|
BESLUIT van 12 oktober 2006, houdende
prudentiële regels voor financiële ondernemingen die werkzaam zijn op
de financiële markten (Besluit prudentiële regels Wft)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Financiën van 27 juni 2006, nr.
FM 2006-01567 M;
Gelet op de artikelen 3:9, derde lid, 3:10,
tweede en derde lid, 3:17, tweede lid, 3:18, tweede en derde lid, 3:29,
derde lid, 3:36, vierde lid, 3:40, 3:41, 3:42, 3:43, tweede lid, 3:47,
zesde lid, 3:48, 3:52, 3:53, derde lid, 3:54, derde lid, 3:55, tweede
lid, 3:57, tweede en zevende lid, 3:59, tweede lid, 3:62, tweede lid,
3:63, tweede lid, 3:67, vierde lid, 3:71, tweede lid, 3:72, vijfde en
zevende lid, 3:73, 3:74, tweede lid, 3:78, tweede lid, 3:81, tweede lid,
3:83, tweede lid, 3:87, tweede lid, 3:88, vierde lid, 3:89, eerste lid,
3:96, derde en vierde lid, 3:99, derde lid, van de Wet op het financieel
toezicht en de Richtlijnen nr. 73/239/EEG, 85/611/EEG, 88/357/EEG,
91/674/EEG, 92/49/EEG, 93/6/EEG, 93/22/EEG, 2000/12/EG, 2000/46/EG en
2002/83/EG;
De Raad van State gehoord, advies van
27 juli 2006, nr. W06.06.0265/IV;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Financiën van 9 oktober 2006, nr. FM 2006-2352 M;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
back-to-back lening: kredietinstrument
waarbij de kredietnemer geld of financiële instrumenten ter beschikking
krijgt, waartegenover de kredietverstrekker een zekerheid ontvangt,
direct of indirect, uit eigen liquide middelen van de kredietnemer;
business line: afgezonderde categorie
activiteiten, bedoeld in bijlage X, deel 2, tabel 2, van de herziene
richtlijn banken;
convertibele valuta’s:valuta’s van:
a. de staten die deel uitmaken van de
G10;
b. de overige staten die deel
uitmaken van de Europese Economische Ruimte; of
c. Australië of Nieuw-Zeeland;
daggeld: kortlopende vorderingen die
dagelijks opvraagbaar zijn en die uiterlijk twee werkdagen na opvraging
dan wel opzegging moeten worden terugbetaald;
entiteit voor securitisatiedoeleinden:
onderneming:
a. die geen bank is;
b. die is opgericht ten behoeve van
een of meer securitisaties;
c. wier activiteiten zich beperken
tot hetgeen noodzakelijk is voor die securitisaties;
d. wier oprichting dient om haar
verplichtingen te scheiden van de verplichtingen van de initiator;
en
e. wier eigenaars hun deelneming
onvoorwaardelijk in pand kunnen geven of kunnen verkopen;
gedekte obligatie:
obligatie ten aanzien waarvan wordt
voldaan aan de volgende criteria:
a. de obligatie is of wordt
uitgegeven door een bank met zetel in Nederland;
b. de obligatie is gedekt door activa
die, indien de uitgevende bank in gebreke blijft, bij voorrang
aangewend worden voor de aflossing van de hoofdsom en de betaling
van rente op de obligatie;
c. de activa zijn ten behoeve van de
obligatiehouders veiliggesteld:
1°. door overgang onder algemene
of bijzondere titel naar een rechtspersoon die uitsluitend tot
doel heeft het in onderdeel b genoemde te bewerkstelligen en
door vestiging van een pandrecht of een met pandrecht
vergelijkbaar zekerheidsrecht naar buitenlands recht ten behoeve
van een andere, zodanige rechtspersoon; of
2°. op een andere, bij
ministeriële regeling vast te stellen wijze;
d. de activa bieden gedurende de
looptijd van de obligatie voldoende dekking voor de aflossing van de
hoofdsom en betaling van rente op de obligatie, alsmede voor
betalingen inzake het beheer en de administratie van de activa;
e. op de activa is het recht van
toepassing van een lidstaat, de Verenigde Staten van Amerika,
Canada, Japan, de Republiek Korea, Hong Kong, Singapore, Australië,
Nieuw-Zeeland of Zwitserland; en
f. de uitgevende bank heeft geen
aandelenbelang in de rechtspersonen, bedoeld onder c, onder 1º,
oefent daarin geen beleidsbepalende zeggenschap uit en is ook niet
op andere wijze gerechtigd tot een eigendomsbelang in die
rechtspersonen.
gemiddeld uitstaand elektronisch geld:
het gemiddelde totale bedrag gedurende de zes voorafgaande
kalendermaanden van de met elektronisch geld verband houdende
financiële verplichtingen dat op het eind van elke kalenderdag in
omloop is, berekend op de eerste kalenderdag van elke kalendermaand en
toegepast voor die kalendermaand.
geregistreerde gedekte obligatie:
obligatie, behorend tot een categorie
die:
a. is opgenomen op een lijst waarvan
de gegevens door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op
grond van artikel 22, vierde lid, van de richtlijn
beleggingsinstellingen ter beschikking zijn gesteld aan het publiek,
of
b. is geregistreerd overeenkomstig
artikel 124b;
groepsbestuurder: ieder die binnen een
groep het beleid bepaalt;
groep van verbonden wederpartijen: ten
minste twee personen die uit een oogpunt van de te lopen risico’s als
een geheel moeten worden beschouwd omdat zij:
a. met elkaar zijn verbonden in een
formele of feitelijke zeggenschapsstructuur; of
b. zodanig onderling verbonden zijn
dat, indien een van hen financiële problemen, in het bijzonder
financieringsproblemen of betalingsproblemen, zou ondervinden, in
elk geval een van de anderen waarschijnlijk ook in
financieringsproblemen of betalingsproblemen zou komen;
grote posities: niet naar risico gewogen
activa en posten buiten de balanstelling ten aanzien van een wederpartij
of groep van verbonden wederpartijen waarvan de waarde ten minste tien
procent van het toetsingsvermogen bedraagt, uitgezonderd:
a. de activa en posten buiten de
balanstelling die een financiële onderneming in mindering brengt op
haar toetsingsvermogen;
b. de niet naar risico gewogen activa
en posten buiten de balanstelling die worden aangehouden in het
kader van de normale afwikkeling van:
1°. valutatransacties binnen
twee werkdagen nadat de betaling heeft plaatsgevonden;
2°. effectentransacties binnen
vijf werkdagen nadat de betaling heeft plaatsgevonden of nadat
de effecten geleverd zijn indien deze levering eerder
plaatsvindt;
3°. in het geval van
betalingsverrichtingen, waaronder de uitvoering van
betalingsopdrachten, clearing en afwikkeling in elke valuta,
correspondent bankieren en clearing van financiële
instrumenten, de afwikkeling en bewaring ten behoeve van
cliënten, uitgestelde ontvangsten bij de financiering en andere
posten in verband met die diensten of activiteiten die uiterlijk
tot en met de volgende werkdag bestaan;
4°. in het geval van
betalingsverrichtingen, waaronder de uitvoering van
betalingsopdrachten, clearing en afwikkeling in elke valuta en
correspondent bankieren, de posities die op dezelfde dag dat ze
zijn aangegaan, ook weer worden afgewikkeld jegens financiële
ondernemingen die deze diensten aanbieden;
ondernemingsgebonden herverzekeraar:
herverzekeraar waarvan alle aandelen worden gehouden door een
financiële onderneming die geen verzekeraar is of door een onderneming
die geen financiële onderneming is, of die deel uitmaakt van een groep
die geen verzekeringsgroep is als bedoeld in de afdelingen 3.6.1. en
3.6.3. van de wet, en die uitsluitend risico’s in herverzekering neemt
van de eerdergenoemde financiële onderneming onderscheidenlijk
onderneming of van de ondernemingen die deel uitmaken van de groep
waarvan hij deel uitmaakt;
incident: gedraging of gebeurtenis die
een ernstig gevaar vormt voor de integere uitoefening van het bedrijf
van de desbetreffende financiële onderneming;
initiator: onderneming die:
a. zelf of via een andere onderneming
rechtstreeks of middellijk partij is geweest bij de oorspronkelijke
overeenkomst waarmee de verplichtingen of mogelijke verplichtingen
van de debiteur of mogelijke debiteur die worden gesecuritiseerd,
zijn ontstaan; of
b. vorderingen van een derde koopt,
in haar balans opneemt en vervolgens securitiseert;
integriteitgevoelige functie:
a. leidinggevende functie direct
onder die van de personen die het beleid van een financiële
onderneming bepalen of mede bepalen; of
b. functie waaraan een bevoegdheid is
verbonden die een wezenlijk risico inhoudt voor de integere
uitoefening van het bedrijf van een financiële onderneming;
integriteitsrisico: gevaar voor
aantasting van de reputatie of bestaande of toekomstige bedreiging van
vermogen of resultaat van een financiële onderneming als gevolg van een
ontoereikende naleving van hetgeen bij of krachtens enig wettelijk
voorschrift is voorgeschreven;
internationale jaarrekeningstandaarden:
internationale standaarden voor jaarrekeningen die door de Commissie van
de Europese Gemeenschappen van toepassing zijn verklaard overeenkomstig
artikel 3 van verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 (PbEG L 243);
interne modellenmethode: methode waarbij
de som van de naar risico gewogen activa en posten buiten de
balanstelling voor de kredietrisico’s van een financiële onderneming
wordt bepaald op basis van een intern model;
kalenderpost: actiefpost of passiefpost
waarvan de kasinstromen respectievelijk kasuitstromen als gevolg van
aflossing of rentebetalingen in de vervalkalender worden opgenomen;
kans op wanbetaling: kans dat een
wederpartij over een periode van een jaar in gebreke blijft;
kasstromen van het kernbedrijf:
kasstromen van leningen die met een vaste termijn zijn verstrekt aan
tegenpartijen, die geen kantoren en bancaire deelnemingen zijn die niet
in de rapportage worden betrokken, die geen banken en geen professionele
geldmarktpartijen zijn, en van deze tegenpartijen met een vaste termijn
opgenomen gelden, met inbegrip van te ontvangen onderscheidenlijk te
betalen rente;
kredietbeoordeling: taxatie van de kans
op wanbetaling en de mate van wanbetaling door een bepaalde debiteur op
al zijn verplichtingen of een deel van zijn verplichtingen;
kredietbeoordelingsbureau: bureau dat
kredietbeoordelingen opstelt;
kredietrisicovermindering: techniek ter
beperking van het kredietrisico dat verbonden is aan activa en posten
buiten de balanstelling;
kredietverbetering: contractuele regeling
die de kans op wanbetaling en de mate van wanbetaling van een
securitisatiepositie vermindert ten opzichte van de situatie waarin van
die regeling geen sprake zou zijn;
leningverstrekkende financiële
onderneming: financiële onderneming die een vordering heeft, ongeacht
of daaraan een lening ten grondslag ligt;
maandperiode: eerste kalendermaand
volgend op de verslagdatum;
niet-volgestorte kredietprotectie:
kredietrisicovermindering waarbij het kredietrisico met betrekking tot
een vordering van een financiële onderneming wordt beperkt door de
garantie van een derde partij om een bepaald bedrag uit te keren bij
wanbetaling van de wederpartij of bij andere in de overeenkomst tot
kredietprotectie vermelde gebeurtenissen die betaling onder de
overeenkomst of afwikkeling van de overeenkomst tot gevolg hebben;
officiële stand-by faciliteiten:
liquiditeitsgarantie die, onder door de Nederlandsche Bank te stellen
voorwaarden, is ontvangen van onderscheidenlijk afgegeven door een
binnenlandse of buitenlandse bank;
omgekeerde retrocessieovereenkomst:
overeenkomst waarbij een wederpartij aan een financiële onderneming
effecten, grondstoffen of gegarandeerde rechten betreffende de eigendom
van effecten of grondstoffen verkoopt, onder de ontbindende voorwaarde
