| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op het financieel
toezicht (Wft)
BESLUIT
MARKTMISBRUIK WFT
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 12 oktober 2006, houdende regels tot
uitvoering van diverse bepalingen van hoofdstuk 5.4 van de Wet op het
financieel toezicht (Besluit marktmisbruik Wft)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Financiën van 20 april 2006, nr. FM
2006-00969 M;
Gelet op Richtlijn nr. 2003/6/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2003
betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (PbEU L
96), Richtlijn nr. 2003/124/EG van de Europese Commissie van 22 december
2003 tot uitvoering van Richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees
Parlement en de Raad wat de definitie en openbaarmaking van
voorwetenschap en de definitie van marktmanipulatie betreft (PbEU
L 339), Richtlijn nr. 2003/125/EG van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 22 december 2003 tot uitvoering van Richtlijn
2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de juiste
voorstelling van beleggingsaanbevelingen en de bekendmaking van
belangenconflicten betreft (PbEU L 339), Richtlijn nr. 2004/72/EG
van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004 tot
uitvoering van Richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees Parlement en de
Raad wat gebruikelijke marktpraktijken, de definitie van voorwetenschap
met betrekking tot van grondstoffen afgeleide instrumenten, het
opstellen van lijsten van personen met voorwetenschap, de melding van
transacties van leidinggevende personen en de melding van verdachte
transacties betreft (PbEU L 162) en Richtlijn nr. 2004/109/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december
2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie
over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een
gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn
2001/34/EG (PbEU L 390), alsmede de artikelen 5:56, zesde lid,
5:57, derde lid, 5:58, derde lid, 5:59, vierde en achtste lid, 5:60,
eerste lid, aanhef en onder d, derde, vijfde en zesde lid, 5:62,
derde lid, 5:64, eerste lid, 5:65 en 5:68, eerste lid, van de Wet op het
financieel toezicht;
De Raad van State gehoord (advies van 3 juli
2006, nr. W06.06.0135/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Financiën van 9 oktober 2006, nr. FM 2006-01695U;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: Wet op het financieel toezicht;
b. koersgevoelige informatie: informatie als bedoeld in artikel
5:53, eerste lid, van de wet;
c. privé-transactie: transactie in een financieel instrument
voor eigen rekening of ten behoeve van een derde op wiens
beleggingen de betrokkene, anders dan uit hoofde van het verlenen
van een beleggingsdienst, invloed uitoefent.
Hoofdstuk 2. Uitzonderingen op de wettelijke verboden
Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 5:56 zesde lid, 5:57,
derde lid, en 5:58, derde lid, van de wet
Artikel 2
Artikel 5:56, eerste en derde lid, van de wet is niet van toepassing
op de volgende categorieën transacties:
a. het in het kader van een personeelsregeling aan personen als
bedoeld in artikel 5:60, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet,
of aan werknemers toekennen van financiële instrumenten, indien
daarbij een bestendige gedragslijn wordt gehanteerd met betrekking
tot de voorwaarden en de periodiciteit van de regeling;
b. het in het kader van een personeelsregeling als bedoeld in
onderdeel a uitoefenen van toegekende opties, omwisselen van
converteerbare obligaties of uitoefenen van uitgegeven warrants dan
wel soortgelijke rechten op aandelen of certificaten van aandelen,
op de expiratiedatum van het desbetreffende recht, dan wel binnen
een periode van vijf werkdagen voorafgaande aan die datum, alsmede
het verkopen van de met de uitoefening van deze rechten verworven
aandelen of certificaten van aandelen binnen deze periode, indien de
rechthebbende in dit laatste geval ten minste vier maanden voor de
expiratiedatum schriftelijk aan de uitgevende instelling kenbaar
heeft gemaakt tot verkoop te zullen overgaan of een onherroepelijke
volmacht tot verkoop aan de uitgevende instelling heeft verleend;
c. een transactie waarvan het verrichten of bewerkstelligen
noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan een verplichting tot
levering van aandelen of certificaten van aandelen;
d. het aangaan van een overeenkomst waarbij een rechthebbende op
financiële instrumenten zich onherroepelijk jegens een bieder
verplicht om in het kader van een voorgenomen of in voorbereiding
zijnd openbaar bod, financiële instrumenten waarop het openbaar bod
betrekking heeft aan de bieder aan te bieden, indien die
rechthebbende het aantal financiële instrumenten waarop de
overeenkomst betrekking heeft in een schriftelijke verklaring aan de
bieder vastlegt;
e. het aangaan van een overeenkomst waarbij een rechthebbende op
financiële instrumenten of een potentiële rechthebbende op
financiële instrumenten zich voorafgaand aan een uitgifte of
herplaatsing van die financiële instrumenten onherroepelijk
verplicht tot aankoop van een of meer van die financiële
instrumenten, indien de rechthebbende of de potentiële
rechthebbende het aantal financiële instrumenten of het bedrag
waarop de overeenkomst betrekking heeft in een schriftelijke
verklaring aan de uitgevende instelling die de financiële
instrumenten uitgeeft of herplaatst vastlegt;
