| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op het financieel
toezicht (Wft)
BESLUIT
PRUDENTIEEL TOEZICHT FINANCIËLE GROEPEN WFT
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 12 oktober 2006, houdende regels met
betrekking tot aanvullend prudentieel toezicht op kredietinstellingen,
levensverzekeraars, schadeverzekeraars en beleggingsondernemingen die
tot een financiële groep behoren (Besluit prudentieel toezicht
financiële groepen Wft)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Financiën van 27 juni 2006, nr. FM
2006-01503 M;
Gelet op Richtlijn nr. 2002/87/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2002
betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen,
verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel
conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG,
92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen
98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU
2003 L 35), Richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot
en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG
L 126) en Richtlijn nr. 98/78/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 27 oktober 1998 betreffende het aanvullende
toezicht op verzekeringsondernemingen in een verzekeringsgroep (PbEG
L 330) en de artikelen 3:270, tweede lid, 3:280, vierde lid, 3:284,
derde lid, 3:285, 3:286 en 3:296 tot en met 3:299 van de Wet op het
financieel toezicht;
De Raad van State gehoord (advies van 26 juli
2006, nr. W06.06.0260/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Financiën van 9 oktober 2006, nr. FM 2006-01859U;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet op het financieel
toezicht.
Artikel 2
De in dit besluit bedoelde financiële ondernemingen passen de in dit
besluit beschreven methoden consistent toe.
Hoofdstuk 2. Geconsolideerd toezicht op beleggingsondernemingen en
banken
Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 3:270, tweede lid, en
3:280, vierde lid, en 3:280b van de wet
Artikel 3
1. Een onderneming is van te verwaarlozen betekenis als bedoeld in
artikel 3:270, eerste lid, onderdeel b, van de wet, indien het
balanstotaal van die onderneming, tezamen met dat van andere bij het
toezicht op de betrokken beleggingsonderneming of bank te betrekken
ondernemingen van te verwaarlozen betekenis, lager is dan het laagste
van de twee volgende bedragen:
a. € 10.000.000; of
b. één procent van het balanstotaal van de moederonderneming
of van de onderneming die de deelneming houdt.
2. In dit artikel wordt onder onderneming verstaan een
beleggingsonderneming, een financiële instelling, een bank of een
onderneming die nevendiensten verricht, en die dochteronderneming is
van een Nederlandse beleggingsonderneming of Nederlandse bank of
waarin een deelneming wordt gehouden door die Nederlandse
beleggingsonderneming of Nederlandse bank.
Artikel 4
1. Een beleggingsonderneming of bank als bedoeld in artikel 3:280,
eerste lid, van de wet dient de in het derde lid van dat artikel
bedoelde rapportage eenmaal per jaar bij de Nederlandsche Bank in,
tenzij de Nederlandsche Bank, indien de solvabiliteit door
ontwikkelingen bij de beleggingsonderneming of bank in het gedrang is
of zou kunnen komen, besluit dat er gerapporteerd wordt met een hogere
frequentie.
2. Onder significante intragroepsovereenkomsten of -posities als
bedoeld in artikel 3:280, derde lid, van de wet worden verstaan
overeenkomsten of posities die een door de Nederlandsche Bank vast te
stellen drempel, gerelateerd aan de aanwezige solvabiliteit, te boven
gaan. Alvorens de drempel vast te stellen, voert de Nederlandsche Bank
overleg met de betrokken Nederlandse beleggingsonderneming of
Nederlandse bank. De Nederlandsche Bank stelt geen kwalitatieve of
andere kwantitatieve drempels vast.
3. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de
categorieën overeenkomsten en posities die in de rapportage worden
betrokken en de rapportage.
4. De in het derde lid bedoelde regels hebben uitsluitend
betrekking op:
a. het model van de staat;
b. de reikwijdte van toepassing van de staat en de mate van
detaillering van de in te vullen gegevens; deze omvatten geen
uitbreiding of nadere rubricering van de staat;
c. de waardering van de posten overeenkomstig de
waarderingsmethoden die de financiële onderneming in haar
jaarrekening toepast;
d. de te hanteren valuta en rekeneenheid;
e. de afronding; en
f. de termijn waarbinnen de rapportage wordt verstrekt; met
dien verstande dat deze niet korter is dan noodzakelijk voor de
uitoefening van het toezicht op de naleving van hoofdstuk 6 van
het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de
wet.
Artikel 4a
1. De Nederlandsche Bank kan een ontheffing als bedoeld in artikel
3:280b van de wet verlenen aan een beleggingsonderneming die deel
uitmaakt van een groep indien in de desbetreffende groep:
a. elke Nederlandse beleggingsonderneming haar aanwezig
toetsingsvermogen berekent ingevolge artikel 90, tweede lid, van
het Besluit prudentiële regels Wft;
b. elke Nederlandse beleggingsonderneming een
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 62a, eerste of tweede
lid, van het Besluit prudentiële regels Wft is;
c. elke Nederlandse beleggingsonderneming voldoet aan artikel
62a van het Besluit prudentiële regels Wft, waarbij de waarde van
latente verplichtingen aan beleggingsondernemingen, financiële
instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die
nevendiensten verrichten, die binnen de reikwijdte van de
consolidatie zouden vallen, in mindering worden gebracht op dit
toetsingsvermogen;
d. elke financiële moederholding van een beleggingsonderneming
beschikt over een toetsingsvermogen dat wordt gevormd door de
posten, bedoeld in de artikelen 91, tweede lid, onderdelen a tot
en met j, en 92, tweede en derde lid, van het Besluit prudentiële
regels Wft, en dat ten minste gelijk is aan de som van de waarde
van de aandelen, deelnemingen, achtergestelde leningen en posten
als bedoeld in artikel 94, tweede lid, onderdelen a tot en met e,
van dat besluit ten aanzien van beleggingsondernemingen,
financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die
nevendiensten verrichten, die binnen de reikwijdte van de
consolidatie zouden vallen, en de waarde van de latente
verplichtingen van de financiële moederholding aan deze
ondernemingen;
e. elke Nederlandse beleggingsonderneming beschikt over
systemen om de bronnen van de passiva van alle tot de groep
behorende financiële holdings, beleggingsondernemingen,
financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die
nevendiensten verrichten, te bewaken en te beheersen; en
f. elke beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat
voldoet aan de in die lidstaat geldende regels die overeenkomen
met de onderdelen a tot en met c en e.
