeving, bedoeld in het
eerste lid, geschiedt uiterlijk aan het einde van de werkdag waarop
de drempel wordt overschreden of wanneer de drempel op een dag die
geen werkdag is wordt overschreden, aan het einde van de
eerstvolgende werkdag.
Artikel 71a
1. Een beleggingsonderneming zendt
een cliënt voor wie zij financiële instrumenten of gelden aanhoudt
ten minste eenmaal per jaar een overzicht van de financiële
instrumenten of gelden. Indien de informatie onderdeel uitmaakt van
een ander periodiek overzicht dat aan een cliënt wordt verstrekt,
heeft de beleggingsonderneming voldaan aan de eerste volzin.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op banken, voor zover het betreft deposito’s die zij
voor cliënten aanhouden.
3. Het overzicht, bedoeld in het
eerste lid, bevat de volgende informatie:
a. gegevens over alle financiële
instrumenten of gelden die de beleggingsonderneming voor de
cliënt aan het eind van de rapportageperiode aanhoudt;
b. in hoeverre financiële
instrumenten of gelden van de cliënt zijn gebruikt voor
effectenfinancieringstransacties; en
c. het voordeel dat de cliënt
uit hoofde van diens deelneming in
effectenfinancieringstransacties heeft behaald en de basis
waarop dit voordeel is behaald.
4. Indien de portefeuille van een
cliënt de opbrengsten uit niet-afgewikkelde transacties bevat,
wordt in de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde informatie
uitgegaan van hetzij de handelsdatum hetzij de afwikkelingsdatum,
indien voor al deze gegevens in het overzicht steeds dezelfde
grondslag wordt gehanteerd.
5. Een beleggingsonderneming die voor
een cliënt financiële instrumenten of gelden aanhoudt en voor die
cliënt tevens een individueel vermogen beheert, kan het overzicht,
bedoeld in het eerste lid, opnemen in het periodiek overzicht van de
vermogensbeheeractiviteiten.
Artikel 71b
1. In het tweede lid en de artikelen
71c en 71d wordt onder eenmalige betalingstransacties verstaan een
betalingstransactie waarop niet een raamovereenkomst voor
betaaldiensten van toepassing is.
2. Indien een betaalopdracht voor een
eenmalige betalingstransactie wordt doorgegeven via een onder een
raamovereenkomst voor betaaldiensten vallend betaalinstrument, is de
betaaldienstverlener niet verplicht informatie te verstrekken of
beschikbaar te stellen die reeds uit hoofde van een raamovereenkomst
voor betaaldiensten met een andere betaaldienstverlener aan de
betaaldienstgebruiker is verstrekt of volgens de raamovereenkomst
aan hem zal worden verstrekt.
Artikel 71c
Onmiddellijk na de ontvangst van een
betaalopdracht voor een eenmalige betalingstransactie verstrekt de
betaaldienstverlener van de betaler op dezelfde wijze als in artikel
59a, eerste tot en met derde lid, is bepaald, aan de betaler de
volgende informatie of stelt hij deze aan hem ter beschikking:
a. een referentie aan de hand
waarvan de betaler kan bepalen om welke betalingstransactie het
gaat, en, in voorkomend geval, de informatie betreffende de
betalingsbegunstigde;
b. het bedrag van de
betalingstransactie in de in de betalingstransactie gebruikte
valuta;
c. het bedrag van de voor de
betalingstransactie door de betaler verschuldigde kosten en, voor
zover van toepassing, de splitsing van de bedragen van dergelijke
kosten;
d. voor zover van toepassing, de
bij de betalingstransactie gehanteerde wisselkoers, of een
desbetreffende referentie, indien deze verschilt van de
overeenkomstig artikel 59b, eerste lid, onderdeel d, aangeboden
wisselkoers, en het bedrag van de betalingstransactie na die
valutawissel; en
e. de datum van ontvangst van de
betaalopdracht.
Artikel 71d
Een betaaldienstverlener verstrekt
onmiddellijk na de uitvoering van een eenmalige betalingstransactie de
volgende informatie aan de betalingsbegunstigde op dezelfde wijze als
in artikel 59a, eerste tot en met derde lid, is bepaald, of stelt deze
aan hem ter beschikking:
a. de referentie aan de hand
waarvan de betalingsbegunstigde kan bepalen welke
betalingstransactie en, in voorkomend geval, welke betaler het
betreft, en alle bij de betalingstransactie gevoegde informatie;
b. het bedrag van de
betalingstransactie, in de valuta waarin de geldmiddelen ter
beschikking van de betalingsbegunstigde worden gesteld;
c. het bedrag van de voor de
betalingstransactie door de betalingsbegunstigde verschuldigde
kosten en, voor zover van toepassing, de splitsing van de bedragen
van dergelijke kosten;
d. voor zover van toepassing, de
door de betaaldienstverlener van de betalingsbegunstigde bij de
betalingstransactie gehanteerde wisselkoers, en het bedrag van de
betalingstransactie voor die valutawissel; en
e. de valutadatum van de
creditering.
Artikel 71e
In geval van een door de betaler
geïnitieerde afzonderlijke betalingstransactie uit hoofde van een
raamovereenkomst voor betaaldiensten, verstrekt een
betaaldienstverlener op verzoek van de betaler voor deze
betalingstransactie informatie over de maximum uitvoeringstermijn en
de door de betaler verschuldigde kosten en, voor zover van toepassing,
de splitsing van de bedragen van eventuele kosten.
Artikel 71f
1. Nadat het bedrag van een
afzonderlijke betalingstransactie uit hoofde van een
raamovereenkomst voor betaaldiensten van de betaalrekening van de
betaler is gedebiteerd of, indien de betaler geen betaalrekening
gebruikt, na ontvangst van de betaalopdracht, verstrekt de
betaaldienstverlener van de betaler op de wijze bepaald in artikel
59c, eerste en tweede lid, de betaler onverwijld de volgende
informatie:
a. een referentie aan de hand
waarvan de betaler kan bepalen welke betalingstransactie het
betreft en, in voorkomend geval, informatie betreffende de
betalingsbegunstigde;
b. het bedrag van de
betalingstransactie in de valuta waarin de betaalrekening van de
betaler wordt gedebiteerd of in de voor de betaalopdracht
gebruikte valuta;
c. het bedrag van de voor de
betalingstransactie door de betaler verschuldigde kosten en,
voor zover van toepassing, de splitsing daarvan, ofwel de aan de
betaler in rekening te brengen interesten;
d. voor zover van toepassing, de
door de betaaldienstverlener van de betaler bij de
betalingstransactie gehanteerde wisselkoers, en het bedrag van
de betalingstransactie na die valutawissel; en
e. de valutadatum van de
debitering of de datum van ontvangst van de betaalopdracht.
2. In een raamovereenkomst voor
betaaldiensten kan, in afwijking van het eerste lid, worden bepaald
dat de in het eerste lid bedoelde informatie op gezette tijden en
ten minste eenmaal per maand wordt verstrekt of ter beschikking
gesteld op de overeengekomen wijze die de betaler de mogelijkheid
biedt informatie ongewijzigd op te slaan en te reproduceren.
Artikel 71g
1. Na de uitvoering van een
afzonderlijke betalingstransactie verstrekt de betaaldienstverlener
van de betalingsbegunstigde op de wijze als bepaald in artikel 59c,
eerste en tweede lid, de betalingsbegunstigde onverwijld de volgende
informatie:
a. de referentie aan de hand
waarvan de betalingsbegunstigde kan bepalen welke
betalingstransactie het betreft en, in voorkomend geval, welke
betaler het betreft, en alle bij de betalingstransactie gevoegde
informatie;
b. het bedrag van de
betalingstransactie, in de valuta waarin de rekening van de
betalingsbegunstigde wordt gecrediteerd;
c. het bedrag van de voor de
betalingstransactie door de betaler verschuldigde kosten en,
voor zover van toepassing, de splitsing daarvan, ofwel de aan de
betalingsbegunstigde in rekening te brengen interesten;
d. voor zover van toepassing, de
door de betaaldienstverlener van de betalingsbegunstigde bij de
betalingstransactie gehanteerde wisselkoers, en het bedrag van
de betalingstransactie voor die valutawissel; en
e. de valutadatum van de
creditering.
2. In een raamovereenkomst voor
betaaldiensten kan de voorwaarde worden opgenomen dat de in het
eerste lid bedoelde informatie op gezette tijden en ten minste
eenmaal per maand wordt verstrekt of ter beschikking wordt gesteld
op een overeengekomen wijze die de betalingsbegunstigde de
mogelijkheid biedt informatie ongewijzigd op te slaan en te
reproduceren.
Artikel 71h
1. Een betaaldienstverlener verstrekt
de betaaldienstgebruiker op diens verzoek de in de artikelen 71f,
eerste lid, en 71g, eerste lid, bedoelde informatie eenmaal per
maand schriftelijk.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing ten aanzien van betaaldienstgebruikers aan wie via de
website van de betaaldienstverlener de in het eerste lid bedoelde
informatie wordt verstrekt, mits de betaaldienstgebruiker geheel of
nagenoeg geheel via de website van deze betaaldienstverlener gebruik
maakt van de door de desbetreffende betaaldienstverlener verleende
betaaldiensten.
Artikel 71i
1. Met betrekking tot
betaalinstrumenten die overeenkomstig een raamovereenkomst voor
betaaldiensten uitsluitend worden gebruikt voor afzonderlijke
betalingstransacties van maximaal € 30, met een uitgavenlimiet van
€ 150 of waarop maximaal een bedrag van € 150 tegelijk kan
worden opgeslagen verstrekt de betaaldienstverlener, in afwijking
van artikel 71e, de betaler uitsluitend informatie over de
voornaamste kenmerken van de betaaldienst, met inbegrip van de wijze
waarop van het betaalinstrument gebruik kan worden gemaakt, de
aansprakelijkheid, alle in rekening gebrachte kosten en andere
belangrijke informatie die nodig is om een weloverwogen besluit te
nemen;
2. Een betaaldienstverlener kan, in
afwijking van de artikelen 71f tot en met 71h, met de
betaaldienstgebruiker overeenkomen dat de betaaldienstverlener na
uitvoering van een betalingstransactie:
1°. uitsluitend een referentie
verstrekt of beschikbaar stelt waarmee de betaaldienstgebruiker
van de betaaldienst de betalingstransactie, het daarmee gemoeide
bedrag en de kosten ervan kan identificeren, of in het geval van
verschillende gelijkaardige betalingstransacties aan dezelfde
betalingsbegunstigde, uitsluitend informatie over het totale
bedrag en de kosten van deze betalingstransacties;
2°. niet verplicht is de onder
1° bedoelde informatie te verstrekken of beschikbaar te stellen
als het betaalinstrument anoniem wordt gebruikt of als
verstrekking hiervan voor de betaaldienstverlener uit technisch
oogpunt onmogelijk is, waarbij de betaaldienstverlener de
betaler echter een mogelijkheid biedt de opgeslagen bedragen te
verifiëren.
2. Voor nationale
betalingstransacties worden de in het eerste lid genoemde bedragen
verdubbeld.
3. Voor vooraf betaalde
betaalinstrumenten, bedoeld voor nationale betalingstransacties,
worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd tot € 500.
Artikel 71j
1. Indien een betalingsbegunstigde
een vergoeding verlangt of een korting aanbiedt voor het gebruik van
een bepaald betaalinstrument, informeert hij de betaler daarover
voordat de betalingstransactie wordt geïnitieerd.
2. Indien een betaaldienstverlener of
een derde een vergoeding verlangt voor het gebruik van een bepaald
betaalinstrument, informeert hij de betaaldienstgebruiker daarover
voordat de betalingstransactie wordt geïnitieerd.
Artikel 71k
Artikel 59f is van overeenkomstige
toepassing op de ingevolge de artikelen 71b tot en met 71j te
verstrekken of ter beschikking te stellen informatie.