f. het bij wijze van dividenduitkering uitgeven of, anders dan in
de vorm van keuzedividend, verkrijgen van aandelen of certificaten
van aandelen;
g. het, slechts beschikkend over voorwetenschap met betrekking
tot de handel, te goeder trouw handelen ter bediening van
opdrachtgevers door een tussenpersoon;
h. het door werknemers van een rechtspersoon waarbinnen
voorwetenschap aanwezig is verrichten of bewerkstelligen van een
transactie indien deze werknemers zelf slechts beschikken over
koersgevoelige informatie met betrekking tot de handel;
i. het in het kader van een terugkoopprogramma of stabilisatie,
als bedoeld in hoofdstuk II onderscheidenlijk hoofdstuk III van
Verordening (EG) nr. 2273/2003 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 22 december 2003 tot uitvoering van Richtlijn
2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de
uitzonderingsregeling voor terugkoopprogramma’s en voor de
stabilisatie van financiële instrumenten betreft (PbEU L 336),
verrichten of bewerkstelligen van transacties in financiële
instrumenten op een markt in financiële instrumenten, niet zijnde
een gereglementeerde markt, waarvan de houder een erkenning heeft
als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de wet, voor zover die
transacties voldoen aan de in de verordening genoemde voorwaarden,
met dien verstande dat onder het begrip «gereglementeerde markt»
in de verordening mede wordt verstaan: markt in financiële
instrumenten, niet zijnde een gereglementeerde markt, waarvan de
houder een erkenning heeft als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid,
van de wet;
j. het verkopen van in het kader van een personeelsregeling als
bedoeld in onderdeel a toegekende aandelen, certificaten van
aandelen of soortgelijke effecten onmiddellijk nadat verkoop volgens
de voorwaarden van de toekenning voor het eerst mogelijk wordt,
waarbij de betrokkene de opbrengst van de verkoop onmiddellijk
aanwendt ter voldoening van een uit de toekenning voortvloeiende
belastingplicht.
Artikel 3
Van meedelen in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep
of functie als bedoeld in artikel 5:57, eerste lid, onderdeel a, van de
wet is in elk geval sprake voorzover:
a. degene die voornemens is een openbaar bod op financiële
instrumenten uit te brengen, aan rechthebbenden op die financiële
instrumenten, waarvan bekendheid met hun bereidheid om hun
financiële instrumenten aan hem aan te bieden redelijkerwijs
noodzakelijk is voor de beslissing tot het uitbrengen van het
openbaar bod, informatie verschaft die zij nodig hebben om zich over
hun bereidheid uit te kunnen spreken; of
b. degene die voornemens is financiële instrumenten uit te geven
of te herplaatsen, aan rechthebbenden op financiële instrumenten of
potentiële rechthebbenden op financiële instrumenten, waarvan
bekendheid met hun bereidheid om financiële instrumenten aan te
kopen redelijkerwijs noodzakelijk is voor de beslissing tot het
uitgeven of herplaatsen van financiële instrumenten, informatie
verschaft die zij nodig hebben om zich over hun bereidheid uit te
kunnen spreken.
Artikel 4
1. De Autoriteit Financiële Markten onderzoekt regelmatig of
bepaalde categorieën transacties of handelsorders uitgezonderd zouden
moeten zijn van de verboden, bedoeld in artikel 5:58, eerste lid,
aanhef en onderdelen a en b, van de wet. Zij brengt daarover advies
uit aan Onze Minister. Bij haar onderzoek neemt zij in ieder geval de
volgende factoren in acht:
a. de mate van transparantie van de categorie transacties of
handelsorders voor de relevante gereglementeerde markten en andere
relevante van overheidswege toegelaten markten in financiële
instrumenten;
b. de noodzaak om de werking van de marktkrachten en de goede
wisselwerking tussen vraag en aanbod op de relevante
gereglementeerde markten en andere relevante van overheidswege
toegelaten markten in financiële instrumenten te waarborgen;
c. het effect van het verrichten of bewerkstelligen van de
desbetreffende categorie transacties of handelsorders op de
marktliquiditeit en de marktefficiëntie van de relevante
gereglementeerde markten en andere relevante van overheidswege
toegelaten markten in financiële instrumenten;
d. de mate waarin het verrichten of bewerkstelligen van de
desbetreffende categorie transacties of handelsorders aansluit bij
het handelsmechanisme van de relevante gereglementeerde markten en
andere relevante van overheidswege toegelaten markten in
financiële instrumenten en beleggers in staat stelt passend en
tijdig te reageren op de nieuwe marktsituatie die door deze
categorie transacties of handelsorders ontstaat;
e. het risico dat voortvloeit uit het verrichten of
bewerkstelligen van de desbetreffende categorie transacties of
handelsorders voor de integriteit van direct of indirect gelieerde
relevante gereglementeerde markten en andere direct of indirect
gelieerde relevante van overheidswege toegelaten markten in
financiële instrumenten voor het betrokken soort financieel
instrument binnen de Europese Unie;
f. het resultaat van enigerlei onderzoek naar de desbetreffende
categorie transacties of handelsorders door een bevoegde
autoriteit in de zin van richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 april 2003
betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (PbEU L 96);
g. de structurele kenmerken van de relevante gereglementeerde
markten en andere relevante van overheidswege toegelaten markten
in financiële instrumenten.