2. De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten dat een
financiële Nederlandse moederholding van een beleggingsonderneming,
in afwijking van het eerste lid, onderdeel d, beschikt over een
toetsingsvermogen dat wordt gevormd door de posten, bedoeld in de
artikelen 91, tweede lid, onderdelen a tot en met j, en 92, tweede en
derde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft en dat ten minste
gelijk is aan de som van de minimumomvang van het toetsingsvermogen
van beleggingsondernemingen, financiële instellingen,
vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die
binnen de reikwijdte van de consolidatie zouden vallen, berekend
volgens het Besluit prudentiële regels Wft, en de waarde van de
latente verplichtingen van de financiële moederholding aan deze
ondernemingen.
3. Indien de Nederlandsche Bank een ontheffing als bedoeld in het
eerste lid verleent, kan zij verlangen dat de beleggingsonderneming
haar in kennis stelt van de door die beleggingsonderneming te lopen
relevante risico’s. Indien zij zulks verlangt en indien de
financiële positie van de beleggingsonderneming onvoldoende beschermd
is, neemt de beleggingsonderneming passende maatregelen ter beperking
van de relevante risico’s.
4. Indien de Nederlandsche Bank een ontheffing als bedoeld in het
eerste lid verleent:
a. neemt zij passende maatregelen voor het toezicht op de door
de gehele groep, waarvan de beleggingsonderneming deel uitmaakt,
te lopen relevante risico’s; en
b. is het ingevolge de artikelen 3:17 en 3:18a van de wet
bepaalde op de beleggingsonderneming van toepassing.
Artikel 4b
1. De Nederlandsche Bank kan een ontheffing als bedoeld in artikel
3:280b van de wet verlenen aan een beleggingsonderneming die deel
uitmaakt van een groep waarvan niet tevens een bank deel uitmaakt,
indien in de desbetreffende groep:
a. op elke beleggingsonderneming artikel 62a, eerste lid, van
het Besluit prudentiële regels Wft van toepassing is; en
b. elke beleggingsonderneming een toetsingsvermogen aanhoudt
dat ten minste gelijk is aan het hoogste van de volgende bedragen:
1°. de som van de bedragen, bedoeld in artikel 60, eerste
lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit prudentiële
regels Wft; of
2°. het bedrag, bedoeld in artikel 60, derde lid, van het
Besluit prudentiële regels Wft.
2. Indien de Nederlandsche Bank een ontheffing als bedoeld in het
eerste lid verleent, houdt een moederbeleggingsonderneming of een
beleggingsonderneming die dochteronderneming is van een financiële
holding op geconsolideerde basis een toetsingsvermogen aan op basis
van de geconsolideerde financiële positie van die
moederbeleggingsonderneming onderscheidenlijk financiële holding dat
ten minste gelijk is aan het hoogste van de volgende bedragen:
1°. de som van de bedragen, bedoeld in artikel 60, eerste lid,
onderdelen a tot en met c, van het Besluit prudentiële regels Wft;
of
2°. het bedrag, bedoeld in artikel 60, derde lid, van het
Besluit prudentiële regels Wft.
Artikel 4c
1. De Nederlandsche Bank kan een ontheffing als bedoeld in artikel
3:280b van de wet verlenen aan een beleggingsonderneming die deel
uitmaakt van een groep waarvan niet tevens een bank deel uitmaakt,
indien in de desbetreffende groep:
a. op elke beleggingsonderneming artikel 62a, eerste of tweede
lid, van het Besluit prudentiële regels Wft van toepassing is;
b. elke beleggingsonderneming die een beleggingsonderneming als
bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van het Besluit prudentiële
regels Wft is, een toetsingsvermogen aanhoudt dat ten minste
gelijk is aan het hoogste van de volgende bedragen:
1°. de som van de bedragen, bedoeld in artikel 60, eerste
lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit prudentiële
regels Wft; of
2°. het bedrag, bedoeld in artikel 60, derde lid, van het
Besluit prudentiële regels Wft; en
c. elke beleggingsonderneming die een beleggingsonderneming als
bedoeld in artikel 62a, tweede lid, van het Besluit prudentiële
regels Wft is, een toetsingsvermogen aanhoudt dat ten minste
gelijk is aan de som van de bedragen, bedoeld in artikel 60,
eerste lid, onderdelen a tot en met c, en derde lid, van het
Besluit prudentiële regels Wft.
2. Indien de Nederlandsche Bank een ontheffing als bedoeld in het
eerste lid verleent, houdt een moederbeleggingsonderneming of een
beleggingsonderneming die dochteronderneming is van een financiële
holding op geconsolideerde basis een toetsingsvermogen aan op basis
van de geconsolideerde financiële positie van die
moederbeleggingsonderneming onderscheidenlijk financiële holding dat
ten minste gelijk is aan de som van de bedragen, bedoeld in artikel
60, eerste lid, onderdelen a tot en met c, en derde lid, van het
Besluit prudentiële regels Wft.