deze of vervangende effecten of grondstoffen tegen een vastgestelde
prijs op een door de wederpartij te bepalen tijdstip in de toekomst
terug te kopen, indien:
a. in geval van gegarandeerde
rechten, de garantie is verstrekt door een gereglementeerde markt
die houder is van de rechten; en
b. de overeenkomst bepaalt dat het de
financiële onderneming niet is toegestaan een bepaald effect of een
bepaalde grondstof aan meer dan een wederpartij tegelijkertijd over
te dragen of toe te zeggen;
omrekeningsfactor: verhouding tussen het
op een bepaald moment onbenutte bedrag van een kredietlijn dat naar
verwachting opgenomen wordt en openstaat in geval van wanbetaling en het
onbenutte bedrag van die kredietlijn, waarbij de omvang van de
kredietlijn wordt bepaald door de toegestane limiet, tenzij de
niet-toegestane limiet hoger is;
operationeel risico: risico van verliezen
als gevolg van tekortschietende of falende interne procedures en
systemen of als gevolg van externe gebeurtenissen, met inbegrip van
juridische risico’s;
opgenomen effectenlening: overeenkomst
waarbij een wederpartij aan een financiële onderneming effecten
uitleent tegen zekerheid, onder de ontbindende voorwaarde dat de
financiële onderneming op een tijdstip in de toekomst of zodra de
wederpartij daarom verzoekt, gelijkwaardige effecten teruglevert;
opgenomen grondstoffenlening:
overeenkomst waarbij een wederpartij aan een financiële onderneming
grondstoffen uitleent tegen zekerheid, onder de ontbindende voorwaarde
dat de financiële onderneming op een tijdstip in de toekomst of zodra
de wederpartij daarom verzoekt, gelijkwaardige grondstoffen teruglevert;
professionele geldmarktpartij: persoon
die geen bank is en die in het kader van zijn middelenbeheer transacties
verricht op de geldmarkt met bij de geldmarkt passende volumes en op die
markt met enige regelmaat opereert op een manier die vergelijkbaar is
met die van een bank;
retrocessie: overeenkomst waarbij een
verzekeraar een gedeelte van het door hem herverzekerde risico, tegen
betaling van herverzekeringspremie, overdraagt aan een andere
verzekeraar;
retrocessieovereenkomst: overeenkomst
waarbij een financiële onderneming aan een wederpartij effecten,
grondstoffen of gegarandeerde rechten betreffende de eigendom van
effecten of grondstoffen verkoopt, onder de ontbindende voorwaarde deze
of vervangende effecten of grondstoffen tegen een vastgestelde prijs op
een door de financiële onderneming te bepalen tijdstip in de toekomst
terug te kopen, indien:
a. in geval van gegarandeerde
rechten, de garantie is verstrekt door een gereglementeerde markt
die houder is van de rechten; en
b. de overeenkomst bepaalt dat het de
financiële onderneming niet toegestaan is een bepaald effect of een
bepaalde grondstof aan meer dan een wederpartij tegelijkertijd over
te dragen of toe te zeggen;
revolverende vordering: vordering waarbij
de wederpartij het openstaande bedrag mag laten variëren tot een van
tevoren afgesproken limiet;
risicomeetsysteem: systeem voor de meting
van het operationeel risico;
securitisatie: transactie of regeling
waarbij:
a. het kredietrisico van een
vordering of verzameling van vorderingen wordt onderverdeeld in ten
minste twee tranches;
b. de in het kader van de transactie
of regeling verrichte betalingen afhangen van de prestatie van de
vordering of de verzameling van vorderingen; en
c. de rangorde van de tranches
bepalend is voor de verdeling van de verliezen tijdens de looptijd
van de transactie of regeling;
securitisatiepositie: vordering in het
kader van een securitisatie;
sponsor: onderneming, niet zijnde een
initiator, die securitisatieregelingen waarbij vorderingen van derden
worden gekocht, opzet en beheert;
stresstest: onderzoek naar de risico’s
die ontstaan als zich veranderingen in de marktsituatie voordoen of
zouden voordoen die een ongunstige invloed uitoefenen op de
toereikendheid van het toetsingsvermogen van een financiële
onderneming, en naar de risico’s die ontstaan als zekerheidsrechten
worden uitgeoefend in crisissituaties;
suppletiebijdragen: bedragen die het
bestuur van een onderlinge waarborgmaatschappij krachtens haar statuten
in verband met een nadelig saldo over enig boekjaar te allen tijde en
zonder bijkomende voorwaarden van haar leden kan eisen;
synthetische securitisatie: securitisatie
waarbij:
a. de onderverdeling in tranches van
het kredietrisico van een vordering of verzameling van vorderingen
geschiedt door middel van kredietderivaten of garanties; en
b. de vordering of verzameling van
vorderingen in de balanstelling van de initiator blijft opgenomen;
tegenpartijkredietrisico: risico dat de
wederpartij bij een transactie in gebreke blijft voordat de definitieve
afwikkeling van de met de transactie samenhangende kasstromen heeft
plaatsgevonden;
traditionele securitisatie: securitisatie
waarbij:
a. de gesecuritiseerde vorderingen in
economische zin worden overgedragen aan een entiteit voor
securitisatiedoeleinden die daartoe effecten uitgeeft;
b. de eigendom van de
gesecuritiseerde vorderingen door de initiator wordt overgedragen of
de kasstromen uit hoofde van de gesecuritiseerde vorderingen door
middel van een overeenkomst van subdeelneming door de initiator
worden overgedragen; en
c. de uitgegeven effecten niet leiden
tot een betalingsverplichting voor de initiator;
tranche: contractueel vastgesteld segment
van het kredietrisico van een gesecuritiseerde vordering of verzameling
van vorderingen, waarbij een securitisatiepositie in dit segment een
groter of kleiner risico op verlies meebrengt dan een
securitisatiepositie van dezelfde omvang in elk ander segment, indien
geen rekening wordt gehouden met de volgestorte of niet-volgestorte
kredietprotectie die door derden rechtstreeks aan de houders van de
securitisatieposities in dit segment of in andere segmenten wordt
geboden;
verlies bij wanbetaling: verhouding
tussen het verwachte economisch verlies op een vordering als gevolg van
wanbetaling, met inachtneming van de tijdwaarde van geld, en het naar
verwachting uitstaande bedrag bij wanbetaling;
verslagdatum: datum van de dag direct
voorafgaande aan de periode waarover wordt gerapporteerd;
verstrekte effectenlening: overeenkomst
waarbij een financiële onderneming aan een wederpartij effecten
uitleent tegen zekerheid, onder de ontbindende voorwaarde dat de
wederpartij op een tijdstip in de toekomst of zodra de financiële
onderneming daarom verzoekt, gelijkwaardige effecten teruglevert;
verstrekte grondstoffenlening:
overeenkomst waarbij een financiële onderneming aan een wederpartij
grondstoffen uitleent tegen zekerheid, onder de ontbindende voorwaarde
dat de wederpartij op een tijdstip in de toekomst of zodra de
financiële onderneming daarom verzoekt, gelijkwaardige grondstoffen
teruglevert;
vervalkalender: overzicht van
contractuele looptijden van overeenkomsten gesloten door een financiële
onderneming;
vervroegde-aflossingsbepaling:
contractuele bepaling op grond waarvan de securitisatieposities van
beleggers voor de oorspronkelijke vervaldatum van de uitgegeven effecten
geheel of gedeeltelijk worden afgelost;
verwachte verliespost: product van de
kans op wanbetaling, het verlies bij wanbetaling en de waarde van een
actief of post buiten de balanstelling;
verwateringsrisico: risico dat de waarde
van een kortlopende handelsvordering afneemt door crediteringen aan de
debiteur;
volgestorte kredietprotectie:
kredietrisicovermindering waarbij het kredietrisico met betrekking tot
een vordering van een financiële onderneming wordt beperkt door het
recht van die financiële onderneming om bij wanbetaling van de
wederpartij of bij andere specifieke gebeurtenissen in verband met de
wederpartij die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het kredietrisico
met betrekking tot de vordering:
a. bepaalde activa of posten buiten
de balanstelling te gelde te maken;
b. bepaalde activa of posten buiten
de balanstelling over te nemen;
c. de eigendom van bepaalde activa of
posten buiten de balanstelling te verwerven of te behouden;
d. de waarde van bepaalde activa of
posten buiten de balanstelling te verlagen; of
e. de waarde van bepaalde activa of
posten buiten de balanstelling te vervangen door het verschil tussen
deze waarde en de waarde van een vordering op de financiële
onderneming;
voorraadposten: liquide activa die niet
in de vervalkalender worden opgenomen;
vorderingswaarde: waarde van een niet
naar risico gewogen actief of post buiten de balanstelling;
waarde van de gekwalificeerde deelneming:
koopprijs van een aandeel, op het moment van de verwerving of vergroting
van de gekwalificeerde deelneming, vermenigvuldigd met het aantal
verworven aandelen;
wanbetaling:
a. situatie waarin een financiële
onderneming het onwaarschijnlijk acht dat een debiteur zijn
verplichtingen jegens haar, de moederonderneming of een van de
dochterondernemingen van de financiële onderneming volledig zal
nakomen zonder dat de financiële onderneming, de moederonderneming
of een van de dochterondernemingen zal moeten overgaan tot
maatregelen; of
b. situatie waarin een debiteur meer
dan negentig dagen in gebreke is bij het nakomen van een
aanzienlijke verplichting jegens een financiële onderneming, de
moederonderneming of een van de dochterondernemingen van de
financiële onderneming;
weekperiode: eerste zeven kalenderdagen
volgend op de verslagdatum;
de wet: de Wet op het financieel
toezicht.
Artikel 2
De artikelen 1, 4, 5 tot en met 25, 27
tot en met 31, 35, 48, 50, 59 tot en met 62,89 tot en met 94, 102, 103,
138, 139, en 145 zijn, voor zover zij betrekking hebben op banken, van
overeenkomstige toepassing op financiële instellingen die beschikken
over een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel
3:110 van de wet.
Artikel 3
Hoofdstuk 10 is niet van toepassing op
beleggingsondernemingen die uitsluitend een beleggingsdienst als bedoeld
in onderdeel a of d van de definitie van verlenen van een
beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet verlenen. In afwijking van
artikel 130 verstrekt een beleggingsonderneming als bedoeld in de vorige
volzin slechts staten ten behoeve van het toezicht op de naleving van de
regels met betrekking tot het minimum vermogen ingevolge de artikelen
3:53, eerste lid, en 3:54, eerste lid, van de wet. De artikelen 131 tot
en met 133zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3a
1. Dehoofdstukken 9 en 10 zijn niet van
toepassing op betaalinstellingen:
a. voor zover zij uitsluitend in
Nederland betaaldiensten verlenen als bedoeld onder 6 van de
bijlage bij de richtlijn betaaldiensten;
b. waarvan het gemiddelde van het
totale bedrag van de betalingstransacties die zij de voorafgaande
twaalf maanden hebben verricht, met inbegrip van die van agenten
waarvoor zij volledig aansprakelijk zijn, niet hoger is dan €
3.000.000 per maand; en
c. waarvan geen van de personen die
het beleid bepalen of mede bepalen personen zijn met antecedenten
als bedoeld in artikel 6, onderdelen a, b en d, voor zover deze
betrekking hebben op het witwassen van geld,
terrorismefinanciering of vermogensmisdrijven of als misdrijf
aangemerkte overtredingen van financiële toezichtswetgeving.