2. De Autoriteit Financiële Markten draagt er zorg voor dat:
a. zij alvorens tot vaststelling van haar advies over te gaan,
vertegenwoordigende organisaties van belanghebbenden raadpleegt,
alsmede andere bevoegde autoriteiten in de zin van richtlijn nr.
2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 12 april 2003 betreffende handel met voorwetenschap en
marktmanipulatie (PbEU L 96);
b. zij haar advies openbaar maakt, waarbij zij tevens een
beschrijving geeft van de desbetreffende categorie transacties of
handelsorders en van de factoren die in aanmerking zijn genomen
bij haar advies;
c. zij zo spoedig mogelijk van haar advies kennis geeft aan het
Comité van Europese effectenregelgevers, ingesteld bij Besluit
nr. 2001/527/EG van de Europese Commissie van 6 juni 2001 (PbEG
L191).
3. Indien bepaalde categorieën transacties of handelsorders bij
ministeriële regeling van de verboden, bedoeld in artikel 5:58,
eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de wet, zijn
uitgezonderd, onderzoekt de Autoriteit Financiële Markten regelmatig
of de uitzondering nog gerechtvaardigd is. Daarbij neemt zij de
factoren, bedoeld in het eerste lid, en de procedures, bedoeld in het
tweede lid, in acht. Indien zij van oordeel is dat haar advies
gewijzigd of aangepast zou moeten worden, brengt zij
dienovereenkomstig advies uit aan Onze Minister.
4. De categorieën transacties of handelsorders waarop artikel
5:58, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de wet niet van
toepassing zijn, worden met inachtneming van het advies van de
Autoriteit Financiële Markten, bedoeld in het eerste lid, aangewezen
bij ministeriële regeling.
Hoofdstuk 3. Meldingsveprlichtingen, lijsten van personen die toegang
hebben tot koersgevoelige informatie en het reglement
§ 3.1. Melding van transacties
Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 5:60, eerste lid, aanhef
en onderdeel d, derde, vijfde en zesde lid, en 5:62, derde lid, van de
wet
Artikel 5
De in artikel 5:60, eerste lid, onderdeel d, van de wet bedoelde
categorieën van personen zijn:
a. echtgenoten, geregistreerde partners of levensgezellen van de
in artikel 5:60, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de wet
bedoelde personen, of andere personen die op daarmee vergelijkbare
wijze samenleven met de in artikel 5:60, eerste lid, onderdelen a
tot en met c, van de wet bedoelde personen;
b. kinderen van de in artikel 5:60, eerste lid, onderdelen a tot
en met c, van de wet bedoelde personen die onder hun gezag vallen of
die onder curatele zijn gesteld en waarvoor deze personen als
curator zijn benoemd;
c. andere bloed- of aanverwanten van de in artikel 5:60, eerste
lid, onderdelen a tot en met c, van de wet bedoelde personen, die op
de datum van de desbetreffende transactie ten minste een jaar een
gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd met deze personen; en
d. rechtspersonen, trusts als bedoeld in artikel 1, onderdeel c,
van de Wet toezicht trustkantoren, of personenvennootschappen:
1°. waarvan de leidinggevende verantwoordelijkheid berust
bij een persoon als bedoeld in artikel 5:60, eerste lid,
onderdeel a, b of c, van de wet, of bij een persoon als bedoeld
in onderdeel a, b of c;
2°. die onder de zeggenschap staan van een persoon als
bedoeld onder 1°;
3°. die zijn opgericht ten gunste van een persoon als
bedoeld onder 1°; of
4°. waarvan de economische belangen in wezen gelijkwaardig
zijn aan die van een persoon als bedoeld onder 1°.