Hoofdstuk 3. Aanvullend toezicht op Nederlandse levensverzekeraars en
schadeverzekeraars in een verzekeringsgroep
Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 3:284, derde lid, 3:285,
en 3:286, van de wet
Afdeling 3.1. Berekening van de aangepaste solvabiliteit van
Nederlandse herverzekeraars, levensverzekeraars en schadeverzekeraars
§ 1. Rapportage van intragroepsovereenkomsten en -posities, keuze
van de berekeningsmethode en algemene beginselen
Artikel 5
1. Een verzekeraar als bedoeld in de aanhef van artikel 3:284,
eerste lid, van de wet dient de in het tweede lid van dat artikel
bedoelde rapportage eenmaal per jaar in. De Nederlandsche Bank kan,
indien de solvabiliteit door ontwikkelingen bij een verzekeraar in het
gedrang is of zou kunnen komen, besluiten dat de verzekeraar
rapporteert met een hogere frequentie.
2. Onder significante intragroepsovereenkomsten of-posities als
bedoeld in artikel 3:284, eerste lid, van de wet worden verstaan
overeenkomsten of posities die een door de Nederlandsche Bank vast te
stellen drempel, gerelateerd aan de vereiste solvabiliteit, te boven
gaan. Alvorens de drempel vast te stellen, voert de Nederlandsche Bank
overleg met de betrokken verzekeraar. De Nederlandsche Bank stelt geen
kwalitatieve of andere kwantitatieve drempels vast.
3. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de
categorieën overeenkomsten en posities die in de rapportage worden
betrokken en de rapportage.Artikel 4, vierde lid, is van toepassing.
Artikel 6
1. Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:285, eerste lid, van de
wet berekent de aangepaste solvabiliteit overeenkomstig de in deze
afdeling gestelde regels.
2. De verzekeraar neemt bij de berekening van de aangepaste
solvabiliteit in aanmerking:
a. de overeenkomstig de wet berekende solvabiliteit van met hem
verbonden beheerders van instellingen voor collectieve belegging
in effecten die een vergunning als bedoeld in artikel 2:65, eerste
lid, onderdeel a, of tweede lid, hebben;
b. de overeenkomstig de wet berekende solvabiliteit van met hem
verbonden beheerders met zetel in het buitenland die, indien zij
in Nederland hun zetel zouden hebben, beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten zouden zijn waaraan een
vergunning ingevolge artikel 2:65, tweede lid, zou kunnen worden
verleend;
c. de overeenkomstig de wet berekende solvabiliteit van met hem
verbonden betaaldienstverleners.
3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de betrokken
beheerder of betaalinstelling is betrokken in het toezicht, bedoeld in
afdeling 3.6.2 van de wet, op een Nederlandse bank.
4. De verzekeraar rapporteert de aangepaste solvabiliteit eenmaal
per jaar, tenzij de Nederlandsche Bank, indien de aangepaste
solvabiliteit door ontwikkelingen bij de verzekeraar in het gedrang is
of zou kunnen komen, besluit dat er gerapporteerd moet worden met een
hogere frequentie.
5. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de
rapportage, bedoeld in het vierde lid. Artikel 4, vierde lid, is van
toepassing.
Artikel 7
1. Een verzekeraar als bedoeld in artikel 6 die met een Nederlandse
of Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar is
verbonden, betrekt in de berekening van de aangepaste solvabiliteit
bij toepassing van methode 1 of 2, bedoeld in bijlage A, het gedeelte
van het geplaatste kapitaal dat zijn belang vertegenwoordigt, of bij
toepassing van methode 3, bedoeld in genoemde bijlage, de percentages
die worden gebruikt voor de opstelling van zijn geconsolideerde
jaarrekening, bedoeld in artikel 405 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek.
2. Ongeacht de methode die wordt toegepast, neemt de verzekeraar,
indien een verbonden Nederlandse of Europese herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar een dochteronderneming is en
een solvabiliteitstekort vertoont, het totale solvabiliteitstekort van
de dochteronderneming in aanmerking.
3. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat de verzekeraar alleen
het proportionele deel van het solvabiliteitstekort van de
dochteronderneming, bedoeld in het tweede lid, bij de berekening
behoeft te betrekken, indien zij van mening is dat de
aansprakelijkheid van de verzekeraar strikt en ondubbelzinnig beperkt
is tot zijn belang daarin.
4. Indien er tussen de verzekeraar en de in het aanvullend toezicht
betrokken onderneming geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de
Nederlandsche Bank welk gedeelte van het solvabiliteitstekort in de
berekening wordt betrokken.
Artikel 8
1. Onverminderd artikel 12 en ongeacht de gekozen methode, bedoeld
in artikel 20, gebruikt een verzekeraar als bedoeld in artikel 6 de
vermogensbestanddelen die in aanmerking worden genomen bij de
berekening van de solvabiliteitsmarge niet meerdere malen voor de
verschillende Nederlandse en Europese herverzekeraars,
levensverzekeraars en schadeverzekeraars die bij die berekening
betrokken zijn.
2. Voorzover de methoden, bedoeld in artikel 20, daarin nog niet
voorzien, betrekt de verzekeraar bij de berekening van zijn aangepaste
solvabiliteit niet:
a. de waarde van zijn activa die dienen ter dekking van het
minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van de met hem verbonden
Nederlandse en Europese herverzekeraars, levensverzekeraars en
schadeverzekeraars;
b. de waarde van de activa van met hem verbonden Nederlandse en
Europese herverzekeraars, levensverzekeraars en schadeverzekeraars
die dienen ter dekking van het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van andere met die verbonden herverzekeraars,
levensverzekeraars en schadeverzekeraars verbonden Nederlandse en
Europese herverzekeraars, levensverzekeraars en
schadeverzekeraars.