Artikel 71l
Een betaalinstelling of een
elektronischgeldinstelling draagt er zorg voor dat betaaldienstagenten
die voor haar rekening handelen, de betaaldienstgebruiker daarvan in
kennis stellen. Zij draagt er tevens zorg voor dat haar bijkantoren de
betaaldienstgebruiker in kennis stellen van het feit bijkantoor te
zijn van de betaalinstelling, onderscheidenlijk de
elektronischgeldinstelling.
Artikel 72
1. Een gevolmachtigde agent of
ondergevolmachtigde agent die voor rekening van een verzekeraar een
verzekering heeft gesloten, vermeldt in de polis dan wel in een
daaraan toegevoegd aanhangsel de naam van de verzekeraar en, in
geval van co-assurantie, het aandeel dat hij namens de verzekeraar
heeft geaccepteerd. In geval van een schadeverzekering vermeldt hij
tevens elke wijziging in het door hem namens de verzekeraar
geaccepteerde aandeel in een aanhangsel.
2. Wordt, nadat de gevolmachtigde
agent of ondergevolmachtigde agent de verzekering heeft gesloten of,
in geval van een schadeverzekering, het door de gevolmachtigde agent
onderscheidenlijk ondergevolmachtigde agent geaccepteerde aandeel in
de verzekering is gewijzigd, niet of niet onverwijld aan de cliënt
een polis of aanhangsel gegeven, dan verstrekt de gevolmachtigde
agent onderscheidenlijk de ondergevolmachtigde agent de in het
eerste lid bedoelde gegevens aan de cliënt binnen vier weken na het
sluiten van de verzekering of na het aanbrengen van de wijziging.
Behoort de verzekering evenwel tot de portefeuille van een
bemiddelaar, dan verstrekt de gevolmachtigde agent onderscheidenlijk
de ondergevolmachtigde agent deze gegevens binnen twee weken aan
deze bemiddelaar.
3. Wordt, nadat een verzekering is
gesloten of, in geval van een schadeverzekering, het door de
verzekeraar geaccepteerde aandeel in de overeenkomst is gewijzigd,
niet of niet onverwijld aan de cliënt een polis of aanhangsel
afgegeven waarin de naam van de verzekeraar en, in geval van
co-assurantie, diens aandeel of daarin aangebrachte wijziging is
vermeld, dan verstrekt de bemiddelaar tot wiens portefeuille de
verzekering behoort deze gegevens binnen vier weken na het sluiten
van de overeenkomst of na het aanbrengen van de wijziging aan de
cliënt.
4. Het tweede en derde lid zijn niet
van toepassing indien binnen de desbetreffende termijn de
verzekering is tenietgegaan en daaraan door de cliënt of andere
belanghebbenden geen rechten meer kunnen worden ontleend.
5. De gevolmachtigde agent
onderscheidenlijk ondergevolmachtigde agent of de betrokken
bemiddelaar stelt de cliënt desgevraagd onverwijld in kennis van de
naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, van de
aandelen die de verzekeraars hebben geaccepteerd of van wijzigingen
die daarin zijn aangebracht.
Artikel 73
1. Gedurende de looptijd van een
overeenkomst inzake een levensverzekering verstrekt een
levensverzekeraar de cliënt, voorzover van toepassing, ten minste
de volgende informatie:
a. iedere wijziging van zijn
handelsnaam of handelsnamen, statutaire naam, rechtsvorm of
adres;
b. iedere wijziging van de
polisvoorwaarden;
c. voorzover zulks niet blijkt
uit een wijziging van de polisvoorwaarden: iedere wijziging van
de overeenkomst met betrekking tot de in de artikelen 57, eerste
lid, onderdeel c, en artikel 60, eerste lid, onderdelen b tot en
met m, en o tot en met s, bedoelde onderwerpen of van de op die
onderdelen van toepassing zijnde regelgeving;
d. de jaarlijkse winstdeling;
e. indien de uitkering wordt
uitgedrukt in rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling:
een jaarlijkse opgave over het
voorafgaande jaar van:
1°. de waarde-ontwikkeling
van het opgebouwde kapitaal;
2°. de door de cliënt
betaalde premies, bedoeld in artikel 60, eerste lid,
onderdeel i;
3°. de met de cliënt
verrekende kosten, bedoeld in artikel 60, eerste lid,
onderdeel l, onder 1°, 2° en 3°;
4°. het op het opgebouwde
kapitaal behaalde rendement;
f. indien de uitkering wordt
uitgedrukt in rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling: een jaarlijkse prognose van de hoogte van
het eindkapitaal op basis van een pessimistische voorspelling of
het historisch rendement;
g. indien de uitkering wordt
uitgedrukt in rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling: het gevoerde beheer van de
beleggingsinstelling;
h. indien de cliënt daarom
verzoekt: een opgave van de premievrije waarde op de einddatum
van de verzekering, onder vermelding van het voor de berekening
gehanteerde rendementspercentage, of een opgave van de wegens
afkoop verschuldigde kosten en de actuele afkoopwaarde.
2. Indien de uitkering wordt
uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling
verstrekt de levensverzekeraar, onverminderd het eerste lid, aanhef
en onderdeel h, aan de cliënt die verzoekt zijn premie te verhogen
of te verlagen of zijn polis premievrij te maken: een aan de nieuwe
premie aangepaste opgave overeenkomstigartikel 60, eerste lid,
onderdeel l, onder 1°, 2° en 3°.
3. Het eerste lid, aanhef en
onderdelen e, f en h, en het tweede lid zijn niet van toepassing
indien de cliënt een werkgever is die de overeenkomst heeft
afgesloten ten behoeve van zijn werknemers in verband met een door
hem toegezegd pensioen.
Artikel 74
Gedurende de looptijd van een
overeenkomst inzake een natura-uitvaartverzekering of een overeenkomst
die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de
uitvaart van een natuurlijke persoon verstrekt een
natura-uitvaartverzekeraar de cliënt, voorzover van toepassing, ten
minste de volgende informatie:
a. iedere wijziging van zijn
handelsnaam of handelsnamen, statutaire naam, rechtsvorm of adres;
b. iedere wijziging van de
polisvoorwaarden; en
c. voorzover zulks niet blijkt uit
een wijziging van de polisvoorwaarden: iedere wijziging van de
overeenkomst ten aanzien van de in de artikelen 57, eerste lid,
onderdeel c, en 63, eerste lid, onderdelen b tot en met h, j en
lbedoelde onderwerpen of van de op die onderdelen van toepassing
zijnde regelgeving.
Artikel 75
Gedurende de looptijd van een
overeenkomst inzake een schadeverzekering stelt een schadeverzekeraar
met zetel buiten Nederland die de branche Aansprakelijkheid
Motorrijtuigen uitoefent door middel van het verrichten van diensten
naar Nederland de cliënt binnen twee weken in kennis van een
wijziging in de naam of het adres van de schade-afhandelaar, bedoeld
in artikel 4:71, eerste lid, onderdeel e, van de wet.
§ 8.1.7. Informatieverstrekking in het
kader van een overeenkomst op afstand
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:20, eerste lid, tweede lid, derde lid, aanhef en onderdeel b, vierde
lid, en vijfde lid, van de wet
Artikel 76 [Vervallen per 01-11-2007]
Artikel 77
1. In afwijking van artikel 57 en
onverminderd de artikelen 60 tot en met 63 verstrekt een
financiëledienstverlener een consument voorafgaand aan de
totstandkoming van een overeenkomst op afstand, voorzover van
toepassing, ten minste de volgende informatie:
a. zijn naam en adres, de
hoedanigheid waarin hij optreedt tegenover de consument en,
indien de financiëledienstverlener een rechtspersoon is, de
statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;
b. de aard van zijn financiële
dienstverlening;
c. voorzover artikel 4:17 van de
wet van toepassing is: zijn interne klachtenprocedure, bedoeld
in artikel 4:17, eerste lid, onderdeel a, van de wet en de
erkende geschilleninstantie waarbij hij is aangesloten;
d. zijn inschrijving in het door
de toezichthouder gehouden register;
e. de naam van de Kamer van
Koophandel en Fabrieken in het handelsregister waarvan hij is
ingeschreven en het nummer van de inschrijving;
f. de belangrijkste kenmerken van
het financiële product;
g. de risico’s die met het
financiële product samenhangen;
h. de totale kosten of, wanneer
de exacte kosten niet kunnen worden genoemd, de grondslag voor
de berekening van de kosten, zodat de consument de kosten kan
verifiëren;
i. de omstandigheid dat de
consument andere bedragen verschuldigd kan zijn die niet via de
financiëledienstverlener worden betaald of door hem worden
opgelegd;
j. de extra kosten voor het
gebruik van een techniek voor communicatie op afstand;
k. de wijze van betaling door de
consument en de wijze van uitvoering van de overeenkomst op
afstand;
l. beperkingen in de
geldigheidsduur van de verstrekte informatie;
m. de minimale looptijd van de
overeenkomst op afstand;
n. het contractuele recht op
tussentijdse beëindiging van de overeenkomst op afstand en de
eventuele boete verbonden aan de uitoefening van dat recht;
o. het feit dat het in artikel
4:28, eerste en tweede lid, van de wet bedoelde recht wel of
niet van toepassing is, de duur van en de voorwaarden voor de
uitoefening van dat recht, met inbegrip van informatie over het
bedrag dat de consument gehouden kan zijn te betalen, de
gevolgen van niet-uitoefening van dat recht en de wijze waarop
dat recht kan worden uitgeoefend;
p. het bestaan van op de
overeenkomst op afstand toepasselijke garantiefondsen of andere
compensatieregelingen die niet vallen onder richtlijn nr.
1994/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L
135) en richtlijn nr. 1997/9/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de
beleggerscompensatiestelsels (PbEG L 084);
q. de taal of de talen waarin de
voorwaarden van de overeenkomst op afstand en de in dit artikel
bedoelde informatie worden verstrekt, alsmede de taal of talen
waarin de financiëledienstverlener zal communiceren gedurende
de looptijd van de overeenkomst op afstand;
r. het op de totstandbrenging van
betrekkingen met de consument voorafgaand aan de totstandkoming
van de overeenkomst op afstand toe te passen recht, het op die
overeenkomst toe te passen recht en de bevoegde rechter;
s. de overige voorwaarden van de
overeenkomst op afstand; en
t. indien hij gebruik maakt van
een andere beroepsbeoefenaar, de naam en adres van deze
beroepsbeoefenaar en, indien deze een rechtspersoon is, diens
statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen, en de
hoedanigheid waarin deze tegenover de consument optreedt
2. Een financiëledienstverlener die
financiële diensten verleent met betrekking tot levensverzekeringen
voldoet aan het eerste lid, aanhef en onderdelen f, g, h, m, n en s,
door het verstrekken van de informatie, bedoeld in artikel 60,
eerste lid, onderdelen h, i, l, m, n, o, p, r, s en t.
3. Een financiëledienstverlener die
financiële diensten verleent met betrekking tot
natura-uitvaartverzekeringen voldoet aan het eerste lid, aanhef en
onderdeel n, door het verstrekken van de informatie, bedoeld in
artikel 63, eerste lid, onderdelen h, i, en j.
4. Een financiëledienstverlener die
financiële diensten verleent met betrekking tot consumptief krediet
voldoet aan het eerste lid door het verstrekken van de informatie,
bedoeld in artikel 112, eerste en tweede lid, of, indien het krediet
in de vorm van een geoorloofde debetstand wordt verleend waarbij is
overeengekomen dat de ter zake verschuldigde betaling van de
consument op verzoek of binnen een termijn van één tot drie
maanden plaatsvindt, door het verstrekken van de informatie, bedoeld
in artikel 112a, eerste lid.
5. Een financiëledienstverlener die
financiële diensten verleent met betrekking tot effectenkrediet
voldoet aan het eerste lid door het verstrekken van de informatie
zoals opgenomen in bijlage F van dit besluit.