Artikel 6
1. Een melding als bedoeld in artikel 5:60, eerste lid, van de wet
bevat de volgende gegevens:
a. de naam van de meldingsplichtige;
b. het adres van de meldingsplichtige;
c. de naam van de betrokken uitgevende instelling;
d. de reden voor de melding;
e. een omschrijving van de bij de desbetreffende transactie
betrokken financiële instrumenten;
f. de aard van de transactie;
g. de datum en de plaats van uitvoering van de transactie;
h. de prijs en de omvang van de transactie.
2. De melding wordt gedaan met gebruikmaking van door de Autoriteit
Financiële Markten vastgestelde meldingsformulieren.
Artikel 7
Aan de meldingsverplichting, bedoeld in artikel 5:60, eerste lid, van
de wet, is voldaan indien op grond van artikel 5:38, eerste of tweede
lid, of 5:48, zesde lid, van de wet aan de Autoriteit Financiële
Markten melding is gedaan van een door de betrokken transactie
bewerkstelligde wijziging als bedoeld in het desbetreffende lid.
Artikel 8
Artikel 5:60, eerste lid, van de wet, is niet van toepassing op
transacties die op grond van een schriftelijke overeenkomst van
lastgeving worden verricht of bewerkstelligd door een financiële
onderneming waaraan het ingevolge het Deel Markttoegang financiële
ondernemingen of het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen
van de wet is toegestaan individuele vermogens te beheren, indien bij
die overeenkomst is bepaald dat de volmachtgever geen invloed uitoefent
op transacties die de financiële onderneming als gevolmachtigde
verricht of bewerkstelligt.
Artikel 9
1. Een melding als bedoeld in artikel 5:62, eerste lid, van de wet
bevat de volgende gegevens:
a. een beschrijving van de transactie of de opdracht, het type
order en het type handelsplatform;
b. de redenen voor het redelijk vermoeden dat de transactie of
de opdracht in strijd is met artikel 5:56, eerste of derde lid, of
5:58, eerste lid, van de wet;
c. gegevens waaruit de identiteit blijkt van de personen namens
wie de transactie is uitgevoerd of die daartoe opdracht hebben
gegeven, alsmede van de andere personen die bij deze transactie of
opdracht betrokken zijn, alsmede gegevens waaruit, indien
mogelijk, blijkt of de persoon die opdracht heeft gegeven tot de
transactie dit voor eigen rekening of voor rekening van een derde
heeft gedaan;
d. de hoedanigheid waarin de beleggingsonderneming optreedt;
e. overige gegevens die redelijkerwijs van betekenis kunnen
zijn voor het onderzoek door de Autoriteit Financiële Markten.
2. Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, niet beschikbaar
zijn ten tijde van de melding, doet de beleggingsonderneming in ieder
geval opgave van de redenen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
De beleggingsonderneming verstrekt onverwijld alle overige gegevens
zodra zij daarover beschikt.
3. De melding geschiedt per post, elektronische post, fax of
telefoon, met dien verstande dat de melding in het laatste geval
schriftelijk wordt bevestigd indien de Autoriteit Financiële Markten
daarom verzoekt.
§ 3.2. Lijst van personen die op regelmatige of incidentele basis
kennis kunnen hebben van koersgevoelige informatie en reglement
Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 5:59, tweede lid, en 5:65
van de wet
Artikel 10
1. De lijst van personen, bedoeld in artikel 5:59, eerste lid, van
de wet, bevat de volgende gegevens:
a. de naam van alle personen die op regelmatige of incidentele
basis kennis kunnen hebben van koersgevoelige informatie;
b. de reden waarom deze personen op de lijst zijn vermeld;
c. de datum waarop de lijst is opgesteld en bijgewerkt.
2. Degene die verplicht is tot het bijhouden van een lijst als
bedoeld in het eerste lid, werkt de lijst onverwijldbij indien:
a. de reden waarom een persoon op de lijst is vermeld is
gewijzigd;
b. een persoon aan de lijst dient te worden toegevoegd;
c. een persoon die op de lijst staat geen toegang meer heeft
tot koersgevoelige informatie.
3. Degene die verplicht is tot het bijhouden van een lijst als
bedoeld in het eerste lid, vermeldt de omstandigheid dat en het
tijdstip waarop een persoon geen toegang meer heeft tot voorwetenschap
onverwijld op de lijst.
4. Degene die verplicht is tot het bijhouden van een lijst als
bedoeld in het eerste lid, bewaart de verouderde gegevens ten minste
vijf jaar na de opstelling of bijwerking van de lijst.