Artikel 9
1. Onverminderd artikel 8 betrekt een verzekeraar als bedoeld in
artikel 6 meerwaarden op grond van winstverwachtingen die gegenereerd
worden in met hem verbonden Nederlandse, Europese of niet-Europese
herverzekeraars in de activiteit levensherverzekering, of Nederlandse,
Europese of niet-Europese levensverzekeraars, alsmede het geplaatste
maar niet-gestorte aandelenkapitaal van met hem verbonden Nederlandse
en Europese herverzekeraars, levensverzekeraars en schadeverzekeraars
alleen in de berekening voorzover die in aanmerking zijn genomen voor
de dekking van het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van die
verbonden Nederlandse en Europese herverzekeraars, levensverzekeraars
en schadeverzekeraars.
2. De verzekeraar betrekt geplaatst maar niet-gestort
aandelenkapitaal dat een potentiële verplichting van zijn zijde
vormt, niet in de berekening.
3. De verzekeraar betrekt zijn geplaatst maar niet-gestort
aandelenkapitaal dat een potentiële verplichting van de zijde van een
met hem verbonden Nederlandse of Europese herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar vormt, niet in de berekening.
4. De verzekeraar betrekt geplaatst maar niet-gestort
aandelenkapitaal van een verbonden Nederlandse of Europese
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar dat een
potentiële verplichting van de zijde van een andere met hem verbonden
onderneming vormt, niet in de berekening.
Artikel 10
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 6 betrekt andere dan de in
artikel 9 bedoelde, voor de berekening van de solvabiliteitsmarge van in
dat artikel bedoelde verbonden Nederlandse en Europese herverzekeraars,
levensverzekeraars en schadeverzekeraars in aanmerking komende
vermogensbestanddelen die naar het oordeel van de Nederlandsche Bank
niet beschikbaar zijn ter dekking van het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van de verzekeraar, slechts in de berekening
voorzover zij in aanmerking zijn genomen voor de dekking van het
minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van die verbonden herverzekeraars,
levensverzekeraars of schadeverzekeraars.
Artikel 11
De totale waarde van de in de artikelen 9 en 10 bedoelde
vermogensbestanddelen overschrijdt het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van de verbonden Nederlandse en Europese
herverzekeraars, levensverzekeraars en schadeverzekeraars niet.
Artikel 12
1. Een verzekeraar als bedoeld in artikel 6betrekt bij de
berekening van de aangepaste solvabiliteit geen vermogensbestanddelen
die afkomstig zijn van de wederzijdse financiering tussen hem en:
a. met hem verbonden ondernemingen;
b. in hem deelnemende ondernemingen; of
c. andere ondernemingen die verbonden zijn met in hem
deelnemende ondernemingen.
2. De verzekeraar betrekt bij de berekening evenmin
vermogensbestanddelen van een met hem verbonden Nederlandse of
Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar die
afkomstig zijn van de wederzijdse financiering tussen die verbonden
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar en een andere
daarmee verbonden onderneming.
§ 2. Toepassing van de berekeningsmethoden
Artikel 13
1. Een verzekeraar als bedoeld in artikel 6betrekt, ongeacht de
gekozen methode, bedoeld in artikel 20, bij de berekening van de
aangepaste solvabiliteit iedere rechtstreeks of middellijk met hem
verbonden Nederlandse, Europese en niet-Europese herverzekeraar,
levensverzekeraar en schadeverzekeraar.
2. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat de verzekeraar geen
aangepaste solvabiliteit behoeft te berekenen, indien:
a. de verzekeraar een verbonden herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar is van een andere
Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar
en de verzekeraar in aanmerking wordt genomen bij de voor die
andere verzekeraar uitgevoerde berekening;
b. de verzekeraar als moederonderneming dezelfde
verzekeringsholding of niet-Europese herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar heeft als een andere
Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar
en in aanmerking wordt genomen bij de voor die andere verzekeraar
uitgevoerde berekening; of
c. de verzekeraar als moederonderneming dezelfde
verzekeringsholding of niet-Europese herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar heeft als een niet-Europese
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar en artikel
3:288 van de wet is toegepast.
3. De Nederlandsche Bank neemt slechts een besluit als bedoeld in
het tweede lid, indien de vermogensbestanddelen die in aanmerking
komen voor de berekening van de solvabiliteitsmarge van de bij de
berekening betrokken herverzekeraars, levensverzekeraars of
schadeverzekeraars, adequaat over de in dat lid bedoelde ondernemingen
verdeeld zijn.
4. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat de verzekeraar bij de
berekening rekening houdt met de solvabiliteit van een verbonden
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar die zijn zetel
heeft in een andere lidstaat, zoals die door de toezichthoudende
instantie van die andere lidstaat is vastgesteld.
Artikel 14 [Vervallen per 01-09-2008]
Artikel 15
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 6 die door middel van een
tussenliggende verzekeringsholding deelneemt in een Nederlandse,
Europese of niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar betrekt bij de berekening van de aangepaste
solvabiliteit deze tussenliggende verzekeringsholding en stelt daarbij
het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van de tussenliggende
verzekeringsholding gelijk aan nul. Daarbij is van overeenkomstige
toepassing hetgeen ingevolge de artikelen 3:53, derde lid, en 3:57,
tweede lid, van de wet is bepaald met betrekking tot de toegestane
vermogensbestanddelen voor het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van
een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar.
Artikel 16
1. Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteit van een in een
niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar
deelnemende Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar, wordt de niet-Europese herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar voor de berekening behandeld
als een verbonden Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar.
2. Indien de niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar, bedoeld in het eerste lid, in de staat van zijn
zetel een vergunning heeft en beschikt over een solvabiliteitsmarge,
die ten minste overeenkomt met de ingevolge de artikelen 3:53, derde
lid, en 3:57, tweede lid, van de wet voorgeschreven solvabiliteit, kan
de Nederlandsche Bank besluiten dat de verzekeraar, bedoeld in artikel
6, bij de berekening met betrekking tot die herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar rekening houdt met het
minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge en met de voor het nakomen van
dat minimumbedrag in aanmerking komende vermogensbestanddelen zoals
die zijn voorgeschreven door de staat waar de niet-Europese
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar zijn zetel
heeft.