Artikel 78
1. Indien een overeenkomst op afstand
op verzoek van de consument tot stand is gekomen met gebruikmaking
van een techniek voor communicatie op afstand waarmee de in artikel
77 bedoelde informatie niet schriftelijk of via een andere duurzame
drager als bedoeld in artikel 49, eerste lid, voorafgaand aan de
totstandkoming van de overeenkomst kan worden verstrekt, kan de
financiëledienstverlener de informatie onmiddellijk na de
totstandkoming van de overeenkomst op afstand aan de consument
verstrekken.
2. In afwijking vanartikel 77, eerste
lid, aanhef, verstrekt de financiëledienstverlener een consument de
in dat artikel bedoelde informatie:
a. indien het een overeenkomst op
afstand inzake een schadeverzekering betreft, uiterlijk tegelijk
met het afgeven van de polis;
b. indien het een overeenkomst op
afstand inzake een levensverzekering, inzake een
natura-uitvaartverzekering of een overeenkomst op afstand die
strekt tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de
uitvaart van een natuurlijke persoon betreft, uiterlijk tegelijk
met het afgeven van de polis. Indien het een overeenkomst op
afstand inzake een levensverzekering of een overeenkomst op
afstand die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de
verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon waarvan
de waarde afhankelijk is van de ontwikkeling op financiële
markten betreft, heeft de consument het recht zonder een boete
verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen de
overeenkomst binnen dertig kalenderdagen na de dag waarop hij de
informatie heeft ontvangen, terugwerkend tot de datum van het
tot stand komen van de overeenkomst, te ontbinden en wordt de
consument door de financiëledienstverlener geïnformeerd over
de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat recht.
3. Voorzover het financiële risico
ingevolge een overeenkomst op afstand inzake een levensverzekering
voor rekening van de consument is, kan de financiëledienstverlener
met de consument overeenkomen dat de eventueel na de totstandkoming
van de overeenkomst opgetreden waardevermeerdering of -vermindering
van de beleggingen voor rekening van de consument blijft indien deze
de overeenkomst terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van
de overeenkomst ontbindt.
4. Natura-uitvaartverzekeraars die
overeenkomsten op afstand aangaan die strekken tot fondsvorming ter
voldoening van de verzorging van de uitvaart van de mens en die
overeenkomstig het tweede lid, onderdeel b, de in dat lid bedoelde
informatie uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis
verstrekken, komen met de consument overeen dat de eventueel na de
totstandkoming van de overeenkomst opgetreden waardevermeerdering of
-vermindering van de beleggingen voor rekening van de consument
blijft, indien deze ingevolge het tweede lid, onderdeel b, de
overeenkomst terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de
overeenkomst ontbindt.
Artikel 79
1. Een financiëledienstverlener
deelt aan een consument bij het gebruik van de telefoon voor het
doen van ongevraagde oproepen ter bevordering van de totstandkoming
van een overeenkomst op afstand, aan het begin van elk gesprek
duidelijk de identiteit van de financiëledienstverlener, alsmede
het commerciële oogmerk van de oproep mee. In afwijking van artikel
77, kan de financiëledienstverlener in dergelijke oproepen, indien
de consument daarmee uitdrukkelijk instemt, volstaan met het
informeren van de consument over:
a. de identiteit van de persoon
die in contact staat met de consument en de relatie van deze
persoon met de financiëledienstverlener;
b. de belangrijkste kenmerken van
het financiële product of de financiële dienst;
c. de totale kosten, of, wanneer
de exacte kosten niet kunnen worden genoemd, de grondslag voor
de berekening van de kosten, zodat de consument de kosten kan
verifiëren;
d. de omstandigheid dat de
consument andere bedragen verschuldigd kan zijn die niet via de
financiëledienstverlener worden betaald of door hem worden
opgelegd;
e. de toepasselijkheid van het in
artikel 4:28, eerste en tweede lid, van de wet bedoelde recht,
de duur van en de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht,
met inbegrip van informatie over het bedrag dat de consument
gehouden kan zijn te betalen, de gevolgen van niet-uitoefening
van dat recht; en
f. de omstandigheid dat op
verzoek van de consument andere informatie beschikbaar is,
waarbij de aard van die informatie aan de consument wordt
medegedeeld.
2. Ten aanzien van consumptief
krediet dat op verzoek van de consument met onmiddellijke ingang
beschikbaar wordt gesteld, anders dan in de vorm van een geoorloofde
debetstand waarbij is overeengekomen dat de ter zake verschuldigde
betaling van de consument op verzoek of binnen een termijn van één
tot drie maanden plaatsvindt, zijn de belangrijkste kenmerken,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de volgende gegevens:
a. het jaarlijks kostenpercentage
berekend voor een representatief voorbeeld;
b. het totale door de consument
te betalen bedrag;
c. het totale kredietbedrag en de
voorwaarden voor kredietopneming;
d. de duur van de
kredietovereenkomst;
e. in geval van goederenkrediet,
de roerende zaak of de dienst en de contante prijs daarvan;
f. de debetrentevoet, de
voorwaarden die de toepassing van deze rentevoet regelen, en,
voor zover beschikbaar, indices of referentierentevoeten die
betrekking hebben op de aanvankelijke debetrentevoet, en de
termijnen, de voorwaarden en de procedure voor wijziging
daarvan; en
g. het bedrag, het aantal en de
frequentie van de door de consument te verrichten betalingen,
en, indien van toepassing, de volgorde waarin de betalingen aan
de verschillende openstaande saldi tegen verschillende
debetrentevoeten worden toegerekend met het oog op de aflossing.
3. Ten aanzien van consumptief
krediet in de vorm van een geoorloofde debetstand waarbij is
overeengekomen dat de ter zake verschuldigde betaling van de
consument op verzoek of binnen een termijn van één tot drie
maanden plaatsvindt, zijn de belangrijkste kenmerken, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, de in artikel 112a, tweede lid, onderdelen
c, e, f en g, bedoelde gegevens.
4. Ten aanzien van effectenkrediet
zijn de belangrijkste kenmerken, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, de volgende gegevens:
a. de debetrentevoet, de
voorwaarden die de toepassing van deze rentevoet regelen, en,
voor zover beschikbaar, indices of referentierentevoeten die
betrekking hebben op de aanvankelijke debetrentevoet, en de
termijnen, de voorwaarden en de procedure voor wijziging
daarvan; en
b. dat het krediet wordt verleend
of toegezegd tegen onderpand van financiële instrumenten en dat
de kredietlimiet afhankelijk is van een bepaald
dekkingspercentage en indien van toepassing, bepaalde
spreidingseisen; en
c. welk dekkingspercentage en
welke spreidingseisen worden gehanteerd ten aanzien van de in
onderpand gegeven financiële instrumenten.
5. Indien een overeenkomst op afstand
tot stand komt via spraaktelefonie, verstrekt een
financiëledienstverlener de in artikel 77, eerste lid, bedoelde
informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst op
afstand aan de consument. Voorzover het een overeenkomst inzake een
levensverzekering, natura-uitvaartverzekering of schadeverzekering
betreft, is artikel 78, tweede lid, aanhef en onderdeel a,
onderscheidenlijk het tweede lid, aanhef en onderdeel b, of het
derde lid van overeenkomstige toepassing.
6. Artikel 49, eerste lid, eerste
volzin, is niet van toepassing op het verstrekken van informatie als
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 80
Gedurende de looptijd van een
overeenkomst op afstand verstrekt een financiëledienstverlener aan de
consument op diens verzoek de voorwaarden van de overeenkomst. Voorts
kan de consument het gebruik van een ander middel van communicatie op
afstand verlangen, tenzij dat niet met de tot stand gekomen
overeenkomst op afstand te verenigen is.
Afdeling 8.2. Overige bepalingen met
betrekking tot zorgvuldige dienstverlening
§ 8.2.1. Verplichting tot inwinnen van
informatie door beleggingsondernemingen
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 4:23, derde lid, onderdelen a en b, artikel 4:24, vierde
lid, onderdeel e, en vijfde lid, van de wet
Artikel 80a
1. De informatie, bedoeld in artikel
4:23, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, stelt de
beleggingsonderneming in staat om vast te kunnen stellen dat een
transactie waarop haar advies of beheer van een individueel vermogen
betrekking heeft:
a. voldoet aan de
beleggingsdoelstellingen van de cliënt;
b. van dien aard is dat de
cliënt de met zijn beleggingsdoelstellingen samenhangende
beleggingsrisico’s financieel kan dragen; en
c. van dien aard is dat de
cliënt, gelet op diens ervaring en kennis, kan begrijpen welke
beleggingsrisico’s aan de transactie of aan het beheer van
zijn portefeuille verbonden zijn.
2. De informatie, bedoeld in het
eerste lid, aanhef en onderdeel a, bevat gegevens over de duur van
de periode waarin de cliënt de belegging wenst aan te houden, diens
risicobereidheid en beleggingsdoelstelling.
3. De informatie, bedoeld in het
eerste lid, aanhef en onderdeel b, bevat gegevens over de bron en
omvang van de periodieke inkomsten, het vermogen en de financiële
verplichtingen van de cliënt.
4. Een beleggingsonderneming die een
professionele belegger adviseert over een financieel instrument
handelt in overeenstemming met het eerste lid, onderdeel b, indien
zij ervan uitgaat dat deze cliënt de met zijn
beleggingsdoelstellingen samenhangende beleggingsrisico’s
financieel kan dragen.
5. Een beleggingsonderneming die een
advies over financiële instrumenten verleent of een individueel
vermogen beheert voor een professionele belegger handelt in
overeenstemming met het eerste lid, onderdeel c, indien zij ervan
uitgaat dat deze cliënt over de nodige ervaring en kennis beschikt.
Artikel 80b
1. Een beleggingsonderneming die
zonder daarbij te adviseren een andere beleggingsdienst verleent dan
het beheren van een individueel vermogen, stelt bij de beoordeling
van de passendheid, bedoeld in artikel 4:24, eerste lid, van de wet,
vast of de cliënt over de nodige ervaring en kennis beschikt om te
begrijpen welke risico’s aan het betrokken financiële instrument
en de betrokken beleggingsdienst verbonden zijn.
2. Een beleggingsonderneming, als
bedoeld in het eerste lid, die een beleggingsdienst verleent voor
een professionele belegger, handelt in overeenstemming met het
eerste lid, onderdeel c, indien zij ervan uitgaat dat deze cliënt
over de nodige ervaring en kennis beschikt.
3. Indien de cliënt vóór 1
november 2007 een reeks transacties met betrekking tot financiële
instrumenten heeft verricht of vóór dat tijdstip een
beleggingsdienst verscheidene malen heeft afgenomen, mag de
beleggingsonderneming ervan uitgaan dat de cliënt met betrekking
tot dat financiële instrument of die beleggingsdienst over de
ervaring en kennis, bedoeld in het eerste lid, beschikt.
Artikel 80c
1. De informatie over de kennis en
ervaring van de cliënt, bedoeld in artikel 4:23, eerste lid,
onderdeel a, van de wet, voorzover deze redelijkerwijs relevant is
voor een advies over financiële instrumenten of beheer van een
individueel vermogen, en de informatie, bedoeld in artikel 4:24,
eerste lid, van de wet, is wat de hoeveelheid betreft evenredig aan
het soort cliënt, de aard en omvang van de beleggingsdienst en het
beoogde soort financiële instrument, de complexiteit ervan en de
daarmee samenhangende risico’s, en bevat gegevens over:
a. het soort beleggingsdiensten
en financiële instrumenten waarmee de cliënt vertrouwd is;
b. de aard, het volume en de
frequentie van de transacties in financiële instrumenten van de
cliënt en de periode waarin deze zijn verricht; en
c. de opleiding en het beroep of,
voor zover relevant, het vroegere beroep of de vroegere beroepen
van de cliënt.