2. Een betaalinstelling als bedoeld in
het eerste lid stelt de Nederlandsche Bank in kennis van elke
verandering in zijn situatie die relevant is voor het naleven van de
in het eerste lid gestelde voorschriften.
3. Indien een betaaldienstverlener zijn
werkzaamheden niet gedurende de gehele periode van de voorafgaande
twaalf maanden heeft verricht, kan voor de toepassing van het eerste
lid, onderdeel b, worden uitgegaan van een programma van werkzaamheden
waarin naar het oordeel van de Nederlandsche Bank een reële begroting
van het totale bedrag aan betalingstransacties is opgenomen.
Artikel 4
1. Berekeningen met betrekking tot het
minimumbedrag aan eigen vermogen, de solvabiliteit en de liquiditeit
op grond van de hoofdstukken 9, 10 onderscheidenlijk 11 worden, voor
zover niet anders is bepaald, gedaan op basis van de enkelvoudige
jaarrekening zoals opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden.
2. Berekeningen met betrekking tot de
solvabiliteit van banken op grond van hoofdstuk 10 en de liquiditeit
van banken op grond van hoofdstuk 11 worden, voor zover niet anders is
bepaald, gedaan op basis van de geconsolideerde jaarrekening indien
deze wordt opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden.
Hoofdstuk 2. Betrouwbaarheid
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:9, derde lid, en 3:99, derde lid, van de wet
Artikel 5
De Nederlandsche Bank stelt vast of de
betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 3:9, eerste lid,
3:11, 3:13, 3:37, derde lid en vierde lid, 3:47, eerste en vijfde lid,
3:99, eerste lid, of 3:149 van de wet buiten twijfel staat op basis van
diens voornemens, handelingen en antecedenten.
Artikel 6
De Nederlandsche Bank neemt bij de
vaststelling, bedoeld in artikel 5, in ieder geval in aanmerking:
a. de in de onderdelen 1 en 2 van
Bijlage A genoemde strafrechtelijke antecedenten;
b. de inonderdeel 3 van Bijlage A
genoemde financiële antecedenten;
c. de in onderdeel 4 van Bijlage A
genoemde toezichtantecedenten;
d. de in onderdeel 5 van Bijlage A
genoemde fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten; en
e. de in onderdeel 6 van Bijlage A
genoemde overige antecedenten.
Artikel 7
1. De Nederlandsche Bank verkrijgt
inzicht in de in artikel 5 bedoelde voornemens, handelingen en
antecedenten op grond van:
a. door betrokkene verstrekte
gegevens en inlichtingen;
b. door de Landelijke Officier van
Justitie verstrekte politiegegevens;
c. gegevens uit de registratie,
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet controle op
rechtspersonen;
d. gegevens en inlichtingen,
verkregen van de Belastingdienst;
e. gegevens en inlichtingen,
verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan
wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen
instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten
of op personen die op die markten werkzaam zijn;
f. ambtsberichten van het Openbaar
Ministerie;
g. inlichtingen, verkregen van door
betrokkene opgegeven referenties;
h. gegevens uit openbare bronnen;
i. inlichtingen, verkregen van
curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen,
surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen
waarbij de inartikel 5 bedoelde persoon betrokken is geweest;
j. inlichtingen, verkregen van
organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van
betrokkene; of
k. gegevens en inlichtingen,
verkregen uit andere bij ministeriële regeling aan te wijzen
bronnen.
2. Indien de gegevens of inlichtingen,
verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Nederlandsche Bank
aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Nederlandsche Bank ook
inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of
instanties dan genoemd in dat lid. De Nederlandsche Bank stelt de
betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:
a. de reden van het nadere
onderzoek;
b. de personen of instanties bij
wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen; en
c. de aard van de nadere gegevens
of inlichtingen.
Artikel 8
1. De betrouwbaarheid van een persoon
als bedoeld in artikel 5 staat niet buiten twijfel als deze
veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van
bijlage A, tenzij er sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak
acht jaren of meer zijn verstreken.
2. De Nederlandsche Bank kan op grond
van de omstandigheden of belangen, genoemd in artikel 9, afwijken van
het eerste lid.
Artikel 9
De Nederlandsche Bank neemt bij de
vaststelling, bedoeld in artikel 5, in aanmerking:
a. het onderlinge verband tussen de
aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen
en de overige omstandigheden van het geval;
b. de belangen die de wet beoogt te
beschermen; en
c. de overige belangen van de
clearinginstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank of
verzekeraar en de betrokkene.
Hoofdstuk 3. Integere uitoefening van het
bedrijf
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:10, eerste, tweede en derde lid, en 3:17, tweede lid, aanhef
en onderdeel b, van de wet
Artikel 10
1. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling, verzekeraar of
bijkantoor als bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, 3:11, 3:12, 3:13
of 3:14 van de wet draagt zorg voor een systematische analyse van
integriteitsrisico´s.
2. De financiële onderneming,
onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt er zorg voor dat het beleid,
bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, van de wet zijn neerslag vindt in
procedures en maatregelen.
3. De financiële onderneming,
onderscheidenlijk het bijkantoor, stelt alle relevante
bedrijfsonderdelen in kennis van het beleid en de procedures en
maatregelen.
4. De financiële onderneming,
onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt zorg voor de uitvoering en de
systematische toetsing van het beleid en de procedures en maatregelen.
5. De financiële onderneming,
onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt zorg voor onafhankelijk
toezicht op de uitvoering van het beleid en de procedures en
maatregelen met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf
en beschikt over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde
tekortkomingen of gebreken worden gerapporteerd aan de personen belast
met de taak, bedoeld in artikel 21.
6. De financiële onderneming,
onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt over procedures die erin
voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken met betrekking
tot de integere uitoefening van het bedrijf onder toezicht van de
personen belast met de taak, bedoeld in artikel 21, tot een gepaste
bijstelling leiden.
Artikel 11
1. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling, verzekeraar of
bijkantoor als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, 3:23, 3:24a,
3:24b, 3:26 of 3:27 van de wet beschikt over procedures en maatregelen
met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van
privé-belangen van:
a. personen die het beleid van de
financiële onderneming bepalen;
b. groepsbestuurders;
c. leden van het orgaan dat is
belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van
zaken van de financiële onderneming; en
d. andere werknemers of andere
personen die in haar opdracht op structurele basis werkzaamheden
voor haar verrichten, met haar belangen of die van haar cliënten.
2. De entiteit voor risico-acceptatie,
bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het
bijkantoor, beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot
het verlenen van financiële diensten op basis van personeelscondities
aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen en
groepsbestuurders.
3. Financiële dienstverlening door de
entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of
verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, op basis van
personeelscondities aan personen die het beleid van de financiële
onderneming bepalen of groepsbestuurders vindt uitsluitend plaats in
de normale uitoefening van het bedrijf en vindt telkens slechts plaats
na instemming door het orgaan dat is belast met het toezicht op het
beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming
dan wel namens een daartoe aangewezen orgaan.
4. Financiële dienstverlening door de
entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of
verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, aan personen die het
beleid van de financiële onderneming bepalen of groepsbestuurders
vindt, indien de dienst buiten de grenzen van het bij de financiële
onderneming bestaande systeem van personeelscondities wordt verleend,
uitsluitend plaats in de normale uitoefening van het bedrijf en tegen
de gebruikelijke commerciële voorwaarden en zekerheden.
5. Financiële dienstverlening door de
entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of
verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, aan leden van het
orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene
gang van zaken van de financiële onderneming, alsmede aan
familieleden, niet zijnde personeelsleden, van personen die het beleid
van de financiële onderneming bepalen, van groepsbestuurders en van
leden van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en
de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, geschiedt
uitsluitend in de normale uitoefening van het bedrijf en tegen de
gebruikelijke commerciële voorwaarden en zekerheden.
Artikel 12
1. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling, verzekeraar of
bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, beschikt over
procedures en maatregelen met betrekking tot de omgang met en
vastlegging van incidenten.
2. De financiële onderneming,
onderscheidenlijk het bijkantoor, neemt naar aanleiding van een
incident maatregelen die zijn gericht op het beheersen van de
opgetreden risico’s en het voorkomen van herhaling.
3. De financiële onderneming,
onderscheidenlijk het bijkantoor, informeert de Nederlandsche Bank
onverwijld omtrent incidenten.
Artikel 13
1. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling, verzekeraar of
bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, maakt een
onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid van personen die zij
wil benoemen in een integriteitsgevoelige functie.
2. De financiële onderneming,
onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt zorg voor de beoordeling van
de betrouwbaarheid van degenen die, anders dan op grond van een
arbeidsovereenkomst, werkzaamheden in een integriteitgevoelige functie
verrichten.
Artikel 14
1. Een bank, levensverzekeraar,
premiepensioeninstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 11,
eerste lid, beschikt met het oog op een integere uitoefening van het
bedrijf over procedures en maatregelen met betrekking tot de
acceptatie van cliënten.
2. Onverminderd het bepaalde ingevolge
de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme
beschikt een bank, levensverzekeraar, premiepensioeninstelling of
bijkantoor als bedoeld in het eerste lid, over procedures en
maatregelen met betrekking tot het vaststellen van de identiteit van
cliënten en van de verificatie daarvan. De bank, levensverzekeraar,
onderscheidenlijk het bijkantoor, accepteert een cliënt niet indien
de identiteit niet is vastgesteld overeenkomstig het daarvoor
opgestelde beleid.
3. De financiële onderneming, bedoeld
in het tweede lid, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt met het
oog op een integere uitoefeningvan het bedrijf over organisatorische
en administratieve procedures en maatregelen die betrekking hebben op
risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, producten of diensten.
4. De financiële onderneming, bedoeld
in het tweede lid, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt over
procedures en maatregelen met betrekking tot de analyse van gegevens
van cliënten, mede in relatie tot de door de cliënt afgenomen
producten of diensten, en terzake van de detectie van afwijkende
transactiepatronen. Aan de hand van voornoemde procedures en
maatregelen bepaalt de financiële onderneming tevens de risico’s
van bepaalde cliënten, producten of diensten voor de integere
uitoefening van haar bedrijf.
5. De financiële onderneming, bedoeld
in het tweede lid, onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt zorg voor
de documentatie en vastlegging met betrekking tot de acceptatie en
indeling naar risico van cliënten, de identificatie en verificatie
van de gegevens van cliënten en de bewaking van het handelen van
cliënten. Dergelijke gegevens worden tot vijf jaar na de
dienstverlening of het beëindigen van de relatie bewaard.
6. De Nederlandsche Bank kan met het
oog op een integere uitoefening van het bedrijf regels stellen met
betrekking tot het door banken en bijkantoren van banken als bedoeld
in het eerste lid te voeren beleid met betrekking tot afgeschermde
rekeningen.
Artikel 15
1. Een bank of bijkantoor van een bank
als bedoeld in artikel 11, eerste lid, beschikt over procedures met
betrekking tot de verstrekking van back-to-back leningen.
2. Indien de bank of het bijkantoor
voornemens is een back-to-back lening te verstrekken, onderzoekt zij
of het krediet voor legitieme doeleinden gebruikt zal worden.
3. Indien er een back-to-back lening
wordt verstrekt, legt de bank of het bijkantoor de overeenkomst met
vermelding van de gestelde essentiële zekerheden, deugdelijk vast.
Artikel 16
1. Een financiële onderneming of
bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderzoekt, op
verzoek van de Nederlandsche Bank, of in haar administratie bepaalde
personen of instellingen voorkomen die naar het oordeel van Onze
Minister, in verband met vermoede terroristische activiteiten of
daarmee verband houdende activiteiten, de integriteit van de
financiële sector kunnen schaden.