Artikel 11
Een reglement als bedoeld in artikel 5:65 van de wet bevat regels ten
aanzien van:
a. de taken en bevoegdheden van de persoon, bedoeld in artikel
5:60, vierde lid, van de wet, indien de desbetreffende uitgevende
instelling als bedoeld in artikel 5:65 van de wet overgaat tot de
aanwijzing van een dergelijke persoon;
b. de verplichtingen van werknemers en van de personen, bedoeld
in artikel 5:60, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet, ten
aanzien van het bezit van en transacties in op de uitgevende
instelling betrekking hebbende financiële instrumenten;
c. indien van toepassing, de periode waarin de personen, bedoeld
in artikel 5:60, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de wet, geen
transacties in op de uitgevende instelling betrekking hebbende
financiële instrumenten mogen verrichten of bewerkstelligen.
Hoofdstuk 4 [Vervallen per 01-01-2009]
§ 4.1 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2009]
§ 4.2 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2009]
Hoofdstuk 5. Voorkoming van publiekmisleiding door
beleggingsaanbevelingen
Bepalingen ter uitvoering van artikel 5:64, eerste lid, van de wet
Artikel 15
Een ieder die beleggingsaanbevelingen uitbrengt, vermeldt in de
beleggingsaanbeveling duidelijk en opvallend:
a. de naam en functie van de natuurlijke persoon die de
beleggingsaanbeveling heeft opgesteld; en
b. de naam van de persoon die verantwoordelijk is voor het
uitbrengen van de beleggingsaanbeveling.
Artikel 16
1. Een uitbrenger van een beleggingsaanbeveling treft redelijke
maatregelen om te waarborgen dat in de beleggingsaanbeveling:
a. melding wordt gemaakt van het feit dat de
beleggingsaanbeveling gebaseerd is op betrouwbare bronnen of,
indien van toepassing, dat wordt betwijfeld of een bron
betrouwbaar is;
b. feiten duidelijk kunnen worden onderscheiden van informatie
die niet op feiten is gebaseerd; en
c. projecties, prognoses en richtkoersen duidelijk als zodanig
worden omschreven en dat wordt vermeld welke belangrijke
vooronderstellingen hieraan ten grondslag liggen.
2. Onverminderd het eerste lid, treft een uitbrenger van een
beleggingsaanbeveling, indien dit een in artikel 5:64, tweede lid,
onderdeel a, van de wet genoemde persoon is, dan wel een met de
beleggingsonderneming gelieerde rechtspersoon, redelijke maatregelen
om te waarborgen dat in de beleggingsaanbeveling:
a. alle wezenlijk inhoudelijke bronnen worden vermeld, met
inbegrip van de betrokken uitgevende instelling, bedoeld in
artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a, onder 3°, van de wet,
alsmede het feit of de beleggingsaanbeveling aan deze uitgevende
instelling is bekendgemaakt en naar aanleiding daarvan is
gewijzigd voordat deze is verspreid;
b. de betekenis ervan op afdoende wijze wordt uitgelegd en dat
wordt vermeld op welke wijze de beleggingsaanbeveling is gebaseerd
op de belangrijke aannames;
c. grondslagen of methoden voor de beoordeling van een
financieel instrument of een uitgevende instelling als bedoeld in
artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a, onder 3°, van de wet of
voor de vaststelling van een richtkoers voor een financieel
instrument, op adequate en beknopte wijze worden vermeld;
d. melding wordt gemaakt van de geplande frequentie van
eventuele bijstellingen van de beleggingsaanbeveling en van alle
belangrijke wijzigingen in het eerder bekendgemaakte
publicatiebeleid;
e. duidelijk en opvallend melding wordt gemaakt van de datum
waarop de beleggingsaanbeveling voor de eerste keer is uitgebracht
en van de datum en het tijdstip waarop elke vermelde koers van een
financieel instrument betrekking heeft; en
f. indien van toepassing, duidelijk en opvallend melding wordt
gemaakt van het feit dat het in de beleggingsaanbeveling opgenomen
advies afwijkt van het advies in de meest recente
beleggingsaanbeveling met betrekking tot hetzelfde financieel
instrument, bedoeld in artikel 5:53, zesde lid, onderdeel a, van
de wet of dezelfde uitgevende instelling, bedoeld in dat
onderdeel, dat door dezelfde natuurlijke persoon is opgesteld en
in een periode van twaalf maanden onmiddellijk daaraan voorafgaand
is uitgebracht, alsmede van de datum waarop deze eerdere
beleggingsaanbeveling is uitgebracht.
Artikel 17
1. Een uitbrenger van een beleggingsaanbeveling vermeldt in de
beleggingsaanbeveling duidelijk en opvallend de belangen of
belangenconflicten waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat
deze afbreuk kunnen doen aan de objectiviteit van de
beleggingsaanbeveling.