2. Een beleggingsonderneming moedigt
een cliënt niet aan om de informatie, bedoeld in artikel 4:23,
eerste lid, onderdeel a, en artikel 4:24, eerste lid, van de wet
niet te verstrekken.
3. Een beleggingsonderneming mag
vertrouwen op de door de cliënt verstrekte informatie over de in
artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, en artikel 4:24, eerste lid,
van de wet genoemde onderwerpen, tenzij zij weet of zou moeten weten
dat deze informatie gedateerd, onnauwkeurig of onvolledig is.
Artikel 80d
Als financieel instrument in de zin van
artikel 4:24, vierde lid, onderdeel e, van de wet worden aangewezen
financiële instrumenten, niet zijnde financiële instrumenten als
bedoeld in onderdeel c van de definitie van effecten in artikel 1:1
van de wet of financiële instrumenten als bedoeld in de onderdelen d
tot en met j van de definitie van financieel instrument in artikel 1:1
van de wet, voor zover:
a. er zich regelmatig een
gelegenheid voordoet om deze te verkopen, te gelde te maken of
anderszins te realiseren tegen voor de marktdeelnemers
publiekelijk beschikbare prijzen die hetzij marktprijzen zijn,
hetzij prijzen die afkomstig zijn van of gevalideerd door
waarderingssystemen die onafhankelijk zijn van de uitgevende
instelling of beleggingsinstelling;
b. deze voor de cliënt geen andere
verplichtingen met zich brengen dan de betaling van de
aanschaffingskosten ervan; en
c. voor het publiek informatie
beschikbaar is over de kenmerken ervan die goed te begrijpen is,
zodat cliënten, die geen professionele belegger zijn, met kennis
van zaken een beslissing over een eventuele transactie in deze
financiële instrumenten kunnen nemen.
§ 8.2.2. Bepalingen ter uitvoering van
artikel 4:25, eerste lid, van de wet
Artikel 81
1. Het gebruik van automatische
oproepsystemen zonder menselijke tussenkomst, faxen of elektronische
berichten voor het overbrengen van ongevraagde informatie aan een
consument, ter bevordering van de totstandkoming van een
overeenkomst op afstand, is uitsluitend toegestaan indien de
consument daarvoor voorafgaand toestemming heeft verleend. Er zijn
voor de consument geen kosten verbonden aan het verlenen van deze
toestemming.
2. Het gebruik van andere dan de in
het eerste lid genoemde technieken voor communicatie op afstand voor
het overbrengen van ongevraagde informatie of het doen van
ongevraagde mededelingen aan een consument, ter bevordering van de
totstandkoming van een overeenkomst op afstand, is toegestaan,
tenzij de desbetreffende consument te kennen heeft gegeven dat hij
informatie of mededelingen waarbij van deze technieken gebruik wordt
gemaakt, niet wenst te ontvangen. Er zijn voor de consument geen
kosten verbonden aan voorzieningen waarmee wordt voorkomen dat aan
een consument ongevraagde informatie wordt overgebracht.
3. Een financiële onderneming die
elektronische contactgegevens voor elektronische berichten heeft
verkregen in het kader van de verkoop van een financieel product of
het verlenen van een financiële dienst mag deze gegevens gebruiken
voor het overbrengen van informatie ter bevordering van de
totstandkoming van een overeenkomst op afstand met betrekking tot
eigen gelijksoortige financiële producten of financiële diensten,
indien bij de verkrijging van de contactgegevens aan de consument
duidelijk en uitdrukkelijk de gelegenheid is geboden om kosteloos en
op gemakkelijke wijze verzet aan te tekenen tegen het gebruik van
die elektronische contactgegevens, en, indien de consument hiervan
geen gebruik heeft gemaakt, hem bij elke tot stand gebrachte
communicatie de mogelijkheid wordt geboden om onder dezelfde
voorwaarden verzet aan te tekenen tegen het verdere gebruik van zijn
elektronische contactgegevens. Artikel 41, tweede lid, van de Wet
bescherming persoonsgegevens is van overeenkomstige toepassing.
4. Bij het gebruik van elektronische
berichten ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst
op afstand dienen telkens de volgende gegevens te worden vermeld:
a. de werkelijke identiteit van
degene namens wie de communicatie wordt overgebracht, en
b. een geldig postadres of nummer
waaraan de ontvanger een verzoek tot beëindiging van dergelijke
communicatie kan richten.
Artikel 82
1. Een beheerder,
beleggingsmaatschappij of beleggingsonderneming benadert personen
die geen professionele belegger zijn, die geen deelnemer zijn in de
beleggingsinstelling of aan wie de beleggingsonderneming nog geen
beleggingsdienst heeft verleend, direct noch indirect in persoon,
anders dan door middel van een techniek voor communicatie op afstand
als bedoeld in artikel 81, tenzij:
a. de betrokkene daarmee vooraf
uitdrukkelijk schriftelijk dan wel elektronisch mee heeft
ingestemd; of
b. de betrokkene in het contact
slechts informatiemateriaal wordt aangeboden.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op:
a. beheerders van instellingen
voor collectieve beleggingen in effecten met zetel in een andere
lidstaat, instellingen voor collectieve beleggingen in effecten
met zetel in een ander lidstaat en de eventueel aan die
instellingen verbonden bewaarders; en
b. beheerders van
beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat,
beleggingsinstellingen met zetel in effecten met zetel in een
aangewezen staat en de eventueel aan die beleggingsinstellingen
verbonden bewaarders.
Artikel 83
1. Een beheerder,
beleggingsmaatschappij of bewaarder handelt in het belang van de
deelnemers in de beleggingsinstelling.
2. Een beheerder of
beleggingsmaatschappij behandelt deelnemers onder vergelijkbare
omstandigheden op gelijke wijze.
3. Door of namens een
beleggingsinstelling worden geen transacties uitgevoerd voor haar
rekening met een zodanige frequentie of van een zodanige omvang dat
dit gezien de omstandigheden kennelijk slechts strekt tot
bevoordeling van de beheerder, de beleggingsinstelling of met de
beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen.
4. Het eerste tot en met derde lid
zijn niet van toepassing op:
a. beheerders van instellingen
voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere
lidstaat die geen instellingen voor collectieve belegging in
effecten met zetel in Nederland beheren, instellingen voor
collectieve belegging in effecten met zetel in een andere
lidstaat en de eventueel aan die instellingen verbonden
bewaarders; en
b. beheerders van
beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat,
beleggingsinstellingen met zetel in effecten met zetel in een
aangewezen staat en de eventueel aan die beleggingsinstellingen
verbonden bewaarders.
Artikel 84
Een beleggingsonderneming onthoudt zich
van het uitvoeren van transacties voor rekening van cliënten met een
zodanige frequentie of van een zodanige omvang dat dit gezien de
omstandigheden kennelijk slechts strekt tot bevoordeling van de
beleggingsonderneming, tenzij sprake is van transacties waarvoor de
cliënt op eigen initiatief uitdrukkelijk opdracht heeft gegeven.
Artikel 85
Een beleggingsonderneming verricht geen
transactie voor rekening van een cliënt, indien de op naam van de
cliënt aanwezige saldi ontoereikend zijn om aan de verplichtingen te
voldoen die voortvloeien uit die transactie.
Artikel 86
1. Een beleggingsonderneming ziet er
op toe dat cliënten die posities hebben in financiële instrumenten
waaruit verplichtingen kunnen voortvloeien voortdurend over
voldoende saldi beschikken om aan de actuele verplichtingen die uit
die posities voortvloeien te voldoen.
2. Indien een cliënt als bedoeld in
het eerste lid over onvoldoende saldi beschikt om te voldoen aan de
actuele verplichtingen die voortvloeien uit posities in financiële
instrumenten, ziet de beleggingsonderneming er op toe dat deze
cliënt zekerheden stelt waaruit die verplichtingen kunnen worden
voldaan. Indien de cliënt geen zekerheden kan stellen, sluit de
beleggingsonderneming de posities zo spoedig mogelijk doch uiterlijk
binnen vijf werkdagen tenzij er zich bijzondere omstandigheden
voordoen.
Artikel 86a
Een financiële onderneming voert een
beleid inzake beloningen dat erop is gericht te voorkomen dat de
beloning van degenen die het beleid van de onderneming bepalen of mede
bepalen, haar werknemers en andere natuurlijke personen die zich onder
haar verantwoordelijkheid bezighouden met het verlenen van financiële
diensten of andere activiteiten leidt tot onzorgvuldige behandeling
van consumenten, cliënten of deelnemers.
Artikel 86b
1. Een aanbieder, gevolmachtigde
agent of ondergevolmachtigde agent verschaft of ontvangt voor het
optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent
rechtstreeks of middellijk geen commissie die niet noodzakelijk is
voor het verlenen van de dienst of deze mogelijk maakt.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op:
a. commissies die worden
verschaft door of aan een derde of degene die namens hem
optreedt, indien de verschaffing van de commissie geen afbreuk
doet aan de verplichting van de aanbieder, gevolmachtigde agent
of ondergevolmachtigde agent om zich in te zetten voor de
belangen van de cliënt; en
b. relatiegeschenken, voor zover
deze gezamenlijk op jaarbasis de waarde van€ 100 niet
overstijgen.
Hoofdstuk 9. Meldingsplichten
Afdeling 9.1. Melding wijzigingen door
financiële ondernemingen
§ 9.1.1. Beheerders
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:26, achtste lid, van de wet
Artikel 87
Deze paragraaf is niet van toepassing
op beheerders van instellingen voor collectieve belegging in effecten
met zetel in een andere lidstaat en op beheerders van
beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat.
Artikel 88
1. Een beheerder meldt aan de
Autoriteit Financiële Markten een wijziging in de gegevens die
eerder door hemzelf of door een andere financiële onderneming aan
een toezichthouder zijn verstrekt ten behoeve van de beoordeling van
de ingevolge de wet gestelde eisen met betrekking tot de
betrouwbaarheid van:
a. de personen die het beleid van
de beheerder, van een door hem beheerde beleggingsmaatschappij
of van een bewaarder die is verbonden aan een door hem beheerde
beleggingsinstelling bepalen of mede bepalen; of
b. de personen die onderdeel zijn
van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en
de algemene gang van zaken van de beheerder, van een door hem
beheerde beleggingsmaatschappij of van een bewaarder die is
verbonden aan een door hem beheerde beleggingsinstelling.
2. De beheerder meldt de wijziging
schriftelijk en onverwijld nadat hij daarvan in het kader van de
normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen.
Artikel 89
1. Een beheerder meldt aan de
Autoriteit Financiële Markten schriftelijk het voornemen tot
wijziging van het registratiedocument, bedoeld in artikel 4:48,
eerste lid, van de wet, voorzover het betreft gegevens over:
a. de activiteiten van de
beheerder en de soorten beleggingsinstellingen die hij beheert
of voornemens is te beheren, bedoeld in onderdeel 1.b. van
bijlage D;
b. de personen die het dagelijks
beleid van de beheerder of van een bewaarder die is verbonden
aan een door hem beheerde beleggingsinstelling bepalen, bedoeld
in onderdeel 2.1.a van bijlage D;
c. de personen die het beleid van
de beheerder of van een bewaarder die is verbonden aan een door
hem beheerde beleggingsinstelling bepalen of mede bepalen,
bedoeld in onderdeel 2.1.b. van bijlage D;
d. de personen die onderdeel zijn
van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en
de algemene gang van zaken van de beheerder of van een bewaarder
die is verbonden aan een door hem beheerde beleggingsinstelling,
bedoeld in onderdeel 2.1.c van bijlage D; of
e. de algemene gegevens
betreffende de beheerder en de bewaarders, bedoeld in onderdeel
3 van bijlage D.
2. De beheerder geeft geen uitvoering
aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a,
voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de
wijziging. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit
omtrent de instemming binnen vier weken na ontvangst van de melding.