2. De financiële onderneming verstrekt
de uitkomst van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, binnen een
door de Nederlandsche Bank te stellen termijn, aan de Nederlandsche
Bank.
Hoofdstuk 4. Beheerste uitoefening van
het bedrijf
§ 4.1. Algemene aspecten van de
bedrijfsvoering
Bepalingen ter uitvoering van artikel
3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de wet
Artikel 17
1. De bedrijfsvoering van een
betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling,
entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling,
verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid,
3:23, 3:24a, 3:24b, 3:26 of 3:27 van de wet omvat:
a. een duidelijke, evenwichtige en
adequate organisatiestructuur;
b. een duidelijke, evenwichtige en
adequate verdeling van taken, bevoegdheden en
verantwoordelijkheden;
c. een adequate vastlegging van
rechten en verplichtingen;
d. eenduidige rapportagelijnen; en
e. een adequaat systeem van
informatievoorziening en communicatie.
2. De bedrijfsvoering is afgestemd op
de aard, omvang, risico’s en complexiteit van de werkzaamheden van
de financiële onderneming of bijkantoor.
3. De bedrijfsvoering wordt op een
inzichtelijke wijze vastgelegd.
4. De effectiviteit van de
organisatie-inrichting en van de procedures en maatregelen wordt ten
minste jaarlijks op onafhankelijke wijze getoetst. Daartoe beschikt de
financiële onderneming of het bijkantoor over een
organisatieonderdeel dat deze interne controlefunctie uitoefent. De
financiële onderneming of bijkantoor voorziet erin dat gesignaleerde
tekortkomingen worden opgeheven.
Artikel 17a
Het organisatieonderdeel, bedoeld in
artikel 17, vierde lid, van een bank als bedoeld in artikel 3:17, eerste
lid, of 3:23, tweede lid, van de wet die in Nederland beleggingsdiensten
mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, heeft als taak:
a. het vaststellen en uitvoeren van
een controleplan om de deugdelijkheid en effectiviteit van de
systemen, interne controleprocedures en regels van de bank te
onderzoeken en te beoordelen;
b. het doen van aanbevelingen op
basis van de resultaten van de werkzaamheden, bedoeld in onderdeel
a;
c. het controleren of aan deze
aanbevelingen gevolg wordt gegeven; en
d. het ten minste jaarlijks
rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de bank
bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met
toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank
inzake aangelegenheden met betrekking tot de interne controle en de
genomen maatregelen in geval van gesignaleerde tekortkomingen.
Artikel 18
Een betaalinstelling, clearinginstelling,
elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank,
premiepensioeninstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in
artikel 17 beschikt over een adequate functiescheiding met het oog op
een beheerste bedrijfsvoering.
Artikel 19
De bedrijfsvoering van een
betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling,
entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling,
verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 voorziet in een
juiste, tijdige en volledige vastlegging van alle rechten en
verplichtingen van de financiële onderneming of bijkantoor in een
daartoe bestemde administratie.
Artikel 20
1. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling, verzekeraar of
bijkantoor als bedoeld in artikel 17 beschikt over een
informatiesysteem dat een effectieve beheersing van de
bedrijfsprocessen en de risico’s mogelijk maakt en dat voorziet in
interne en externe informatiebehoeften.
2. De financiële onderneming of
bijkantoor beschikt over procedures en maatregelen om de integriteit,
voortdurende beschikbaarheid en beveiliging van geautomatiseerde
gegevensverwerking te waarborgen.
3. De functiescheidingen binnen de
geautomatiseerde gegevensverwerking sluiten aan bij de
organisatiestructuur.
Artikel 21
1. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling, verzekeraar of
bijkantoor als bedoeld in artikel 17 beschikt over een
organisatieonderdeel dat op onafhankelijke en effectieve wijze een
compliancefunctie uitoefent. Het organisatieonderdeel heeft als taak
het controleren van de naleving van wettelijke regels en van interne
regels die de financiële onderneming of bijkantoor zelf heeft
opgesteld.
2. Het organisatieonderdeel, bedoeld in
het eerste lid, van een bank als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid,
of 3:23, tweede lid, van de wet die in Nederland beleggingsdiensten
mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, heeft voorts
als taak:
a. het adviseren van de personen
die verantwoordelijk zijn voor het verlenen van beleggingsdiensten
of het verrichten van beleggingsactiviteiten bij de naleving van
wettelijke regels en interne regels;
b. het toezien op de deugdelijkheid
en effectiviteit van de interne regels en procedures;
c. het beoordelen van de
effectiviteit van de procedures die zijn opgesteld en maatregelen
die zijn genomen om gesignaleerde onvolkomenheden bij de naleving
van wettelijke regels en interne regels op te heffen; en
d. het ten minste jaarlijks
rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de bank
bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met
toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank
inzake aangelegenheden met betrekking tot de naleving van
wettelijke regels en interne regels. In de jaarlijkse rapportage
wordt met name vermeld of maatregelen zijn genomen in het geval
van gesignaleerde tekortkomingen.
3. Het organisatieonderdeel van een
bank als bedoeld in het tweede lid beschikt over de nodige autoriteit,
middelen, deskundigheid en toegang tot alle noodzakelijke informatie
om haar taken onafhankelijk en effectief te kunnen uitoefenen.
Artikel 22
De opdracht tot onderzoek van de
jaarrekening van een betaalinstelling, clearinginstelling,
elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank,
premiepensioeninstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in
artikel 17aan de externe accountant voorziet in een toetsing en
beoordeling op hoofdlijnen met betrekking tot de toereikendheid van de
organisatie-inrichting en risicobeheersing.
Artikel 22a
De werknemers van een bank die een
vergunning heeft als bedoeld in artikel 2:11 van de wet en in Nederland
beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten
en andere personen die door een dergelijke bank zijn belast met het
verrichten van zodanige werkzaamheden beschikken over de nodige
vakbekwaamheid en deskundigheid om de hun toevertrouwde
verantwoordelijkheden uit te oefenen.
§ 4.2. Risicomanagement
Bepalingen ter uitvoering van artikel
3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de wet
Artikel 23
1. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten, beleggingsonderneming,
betaalinstelling clearinginstelling, elektronischgeldinstelling,
entiteit voor risico-acceptatie, bank, verzekeraar of bijkantoor als
bedoeld in artikel 3:17, eerste en derde lid, 3:22, 3:23, 3:24a,
3:24b, 3:26 of 3:27 van de wet voert beleid gericht op het beheersen
van relevante risico’s.
2. Onder relevante risico’s, bedoeld
in het eerste lid, worden in het bijzonder verstaan het
concentratierisico, krediet- en tegenpartijrisico, liquiditeitsrisico,
marktrisico, operationeel risico, renterisico voortvloeiend uit
niet-handelsactiviteiten, restrisico, securitisatierisico en
verzekeringsrisico. Een bank, beleggingsonderneming of
clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:17, eerste of derde lid,
3:22, 3:23 of 3:27 van de wet houdt tevens rekening met de risico’s
die voortvloeien uit de macro-economische omgeving waarin de
onderneming actief is en die verband houden met de stand van de
conjunctuurcyclus.
3. Het beleid wordt vastgelegd in
procedures en maatregelen ter beheersing van relevante risico’s en
geïntegreerd in de bedrijfsprocessen. De procedures en maatregelen
die zijn gericht op de beheersing van het liquiditeitsrisico hebben
betrekking op het beheer van de actuele en toekomstige netto
financiële positie en behoeften.
4. De procedures en maatregelen,
bedoeld in het derde lid, bestaan onder meer uit
autorisatieprocedures, limietstellingen, limietbewaking en procedures
en maatregelen voor noodsituaties en zijn afgestemd op de aard, de
omvang, het risicoprofiel en de complexiteit van de werkzaamheden van
de financiële onderneming of bijkantoor.
5. De procedures en maatregelen,
bedoeld in het derde lid, worden vastgelegd en ter kennis gebracht van
alle relevante bedrijfsonderdelen van de financiële onderneming of
het bijkantoor.
6. De financiële onderneming heeft een
onafhankelijke risicobeheerfunctie die op systematische wijze een
onafhankelijk risicobeheer uitvoert dat gericht is op het
identificeren, meten en evalueren van de risico’s waaraan de
financiële onderneming of het bijkantoor is of kan worden
blootgesteld. Het risicobeheer wordt zowel uitgevoerd ten aanzien van
de financiële onderneming of het bijkantoor als geheel als ten
aanzien van de onderscheiden bedrijfsonderdelen.
7. De risicobeheerfunctie beschikt over
de nodige autoriteit en toegang tot alle noodzakelijke informatie om
haar taken te kunnen uitoefenen.
Artikel 23a
1. Een bank als bedoeld in artikel
3:17, eerste lid, of 3:23 van de wet legt de procedures voor de
acceptatie, aanpassing, vernieuwing en herfinanciering van kredieten
duidelijk vast.
2. Voor de doorlopende administratie en
bewaking van de verschillende portefeuilles en vorderingen waaraan een
kredietrisico is verbonden, inclusief de detectie en het beheer van
probleemkredieten, het verrichten van adequate waardeaanpassingen en
de vorming van voorzieningen, wordt van doeltreffende systemen gebruik
gemaakt.
3. De bank zorgt ervoor dat de
spreiding van de kredietportefeuille aansluit bij de doelmarkten en
bij de algemene kredietstrategie van de bank.
Artikel 23b
Een bank, beleggingsonderneming of
clearinginstelling, bedoeld in artikel 23, tweede lid, beschikt over
deugdelijke procedures en maatregelen voor de vaststelling, de meting,
het beheer en de bewaking van het liquiditeitsrisico over een passende
reeks termijnen aan de hand waarvan zij doorlopend nagaat of en ervoor
zorgt dat de hoogte, samenstelling en verdeling van de aanwezige
liquiditeit aansluiten op de aard en de omvang van haar huidige en
toekomstige liquiditeitsrisico’s. Deze procedures en maatregelen
voldoen tenminste aan de technische criteria voor de organisatie en
behandeling van risico’s als bedoeld in paragraaf 10 van bijlage V van
de herziene richtlijn banken.
Artikel 23c
1. De procedures en maatregelen,
bedoeld inartikel 23, derde lid, die zijn gericht op het beheersen van
het operationeel risico zijn eveneens gericht op zelden voorkomende,
zeer ernstige gebeurtenissen.
2. Een bank of beleggingsonderneming
als bedoeld in artikel 23, tweede lid, tweede volzin, geeft in
aanvulling op hetgeen in dit besluit onder operationeel risico wordt
verstaan, aan wat zij onder operationeel risico verstaat.
Artikel 23d
Een bank of beleggingsonderneming als
bedoeld in artikel 23, tweede lid, tweede volzin, past systemen toe voor
de beoordeling en het beheer van het risico dat uit potentiële
veranderingen in rentetarieven voortvloeit, voor zover deze
veranderingen van invloed zijn op de activiteiten buiten de
handelsportefeuille van die bank, beleggingsonderneming of
clearinginstelling.
Artikel 23e
1. De procedures en maatregelen,
bedoeld inartikel 23, derde lid, die betrekking hebben op het
beheersen van het securitisatierisico zijn erop gericht dat bij het
nemen van beslissingen op het gebied van risicobeoordeling en het
risicobeheer rekening wordt gehouden met het economisch belang van de
transactie.
2. Een bank of beleggingsonderneming
als bedoeld in artikel 23, tweede lid, tweede volzin, die initiator is
van een securitisatie van revolverende vorderingen waarop een
vervroegde- aflossingsbepaling van toepassing is, stelt een
liquiditeitsplan vast om de gevolgen van zowel geplande als vervroegde
aflossingen op te vangen.