Artikel 17 [Vervallen per 01-09-2008]
Artikel 18
Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteit van een Nederlandse
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar die een
deelnemende onderneming is in een beleggingsonderneming, financiële
instelling of bank, is hetgeen is bepaald ingevolge artikel 3:57, tweede
lid, van de wet met betrekking tot de mogelijke aftrek van een
dergelijke deelneming en de mogelijkheid om alternatieve methoden toe te
staan van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19
Indien de Nederlandsche Bank niet beschikt over de voor het toezicht
op de berekening overeenkomstig deze afdeling noodzakelijke informatie
betreffende een verbonden onderneming, brengt de verzekeraar, bedoeld in
artikel 6, de boekwaarde van deze onderneming in mindering op de
vermogensbestanddelen die in aanmerking komen voor de berekening van de
aangepaste solvabiliteit. In dat geval worden aan deze deelneming
verbonden meerwaarden niet als vermogensbestanddeel in deze berekening
betrokken.
§ 3. Berekeningsmethoden
Artikel 20
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 6 past voor de berekening van
de aangepaste solvabiliteit een van de in bijlage A bij dit besluit
opgenomen berekeningsmethoden toe.
Afdeling 3.2. Aanvullend toezicht op herverzekeraars,
levensverzekeraars en schadeverzekeraars die dochteronderneming zijn van
een verzekeringsholding, een niet-Europese herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar
Artikel 21
1. Een herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar als
bedoeld in artikel 3:286, eerste lid, van de wet berekent de
aangepaste solvabiliteit overeenkomstig afdeling 3.1.
2. De artikelen 13, tweede en derde lid, en 19 zijn van
overeenkomstige toepassing.
3. Indien sprake is van middellijke deelnemingen in de verzekeraar,
kan de Nederlandsche Bank besluiten dat de verzekeraar slechts de
uiteindelijke moederonderneming van de herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar die als verzekeringsholding of
niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar
is aan te merken, in de berekening betrekt.
Artikel 22
1. De verzekeraar, bedoeld in artikel 21, past bij de berekening
van de aangepaste solvabiliteit ten aanzien van een in hem deelnemende
verzekeringsholding of niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar
of schadeverzekeraar, de artikelen 6 tot en met 20toe.
2. Voor deze berekening worden de ondernemingen, bedoeld in het
eerste lid, beschouwd als een herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar waarvoor geldt:
a. dat het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge gelijk aan nul
is indien het een verzekeringsholding betreft; en
b. dat het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge wordt berekend
overeenkomstig artikel 16 indien het een niet-Europese
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar betreft.
3. Ten aanzien van de ondernemingen, bedoeld in het eerste lid, is
hetgeen ingevolge de artikelen 3:53, derde lid, en 3:57, tweede lid,
van de wet is bepaald met betrekking tot de vermogensbestanddelen die
in aanmerking komen voor de solvabiliteitsmarge, van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk 4. Financiële conglomeraten
Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 3:296 tot en met 3:299 van
de wet
Afdeling 4.1. Aanvullende kapitaaltoereikendheid
Artikel 23
1. Een onderneming als bedoeld in artikel 3:296, eerste lid, van de
wet berekent de aanvullende kapitaaltoereikendheid van het financieel
conglomeraat in overeenstemming met de ingevolge dit hoofdstuk
voorgeschreven regels.
2. De onderneming past voor de berekening van de aanvullende
kapitaaltoereikendheid een van de in bijlage B bij dit besluit
opgenomen berekeningsmethoden toe.
3. De aanvullende kapitaaltoereikendheid is voldoende indien de
uitkomst van de berekening, bedoeld in het tweede lid, niet negatief
is.
4. Onverminderd het tweede lid kan de Nederlandsche Bank, indien
zij coördinator is als bedoeld in artikel 3:293 van de wet, na
overleg met de andere relevante toezichthoudende instanties en het
financieel conglomeraat, besluiten welke van die methoden de
onderneming voor de berekening toepast.
Artikel 24
1. Een onderneming als bedoeld in artikel 3:296, eerste lid, van de
wet verstrekt de in het vierde lid van dat artikel bedoelde berekening
eenmaal per jaar. De Nederlandsche Bank kan, indien ontwikkelingen in
de aanvullende kapitaaltoereikendheid daar aanleiding toe geven,
besluiten dat die onderneming de berekening met een hogere frequentie
verstrekt.
2. De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van het bepaalde
ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van
de wet, alsmede met inachtneming van Titel 9 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek en de internationale jaarrekeningstandaarden,
nadere regels met betrekking tot de rapportage van de aanvullende
kapitaaltoereikendheid.Artikel 4, vierde lid, is van toepassing.
3. De in het eerste lid bedoelde onderneming verstrekt bovendien
eenmaal per jaar op een na overleg met de Nederlandsche Bank door de
onderneming te bepalen tijdstip de informatie die aan het
groepsbestuur van het financiële conglomeraat wordt verstrekt over de
aanvullende kapitaaltoereikendheid en die is opgesteld met
gebruikmaking van de procedures, bedoeld inartikel 28, eerste lid,
onderdeel a.
Artikel 25
1. Ongeacht welke van de in artikel 23, tweede lid, bedoelde
methoden wordt toegepast, betrekt de onderneming, bedoeld in artikel
23, het totale solvabiliteitstekort van een dochteronderneming bij de
berekening, indien het groepslid een dochteronderneming is en zij een
solvabiliteitstekort of, indien het groepslid een
niet-gereglementeerde entiteit uit de financiële marktsector is, een
theoretisch solvabiliteitstekort heeft.