3. De beheerder geeft geen uitvoering
aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b,
c of d, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd
met de wijziging. De Autoriteit Financiële Markten neemt een
besluit omtrent de instemming:
a. binnen zes weken na ontvangst
van de melding; of
b. indien de Autoriteit
Financiële Markten binnen twee weken na ontvangst van de
melding de beheerder of een derde om nadere gegevens heeft
verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch
uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de melding.
4. Indien de Autoriteit Financiële
Markten een derde verzoekt om nadere gegevens als bedoeld in het
derde lid, onderdeel b, doet zij daarvan mededeling aan de
beheerder.
5. Bij de melding, bedoeld in het
eerste lid, aanhef en onderdeel b, legt de beheerder ten aanzien van
te benoemen personen die het dagelijks beleid zullen bepalen de
volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, het
privé-adres en de functie;
b. een curriculum vitae;
c. een opgave van de geldige
relevante diploma’s;
d. een kopie van een geldig
identiteitsbewijs; en
e. een opgave van referenten.
6. Bij de melding, bedoeld in het
eerste lid, aanhef en onderdelen c en d, legt de beheerder ten
aanzien van te benoemen personen die het beleid zullen bepalen of
mede bepalen of die onderdeel zullen zijn van een orgaan dat belast
is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken de
volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, de
geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het
privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig
identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de
antecedenten, bedoeld in artikel 13; en
d. een opgave van referenten.
7. Het zesde lid, onderdelen b, c en
d, is niet van toepassing indien de voorgenomen wijziging een
persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet
door een toezichthouder reeds is vastgesteld.
Artikel 90
Een beheerder zendt een afschrift van
elke met een bewaarder gesloten overeenkomst alsmede van wijzigingen
van een met een bewaarder gesloten overeenkomst binnen twee weken na
ondertekening of wijziging van de overeenkomst aan de Autoriteit
Financiële Markten.
Artikel 91
1. Een beheerder meldt een wijziging
van de gegevens, bedoeld in artikel 4:50, eerste lid, met
uitzondering van onderdeel g, van de wet, van een door hem beheerde
beleggingsinstelling, niet zijnde een instelling voor collectieve
belegging in effecten, ten minste twee weken voorafgaand aan de
wijziging schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.
2. Een beheerder meldt een wijziging
van de gegevens, bedoeld in artikel 4:50, eerste lid, met
uitzondering van de onderdelen a, d, g en i van de wet, van een door
hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten ten
minste twee weken voorafgaand aan de wijziging schriftelijk aan de
Autoriteit Financiële Markten.
3. Een beheerder meldt een wijziging
in het fondsreglement of de statuten van een door hem beheerde
instelling voor collectieve belegging in effecten ten minste een
maand voorafgaand aan de wijziging schriftelijk aan de Autoriteit
Financiële Markten.
4. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten meldt het voornemen tot
vervanging van de beheerder of de bewaarder die aan de instelling
voor collectieve belegging in effecten is verbonden ten minste een
maand tevoren schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.
5. De beheerder geeft geen uitvoering
aan het voornemen, bedoeld in het derde en vierde lid, voordat de
Autoriteit Financiële Markten daarmee heeft ingestemd.
Artikel 92
1. Een beheerder die vanuit een in
een andere lidstaat gelegen bijkantoor een instelling voor
collectieve belegging in effecten beheert of rechten van deelneming
in door hem beheerde instellingen voor collectieve belegging in
effecten in die lidstaat aanbiedt, meldt aan de Autoriteit
Financiële Markten en de toezichthoudende instantie van de andere
lidstaat schriftelijk ten minste een maand tevoren:
a. een wijziging in het adres in
de lidstaat waar documenten kunnen worden opgevraagd;
b. een wijziging in de identiteit
van de personen die het dagelijks beleid van het bijkantoor
bepalen; of
c. het voornemen om het aanbieden
van rechten van deelneming in door hem beheerde instellingen
voor collectieve belegging in effecten vanuit het in de andere
lidstaat gelegen bijkantoor te staken.
2. Een beheerder die vanuit een in
een andere lidstaat gelegen bijkantoor een instelling voor
collectieve belegging in effecten beheert of rechten van deelneming
in door hem beheerde instellingen voor collectieve belegging in
effecten in die lidstaat aanbiedt, meldt aan de Autoriteit
Financiële Markten en de toezichthoudende instantie van de andere
lidstaat schriftelijk ten minste een maand tevoren het voornemen tot
wijziging van de financiële diensten die hij vanuit het bijkantoor
verleent, de organisatiestructuur van het bijkantoor, de procedure
voor risicobeheer en de afhandeling van klachten.
3. De beheerder geeft geen uitvoering
aan het voornemen, bedoeld in het tweede lid, voordat de Autoriteit
Financiële Markten heeft ingestemd met de wijziging. De Autoriteit
Financiële Markten neemt een besluit omtrent instemming binnen twee
maanden na ontvangst van de melding en stemt in met de wijziging,
tenzij de bedrijfsvoering of de financiële positie van de beheerder
gelet op de voorgenomen wijziging niet toereikend is.
Artikel 92a
Een beheerder die door middel van het
verrichten van diensten een instelling voor collectieve belegging in
effecten met zetel in een andere lidstaat beheert of rechten van
deelneming in door hem beheerde instellingen voor collectieve
belegging in effecten in een andere lidstaat aanbiedt, meldt een
wijziging van de financiële diensten die hij in de andere lidstaat
verleent, de procedure voor risicobeheer en de afhandeling van
klachten ten minste twee weken voorafgaand aan de wijziging
schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten en de
toezichthoudende instantie van de andere lidstaat.
§ 9.1.2. Beleggingsondernemingen
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:26, zesde lid, van de wet
Artikel 93
Deze paragraaf is niet van toepassing
op beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat.
Artikel 94
1. Een beleggingsonderneming meldt
aan de Autoriteit Financiële Markten een wijziging in de gegevens
die eerder door haarzelf of door een andere financiële onderneming
aan een toezichthouder zijn verstrekt ten behoeve van de beoordeling
van de ingevolge de wet gestelde eisen met betrekking tot de
betrouwbaarheid van:
a. de personen die het beleid van
de beleggingsonderneming bepalen of mede bepalen; of
b. de personen die onderdeel zijn
van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en
de algemene gang van zaken van de beleggingsonderneming.
2. De beleggingsonderneming meldt de
wijziging schriftelijk en onverwijld nadat zij daarvan in het kader
van de normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op:
a. beleggingsondernemingen die
voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de
Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben of voor de
uitoefening van het bedrijf van financiële instelling een door
de Nederlandsche Bank verleende verklaring van
ondertoezichtstelling hebben; en
b. beleggingsondernemingen die
voor het beheren van een instelling voor collectieve belegging
in effecten een door de Autoriteit Financiële Markten verleende
vergunning hebben.
Artikel 95
1.Een beleggingsonderneming meldt aan
de Autoriteit Financiële Markten schriftelijk het voornemen tot
wijziging van:
a. de personen die het dagelijks
beleid van de beleggingsonderneming bepalen;
b. de personen die het beleid van
de beleggingsonderneming bepalen of mede bepalen; of
c. de personen die onderdeel zijn
van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en
de algemene gang van zaken van de beleggingsonderneming.
2.Een beleggingsonderneming geeft
geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid,
voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de
wijziging. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit
omtrent de instemming:
a. binnen zes weken na ontvangst
van de melding; of
b. indien de Autoriteit
Financiële Markten binnen twee weken na ontvangst van de
melding de beleggingsonderneming of een derde om nadere gegevens
heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens,
doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de melding.
3.Indien de Autoriteit Financiële
Markten een derde verzoekt om nadere gegevens als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel b, doet zij daarvan mededeling aan de
beleggingsonderneming.
4.Bij de melding, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, legt de beleggingsonderneming ten aanzien
van te benoemen personen die het dagelijks beleid zullen bepalen de
volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, het
privé-adres en de functie;
b. een curriculum vitae;
c. een opgave van de relevante
geldige diploma’s;
d. een kopie van een geldig
identiteitsbewijs; en
e. een opgave van referenten.
5.Bij de melding, bedoeld in het
eerste lid, onderdelen b en c, legt de beleggingsonderneming ten
aanzien van te benoemen personen die het beleid zullen bepalen of
mede bepalen of die onderdeel zullen zijn van een orgaan dat belast
is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken de
volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, de
geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het
privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig
identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de
antecedenten, bedoeld in artikel 13; en
d. een opgave van referenten.
6.Het vijfde lid, onderdelen b, c en
d, is niet van toepassing indien de wijziging een persoon betreft
wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een
toezichthouder reeds is vastgesteld.
7.Het eerste tot en met vijfde lid
zijn niet van toepassing op:
a. beleggingsondernemingen die
voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de
Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben of voor de
uitoefening van het bedrijf van financiële instelling een door
de Nederlandsche Bank verleende verklaring van
ondertoezichtstelling hebben; en
b. beleggingsondernemingen die
voor het beheren van een instelling voor collectieve belegging
in effecten een door de Autoriteit Financiële Markten verleende
vergunning hebben.
Artikel 96
1.Een beleggingsonderneming meldt aan
de Autoriteit Financiële Markten ten minste twee weken tevoren
schriftelijk een wijziging in:
a. de maatregelen, bedoeld in
artikel 4:83, tweede lid, van de wet;
b. de maatregelen, bedoeld in
artikel 4:87, eerste en tweede lid, van de wet;
c. de onderdelen van de
bedrijfsvoering met betrekking waartoe ingevolge artikel 4:14,
tweede lid, aanhef en onderdelen a en b, regels zijn gesteld,
voorzover het een significante wijziging betreft;
d. de onderdelen van de
bedrijfsvoering waarover ingevolge artikel 4:14, tweede lid,
aanhef en onderdeel c, regels zijn gesteld, voorzover het een
significante wijziging betreft;
e. de naam en het adres van het
hoofdkantoor van de beleggingsonderneming, en, indien zij haar
zetel niet in Nederland heeft, het adres van het bijkantoor,
alsmede, in voorkomend geval, de plaats van haar zetel;
f. indien zij met personen in een
formele of feitelijke zeggenschapsstructuur is verbonden: de
samenstelling daarvan; of
g. de financiële diensten die de
beleggingsonderneming verleent of de financiële producten
waarop deze diensten betrekking hebben.
2.Het eerste lid, met uitzondering
van de onderdelen b en d, is niet van toepassing op:
a. beleggingsondernemingen die
voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de
Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben of voor de
uitoefening van het bedrijf van financiële instelling een door
de Nederlandsche Bank verleende verklaring van
ondertoezichtstelling hebben; en
b. beleggingsondernemingen die
voor het beheren van een instelling voor collectieve belegging
in effecten een door de Autoriteit Financiële Markten verleende
vergunning hebben.
Artikel 97
1.Een beleggingsonderneming met zetel
in Nederland die vanuit een in een andere lidstaat gelegen
bijkantoor beleggingsdiensten verleent, meldt aan de Autoriteit
Financiële Markten en de toezichthoudende instantie van de andere
lidstaat schriftelijk ten minste een maand tevoren:
a. een wijziging van de
financiële diensten die zij vanuit het bijkantoor verleent;
b. een wijziging in het adres in
de lidstaat waar documenten kunnen worden opgevraagd;
c. een wijziging in de identiteit
van de personen die het dagelijks beleid bepalen van het
bijkantoor; of
d. het voornemen om het verlenen
van beleggingsdiensten vanuit het bijkantoor te staken.
2.Het eerste lid, aanhef en
onderdelen b en c, is niet van toepassing op beleggingsondernemingen
die hebben voldaan aan artikel 92.
Artikel 98
Een beleggingsonderneming met zetel in
Nederland die door middel van het verrichten van diensten naar een
andere lidstaat beleggingsdiensten verleent, meldt aan de Autoriteit
Financiële Markten en de toezichthoudende instantie van de andere
lidstaat schriftelijk ten minste een maand tevoren:
a. een wijziging van de financiële
diensten die de beleggingsonderneming in de andere lidstaat
verleent; en
b. het voornemen om het verlenen
van beleggingsdiensten door middel van het verrichten van diensten
naar de andere lidstaat te staken.