2. Indien de uitbrenger van een beleggingsaanbeveling een
rechtspersoon is, is de in het eerste lid bedoelde verplichting van
overeenkomstige toepassing op iedere in het kader van een
arbeidsovereenkomst of anderszins voor hem werkzame natuurlijke of
rechtspersoon die bij het opstellen van de beleggingsaanbeveling
betrokken was.
3. Afbreuk kan in elk geval worden gedaan aan de objectiviteit van
de beleggingsaanbeveling indien een in artikel 5:64, tweede lid,
onderdeel a, van de wet genoemde persoon of een met de
beleggingsonderneming gelieerde rechtspersoon, voor of tijdens het
uitbrengen van de beleggingsaanbeveling:
a. een aanzienlijke deelneming heeft in de uitgevende
instelling, bedoeld in artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a,
onder 3°, van de wet, of wanneer deze uitgevende instelling een
aanzienlijke deelneming heeft in de in de aanhef van dit lid
genoemde personen of ondernemingen;
b. een ander wezenlijk financieel belang heeft in de uitgevende
instelling, bedoeld in artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a,
onder 3°, van de wet;
c. optreedt als marketmaker of als liquiditeitsverschaffer met
betrekking tot de financiële instrumenten van de uitgevende
instelling, bedoeld in artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a,
onder 3°, van de wet;
d. partij is bij een overeenkomst met de uitgevende instelling,
bedoeld in artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a, onder 3°, van
de wet, met betrekking tot het uitbrengen van de
beleggingsaanbeveling;
e. partij is bij enige andere overeenkomst met de uitgevende
instelling, bedoeld in artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a,
onder 3°, van de wet; of
f. gedurende de voorafgaande twaalf maanden beroeps- of
bedrijfsmatig financiële instrumenten van de uitgevende
instelling, bedoeld in artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a,
onder 3°, van de wet, bij uitgifte ervan, heeft overgenomen of
geplaatst.
4. Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien het
vermelden van de belangen of belangenconflicten, bedoeld in dat lid,
door de uitbrenger van een beleggingsaanbeveling of een met hem
gelieerde rechtspersoon zou leiden tot de openbaarmaking van
vertrouwelijke commerciële informatie en de overeenkomst, bedoeld in
het derde lid, onderdeel e, de voorafgaande twaalf maanden van kracht
was of gedurende deze periode heeft geleid tot een vergoeding aan deze
uitbrenger van een beleggingsaanbeveling of een met hem gelieerde
rechtspersoon of een toezegging daartoe.
5. Indien de uitbrenger van een beleggingsaanbeveling een
rechtspersoon is, vermeldt deze zijn belangen of belangenconflicten of
de belangen of belangenconflicten van de met hem gelieerde
rechtspersonen die relevant zijn met betrekking tot de
beleggingsaanbeveling:
a. welke bekend waren of waarvan redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat zij bekend waren aan de personen die bij het
opstellen van de beleggingsaanbeveling betrokken waren; of
b. welke bekend waren of waarvan redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat zij bekend waren aan andere personen dan bedoeld in
onderdeel a, voordat de beleggingsaanbeveling onder cliënten werd
verspreid of openbaar werd gemaakt aan het publiek.
6. Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 5:64, tweede
lid, onderdeel a, van de wet maakt eens in de drie maanden openbaar
welk gedeelte van de in die periode gegeven beleggingsaanbevelingen
een advies om «te kopen», «aan te houden», «te verkopen», of een
gelijkwaardige formulering bevat, alsmede aan welk gedeelte van de
uitgevende instellingen, bedoeld in artikel 5:53, zesde lid, onderdeel
a, onder 3°, van de wet een dergelijk advies is gegeven voor wie de
beleggingsonderneming tijdens de voorafgaande twaalf maanden
belangrijke zakenbankdiensten heeft verricht.
Artikel 18
1. Een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het kader van
een arbeidsovereenkomst of anderszins voor een beleggingsonderneming
als bedoeld in artikel 5:64, tweede lid, onderdeel a, van de wet
werkzaam is en die betrokken was bij het opstellen van een
beleggingsaanbeveling, deelt aan de beleggingsonderneming mede of zijn
beloning gekoppeld is aan door de beleggingsonderneming of een met
haar gelieerde rechtspersoon verrichte zakenbanktransacties, voorzover
de beleggingsonderneming hiervan niet reeds op de hoogte is.