Artikel 23f
1. Het beleid als bedoeld in artikel
23, eerste lid, of de procedures en maatregelen en de bedrijfsvoering
als bedoeld in artikel 26, tweede lid, houdt respectievelijk houden
mede in dat de financiële onderneming een beleid inzake beloningen
voert dat niet aanmoedigt tot het nemen van meer risico’s dan voor
de desbetreffende financiële onderneming aanvaardbaar is.
2. De financiële onderneming legt het
beleid inzake beloningen schriftelijk vast en draagt er zorg voor dit
beleid te implementeren en in stand te houden. Het beleid is afgestemd
op de omvang en organisatie van de financiële onderneming en aan de
aard, omvang en complexiteit van haar bedrijf.
3. Het beleid inzake beloningen
omschrijft de beloningscomponenten en beloningsstructuren die ertoe
zouden kunnen bijdragen dat de financiële onderneming meer risico’s
neemt dan voor haar aanvaardbaar is, alsmede de te volgen procedures
en maatregelen die dergelijke beloningscomponenten en
beloningsstructuren voorkomen en beheersen.
4. De financiële onderneming maakt een
beschrijving van haar beleid inzake beloningen openbaar.
5. De Nederlandsche Bank kan regels
stellen met betrekking tot:
a. de wijze waarop het beleid
inzake beloningen wordt opgesteld en vastgesteld of goedgekeurd,
uitgevoerd, geëvalueerd en aangepast;
b. de wijze waarop vorm wordt
gegeven aan beloningscomponenten en beloningsstructuren en de
wijze waarop de risico's die uit het beleid en de uitvoering
daarvan voortvloeien, worden beheerst; en
c. de inhoud en de wijze van
openbaarmaking van het beleid inzake beloningen.
Artikel 23g
1. De beheerder van een instelling voor
collectieve belegging in effecten vermeldt in het beleid, bedoeld in
artikel 23, eerste lid:
a. de technieken, instrumenten en
regelingen om te allen tijde de risico’s te kunnen meten en
beheren waaraan elke door hem beheerde instelling voor collectieve
belegging in effecten is of zou kunnen worden blootgesteld;
b. de verantwoordelijkheden binnen
de organisatie van de beheerder met betrekking tot het
risicobeheer; en
c. de voorwaarden, inhoud en
frequentie van de rapportage door de risicobeheerfunctie, bedoeld
in artikel 23, zesde lid, aan de personen die het dagelijks beleid
van de beheerder van de instelling voor collectieve belegging in
effecten bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast
met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de
beheerder.
2. De procedures en maatregelen,
bedoeld in artikel 23, derde lid, stellen een beheerder van een
instelling voor collectieve belegging in effecten in staat:
a. te allen tijde de risico’s te
kunnen meten waaraan de instelling voor collectieve belegging in
effecten wordt of zou kunnen worden blootgesteld; en
b. de naleving van limieten voor
het totale risico en het tegenpartijrisico voor elke door hem
beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten,
bedoeld in de artikelen 133 en 134 van het Besluit gedragstoezicht
financiële ondernemingen Wft, te waarborgen.
3. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten neemt voor de toepassing van
het tweede lid de volgende maatregelen:
a. zorgen voor procedures en
maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, die noodzakelijk
zijn om te garanderen dat de risico’s van ingenomen posities en
het aandeel van deze posities in het totale risicoprofiel
nauwkeurig en op basis van degelijke en betrouwbare gegevens
worden gemeten en dat deze procedures en maatregelen op adequate
wijze zijn gedocumenteerd;
b. in voorkomend geval, achteraf
uitvoeren van periodieke tests om de geldigheid te evalueren van
regels met betrekking tot risicometingregelingen die modelmatige
prognoses en ramingen omvatten;
c. in voorkomend geval, uitvoeren
van periodieke stresstests en scenarioanalyses om de eventueel uit
wisselende marktomstandigheden voortvloeiende risico’s aan te
pakken die negatieve gevolgen voor de instelling voor collectieve
belegging in effecten kunnen hebben;
d. het opzetten, implementeren en
in stand houden van een gedocumenteerd systeem van interne
limieten voor de maatregelen die worden genomen om de relevante
risico’s voor elke beheerde instelling voor collectieve
belegging in effecten te beheren en te controleren, waarbij
rekening wordt gehouden met relevante risico’s als bedoeld
inartikel 23, tweede lid, en waarbij overeenstemming met het
risicoprofiel van de instelling voor collectieve belegging in
effecten wordt gewaarborgd;
e. zorgen dat voor elke door hem
beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten de
huidige risico-omvang voldoet aan het risicolimietensysteem,
bedoeld in onderdeel d; en
f. opzetten, implementeren en in
stand houden van adequate procedures die in geval van feitelijke
en voorzienbare inbreuken op het risicolimietensysteem van de
instelling voor collectieve belegging in effecten tot tijdige
herstelmaatregelen in belang van de deelnemers leiden.
Artikel 24
Een beheerder van een instelling voor
collectieve belegging in effecten, beleggingsonderneming,
betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling,
entiteit voor risico-acceptatie, bank, verzekeraar of bijkantoor als
bedoeld in artikel 23, eerste lid, ziet er op systematische wijze op toe
dat de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid,
worden nageleefd en zorgt ervoor dat gesignaleerde tekortkomingen of
gebreken worden opgeheven.
Artikel 24a
1. Een bank of beleggingsonderneming
als bedoeld in artikel 23, tweede lid, tweede volzin, beschikt over
solide, doeltreffende en alomvattende strategieën en procedures aan
de hand waarvan zij doorlopend nagaat of en ervoor zorgt dat de
hoogte, samenstelling en verdeling van haar eigen vermogen aansluiten
op de omvang en de aard van haar huidige en mogelijk toekomstige
risico’s.
2. De financiële onderneming ziet er
op systematische wijze op toe dat de strategieën en procedures,
bedoeld in het eerste lid, worden nageleefd en zorgt ervoor dat
gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden opgeheven.
Artikel 24b
1. Het risicobeheer, bedoeld in artikel
23, zesde lid, van een bank die in Nederland beleggingsdiensten mag
verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, een beheerder van
een instelling voor collectieve belegging in effecten, of
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:17, eerste en derde
lid, 3:22 of 3:23, tweede lid, van de wet oefent controle uit op:
a. de deugdelijkheid en
effectiviteit van de door de bank, beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten of beleggingsonderneming
vastgestelde procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23,
derde lid;
b. de mate waarin de bank,
beheerder van een instelling voor collectieve belegging in
effecten of beleggingsonderneming en haar medewerkers de
procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid,
naleven; en
c. de deugdelijkheid en
effectiviteit van de maatregelen die zijn genomen om gesignaleerde
tekortkomingen of gebreken op te heffen.
2. Het risicobeheer rapporteert ten
minste jaarlijks aan personen die het dagelijks beleid van de bank,
beheerder of beleggingsonderneming bepalen en aan het orgaan, indien
aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang
van zaken van de bank, beheerder of beleggingsonderneming. In de
jaarlijkse rapportage wordt met name aangegeven of maatregelen zijn
genomen in het geval van gesignaleerde onvolkomenheden.
3. Het risicobeheer van een beheerder
van een instelling voor collectieve belegging in effecten brengt
regelmatig verslag uit aan de personen die het dagelijks beleid van de
beheerder bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast
met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de
beheerder over:
a. de consistentie tussen de
actuele omvang van het risico dat elke door hem beheerde
instelling voor collectieve belegging in effecten loopt, en het
risicoprofiel dat voor deze instelling voor collectieve belegging
in effecten is overeengekomen;
b. de nakoming van het relevante
risicolimietensysteem door elke door hem beheerde instelling voor
collectieve belegging in effecten; en
c. de deugdelijkheid en
effectiviteit van de risicobeheerprocedure, waarbij met name wordt
aangegeven of passende maatregelen zijn genomen in het geval van
gesignaleerde onvolkomenheden.
4. Het risicobeheer van een beheerder
van een instelling voor collectieve belegging in effecten brengt aan
de personen die het dagelijks beleid bepalen van de beheerder:
a. advies uit betreffende de
identificatie van het risicoprofiel van elke door de beheerder
beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten; en
b. regelmatig verslag uit over de
actuele omvang van het risico dat elke door de beheerder beheerde
instelling voor collectieve belegging in effecten loopt en
feitelijke of voorzienbare inbreuken op de limieten van de
desbetreffende instelling voor collectieve belegging in effecten
opdat onmiddellijk passende maatregelen kunnen worden ondernomen.
5. Het risicobeheer van een beheerder
van een instelling voor collectieve belegging in effecten onderzoekt
en ondersteunt in voorkomend geval de procedures en maatregelen,
bedoeld in de artikelen 34, eerste lid, onderdeel g, en derde lid, en
34a van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.
Artikel 25
Indien een beleggingsonderneming,
betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling,
entiteit voor risico-acceptatie, bank, verzekeraar of bijkantoor als
bedoeld in artikel 23, eerste lid, gebruik maakt van intern ontwikkelde
modellen, beoordeelt deze die modellen en de gehanteerde
veronderstellingen en variabelen op systematische wijze op validiteit,
onder meer door voorspellingen van het model te vergelijken met de
werkelijke uitkomsten.
Artikel 25a
1. De door de Nederlandsche Bank
uitgevoerde evaluatie, bedoeld in artikel 3:18a, eerste lid, van de
wet heeft ten minste betrekking op:
a. de risico’s, bedoeld in
artikel 60, eerste lid;
b. het renterisico dat een bank of
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tweede lid,
tweede volzin, bij niet-handelsactiviteiten loopt;
c. de resultaten van de stresstests
die zijn uitgevoerd door de financiële onderneming die voor het
kredietrisico een interne modellenmethode toepast;
d. de blootstelling aan en het
beheer van het concentratierisico, het liquiditeitsrisico en grote
posities door de financiële onderneming;
e. de deugdelijkheid, geschiktheid
en wijze van toepassing van de door de financiële onderneming
gevolgde procedures met het oog op het beheer van het restrisico
dat de toepassing van toegelaten technieken van
kredietrisicovermindering met zich brengt;
f. de vraag in hoeverre het
toetsingsvermogen dat de financiële onderneming houdt met
betrekking tot de activa die zij heeft gesecuritiseerd, toereikend
is in het licht van de economische kenmerken van de transactie,
inclusief de mate waarin sprake is van risico-overdracht;
g. de blootstelling aan en de
meting en het beheer van het liquiditeitsrisico door de
financiële onderneming, waaronder onderzoek van alternatieve
scenario’s, het beheer van risicovermindering, met name de
omvang, samenstelling en kwaliteit van liquiditeitsbuffers, en
effectieve calamiteitenplannen;
h. de impact van de
diversificatie-effecten en de wijze waarop dergelijke effecten in
het systeem van risicometing worden verwerkt; en
i. de resultaten van de stresstests
die zijn uitgevoerd door de financiële onderneming die gebruik
maakt van interne modellen voor de berekening van de vereiste
solvabiliteit voor het risico, bedoeld in artikel 60, eerste lid,
onderdeel b.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid, onderdeel g, onderwerpt de Nederlandsche Bank het gehele
liquiditeitsrisicobeheer van de financiële onderneming regelmatig aan
een uitgebreide evaluatie en bevordert zij de ontwikkeling van solide
interne methoden. Bij deze evaluaties let zij op de rol die deze
financiële onderneming speelt op de financiële markten en neemt de
gevolgen die haar besluiten kunnen hebben voor de stabiliteit van het
financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten in overweging.