Artikel 99
1.Een beleggingsonderneming met zetel
in Nederland die vanuit een in een staat die geen lidstaat is
gelegen bijkantoor beleggingsdiensten verleent, meldt aan de
Autoriteit Financiële Markten schriftelijk ten minste een maand
tevoren:
a. een wijziging in het adres van
het bijkantoor;
b. een wijziging in de identiteit
van de personen die het dagelijks beleid bepalen van het
bijkantoor; of
c. het voornemen om het verlenen
van beleggingsdiensten vanuit het bijkantoor te staken.
2.Een beleggingsonderneming met zetel
in Nederland die vanuit een in een staat die geen lidstaat is
gelegen bijkantoor beleggingsdiensten verleent, meldt aan de
Autoriteit Financiële Markten schriftelijk het voornemen tot
wijziging van:
a. de financiële diensten die
zij vanuit het bijkantoor verleent; of
b. de maatregelen gericht op het
bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering.
3.De beleggingsonderneming geeft geen
uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het tweede lid, voordat de
Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de wijziging. De
Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent instemming
binnen twee maanden na ontvangst van de melding en stemt in met de
wijziging, tenzij de bedrijfsvoering of de financiële positie van
de beleggingsonderneming gelet op de voorgenomen wijziging niet
toereikend is.
4.Zodra de beleggingsonderneming het
voornemen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, uitvoert, meldt
zij dit onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten.
5.De melding, bedoeld in het eerste
en tweede lid, gaat vergezeld van een vertaling van de
desbetreffende gegevens, voorzover de Autoriteit Financiële Markten
dat verlangt.
§ 9.1.3. Collectieve vergunninghouders
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:26, zesde lid, van de wet
Artikel 100
Een rechtspersoon als bedoeld in
artikel 2:105, eerste lid, van de wet meldt aan de Autoriteit
Financiële Markten binnen twee weken schriftelijk een wijziging in:
a. de naam en het adres van een
aangesloten onderneming;
b. de rechtsvorm van een
aangesloten onderneming;
c. indien een aangesloten
onderneming een rechtspersoon is: de statutaire zetel, de
statutaire naam en de handelsnaam of handelsnamen; of
d. indien een aangesloten
onderneming is ingeschreven in het handelsregister: het nummer van
de inschrijving.
§ 9.1.4. Financiëledienstverleners
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:26, zesde lid, van de wet
Artikel 101
Deze paragraaf is niet van toepassing
op:
a. bemiddelaars in verzekeringen
met zetel in een andere lidstaat;
b. financiëledienstverleners die
voor de uitoefening van het bedrijf van bank of verzekeraar een
door de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben of voor de
uitoefening van het bedrijf van financiële instelling een door de
Nederlandsche Bank verleende verklaring van ondertoezichtstelling
hebben;
c. financiëledienstverleners met
zetel in een andere lidstaat of een aangewezen staat die het
bedrijf van financiële instelling, bank of verzekeraar
uitoefenen; en
d. herverzekeringsbemiddelaars met
zetel in een andere lidstaat.
Artikel 102
1. Een financiëledienstverlener
meldt aan de Autoriteit Financiële Markten een wijziging in de
gegevens die eerder door hemzelf of een andere financiële
onderneming aan een toezichthouder zijn verstrekt ten behoeve van de
beoordeling van de ingevolge de wet gestelde eisen met betrekking
tot de betrouwbaarheid van:
a. de personen die het beleid van
de financiëledienstverlener bepalen of mede bepalen; of
b. de personen die onderdeel zijn
van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en
de algemene gang van zaken van de financiëledienstverlener.
2. De financiëledienstverlener meldt
de wijziging schriftelijk en onverwijld nadat hij daarvan in het
kader van de normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing op financiëledienstverleners die tevens beheerder of
beleggingsonderneming zijn.
Artikel 103
1. Een financiëledienstverlener
meldt aan de Autoriteit Financiële Markten schriftelijk het
voornemen tot benoeming van:
a. een persoon die het beleid van
de financiëledienstverlener bepaalt of mede bepaalt; of
b. een persoon die onderdeel is
van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en
de algemene gang van zaken van de financiëledienstverlener.
2. Een financiëledienstverlener
geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid,
voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft vastgesteld dat de
betrouwbaarheid van de betrokken persoon buiten twijfel staat. De
Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent de
betrouwbaarheid:
a. binnen zes weken na ontvangst
van de melding; of
b. indien de Autoriteit
Financiële Markten binnen twee weken na ontvangst van de
melding de financiëledienstverlener of een derde om nadere
gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die
gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van
de melding.
3. Indien de Autoriteit Financiële
Markten een derde verzoekt om nadere gegevens als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel b, doet zij daarvan mededeling aan de
financiëledienstverlener.
4. Bij de melding legt de
financiëledienstverlener ten aanzien van de betrokken persoon de
volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, de
geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het
privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig
identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de
antecedenten, bedoeld in artikel 13; en
d. een opgave van referenten.
5. Het tweede en vierde lid,
onderdelen b, c en d, zijn niet van toepassing indien de voorgenomen
benoeming een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de
toepassing van de wet reeds is vastgesteld.
Artikel 104
Een financiëledienstverlener meldt aan
de Autoriteit Financiële Markten binnen twee weken schriftelijk een
wijziging in:
a. zijn naam en adres;
b. zijn rechtsvorm;
c. indien hij een rechtspersoon is:
zijn statutaire zetel, statutaire naam en handelsnaam of
handelsnamen;
d. indien hij is ingeschreven in
het handelsregister: het nummer van de inschrijving;
e. de financiële diensten die hij
verleent of de financiële producten waarop deze diensten
betrekking hebben;
f. indien hij een bemiddelaar in
verzekeringen is: de natuurlijke personen die zijn beleid bepalen;
of
g. indien hij een gevolmachtigde
agent of ondergevolmachtigde agent is: de verzekeraar voor wie
zijn volmacht geldt of de natuurlijke personen die zijn beleid
bepalen.
§ 9.1.5. Verzekeraars
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:26, zesde lid, van de wet
Artikel 105
Een schadeverzekeraar met zetel in
Nederland die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitoefent of
een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die
de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitoefent vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor, meldt een wijziging in de naam of het
adres van een door hem in een andere lidstaat aangestelde
schaderegelaar als bedoeld in artikel 4:70, tweede lid, van de wet
binnen twee weken schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.
Artikel 106
Een schadeverzekeraar met zetel buiten
Nederland die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitoefent
door middel van het verrichten van diensten naar Nederland meldt een
wijziging in de akte van aanstelling van de schade-afhandelaar,
bedoeld in artikel 4:71, derde lid, van de wet binnen twee weken
schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.
Afdeling 9.2. Meldingsplicht accountant
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:27, vierde lid, van de wet
Artikel 107
1. De door een accountant als bedoeld
in artikel 4:27, tweede lid, van de wet op grond van artikel 4:27,
vierde lid, van de wet te verstrekken gegevens zijn:
a. het accountantsverslag aan de
bestuurders en de raad van commissarissen;
b. de directiebrieven; en
c. correspondentie tussen de
accountant en de financiële onderneming die rechtstreeks
betrekking heeft op de verklaring omtrent de getrouwheid van de
jaarrekening van de financiële onderneming.
2. De directiebrieven, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, met betrekking tot een beheerder en een
beleggingsinstelling bevatten in ieder geval een verklaring van de
accountant of en zo ja, in hoeverre hij de inrichting van de
bedrijfsvoering heeft beoordeeld.
Artikel 108
1. Een accountant die voornemens is
gegevens als bedoeld in artikel 107 te verstrekken, stelt de
financiële onderneming daarvan in kennis.
2. Indien de financiële onderneming
dat wenst, kan zij zelf de gegevens aan de Autoriteit Financiële
Markten verstrekken. In dat geval stelt zij de accountant daarvan in
kennis. De accountant vergewist zich ervan dat de Autoriteit
Financiële Markten de gegevens heeft ontvangen en dat de inhoud van
de gegevens hem geen aanleiding geeft alsnog gegevens aan de
Autoriteit Financiële Markten te verstrekken.
3. Indien de accountant schriftelijk
gegevens verstrekt aan de Autoriteit Financiële Markten, zendt hij
onverwijld aan de financiële onderneming een afschrift van de
gegevens en, indien van toepassing, van de begeleidende brief.
Hoofdstuk 10. Aanvullende regels
betreffende aanbieden
Afdeling 10.1. Beleggingsobjecten
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:30a, derde lid, van de wet
Artikel 109
In deze afdeling en de daarop
berustende bepalingen wordt in afwijking vanartikel 1, verstaan onder
gelieerde partij:
a. persoon die met een aanbieder
van beleggingsobjecten in een formele of feitelijke
zeggenschapsstructuur is verbonden;
b. persoon die direct of indirect
stemrecht kan uitoefenen of anderszins bepaalde rechten kan
uitoefenen in een aanbieder van beleggingsobjecten waardoor
invloed van betekenis kan worden uitgeoefend op diens zakelijk of
financieel beleid;
c. natuurlijke persoon die in een
familierechtelijke betrekking staat of een persoonlijke relatie
heeft met een bestuurder van een aanbieder van beleggingsobjecten
of met een natuurlijke persoon als bedoeld in onderdeel a of b, op
grond van welke relatie hij het handelen van de bestuurder of de
natuurlijke persoon met betrekking tot de aanbieder van
beleggingsobjecten kan beïnvloeden; of
d. rechtspersoon waarin een
bestuurder van een aanbieder van beleggingsobjecten of een
natuurlijke persoon als bedoeld in onderdeel c direct of indirect
stemrecht kan uitoefenen of anderszins bepaalde rechten kan
uitoefenen waardoor sprake is van invloed van betekenis op het
zakelijk of financieel beleid van die rechtspersoon.
Artikel 110
1. In het beleggingsobjectprospectus,
bedoeld in artikel 4:30a, eerste lid, van de wet worden, voorzover
van toepassing, de volgende gegevens opgenomen:
a. de naam, rechtsvorm, datum van
oprichting, zetel en de plaats van het hoofdkantoor van de
aanbieder;
b. een beschrijving van de
formele of feitelijke zeggenschapsstructuur waarin de aanbieder
met andere personen is verbonden en de met hem gelieerde
partijen;
c. de voorwaarden, alsmede de
wijze waarop deze voorwaarden kunnen worden gewijzigd en de
wijze van bekendmaking van een wijziging aan de consument;
d. een beschrijving van de
belangrijkste kenmerken van de serie van beleggingsobjecten
waarvan het beleggingsobject deel uitmaakt, waaronder in ieder
geval de aard, de bestaansduur en de risico’s, die onder meer
inzichtelijk worden gemaakt door een risico-indicator, alsmede
de effecten van die risico’s op het door de consument te
realiseren rendement;
e. een beschrijving van de
activiteiten van de aanbieder met betrekking tot de serie van
beleggingsobjecten waarvan het beleggingsobject deel uitmaakt,
voorzover mogelijk te onderscheiden in:
1°. operationele
activiteiten, onder vermelding van de plaats waar deze
plaatsvinden;
2°.
financieringsactiviteiten, voorzover mogelijk te
onderscheiden in het als kredietnemer aangaan van
overeenkomsten inzake krediet en het als crediteur uitzetten
van gelden; en
3°.
uitbestedingsactiviteiten onder vermelding van het beleid
inzake het uitbesteden van werkzaamheden, waaronder ten
minste een beschrijving van de werkzaamheden die zijn
uitbesteed, de naam en de plaats van de zetel van de derde
waaraan werkzaamheden zijn uitbesteed, alsmede de
vermelding, indien van toepassing, dat de derde een
gelieerde partij is;
f. een beschrijving van de wijze
waarop wordt bepaald of de opbrengsten door de aanbieder aan de
consument worden uitgekeerd;
g. een beschrijving van de door
de aanbieder te verstrekken garanties die aan de consument in
het vooruitzicht worden gesteld;
h. een beschrijving van de
transacties die worden verricht met gelieerde partijen,
waaronder:
1°. de vermelding of een
transactie onder marktconforme voorwaarden plaatsvindt, dan
wel, indien dat niet het geval is, wat de reden daarvoor is;
en
2°. indien een transactie
niet plaatsvindt op een gereglementeerde markt of een andere
markt in financiële instrumenten: de vermelding of aan de
transactie een onafhankelijke waardebepaling ten grondslag
ligt of dat de waarde kan worden bepaald door een of meer
bij de transactie betrokken partijen;
i. de kosten op jaarbasis per
serie van beleggingsobjecten waarvan het beleggingsobject deel
uitmaakt, en de relevante aannames die daaraan ten grondslag
liggen; en
j. de gegevens op jaarbasis per
serie van beleggingsobjecten waarvan het beleggingsobject deel
uitmaakt, betreffende de brutowaarde, de financieringen, de
prestatievergoedingen, en de rentebaten, met inbegrip van de
daarbij gehanteerde waarderingsgrondslagen, waarbij als
uitgangspunt geldt dat de brutowaarde wordt gebaseerd op de
vrije verkoopwaarde per serie van beleggingsobjecten.