2. Indien de natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid,
aandelen van een uitgevende instelling als bedoeld in artikel 5:53,
zesde lid, onderdeel a, onder 3°, van de wet ontvangt of verwerft
voordat deze aandelen aan het publiek worden aangeboden, deelt hij ook
de koers waartegen deze aandelen zijn verworven en de verwervingsdatum
mede aan de beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 5:64, tweede
lid, onderdeel a, van de wet, voorzover de beleggingsonderneming
hiervan niet reeds op de hoogte is.
3. Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 5:64, tweede
lid, onderdeel a, van de wet vermeldt de in het eerste en tweede lid
bedoelde gegevens in de beleggingsaanbeveling.
4. Een natuurlijke persoon die in het kader van een
arbeidsovereenkomst of anderszins voor een beleggingsonderneming als
bedoeld in artikel 5:64, tweede lid, onderdeel a, van de wet werkzaam
is en een door een derde uitgebrachte beleggingsaanbeveling uitbrengt,
vermeldt in deze beleggingsaanbeveling duidelijk en opvallend de naam
van de voor de beleggingonderneming bevoegde toezichthouder.
Artikel 19
1. Indien de beleggingsaanbeveling, bedoeld in artikel 16 of 17,
eerste, tweede of derde lid, niet schriftelijk openbaar wordt gemaakt,
kan bij de beleggingsaanbeveling worden vermeld welke voor het publiek
direct en gemakkelijk toegankelijke vindplaats toegang geeft tot deze
vereiste informatie.
2. Indien de openbaar te maken informatie, bedoeld in artikel 16,
tweede lid, onderdeel a, b of c, onevenredig lang is in verhouding tot
de lengte van de beleggingsaanbeveling en zich geen wijziging heeft
voorgedaan in de gehanteerde methode of grondslag van de beoordeling,
kan in de beleggingsaanbeveling naar een voor het publiek direct en
gemakkelijk toegankelijke vindplaats worden verwezen waar deze
vereiste informatie toegankelijk is.
3. Indien de openbaar te maken informatie, bedoeld in artikel 17,
eerste, tweede, derde, vijfde of zesde lid, of 18, eerste of tweede
lid, onevenredig lang is in verhouding tot de lengte van de
beleggingsaanbeveling, kan in deze beleggingsaanbeveling naar een voor
het publiek direct en gemakkelijk toegankelijke vindplaats worden
verwezen waar de vereiste informatie toegankelijk is.
Hoofdstuk 6. Optreden op markten in financiële instrumenten
§ 6.1. Algemene bepalingen
Bepalingen ter uitvoering van artikel 5:68, eerste lid, van de wet
Artikel 20
Een onderneming als bedoeld in artikel 5:68, eerste lid, van de wet,
treft adequate maatregelen teneinde belangenconflicten met betrekking
tot transacties in financiële instrumenten te beheersen.
Artikel 21
Een onderneming als bedoeld in artikel 5:68, eerste lid, van de wet,
treft adequate maatregelen teneinde:
a. te vermijden dat koersgevoelige informatie bekend wordt buiten
de kring van personen die uit hoofde van de uitoefening van werk,
beroep of functie daarmee bekend dienen te zijn;
b. te waarborgen dat aan de onderneming verbonden personen de
uiterste zorgvuldigheid betrachten in de behandeling van informatie
waarvan zij weten of redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze
informatie moet worden aangemerkt als koersgevoelig.
Artikel 22
Een onderneming als bedoeld in artikel 5:68, eerste lid, van de wet,
wijst een persoon aan die belast is met het interne toezicht op de
naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde en stelt regels ten aanzien
van de uitoefening van dat toezicht.
Artikel 23
Een onderneming als bedoeld in artikel 5:68, eerste lid, van de wet,
houdt van de door haar voor eigen rekening verrichte transacties in
financiële instrumenten een administratie bij, die de volgende gegevens
bevat:
a. de per dag verrichte transacties;
b. de financiële instrumenten waarop elke transactie betrekking
heeft;
c. de datum en het tijdstip waarop elke transactie is uitgevoerd;
d. voor zover van toepassing, de identiteit van de derde die de
transactie heeft uitgevoerd;
e. de koers of de koersen waartegen de transacties zijn
uitgevoerd.
§ 6.2. Gedragscode voor privé-transacties
Bepalingen ter uitvoering van artikel 5:68, eerste lid, van de wet
Artikel 24
1. Een onderneming als bedoeld in het tweede lid beschikt over een
gedragscode voor privé-transacties door aan de onderneming verbonden
personen die direct of indirect bij de transacties van de onderneming
in financiële instrumenten zijn betrokken dan wel anderszins uit
hoofde van werk, beroep of functie regelmatig over voorwetenschap
beschikken of kunnen beschikken, tenzij de onderneming met toepassing
van artikel 25, derde lid, besluit geen personen aan te wijzen als
insider als bedoeld in artikel 25. Zij draagt er zorg voor dat de
gedragscode bekend is bij ieder wie het aangaat en ziet toe op de
naleving ervan.