3. De Nederlandsche Bank controleert of
de financiële onderneming een securitisatie stilzwijgend buiten de
grenzen van haar contractuele verplichtingen heeft gesteund. Indien
blijkt dat de financiële onderneming meerdere keren buiten de grenzen
van haar contractuele verplichtingen stilzwijgende steun heeft
verleend, neemt de Nederlandsche Bank passende maatregelen op basis
van het vermoeden dat de kans groot is dat de financiële onderneming
ook in de toekomst haar securitisaties zal steunen buiten de grenzen
van haar contractuele verplichtingen.
4. De Nederlandsche Bank houdt bij het
bepalen of het aangehouden toetsingsvermogen een beheerste en duurzame
dekking van risico’s waarborgt, rekening met de vraag of de
waardeaanpassingen en voorzieningen voor posities en portefeuilles in
de handelsportefeuille de financiële onderneming in staat stellen
haar posities onder normale marktomstandigheden op korte termijn te
verkopen of af te dekken zonder dat wezenlijke verliezen worden
geleden.
Artikel 25b
1. De Nederlandsche Bank treft
maatregelen indien de economische waarde van een bank of
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tweede lid, tweede
volzin, met meer dan twintig procent van het toetsingsvermogen afneemt
door een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven.
2. De Nederlandsche Bank stelt de
omvang van de verandering in de rentetarieven vast, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 26
1. Een beheerder, bewaarder of
pensioenbewaarder als bedoeld in artikel 3:17, derde lid, of 3:25 van
de wet beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat de
omvang en samenstelling van en mutaties in de aan te houden
financiële waarborgen getrouw en volledig kunnen worden vastgesteld.
2. Met het oog op de bewaking en
beheersing van solvabiliteitsrisico’s voorziet de bedrijfsvoering
van een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in
effecten in ieder geval in de bewaking en beheersing van de:
a. aard en omvang van de activa en
passiva;
b. niet uit de balans blijkende
verplichtingen; en
c. resultaatontwikkeling,
uitgesplitst naar de onderscheiden bedrijfsactiviteiten en
bedrijfsonderdelen.
3. Met het oog op de bewaking en
beheersing van liquiditeitsrisico’s voorziet de bedrijfsvoering van
elke beleggingsinstelling waarvan de rechten van deelneming op verzoek
van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden
ingekocht of terugbetaald onder meer in autorisatieprocedures,
limietstellingen, limietbewaking en procedures en maatregelen voor
noodsituaties met betrekking tot de liquiditeitspositie van de
beleggingsinstelling.
4. In voorkomend geval voert een
beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten
stresstests uit die een beoordeling van het liquiditeitsrisico van de
instelling voor collectieve belegging in effecten in uitzonderlijke
omstandigheden mogelijk maken.
5. De beheerder van een instelling voor
collectieve belegging in effecten draagt er zorg voor dat voor elke
door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten
het liquiditeitsprofiel past bij het terugbetalingsbeleid dat in het
fondsreglement, in de statuten of in het prospectus is vastgelegd.
Artikel 26.0
Een premiepensioeninstelling beschikt
over procedures en maatregelen die waarborgen dat de omvang en
samenstelling van en mutaties in de aan te houden financiële waarborgen
getrouw en volledig kunnen worden vastgesteld.
§ 4.3. Vangnetregelingen
Bepalingen ter uitvoering van artikel
3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel d
Artikel 26a
1. Een bank, beleggingsonderneming of
financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling
als bedoeld in artikel 3:110 heeft, beschikt over procedures en
maatregelen die waarborgen dat de voor de uitvoering van de
vangnetregelingen noodzakelijke gegevens voortdurend actueel worden
bijgehouden en adequaat zijn vastgelegd.
2. De financiële onderneming verstrekt
de gegevens, bedoeld in het eerste lid, binnen een door de
Nederlandsche Bank te bepalen termijn, in een voor de Nederlandsche
Bank toegankelijke vorm nadat de Nederlandsche Bank ten aanzien van
haar heeft besloten tot toepassing van een vangnetregeling.
3. De Nederlandsche Bank deelt het
besluit tot toepassing van een vangnetregeling onverwijld mede aan de
desbetreffende financiële onderneming.
Hoofdstuk 5. Uitbesteden van
werkzaamheden
Bepalingen ter uitvoering van artikel
3:18, tweede en derde lid, van de wet
Artikel 27
1. Een financiële onderneming of
bijkantoor als bedoeld in artikel 3:18, eerste lid, 3:22, 3:23, 3:24b,
3:25, 3:26 of 3:27, van de wet gaat niet over tot het uitbesteden van
werkzaamheden indien die uitbesteding een belemmering kan vormen voor
een adequaat toezicht op de naleving van het bij of krachtens het Deel
Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde.
2. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling, verzekeraar of
bijkantoor als bedoeld in artikel 3:18, tweede lid, 3:23, 3:26 of 3:27
van de wet besteedt de taken en werkzaamheden van personen die het
dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan het vaststellen van
het beleid en het afleggen van verantwoording over het gevoerde
beleid, niet uit.
Artikel 27a
1. Indien een betaalinstelling of een
elektronischgeldinstelling voornemens is werkzaamheden in verband met
het verlenen van betaaldiensten uit te besteden, stelt zij de
Nederlandsche Bank daarvan in kennis.
2. Indien een
elektronischgeldinstelling voornemens is werkzaamheden in verband met
de uitgifte van elektronisch geld uit te besteden, stelt zij de
Nederlandsche Bank daarvan in kennis.
Artikel 27b
Bij de uitbesteding van werkzaamheden in
verband met het verlenen van betaaldiensten draagt de betaalinstelling
er zorg voor dat uitbesteding de verplichtingen van de betaalinstelling
jegens haar cliënten en de rechten van haar cliënten uit hoofde van de
wet of Titel 7B van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet wijzigt.
Artikel 28
Een betaalinstelling, clearinginstelling,
elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank,
premiepensioeninstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in
artikel 27, tweede lid, gaat niet over tot het uitbesteden van
werkzaamheden indien dat afbreuk doet aan de kwaliteit van haar
onafhankelijke interne toetsing als bedoeld in artikel 17, vierde lid.
Artikel 29
Een betaalinstelling, clearinginstelling,
elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank,
premiepensioeninstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in
artikel 27, tweede lid, voert een adequaat beleid en beschikt over
procedures en maatregelen met betrekking tot het op structurele basis
uitbesteden van werkzaamheden.
Artikel 30
Een betaalinstelling, clearinginstelling,
elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank,
premiepensioeninstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in
artikel 27, tweede lid, beschikt over toereikende procedures,
maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de op
structurele basis uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen.
Artikel 31
1. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling, verzekeraar of
bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, legt de overeenkomst
met de derde waaraan de werkzaamheden op structurele basis worden
uitbesteed schriftelijk vast.
2. In de overeenkomst wordt in ieder
geval het volgende geregeld:
a. de onderlinge
informatie-uitwisseling, met inbegrip van afspraken over het
beschikbaar stellen van informatie waarom de toezichthouders ter
uitvoering van hun wettelijke taak verzoeken;
b. de mogelijkheid voor de
financiële onderneming of het bijkantoor om te allen tijde
wijzigingen aan te brengen in de wijze waarop de uitvoering van de
werkzaamheden door de derde geschiedt;
c. de verplichting voor de derde om
de financiële onderneming of het bijkantoor in staat te stellen
blijvend te voldoen aan het bij of krachtens de wet bepaalde; en
d. de mogelijkheid voor de
toezichthouders om onderzoek ter plaatse te doen of te laten doen
bij de derde; en
e. de wijze waarop de overeenkomst
wordt beëindigd, en de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de
financiële onderneming of het bijkantoor de werkzaamheden na
beëindiging van de overeenkomst weer zelf kan uitvoeren of door
een andere derde kan laten uitvoeren.
3. De toezichthouders maken slechts
gebruik van de mogelijkheid, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d,
indien niet op andere wijze kan worden vastgesteld dat ten aanzien van
de uitbestede werkzaamheden wordt voldaan aan het bij of krachtens de
wet bepaalde.
Artikel 32
Deartikelen 29 tot en met 31 zijn niet
van toepassing op het uitbesteden van werkzaamheden aan ondernemingen
met zetel in een lidstaat die deel uitmaken van de groep waartoe de
financiële onderneming behoort.
Artikel 32a
1. Dit hoofdstuk is, met uitzondering
van artikel 27a, slechts van toepassing op het uitbesteden van
werkzaamheden door betaalinstellingen of elektronischgeldinstellingen
voor zover het belangrijke werkzaamheden betreft.
2. Een werkzaamheid wordt als
belangrijk aangemerkt indien een gebrekkige of tekortschietende
uitvoering ervan wezenlijk afbreuk zou doen aan de naleving door de
betaalinstelling van de vergunningsvereisten, als bedoeld in artikel
2:3b van de wet, of van andere verplichtingen ingevolge de wet of
Titel 7B van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel aan haar
financiële resultaten of de soliditeit of continuïteit van haar
betaaldiensten.
3. Een werkzaamheid wordt als
belangrijk aangemerkt indien een gebrekkige of tekortschietende
uitvoering ervan wezenlijk afbreuk zou doen aan de naleving door de
elektronischgeldinstelling van de vergunningvereisten, genoemd in
artikel 2:10b van de wet, dan wel aan haar financiële resultaten of
de soliditeit of continuïteit van haar dienstverlening ter zake van
de uitgifte van elektronisch geld.
Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking
tot verstrekte gegevens
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:29, derde lid, 3:42, 3:43, tweede lid, en 3:48, derde lid,
van de wet
Artikel 32b
1. Een betaalinstelling of
elektronischgeldinstelling geeft onverwijld schriftelijk aan de
Nederlandsche Bank kennis van een wijziging in de ingevolge artikel
2:3b, tweede lid, van de wet respectievelijk ingevolge artikel 2:10b,
tweede lid, van de wet verstrekte gegevens met betrekking tot:
a. de activiteiten die de
betaaldienstverlener of de elektronischgeldinstelling voornemens
is te verrichten;
b. het bedrijfsplan waarmee wordt
aangetoond dat de betaaldienstverlener of de
elektronischgeldinstelling in staat is gebruik te maken van
passende en evenredige systemen, middelen en procedures om op een
gezonde basis te opereren;
c. de identiteit van personen die,
direct of indirect, gekwalificeerde deelnemingen als bedoeld in
artikel 1 van de wet in de betaaldienstverlener of de
elektronischgeldinstelling bezitten, alsmede de omvang van hun
deelnemingen en het bewijs van hun geschiktheid;
d. indien van toepassing, de
accountantsorganisatie of het auditkantoor, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdelen a en c, van de Wet toezicht
accountantsorganisaties, belast met de wettelijke controle bedoeld
in artikel 2, onderdeel 1, van de richtlijn nr. 2006/43/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006
betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en
geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen
78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van
Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PbEU L 157) van de jaarrekening
van de betaaldienstverlener of de elektronischgeldinstelling;
e. gegevens op basis waarvan de
Nederlandsche Bank heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan hetgeen
ingevolge artikel 3:8 van de wet is bepaald met betrekking tot de
deskundigheid van de personen die het dagelijks beleid bepalen;
f. gegevens op basis waarvan de
Nederlandsche Bank heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan hetgeen
ingevolge artikel 3:9 van de wet is bepaald met betrekking tot de
betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede
bepalen of onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met
toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken;
g. het voorgenomen beleid met
betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening, bedoeld in artikel
3:10, eerste lid, van de wet;
h. de inrichting van de
bedrijfsvoering met betrekking tot de beheerste en integere
bedrijfsuitoefening, bedoeld in artikel 3:17, eerste en tweede
lid, van de wet;
i. de wijze waarop wordt voldaan
aan het ingevolge artikel 3:29a van de wet bepaalde met betrekking
tot de geldmiddelen die worden of zijn ontvangen van
betaaldienstgebruikers of betaaldienstverleners en met betrekking
tot de geldmiddelen die worden of zijn ontvangen in ruil voor
elektronisch geld dat is uitgegeven; en
j. het eigen vermogen, bedoeld in
artikel 3:53, eerste lid, van de wet.