2. Artikel 49 is van overeenkomstige
toepassing op het verstrekken van het beleggingsobjectprospectus
door de aanbieder van het beleggingsobject onderscheidenlijk de
bemiddelaar.
3. De Autoriteit Financiële Markten
kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de gegevens,
bedoeld in het eerste lid, in het beleggingsobjectprospectus worden
opgenomen alsmede met betrekking tot de wijze van berekening van de
kosten, risico’s en opbrengsten, bedoeld in het eerste lid.
Afdeling 10.1a [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 110a [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 110b [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 10.2. Krediet
§ 10.2.1. Precontractuele informatie
inzake krediet
Bepalingen ter uitvoering van artikel
4:33, tweede tot en met vierde lid, van de wet
Artikel 111
Artikel 4:33, eerste lid, van de wet is
niet van toepassing op:
a. aanbieders van hypothecair
krediet;
b. aanbieders van krediet,
voorzover het krediet onderdeel uitmaakt van een complex product;
en
c. aanbieders van krediet voorzover
zij overeenkomsten inzake krediet beheren of uitvoeren.
Artikel 112
1. De informatie, bedoeld in artikel
4:33, eerste lid, van de wet, met betrekking tot andere vormen van
krediet dan bedoeld in de artikelen 112a en 112b, wordt schriftelijk
of op een andere duurzame drager verstrekt in de vorm van het in
bijlage D bij dit besluit opgenomen formulier en bevat de in die
bijlage bedoelde gegevens.
2. De informatie, bedoeld in het
eerste lid, wordt gebaseerd op de door de consument kenbaar gemaakte
voorkeur en verstrekte informatie.
3. Informatie in aanvulling op de
informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in een
afzonderlijk document.
4. Indien de overeenkomst op verzoek
van de consument tot stand is gekomen met gebruikmaking van een
techniek voor communicatie op afstand waardoor de in het eerste lid
bedoelde informatie niet op de in dat lid voorgeschreven wijze
voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst kan worden
verstrekt, verstrekt de aanbieder de informatie onmiddellijk na de
totstandkoming van de overeenkomst aan de consument.
5. De aanbieder verstrekt aan de
consument op zijn verzoek een kosteloos exemplaar van de
ontwerpovereenkomst inzake krediet, tenzij de aanbieder op het
tijdstip van het verzoek niet voornemens is de overeenkomst met de
consument aan te gaan.
6. Ten aanzien van een overeenkomst
inzake krediet waarbij de betalingen door de consument niet tot een
directe overeenkomstige aflossing van het totale kredietbedrag
leiden, maar dienen om, gedurende de periodes en onder de
voorwaarden die in de overeenkomst inzake krediet of in een
nevenovereenkomst zijn vastgesteld, kapitaal op te bouwen, bevat de
op grond van het eerste lid te verstrekken informatie een duidelijke
en beknopte vermelding dat de overeenkomst inzake krediet niet
voorziet in een garantie tot aflossing van het totale uit hoofde van
de overeenkomst opgenomen kredietbedrag, tenzij die garantie wordt
gegeven.
7. De aanbieder verstrekt de
consument, teneinde deze in staat te stellen te beoordelen of de
voorgestelde overeenkomst inzake krediet aan zijn behoeften en
financiële situatie beantwoordt:
a. een passende toelichting op de
informatie, bedoeld in het eerste lid;
b. de voornaamste kenmerken van
het voorgestelde krediet,
c. indien van toepassing,
informatie inzake het goed of de dienst, bedoeld in bijlage D,
onderdeel 2, van dit besluit en van de verzekering of de
rekening, bedoeld in onderdeel 3 van die bijlage;
d. de specifieke gevolgen van het
krediet voor de consument, met inbegrip van de gevolgen indien
de consument niet betaalt.
8. Indien informatie als bedoeld in
het eerste lid niet voorafgaand aan de totstandkoming van de
overeenkomst op de in dat lid bedoelde wijze kan worden bepaald,
wordt zij bepaald met toepassing van de desbetreffende hypothese,
bedoeld in bijlage A, deel II.
Artikel 112a
1. De informatie, bedoeld in artikel
4:33, eerste lid, van de wet met betrekking tot krediet in de vorm
van een geoorloofde debetstand waarbij is overeengekomen dat de ter
zake verschuldigde betaling van de consument op verzoek of binnen
een termijn van één tot drie maanden plaatsvindt, wordt
schriftelijk of op een andere duurzame drager verstrekt.
2. De informatie bevat de volgende
gegevens:
a. het soort krediet;
b. de naam en adres en, indien de
aanbieder van het krediet of de bemiddelaar in krediet een
rechtspersoon is, de statutaire naam en handelsnaam of
handelsnamen;
c. het totale kredietbedrag;
d. de duur van de
kredietovereenkomst;
e. de debetrentevoet, de
voorwaarden die de toepassing van deze rentevoet regelen, en
indices of referentievoeten die betrekking hebben op de
aanvankelijke debetrentevoet;
f. de vanaf het sluiten van de
overeenkomst inzake krediet in rekening te brengen kosten,
alsmede in voorkomend geval de voorwaarden waaronder deze
gewijzigd kunnen worden;
g. het jaarlijks
kostenpercentage, aan de hand van representatieve voorbeelden en
met vermelding van alle voor de berekening van dat percentage
gebruikte hypothesen;
h. de voorwaarden en de procedure
voor beëindiging van de overeenkomst inzake krediet;
i. de geldende rentevoet in geval
de consument niet tijdig betaalt alsmede de
wijzigingsmodaliteiten ervan en, in voorkomend geval, de kosten
van niet-nakoming;
j. het recht van de consument op
grond van artikel 4:32 van de wetonverwijld en kosteloos
geïnformeerd te worden over het resultaat van de raadpleging
van een gegevensbestand ter beoordeling van zijn
kredietwaardigheid;
k. informatie omtrent de, vanaf
het moment waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, in
rekening te brengen kosten, alsmede, voor zover van toepassing,
de voorwaarden waaronder deze kosten gewijzigd kunnen worden; en
l. voor zover van toepassing, de
periode gedurende welke de aanbieder van het krediet door de
precontractuele informatie is gebonden.
3. De informatie kan worden verstrekt
door gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage E van dit
besluit. Alle informatie wordt even opvallend weergegeven.
4. De aanbieder verstrekt aan de
consument op zijn verzoek een kosteloos exemplaar van de
ontwerpovereenkomst inzake krediet, tenzij de aanbieder op het
tijdstip van het verzoek niet voornemens is de overeenkomst met de
consument aan te gaan.
5. Indien de overeenkomst op verzoek
van de consument tot stand is gekomen met gebruikmaking van een
techniek voor communicatie op afstand waardoor de in het eerste lid
bedoelde informatie niet op de in dat lid voorgeschreven wijze
voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst kan worden
verstrekt, verstrekt de aanbieder, in afwijking van het eerste lid,
de informatie, bedoeld in artikel 7:61 van het Burgerlijk Wetboek,
onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst aan de
consument.
6. Indien informatie als bedoeld in
het eerste lid niet voorafgaand aan de totstandkoming van de
overeenkomst op de in dat lid bedoelde wijze kan worden bepaald,
wordt zij bepaald met toepassing van de desbetreffende hypothese,
bedoeld in bijlage A, deel II.
Artikel 112b
De informatie, bedoeld in artikel 4:33,
eerste lid, van de wet, met betrekking tot effectenkrediet kan worden
verstrekt door gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage
Fvan dit besluit. De informatie bevat de in die bijlage bedoelde
gegevens. Alle informatie wordt even opvallend weergegeven.
Artikel 112c
De informatie, bedoeld in artikel 4:33,
eerste lid, van de wet, met betrekking tot krediet in de vorm van een
geoorloofde debetstand waarbij is overeengekomen dat de ter zake
verschuldigde betaling van de consument binnen een termijn van een
maand plaatsvindt, bevat de in artikel 112a, tweede lid, onderdelen c,
e, f en g, bedoelde gegevens met betrekking tot de kenmerken van het
krediet.
§ 10.2.2. Verplichting tot inwinnen
van informatie en ten hoogste toegelaten kredietvergoeding
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 4:32, tweede lid, 4:34, derde lid, en 4:35 van de wet
Artikel 113
1. Een aanbieder van krediet gaat met
een consument geen overeenkomst inzake krediet aan waarvan het
totale kredietbedrag meer dan € 1000 bedraagt, indien hij niet
beschikt over voldoende schriftelijke of op een andere duurzame
drager vastgelegde informatie aangaande de financiële positie van
de consument om, ter voorkoming van overkreditering, te kunnen
beoordelen of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op aanbieders van krediet voorzover zij krediet aanbieden
tegen onderpand van effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel
onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet,
die tot zekerheid dienen voor de terugbetaling van het krediet aan
een consument die reeds op het moment van aangaan van de
overeenkomst inzake krediet bezitter is van de te verpanden effecten
als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van
effect in artikel 1:1 van de wet, van welk krediet het totale
kredietbedrag gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake het
krediet niet hoger is dan zeventig procent van de waarde van de te
verpanden effecten, indien het effecten betreffen als bedoeld in
onderdeel a van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet,
dan wel niet hoger is dan tachtig procent van de waarde van de te
verpanden effecten, indien het effecten betreffen als bedoeld in
onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet,
en:
1°. die effecten als bedoeld in
onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in
artikel 1:1 van de wet, zijn toegelaten tot de handel op een
gereglementeerde markt; of
2°. de waarde van die effecten
als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie
van effect in artikel 1:1 van de wet, door middel van een
openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op aanbieders van krediet voor zover zij krediet
aanbieden in de vorm van een geoorloofde debetstand die binnen drie
maanden dient te worden afgelost en die niet hoger is dan het bedrag
dat maandelijks op de rekening wordt gestort.
Artikel 114
Alvorens met een consument een
overeenkomst inzake krediet aan te gaan waarvan het totale
kredietbedrag meer dan € 250 bedraagt, raadpleegt een aanbieder van
krediet de bij het stelsel van kredietregistratie waaraan hij
deelneemt geregistreerde gegevens over reeds aan de consument
verleende kredieten.
Artikel 115
1. Ter voorkoming van overkreditering
legt een aanbieder van krediet de criteria vast die hij ten
grondslag legt aan de beoordeling van een kredietaanvraag van een
consument en past hij deze criteria toe bij de beoordeling van een
kredietaanvraag.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op aanbieders van krediet voor zover zij krediet
aanbieden in de vorm van een geoorloofde debetstand die binnen drie
maanden dient te worden afgelost en die niet hoger is dan het bedrag
dat maandelijks op de rekening wordt gestort.