2. Indien de Nederlandsche Bank coördinator is als bedoeld in
artikel 3:293 van de wet en zij van oordeel is dat de
aansprakelijkheid van de moederonderneming die een gedeelte van het
kapitaal van de dochteronderneming in eigendom heeft, strikt en
ondubbelzinnig tot dat gedeelte van het kapitaal beperkt is, kan zij
besluiten dat de onderneming het solvabiliteitstekort van die
dochteronderneming proportioneel in aanmerking neemt. Indien tussen de
groepsleden geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de Nederlandsche
Bank, indien zij coördinator is als bedoeld in artikel 3:293 van de
wet, na overleg met de relevante toezichthoudende instanties, het
gedeelte van het solvabiliteitstekort dat de onderneming bij de
berekening betrekt, rekening houdend met de aansprakelijkheid waartoe
de bestaande betrekkingen aanleiding geven.
3. Ongeacht welke van de inartikel 23, tweede lid, bedoelde
methoden wordt toegepast:
a. is het meerdere malen gebruiken van vermogensbestanddelen
die voor de berekening van het eigen vermogen in aanmerking komen
op het niveau van het financiële conglomeraat of de creatie van
eigen vermogen binnen de groep niet toegestaan; met het oog daarop
zijn de relevante regels van de desbetreffende sectorale
voorschriften van overeenkomstige toepassing;
b. betrekt de onderneming bij de berekening van de aanwezige
solvabiliteit voor iedere deelsector in het financieel
conglomeraat de eigenvermogensbestanddelen als omschreven in de
voor die deelsector geldende sectorale voorschriften; indien er
een tekort aan eigen vermogen is op het niveau van het financiële
conglomeraat, betrekt de onderneming bij die berekening alleen de
eigenvermogensbestanddelen die op grond van elk van de sectorale
voorschriften in aanmerking komen;
c. houdt de onderneming bij de berekening van het eigen
vermogen van het financiële conglomeraat rekening met de
beperkingen die voor de berekening van het eigen vermogen gelden
op grond van de voor elk van de deelsectoren geldende sectorale
voorschriften;
d. betrekt de onderneming bij de berekening van het eigen
vermogen van het financiële conglomeraat alleen het eigen
vermogen voorzover dit effectief overdraagbaar en beschikbaar is
tussen de verschillende groepsleden in het licht van de doeleinden
van de kapitaaltoereikendheidsvoorschriften;
e. berekent de onderneming het theoretische
solvabiliteitsvereiste voor een niet-gereglementeerd groepslid uit
de financiële marktsector volgens de regels waaraan dat groepslid
krachtens de desbetreffende sectorale voorschriften zou moeten
voldoen indien het een gereglementeerde entiteit van die
specifieke deelsector zou zijn;
f. berekent de onderneming het theoretische
solvabiliteitsvereiste van een gemengde financiële holding in
overeenstemming met de sectorale voorschriften van de
belangrijkste deelsector in het financiële conglomeraat.
Afdeling 4.2. Risicoconcentratie, intragroepsovereenkomsten en
-posities en risicobeheer- en internecontroleprocedures
Artikel 26
1. Een onderneming als bedoeld in artikel 3:297, eerste lid, van de
wet verstrekt de in dat artikel bedoelde rapportage met betrekking tot
de significante risicoconcentraties eenmaal per jaar. De Nederlandsche
Bank kan, indien de omstandigheden van een bepaalde onderneming daar
aanleiding toe geven, besluiten dat die onderneming rapporteert met
een hogere frequentie.
2. Onder significante risicoconcentraties worden verstaan
risicoconcentraties, welke een door de Nederlandsche Bank, na overleg
met de andere relevante toezichthoudende instanties en het financiële
conglomeraat, vast te stellen passende drempel, gerelateerd aan het
reglementaire eigen vermogen of de technische voorzieningen, te boven
gaan.
3. De Nederlandsche Bank bepaalt, na overleg met de andere
toezichthoudende instanties, welke categorieën risico’s van de
gereglementeerde entiteiten in een bepaald financieel conglomeraat
worden gerapporteerd op basis van artikel 3:297, eerste lid, van de
wet. Daarbij houdt de Nederlandsche Bank rekening met de specifieke
groeps- en risicobeheerstructuur van het financiële conglomeraat.
4. De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van het bepaalde
ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van
de wet, alsmede met inachtneming van Titel 9 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek en de internationale jaarrekeningstandaarden,
nadere regels met betrekking tot de rapportage van de
risicoconcentraties. Artikel 4, vierde lid, is van toepassing.
5. De in het eerste lid bedoelde onderneming verstrekt bovendien
eenmaal per jaar op een na overleg met de Nederlandsche Bank door de
onderneming te bepalen tijdstip de informatie die aan het
groepsbestuur van het financiële conglomeraat wordt verstrekt over
risicoconcentraties en die is opgesteld met gebruikmaking van de
procedures, bedoeld inartikel 28, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 27
1. Een onderneming als bedoeld in artikel 3:298, eerste lid, van de
wet verstrekt de in dat artikel bedoelde rapportage over significante
intragroepsovereenkomsten en -posities eenmaal per jaar. De
Nederlandsche Bank kan, indien de omstandigheden van een bepaalde
onderneming daar aanleiding toe geven, besluiten dat die onderneming
rapporteert met een hogere frequentie.
2. Onder significante intragroepsovereenkomsten en-posities worden
verstaan intragroepsovereenkomsten en -posities welke een door de
Nederlandsche Bank, na overleg met de andere relevante
toezichthoudende instanties en het financiële conglomeraat, vast te
stellen passende drempel, gerelateerd aan het reglementaire eigen
vermogen of de technische voorzieningen, te boven gaan.
3. De Nederlandsche Bank bepaalt, na overleg met de andere
toezichthoudende instanties, welke categorieën overeenkomsten of
posities van de gereglementeerde entiteiten in een bepaald financieel
conglomeraat worden gerapporteerd op basis van artikel 3:298, eerste
lid, van de wet. Daarbij houdt de Nederlandsche Bank rekening met de
specifieke groeps- en risicobeheerstructuur van het financiële
conglomeraat.