2. Het eerste lid is van toepassing op:
a. clearinginstellingen;
b. banken die geen beleggingsdiensten mogen verlenen of
beleggingsactiviteiten mogen verrichten, beheerders van
beleggingsinstellingen, beleggingsmaatschappijen, financiële
instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling hebben
verkregen, ondernemingsspaarfondsen, pensioenfondsen en
verzekeraars, die beschikken over een gekwalificeerde deelneming
in een uitgevende instelling of waarvan de transacties in
financiële instrumenten gedurende het afgelopen kalenderjaar €
20 miljoen of meer hebben bedragen.
3. Tot de transacties in financiële instrumenten, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel b, worden niet gerekend:
a. de transacties van een bijkantoor buiten Nederland of een
dochtermaatschappij van de onderneming; en
b. de transacties van een buiten Nederland gevestigde
onderneming waarvan de onderneming een bijkantoor is.
4. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, worden de
volgende transacties buiten beschouwing gelaten:
a. transacties in obligaties uitgegeven door de Staat der
Nederlanden, andere overheden en overheidslichamen, internationale
verdragsorganisaties en supranationale publiekrechtelijke
lichamen;
b. transacties in financiële instrumenten waarvan het beheer
is overgedragen aan een derde, op zodanige voorwaarden dat de
onderneming geen invloed heeft op de fondsselectie of op
afzonderlijke transacties;
c. transacties in indexfondsen of in rechten van deelneming in
beleggingsinstellingen die alleen openstaan voor professionele
marktpartijen.
Artikel 25
1. De gedragscode, bedoeld in artikel 24, eerste lid, bevat regels
die gelden voor alle in dat lid bedoelde personen, en aanvullende
regels voor insiders.
2. Een onderneming wijst als insider aan:
a. de personen die het dagelijks beleid van de onderneming
bepalen of mede bepalen;
b. personen van wie de werkzaamheden bestaan uit het verrichten
of bewerkstelligen van transacties in financiële instrumenten, of
uit het aanbieden, verrichten, afwikkelen of controleren van
diensten op het gebied van bemiddeling in financiële instrumenten
of op het gebied van vermogensbeheer;
c. andere personen die uit hoofde van hun verbondenheid aan de
onderneming regelmatig over voorwetenschap beschikken of kunnen
beschikken.
3. Een onderneming kan besluiten een in het tweede lid, onderdeel a
of b, bedoelde persoon niet aan te wijzen als insider als deze niet
regelmatig over voorwetenschap beschikt of kan beschikken.
4. Een onderneming voorziet in procedures voor het aanwijzen van
insiders en voor de toepassing van het derde lid, en houdt een lijst
bij van de personen die als insider zijn aangewezen.
Artikel 26
De gedragscode, bedoeld in artikel 24, eerste lid, bepaalt dat een in
dat lid bedoelde persoon iedere vermenging van zakelijke en
privé-belangen, respectievelijk de redelijkerwijs voorzienbare schijn
daarvan, die te maken heeft met transacties in financiële instrumenten,
vermijdt.
Artikel 27
1. De gedragscode, bedoeld in artikel 24, eerste lid, bepaalt dat
een insider als bedoeld in artikel 25, tweede lid:
a. door hem verrichte privé-transacties meldt op de in de
gedragscode voorgeschreven wijze en met inachtneming van de in de
gedragscode opgenomen voorschriften;
b. naar zijn beste vermogen bevordert dat derden, op wier
beleggingen hij invloed uitoefent of kan uitoefenen, de interne
toezichthouder, bedoeld in artikel 22, op diens verzoek alle
informatie verstrekken omtrent enige door hen verrichte of
bewerkstelligde privé-transactie.
2. De gedragscode kan bepalen dat melding van transacties in
bepaalde categorieën financiële instrumenten, waarvan melding niet
bijdraagt aan het doel van de gedragscode, achterwege kan blijven.
Artikel 28 [Vervallen per 01-11-2007]
Artikel 29 [Vervallen per 01-11-2007]
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 30
Artikel 24, eerste lid, is tot de eerste dag van de zevende maand na
de datum van inwerkingtreding niet van toepassing op ondernemingen als
bedoeld in artikel 24, tweede lid, onderdeel b, die op de datum van
inwerkingtreding van dit besluit werkzaam zijn en ingevolge hoofdstuk
IVA van de Vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995 waren
vrijgesteld van artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
Artikel 31
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 32
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit marktmisbruik Wft.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 12 oktober 2006
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de eenendertigste oktober 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|