Artikel 115a
Een aanbieder van krediet rekent geen
hogere kredietvergoeding dan op grond van het Besluit
kredietvergoeding ten hoogste toegelaten kredietvergoeding.
Afdeling 10.3. Rechten van deelneming
in een beleggingsinstelling
§ 10.3.1. Regels voor alle beheerders,
beleggingsinstellingen en bewaarders
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 4:43, tweede lid, 4:47, tweede lid, 4:48, tweede lid, 4:49,
tweede lid, aanhef en onderdeel e, 4:51, vierde lid, en 4:52, derde
lid, van de wet
Artikel 116
De tussen een beheerder en een
bewaarder te sluiten overeenkomst, bedoeld in artikel 4:43, eerste
lid, van de wet, bepaalt in ieder geval dat:
a. de bewaarder bij het bewaren in
het belang van de deelnemers in de beleggingsinstelling optreedt;
b. de bewaring ten name van de
beleggingsinstelling op een zodanige wijze geschiedt dat over de
in bewaring gegeven activa slechts kan worden beschikt door de
beheerder en de bewaarder tezamen;
c. de bewaarder de in bewaring
gegeven activa slechts afgeeft tegen ontvangst van een verklaring
van de beheerder waaruit blijkt dat afgifte wordt verlangd in
verband met de regelmatige uitoefening van de beheerfunctie;
d. de bewaarder volgens het recht
van de staat waar de beleggingsinstelling haar zetel heeft jegens
de beleggingsinstelling en de deelnemers aansprakelijk is voor
door hen geleden schade voorzover de schade het gevolg is van
verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn
verplichtingen, ook indien de bewaarder de bij hem in bewaring
gegeven activa geheel of gedeeltelijk aan een derde heeft
toevertrouwd;
e. indien bewijzen van rechten van
deelneming worden afgegeven, deze bewijzen door de bewaarder
worden ondertekend;
f. een voorstel door de beheerder
tot wijziging van de tussen de beleggingsinstelling en de
deelnemers geldende voorwaarden tezamen met de bewaarder wordt
gedaan; en
g. indien de overeenkomst de activa
van een instelling voor collectieve belegging in effecten betreft,
dat de bewaarder:
1°. zich ervan vergewist dat
het aanbieden, verkoop, inkoop en intrekking van alsmede
terugbetaling op rechten van deelneming voor rekening van de
beleggingsinstelling, overeenkomstig de wet of de statuten
onderscheidenlijk het fondsreglement van de
beleggingsinstelling geschieden;
2°. zich ervan vergewist dat
bij transacties met betrekking tot de activa van de
beleggingsinstelling de tegenprestatie binnen de gebruikelijke
termijnen wordt voldaan;
3°. zich ervan vergewist dat
de opbrengsten van de beleggingsinstelling een bestemming
krijgen in overeenstemming met de wet of de statuten
onderscheidenlijk het fondsreglement van de
beleggingsinstelling;
4°. zich ervan vergewist dat
de waarde van de rechten van deelneming wordt berekend
overeenkomstig de wet of de statuten onderscheidenlijk het
fondsreglement van de beleggingsinstelling; en
5°. de aanwijzingen van de
beheerder dient uit te voeren, tenzij deze in strijd zijn met
de wet of de statuten onderscheidenlijk het fondsreglement van
de beleggingsinstelling.
Artikel 116a
1. Onverminderdartikel 116 bevat de
te sluiten overeenkomst, bedoeld in artikel 4:43, eerste lid, van de
wet tussen een beheerder van een instelling voor collectieve
belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat en een
bewaarder met zetel in een andere lidstaat, tevens de gegevens,
genoemd in bijlage G.
2. Verplichtingen tot
vertrouwelijkheid die op de beheerder en de bewaarder bij de
overeenkomst, bedoeld in artikel 4:43, eerste lid, van de wet van
toepassing zijn, beperken niet de toegang van de toezichthouders of
de toezichthoudende instantie van de lidstaat van de zetel van de
instelling voor collectieve belegging in effecten tot relevante
informatie.
Artikel 116b
De advertentie en mededeling op de
website van de beheerder, bedoeld in artikel 4:47, eerste lid, van de
wet, bevatten tenminste:
a. een beschrijving van de
voorgestelde voorwaardenwijziging;
b. een beschrijving van de gevolgen
voor de rechten en verplichtingen van de deelnemers van de
voorgestelde voorwaardenwijziging;
c. indien van toepassing: de wijze
en datum waarop deelnemers inspraak kunnen uitoefenen ten aanzien
van de voorgestelde voorwaardenwijziging;
d. de datum waarop de voorgestelde
voorwaardenwijziging van kracht zal worden;
e. een vermelding van het feit dat
een ten opzichte van het voorstel ongewijzigde
voorwaardenwijziging niet separaat zal worden bekendgemaakt, maar
als onderdeel van de gewijzigde voorwaarden op de website
beschikbaar zal zijn alsmede de datum waarop deze gewijzigde
voorwaarden op de website beschikbaar zullen zijn;
f. indien van toepassing: de
toepasselijkheid van artikel 4:47, vierde lid, van de wet alsmede
de datum waarop de in dat lid genoemde termijn aanvangt en
eindigt.
Artikel 117
Het registratiedocument, bedoeld in
artikel 4:48, eerste lid, van de wet, bevat ten minste de gegevens,
genoemd inbijlage H.
Artikel 118
1. Onverminderd artikel 4:49, tweede
lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, van de wet bevat het
prospectus, bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, van de wet, de
gegevens, genoemd inbijlage I.
2. In het prospectus worden in
afzonderlijke paragrafen de gegevens opgenomen over:
a. de kosten van de
beleggingsinstelling en de wijze waarop zij ten laste komen van
het resultaat van de beleggingsinstelling, in mindering worden
gebracht op het beheerde vermogen of anderszins direct of
indirect ten laste komen van de deelnemers in de
beleggingsinstelling; en
b. de aan de beleggingsinstelling
verbonden risico’s.
3. De Autoriteit Financiële Markten
stelt regels met betrekking tot de wijze waarop in het prospectus
inzicht wordt verschaft in het niveau van de kosten van de
beleggingsinstelling en de daaraan ten grondslag liggende
berekening. Voorts kan de Autoriteit Financiële Markten nadere
regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de gegevens,
bedoeld in bijlage I, worden opgenomen in het prospectus.
Artikel 119
Een beheerder, beleggingsinstelling of
bewaarder verstrekt de jaarrekening, het jaarverslag en de overige
gegevens, bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de wet, wat de
indeling en inhoud betreft, onverminderd de artikelen 121 tot en met
124 en 146, in de vorm waarin deze zijn opgemaakt krachtens Titel 9
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale
jaarrekeningstandaarden.
Artikel 120
1. Een beheerder stelt de
jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in
artikel 4:52, eerste lid, van de wet en de halfjaarcijfers, bedoeld
in artikel 4:52, tweede lid, kosteloos verkrijgbaar voor deelnemers
in de beleggingsinstelling.
2. De openbaarmaking van de
jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in
artikel 4:52, eerste lid, van de wet, geschiedt door publicatie op
de website van de beheerder. Gelijktijdig met de publicatie op de
website deelt de beheerder in een landelijk verspreid Nederlands
dagblad dan wel aan het adres van iedere deelnemer, mee dat voor
deelnemers op verzoek bij de beheerder een afschrift van de
jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens van de
beheerder, de beleggingsinstelling of de bewaarder voor de
deelnemers in de beleggingsinstelling kosteloos verkrijgbaar is.
3. De openbaarmaking van de
halfjaarcijfers, bedoeld in artikel 4:52, tweede lid, van de wet
geschiedt overeenkomstig het tweede lid.
4. De beheerder houdt de informatie,
bedoeld in het tweede en derde lid, gedurende ten minste drie jaar
beschikbaar op zijn website.
Artikel 121
1. Het jaarverslag van een
beleggingsinstelling, bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de
wet, bevat een verklaring van de beheerder dat hij voor de
beleggingsinstelling beschikt over een beschrijving van de
inrichting van de bedrijfsvoering die voldoet aan het bepaalde
ingevolge de artikelen 3:17, tweede lid, onderdeel c, en 4:14,
eerste lid, van de wet, en dat de bedrijfsvoering van de
beleggingsinstelling effectief en overeenkomstig de beschrijving
functioneert.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op het jaarverslag van beleggingsinstellingen met zetel
in een aangewezen staat.
Artikel 122
1. De toelichting op de balans en de
winst- en verliesrekening van een beleggingsinstelling bevat ten
minste de volgende gegevens:
a. een sluitend overzicht van het
verloop gedurende het boekjaar van de beleggingen waarbij de
beleggingen worden onderscheiden naar soort;
b. een overzicht van de
samenstelling van de activa aan het einde van het boekjaar;
c. een vergelijkend overzicht
over de laatste drie jaren van de intrinsieke waarde van de
beleggingsinstelling, het aantal uitstaande rechten van
deelneming en de intrinsieke waarde per recht van deelneming,
een en ander per het einde van het boekjaar;
d. een mededeling in hoeverre
activa die geen financiële instrumenten zijn die zijn
toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een
andere markt in financiële instrumenten door een onafhankelijke
deskundige zijn gewaardeerd, volgens welke methode de waardering
heeft plaatsgevonden, alsmede de regelmaat waarmee deze
waardering plaatsvindt;
e. het bedrag der verplichtingen,
onderscheiden naar soort aan het einde van het boekjaar, die
voortvloeien uit dekkingstransacties met betrekking tot koers-
en wisselkoersrisico in verband met de beleggingen, voorzover
een en ander niet reeds in de balans en winst- en
verliesrekening is begrepen;
f. een gespecificeerde opgave van
de activa van de beleggingsinstelling die deelnemingen zijn in
de zin van artikel 389, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek; en
g. indien de beleggingsinstelling
85 procent of meer van het beheerde vermogen direct of indirect
belegt in een andere beleggingsinstelling: de gegevens, bedoeld
in de onderdelen a, b, c, d en e, met betrekking tot de andere
beleggingsinstelling.
2. Onverminderd artikel 379, derde
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vermeldt de
beleggingsinstelling onder de overige gegevens, bedoeld in artikel
4:51, eerste lid, van de wet, het totale persoonlijke belang dat de
bestuurders van de beheerder of de beleggingsmaatschappij bij iedere
belegging van de beleggingsinstelling aan het begin en het einde van
het boekjaar hebben gehad.
Artikel 123
1. De toelichting op de balans en de
winst- en verliesrekening van een beleggingsinstelling bevat de
volgende gegevens:
a. voorzover van toepassing: de
kosten van oprichting van de beleggingsinstelling, de wijze
waarop deze kosten ten laste zijn gekomen van het resultaat, in
mindering zijn gebracht op het beheerde vermogen of anderszins
ten laste zijn gekomen van de deelnemers in de
beleggingsinstelling en welk gedeelte ten goede is gekomen aan
de beheerder, de bewaarder, de bestuurders van de beheerder,
beleggingsmaatschappij of bewaarder, of aan met de beheerder,
beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen;
b. de naar soort onderscheiden
kosten, gemoeid met het beheer van de beleggingsinstelling, de
bewaring van activa van de beleggingsinstelling, de accountant,
het toezicht op de beleggingsinstelling en de marketing, met
inbegrip van de berekeningsgrondslag en de wijze waarop deze
kosten ten laste zijn gekomen van het resultaat, in mindering
zijn gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste
zijn gekomen van de deelnemers in de beleggingsinstelling;
c. de transactiekosten die
geïdentificeerd en gekwantificeerd kunnen worden en de wijze
waarop deze kosten ten laste zijn gekomen van het resultaat, in
mindering zijn gebracht op
|