4. De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van het bepaalde
ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van
de wet, alsmede met inachtneming van Titel 9 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek en de internationale jaarrekeningstandaarden,
nadere regels met betrekking tot de rapportage van de
intragroepsovereenkomsten en -posities. Artikel 4, vierde lid, is van
toepassing.
5. De in het eerste lid bedoelde onderneming verstrekt bovendien
eenmaal per jaar op een na overleg met de Nederlandsche Bank door de
onderneming te bepalen tijdstip de informatie die aan het
groepsbestuur van het financiële conglomeraat wordt verstrekt over
intragroepsovereenkomsten en -posities en die is opgesteld met
gebruikmaking van de procedures bedoeld in artikel 28, eerste lid,
onderdeel b.
Artikel 28
1. Een onderneming als bedoeld in artikel 3:299, eerste lid, van de
wet, beschikt over:
a. adequate procedures met betrekking tot de
kapitaaltoereikendheid om alle bestaande materiële risico’s te
bepalen en te meten en het eigen vermogen naar behoren af te
stemmen op de risico’s;
b. gedegen rapportage- en jaarrekeningsystemen, met het oog op
de bepaling, meting, bewaking en beheersing van de
intragroepsovereenkomsten- en posities en de risicoconcentratie.
2. De onderneming beschikt tevens met het oog op het risicobeheer,
bedoeld in artikel 3:299, eerste lid, onderdeel a, van de wet, over:
a. een gedegen bestuur en beheer, waarin is voorzien in
goedkeuring en periodieke evaluatie van de strategieën en het
beleid door de passende bestuursorganen op het niveau van het
financiële conglomeraat met betrekking tot alle risico’s die
zij aangaan;
b. een adequaat kapitaaltoereikendheidsbeleid om te anticiperen
op de gevolgen van de bedrijfsstrategie van de gereglementeerde
entiteiten in het financieel conglomeraat voor het risicoprofiel
en de kapitaaltoereikendheid, bedoeld in artikel 3:296 van de wet;
c. adequate procedures om te waarborgen dat de
risicobewakingssystemen van de gereglementeerde entiteiten in het
financieel conglomeraat goed geïntegreerd zijn in hun organisatie
en dat alle maatregelen zijn genomen om te waarborgen dat de
systemen die worden toegepast in alle ondernemingen die onder het
aanvullende toezicht vallen met elkaar in overeenstemming zijn,
zodat de risico’s op het niveau van het financiële conglomeraat
kunnen worden gemeten, bewaakt en beheerst.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 29
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 30
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit prudentieel toezicht
financiële groepen Wft.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 12 oktober 2006
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de eenendertigste oktober 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage A bij artikel 20
Methode 1. Aftrek en aggregatie
Methode waarbij de aangepaste
solvabiliteit van de deelnemende herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar wordt berekend als het verschil tussen:
i. de som van:
– de vermogensbestanddelen die
in aanmerking komen voor de solvabiliteitsmarge van de
deelnemende herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar;
en
– het proportionele deel van de
deelnemende herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar in de vermogensbestanddelen die in aanmerking
komen voor de solvabiliteitsmarge van de verbonden
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar;
en
ii. de som van:
– de boekwaarde van de
verbonden herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar
bij de deelnemende herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar;
en
– het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van de deelnemende herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar;
en
– het proportionele deel van
het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van de verbonden
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar.
Indien de deelneming in de verbonden
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar geheel of ten
dele bestaat uit een middellijk belang wordt in punt ii), eerste
streepje, de waarde daarvan in de berekening betrokken met inachtneming
van de desbetreffende opeenvolgende deelnemingen. Ook worden in de
punten i), tweede streepje, en ii), derde streepje, de proportionele
delen van, onderscheidenlijk, de vermogensbestanddelen die in aanmerking
komen voor de solvabiliteitsmarge van de verbonden herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar en het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van die herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar in de berekening begrepen.
Methode 2. Aftrek van een vereiste
Methode waarbij de aangepaste
solvabiliteit van de deelnemende herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar wordt berekend als het verschil tussen:
i. de som van de
vermogensbestanddelen die in aanmerking komen voor de
solvabiliteitsmarge van de deelnemende herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar;
en
ii. de som van:
– het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van de deelnemende herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar;
en
– het proportionele deel van
het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van de verbonden
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar.
Voor de waardering van de
vermogensbestanddelen die in aanmerking komen voor de
solvabiliteitsmarge worden deelnemingen vastgesteld op basis van de
nettovermogenswaarde, overeenkomstig artikel 389, tweede lid, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek.
Methode 3. Methode op basis van
consolidatie van jaarrekeningen
Methode waarbij de aangepaste
solvabiliteit van de deelnemende herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar wordt berekend aan de hand van de geconsolideerde
jaarrekeningen en is het verschil tussen:
i. de vermogensbestanddelen die in
aanmerking komen voor de solvabiliteitsmarge berekend op basis van
de geconsolideerde gegevens;
en
ii.
– hetzij de som van het
minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van de deelnemende
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar en het
proportionele deel van het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge
van de verbonden herverzekeraars, levensverzekeraars of
schadeverzekeraars zoals dat voor de opstelling van de
geconsolideerde jaarrekeningen in aanmerking genomen is;
– hetzij het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge die op basis van de geconsolideerde gegevens
berekend is.
Het bepaalde ingevolge de artikelen 3:53,
derde lid, en 3:57, tweede lid, van de wet is van overeenkomstige
toepassing op de bepaling van de vermogensbestanddelen die in aanmerking
komen voor de solvabiliteitsmarge en de berekening van het minimumbedrag
aan solvabiliteitsmarge op basis van de geconsolideerde gegevens.