2. Bij de toepassing van het eerste
lid, onderdelen h en i, geeft de betaalinstelling een beschrijving van
de wijzigingen in de regelingen voor accountantscontrole en de
organisatorische regelingen die hij heeft getroffen voor het nemen van
alle redelijke maatregelen om de belangen van zijn gebruikers te
beschermen en om de continuïteit en betrouwbaarheid bij het uitvoeren
van betaaldiensten te garanderen.
3. Het eerste lid, onderdeel f, is niet
van toepassing indien de wijziging een persoon betreft wiens
betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder
reeds is vastgesteld, tenzij de Nederlandsche Bank besluit dat een
redelijke aanleiding bestaat tot een nieuwe beoordeling als bedoeld in
artikel 3:9, tweede lid, van de wet.
Artikel 33
1. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank, of verzekeraar als bedoeld in artikel 3:29,
eerste lid, 3:42, 3:43, tweede lid, of 3:49 van de wet geeft
schriftelijk aan de Nederlandsche Bank kennis van het voornemen tot
een wijziging van:
a. de personen die het dagelijks
beleid van de financiële onderneming bepalen of het beleid van de
financiële onderneming bepalen of mede bepalen; en
b. indien van toepassing, de
personen die onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met het
toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de
financiële onderneming.
2. De financiële onderneming geeft
geen uitvoering aan het voornemen voordat de Nederlandsche Bank heeft
ingestemd met de wijziging. De Nederlandsche Bank neemt een besluit
omtrent instemming:
a. binnen zes weken na ontvangst
van de kennisgeving; of
b. indien de Nederlandsche Bank
binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere
gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die
gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de
kennisgeving.
3. Met betrekking tot het voornemen
legt de financiële onderneming de volgende gegevens over:
a. gegevens op basis waarvan de
Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan
aan hetgeen in artikel 3:8 van de wet wordt bepaald met betrekking
tot de deskundigheid van de betrokkene;
b. gegevens op basis waarvan de
Nederlandsche Bank, onder overeenkomstige toepassing van
deartikelen 6 tot en met 9, redelijkerwijs kan beoordelen of wordt
voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:9, van de wet wordt
bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de betrokkene.
4. De gegevens, bedoeld in het derde
lid, onderdeel a, zijn:
a. een opgave van de naam, het
adres en de functie;
b. een curriculum vitae;
c. een opgave van de geldige
relevante diploma’s; en
d. een kopie van een geldig
identiteitsbewijs.
5. Het derde lid, onderdeel b, is niet
van toepassing indien het voornemen tot wijziging een persoon betreft
wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een
toezichthouder reeds is vastgesteld, tenzij de Nederlandsche Bank
besluit dat een redelijke aanleiding bestaat tot een nieuwe
beoordeling als bedoeld in artikel 3:9, tweede lid, van de wet.
Artikel 34
1. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank of verzekeraar als bedoeld in artikel 33,
eerste lid, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van
een wijziging van gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank
heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:9
wordt bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat
artikel bedoelde personen.
2. De financiële onderneming geeft van
een wijziging als bedoeld in het eerste lid onverwijld schriftelijk
kennis nadat zij van de wijziging op de hoogte is gekomen.
Artikel 35
1. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank of verzekeraar als bedoeld in artikel 33,
eerste lid, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van
een wijziging in:
a. de naam of het adres van de
financiële onderneming;
b. de rechtsvorm van de financiële
onderneming;
c. indien van toepassing, de
statutaire zetel, de statutaire naam en de handelsnaam of
handelsnamen;
d. indien van toepassing, het
nummer van inschrijving in het handelsregister;
e. indien van toepassing, de
statuten van de financiële onderneming;
f. de zeggenschapsstructuur binnen
de financiële onderneming; en
g. indien van toepassing, het adres
van een in een andere staat gelegen bijkantoor.
2. De financiële onderneming geeft van
een wijziging als bedoeld in het eerste lid kennis binnen twee weken
nadat de wijziging zich heeft voorgedaan.
Artikel 36
1. Een clearinginstelling, bank of
verzekeraar als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, 3:42 of 3:43,
eerste lid, van de wet geeft schriftelijk aan de Nederlandsche Bank
kennis van het voornemen tot een wijziging van de personen die het
dagelijks beleid van het bijkantoor bepalen.
2. Artikel 33, tweede tot en met vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 37
1. Een clearinginstelling, bank of
verzekeraar als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, van de wet met
zetel in Nederland die haar bedrijf uitoefent vanuit een in een andere
lidstaat gelegen bijkantoor geeft schriftelijk aan de Nederlandsche
Bank en de toezichthoudende instantie van die lidstaat kennis van een
wijziging in het adres van het bijkantoor.
2. Onverminderd het eerste lid, geeft
een bank als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, van de wet, met
zetel in Nederland die haar bedrijf uitoefent vanuit een in een andere
lidstaat gelegen bijkantoor geeft schriftelijk aan de Nederlandsche
Bank en de toezichthoudende instantie van die lidstaat kennis van een
wijziging met betrekking tot de toepasselijkheid van een
depositogarantiestelsel op het bijkantoor.
3. De financiële onderneming geeft van
een wijziging als bedoeld in het eerste of tweede lid kennis binnen
twee weken nadat de wijziging zich heeft voorgedaan.
4. Een clearinginstelling of bank als
bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, van de wet die haar bedrijf
uitoefent vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor geeft
schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank en de toezichthoudende
instantie van die lidstaat van het voornemen de uitoefening van haar
bedrijf vanuit het in de andere lidstaat gelegen bijkantoor te staken.
De clearinginstelling of bank geeft geen uitvoering aan het voornemen
gedurende de eerste vier weken na de kennisgeving.
Artikel 38
1.Een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, van de wet
die zijn bedrijf uitoefent door middel van een buiten Nederland
gelegen bijkantoor geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank
van het voornemen tot wijziging van de vertegenwoordiger.
2.De financiële onderneming geeft geen
uitvoering aan het voornemen voordat de Nederlandsche Bank heeft
ingestemd met de wijziging. De Nederlandsche Bank neemt een besluit
omtrent instemming:
a. binnen zes weken na ontvangst
van de kennisgeving; of
b. indien de Nederlandsche Bank
binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere
gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die
gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de
kennisgeving.
3.Met betrekking tot het voornemen legt
de financiële onderneming de volgende gegevens over:
a. gegevens op basis waarvan de
Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan
aan hetgeen in artikel 3:8 van de wet wordt bepaald met betrekking
tot de deskundigheid van de vertegenwoordiger; en
b. gegevens op basis waarvan de
Nederlandsche Bank, onder overeenkomstige toepassing van de
artikelen 6 tot en met 9, kan beoordelen of wordt voldaan aan het
hetgeen ingevolge artikel 3:9 van de wet wordt bepaald met
betrekking tot de betrouwbaarheid van de vertegenwoordiger.
4.De gegevens, bedoeld in het derde
lid, onderdeel a, zijn:
a. een opgave van de naam, het
adres en de functie;
b. een curriculum vitae;
c. een opgave van de geldige
relevante diploma’s; en
d. een kopie van een geldig
identiteitsbewijs.
5.Het derde lid is niet van toepassing
indien het voornemen tot wijziging een persoon betreft wiens
betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder
reeds is vastgesteld, tenzij de Nederlandsche Bank besluit dat een
redelijke aanleiding bestaat tot een nieuwe beoordeling als bedoeld in
artikel 3:9, tweede lid, van de wet.
Artikel 39
1. Een levensverzekeraar of
natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:42, 3:43, tweede
lid, 3:48, eerste lid, onderscheidenlijk 3:52 van de wet, geeft
schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een voornemen tot
een wijziging van de overeenkomsten die hij voornemens is te sluiten.
2. Een schadeverzekeraar als bedoeld in
artikel 3:42, 3:43, tweede lid, 3:48, eerste lid, van de wet, die
vanuit een vestiging in een lidstaat diensten naar Nederland verricht,
geeft aan de Nederlandsche Bank kennis van het voornemen tot een
wijziging van de in Nederland gelegen risico’s die hij voornemens is
te dekken.
3. Een entiteit voor risico-acceptatie
of een herverzekeraar als bedoeld in artikel 3:49 van de wet, geeft
schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een voornemen tot
een wijziging van de risico’s die zij onderscheidenlijk hij
voornemens is te dekken.
4. De verzekeraar kan het voornemen,
bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, ten uitvoer brengen vanaf
de dag waarop de Nederlandsche Bank de kennisgeving, bedoeld in het
eerste, tweede of derde lid, heeft ontvangen. De Nederlandsche Bank
bevestigt de ontvangst onverwijld aan de verzekeraar.
5. Indien de schadeverzekeraar
voornemens is de in Nederland gelegen risico’s zodanig te wijzigen
dat deze risico’s behorende tot de branche Aansprakelijkheid
motorrijtuigen omvatten, legt hij bij de kennisgeving de volgende
gegevens over aan de Nederlandsche Bank:
a. een schriftelijk bewijs waaruit
blijkt dat hij is aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel
2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen;
b. een schriftelijk bewijs waaruit
blijkt dat hij zich heeft gemeld bij het Waarborgfonds
Motorverkeer teneinde te voldoen aan zijn verplichtingen jegens
dat fonds uit hoofde van de artikelen 24, eerste lid, en 24a,
eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen; en
c. een opgave van de naam en het
adres van de schaderegelaar, bedoeld in artikel 4:70, tweede lid,
van de wet, die hij in iedere andere lidstaat heeft aangesteld.
Artikel 40
1. Een verzekeraar als bedoeld in
artikel 3:43, tweede lid, of 3:49 van de wet geeft schriftelijk kennis
aan de Nederlandsche Bank van een wijziging van gegevens op basis
waarvan de Nederlandsche Bank heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan
hetgeen ingevolge artikel 3:9 van de wet wordt bepaald met betrekking
tot de betrouwbaarheid van de vertegenwoordiger.
2. De financiële onderneming geeft van
een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onverwijld kennis nadat
zij van de wijziging op de hoogte is gekomen.
Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen
en verlenen krediet door betaalinstellingen en
elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:29a, eerste en tweede lid, en 3:29c, vierde lid, van de wet
Artikel 40a. Bepalingen ter uitvoering
van de artikelen 3:29a en 3:29c, derde lid, van de wet
1. Een betaalinstelling als bedoeld in
artikel 3:29a, eerste lid, van de wet stelt geldmiddelen die zijn
ontvangen van betaaldienstgebruikers of andere betaaldienstverleners
voor de uitvoering van betalingstransacties op een van de volgende
wijzen veilig:
a. de geldmiddelen worden niet
vermengd met de geldmiddelen van andere schuldeisers van de
betaalinstelling; of
b. de geldmiddelen worden gedekt
door een verzekeringspolis of een vergelijkbare garantie van een
verzekeraar of een bank die niet tot dezelfde groep behoort als de
betaalinstelling, tegen het risico dat de betaalinstelling niet in
staat is haar verplichtingen met betrekking tot de geldmiddelen na
te komen, voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat
afgescheiden zou zijn bij het ontbreken van de verzekeringspolis
of vergelijkbare garantie.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan
het eerste lid, aanhef en onderdeel a, en de geldmiddelen aan het
einde van de werkdag, volgend op de dag waarop zij zijn ontvangen, nog
niet aan de betalingsbegunstigde of aan een andere
betaaldienstaanbieder zijn overgemaakt, worden zij op een
afzonderlijke rekening gestort bij een bank of belegd in veilige,
liquide activa met een lage risicograad, op zodanige wijze dat andere
schuldeisers van de betaalinstelling, in het bijzonder in het geval
van insolventie van de betaalinstelling, hun vorderingen niet op deze
geldmiddelen kunnen verhalen.