Bijlage B bij artikel 23, tweede lid
Methode 1. Methode op basis van
consolidatie van jaarrekeningen
Methode waarbij de kapitaaltoereikendheid
van de gereglementeerde entiteiten in een financieel conglomeraat wordt
berekend aan de hand van de geconsolideerde jaarrekening.
De kapitaaltoereikendheid wordt berekend
als het verschil tussen:
i. het eigen vermogen van het
financiële conglomeraat, berekend op basis van de geconsolideerde
positie van de groep; de in aanmerking komende vermogensbestanddelen
zijn die welke in de desbetreffende sectorale voorschriften als
zodanig worden aangemerkt;
en
ii. de som van de
solvabiliteitsvereisten voor elke deelsector van de groep, in
voorkomend geval met inbegrip van de solvabiliteitsvereisten voor de
gemengde financiële holding; de solvabiliteitsvereisten voor elke
deelsector worden berekend volgens de desbetreffende sectorale
voorschriften.
Voor niet-gereglementeerde entiteiten uit
de financiële marktsector die niet bij de bovenbedoelde berekeningen
van de sectorale solvabiliteitsvereisten zijn meegeteld, en in
voorkomend geval voor de gemengde financiële holding van het financieel
conglomeraat, wordt een theoretisch solvabiliteitsvereiste berekend.
Methode 2. Aftrek en aggregatie
Methode waarbij de kapitaaltoereikendheid
van de gereglementeerde entiteiten in een financieel conglomeraat wordt
berekend aan de hand van de jaarrekeningen van elk van de entiteiten in
de groep.
De kapitaaltoereikendheid wordt berekend
als het verschil tussen:
i. de som van het eigen vermogen van
elke tot het financiële conglomeraat behorende gereglementeerde en
niet-gereglementeerde entiteit uit de financiële marktsector, in
voorkomend geval met inbegrip van de gemengde financiële holding;
de in aanmerking komende vermogensbestanddelen zijn die welke in de
desbetreffende sectorale voorschriften als zodanig worden
aangemerkt;
en
ii. de som van:
– de solvabiliteitsvereisten
voor elke tot de groep behorende gereglementeerde en
niet-gereglementeerde entiteit uit de financiële marktsector,
in voorkomend geval met inbegrip van de solvabiliteitsvereisten
voor de gemengde financiële holding; deze
solvabiliteitsvereisten worden berekend volgens de relevante
sectorale voorschriften;
en
– de boekwaarde van de
deelnemingen in andere entiteiten van de groep.
Voor niet-gereglementeerde entiteiten uit
de financiële marktsector, en in voorkomend geval voor de gemengde
financiële holding van het financieel conglomeraat, wordt een
theoretisch solvabiliteitsvereiste berekend.
Het eigen vermogen en de
solvabiliteitsvereisten worden voor hun proportionele deel in aanmerking
genomen krachtens het derde lid.
Methode 3. Aftrek van een vereiste
Methode waarbij de kapitaaltoereikendheid
van de gereglementeerde entiteiten in een financieel conglomeraat wordt
berekend aan de hand van de jaarrekeningen van elk van de entiteiten in
de groep.
De kapitaaltoereikendheid wordt berekend
als het verschil tussen:
i. het eigen vermogen van de
moederonderneming of de entiteit die aan het hoofd van het
financiële conglomeraat staat; de in aanmerking komende
vermogensbestanddelen zijn die welke in de desbetreffende sectorale
voorschriften als zodanig worden aangemerkt;
en
ii. de som van:
– het solvabiliteitsvereiste
van de moederonderneming of de entiteit, bedoeld onder i);
en
– de boekwaarde van de
deelnemingen van eerstgenoemden in andere entiteiten van de
groep of de solvabiliteitsvereisten van deze entiteiten als dat
bedrag hoger uitvalt;
deze solvabiliteitsvereisten worden
voor hun proportionele deel in aanmerking genomen uit hoofde van het
derde lid.
Voor niet-gereglementeerde entiteiten
wordt een theoretisch solvabiliteitsvereiste berekend.
Bij de waardering van de
vermogensbestanddelen die voor de berekening van de
kapitaaltoereikendheid in aanmerking komen, kunnen deelnemingen worden
gewaardeerd volgens de vermogensmutatiemethode overeenkomstig de optie
bedoeld in artikel 59, tweede lid, onderdeel b), van de vierde richtlijn
nr. 78/660/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli
1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag
betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PbEG L
222).
Methode 4. Combinatie van de methoden 1,
2 en 3
Methode waarbij de kapitaaltoereikendheid
van de gereglementeerde entiteiten in een financieel conglomeraat wordt
berekend aan de hand van een combinatie van de methoden 1, 2 of 3 of een
combinatie van twee van deze methoden.
Bij de berekening van de
kapitaaltoereikendheidsvereisten voor een financieel conglomeraat door
middel van methode 1 worden het eigen vermogen en de
solvabiliteitsvereisten van de groepsleden berekend door toepassing van
de sectorale voorschriften met betrekking tot de vorm en de mate van de
consolidatie die zijn neergelegd in met name de artikelen 133 en 134 van
de herziene richtlijn banken en bijlage I, punt 1, onder B, van
richtlijn nr. 98/78/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 27 oktober 1998 betreffende het aanvullend toezicht op
verzekeringsondernemingen in een verzekeringsgroep (PbEG L 330).
Bij de berekening van de
kapitaaltoereikendheidsvereisten voor een financieel conglomeraat door
middel van methode 2 of 3 wordt rekening gehouden met het proportionele
deel van de moederonderneming of onderneming die een deelneming in een
ander groepslid bezit. Onder «proportioneel deel» wordt verstaan het
gedeelte van het geplaatste kapitaal dat rechtstreeks of middellijk door
deze onderneming wordt gehouden.
|
|
|