3. Voor de toepassing van het tweede
lid zijn veilige activa met een lage risicograad activa die vallen in
een van de categorieën opgenomen in tabel 1 van punt 14 van bijlage I
bij Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14
juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen
en banken (PbEU L 177) waarvoor het kapitaalvereiste voor het
specifieke risico niet hoger ligt dan 1,6%, terwijl andere in
aanmerking komende activa, als gedefinieerd in punt 15 van die
bijlage, worden uitgesloten.
Voor de toepassing van het tweede lid
zijn veilige activa met een lage risicograad eveneens
deelnemingsrechten in een instelling voor collectieve belegging in
effecten (ICBE) die enkel investeert in activa zoals gespecificeerd in
de eerste alinea.
In buitengewone omstandigheden en
wanneer dit voldoende gemotiveerd is, mogen de bevoegde autoriteiten,
op basis van een evaluatie van de veiligheid, de looptijd, de waarde
of andere risicofactoren van de activa zoals gespecificeerd in de
eerste en tweede alinea, bepalen welke van deze activa geen veilige
activa met een lage risicograad zijn voor de toepassing van het tweede
lid.
4. Indien het deel van de geldmiddelen
dat bestemd is voor toekomstige betalingstransacties niet bekend of
variabel is, is het de betaalinstellingen toegestaan om het eerste lid
uitsluitend toe te passen op een representatief gedeelte dat geacht
wordt voor betalingsdiensten te worden gebruikt. Dit representatieve
gedeelte moet redelijkerwijs kunnen worden geraamd op basis van
historische gegevens.
5. Het eerste tot en met vierde lid
zijn van overeenkomstige toepassing op elektronischgeldinstellingen
als bedoeld in artikel 3:29a, eerste lid, van de wet.
Artikel 40b
1. Een elektronischgeldinstelling als
bedoeld in artikel 3:29a, tweede lid, van de wet, stelt de middelen
die zij ontvangt in ruil voor elektronisch geld dat is uitgegeven,
veilig op het moment dat deze gelden ter beschikking komen van de
elektronischgeldinstelling doch uiterlijk vijf werkdagen na uitgifte
van het elektronisch geld.
2. De financiële onderneming stelt
chartale of girale gelden die zij ontvangt in ruil voor elektronisch
geld op een van de volgende wijzen veilig:
a. de gelden worden niet vermengd
met de geldmiddelen van andere schuldeisers van de
elektronischgeldinstelling;
b. de gelden worden gedekt door een
verzekeringspolis of een vergelijkbare garantie van een
verzekeraar of een bank die niet tot dezelfde groep behoort als de
elektronischgeldinstelling, tegen het risico dat de
elektronischgeldinstelling niet in staat is haar verplichtingen
met betrekking tot de gelden na te komen, voor een bedrag dat
gelijk is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn bij het
ontbreken van de verzekeringspolis of vergelijkbare garantie.
3. Indien toepassing wordt gegeven aan
het tweede lid, aanhef en onderdeel a, worden de ontvangen gelden op
een afzonderlijke rekening gestort bij een bank of belegd in veilige,
liquide activa met een lage risicograad, op zodanige wijze dat andere
schuldeisers van de elektronischgeldinstelling, in het bijzonder in
het geval van insolventie van de elektronischgeldinstelling, hun
vorderingen niet op deze gelden kunnen verhalen.
4. Voor de toepassing van het derde lid
is artikel 40a, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Voor de toepassing van het tweede en
derde lid is artikel 40a, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 40c
Betaalinstellingen of
elektronischgeldinstellingen verlenen slechts krediet in verband met de
in de punten 4, 5 en 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten
bedoelde betaaldiensten indien:
a. het krediet een aanvullend krediet
is en uitsluitend wordt verstrekt in verband met de uitvoering van
een betalingstransactie;
b. het krediet dat is verstrekt in
verband met een betaaldienst die is verleend door middel van
dienstverrichting naar een andere lidstaat of vanuit een bijkantoor
in een andere lidstaat wordt terugbetaald binnen een korte termijn,
die in geen geval meer dan twaalf maanden bedraagt;
c. het niet wordt verleend uit
geldmiddelen die zijn ontvangen of die worden aangehouden voor het
uitvoeren van toekomstige betalingstransacties; en
d. het eigen vermogen van de
betaalinstelling of de elektronischgeldinstelling te allen tijde in
redelijke verhouding staat tot het totale bedrag van het verleende
krediet.
Hoofdstuk 7. Verzekering bijkomende
risico’s
Bepaling ter uitvoering van artikel 3:36,
zesde lid, van de wet
Artikel 41
1. In afwijking van de artikelen 3:36,
derde lid, en 3:43, eerste lid, van de wet is het schadeverzekeraars
toegestaan in de uitoefening van hun bedrijf, naast de risico’s die
behoren tot de branche waarvoor de vergunning is verleend, tevens
risico’s te verzekeren die behoren tot andere branches, met
uitzondering van de branches Krediet en Borgtocht, indien deze risico’s
naar het oordeel van de Nederlandsche Bank als bijkomende risico’s
kunnen worden beschouwd, omdat zij:
a. samenhangen met het hoofdrisico
dat behoort tot de branche waarvoor de vergunning is verleend;
b. betrekking hebben op het belang
of gevaarsobject dat is verzekerd tegen het hoofdrisico; en
c. worden verzekerd bij dezelfde
overeenkomst als het hoofdrisico.
2. De risico’s van de branche
Rechtsbijstand mogen uitsluitend worden verzekerd als bijkomend risico
van de branche Hulpverlening en van branches waarbij risico’s worden
verzekerd die verband houden met het gebruikvan zeeschepen.
Hoofdstuk 8. Vertegenwoordiger
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:40 en 3:47, zesde lid, van de wet
Artikel 42
Als adres van een vertegenwoordiger in
Nederland van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:40 van de wet
waaraan rechtsgeldig mededelingen kunnen worden gedaan wordt beschouwd
het in Nederland gelegen bijkantoor.
Artikel 43
Een verzekeraar als bedoeld in artikel
3:40, 3:47, zesde lid of 3:50, tweede lid, van de wet wordt geacht,
indien de vertegenwoordiger ontbreekt, zijn woonplaats te hebben ten
parkette van de officier van justitie bij de rechtbank binnen het
rechtsgebied waarvan de verzekeraar ingevolge artikel 42 het laatst zijn
woonplaats had, of anders ten parkette van de officier van justitie bij
de rechtbank te Amsterdam.
Artikel 44
1. De omstandigheden, bedoeld in
artikel 3:40 en 3:47, zesde lid, van de wet waaronder de
vertegenwoordiger van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:40,
3:47, zesde lid, of 3:50, tweede lid, van de wet ophoudt
vertegenwoordiger te zijn, zijn de omstandigheden, bedoeld in het
tweede tot en met vijfde lid en in deartikelen 45 tot en met 47.
2. De verzekeraar die voornemens is de
vertegenwoordiging te beëindigen, geeft daarvan kennis aan de
Nederlandsche Bank.
3. De kennisgeving, bedoeld in het
tweede lid, vermeldt tevens de naam van degene die de verzekeraar
voornemens is aan te stellen als opvolger van de vertegenwoordiger.
4. Indien de opvolger rechtspersoon is,
gaat de kennisgeving gepaard met de statuten van deze rechtspersoon,
een opgave van het nummer van inschrijving in het handelsregister en
een bewijs van aanstelling van de natuurlijke persoon die is
aangesteld als vertegenwoordiger van de vertegenwoordiger die
rechtspersoon is.
5. De verzekeraar, bedoeld in artikel
3:47, eerste lid, of 3:50, tweede lid, van de wet beëindigt de
vertegenwoordiging op de dag waarop van de beëindiging kennis is
gegeven aan de Nederlandsche Bank.
6. De verzekeraar, bedoeld in artikel
3:47, eerste lid, of artikel 3:50, tweede lid, van de wet geeft geen
uitvoering aan het voornemen indien de Nederlandsche Bank er niet mee
instemt. Indien de Nederlandsche Bank besluit niet in te stemmen met
het voornemen, maakt zij haar besluit daartoe aan de financiële
onderneming bekend:
a. binnen zes weken na ontvangst
van de kennisgeving; of
b. indien de Nederlandsche Bank
binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere
gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die
gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de
kennisgeving.
Artikel 45
1. De vertegenwoordiger, bedoeld in
artikel 3:40, 3:47, zesde lid, of 3:50, tweede lid, van de wet die
voornemens is de vertegenwoordiging te beëindigen, geeft daarvan
kennis aan de Nederlandsche Bank.
2. De vertegenwoordiger van een
verzekeraar als bedoeld in artikel 3:47, eerste lid, of 3:50, tweede
lid, van de wet behoudt de hoedanigheid van vertegenwoordiger tot de
dag waarop hij van de beëindiging kennis heeft gegeven aan de
Nederlandsche Bank.
3. De vertegenwoordiger geeft geen
uitvoering aan het voornemen indien de Nederlandsche Bank er niet mee
instemt. Indien de Nederlandsche Bank besluit niet in te stemmen met
het voornemen, maakt zij haar besluit daartoe aan de financiële
onderneming bekend:
a. binnen zes weken na ontvangst
van de kennisgeving; of
b. indien de Nederlandsche Bank
binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere
gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die
gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de
kennisgeving.
Artikel 46
1. De vertegenwoordiger van een
verzekeraar als bedoeld in artikel 3:40, 3:47, tweede lid of 3:50,
tweede lid, van de wet houdt op vertegenwoordiger te zijn vanaf de dag
van het van toepassing verklaren van de schuldsanering natuurlijke
personen, de verlening van surseance van betaling, de
faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van een of meer
goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
of de ondercuratelestelling.
2. De aanwijzing door de
vertegenwoordiger van een natuurlijk persoon die is aangewezen als
vertegenwoordiger die een rechtspersoon is, vervalt van rechtswege op
de dag van het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen, de verlening van surseance van betaling, de
faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling van de
aangewezen natuurlijk persoon alsmede op de dag van verlening van
surseance van betaling aan of faillietverklaring van de
vertegenwoordiger.
Artikel 47
1. Van het overlijden, het van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, de verlening van surseance van betaling, de
faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van een of meer
goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
of de ondercuratelestelling van de vertegenwoordiger of de natuurlijke
persoon die is aangewezen als vertegenwoordiger van de
vertegenwoordiger die rechtspersoon is, alsmede van de beëindiging
van de vertegenwoordiging van de vertegenwoordiger door deze
natuurlijke persoon, geeft de verzekeraar onderscheidenlijk de
vertegenwoordiger binnen zeven dagen kennis aan de Nederlandsche Bank.
2. De verzekeraar, bedoeld in artikel
3:40 van de wet, legt, in de gevallen, genoemd in het eerste lid, en
in het geval dat de vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon,
bedoeld in het eerste lid, de vertegenwoordiging heeft beëindigd, aan
de Nederlandsche Bank een bewijs van aanstelling van de
vertegenwoordiger over alsmede, indien de vertegenwoordiger een
rechtspersoon is, de statuten van deze rechtspersoon, een opgave van
het nummer van inschrijving in het handelsregister en een bewijs van
aanstelling van de natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid.
3. De verzekeraar, bedoeld in het
tweede lid, verstrekt de gegevens, bedoeld in het tweede lid, binnen
twee weken na de betrokken aanstelling.
4. De verzekeraar, bedoeld in artikel
3:47, tweede lid, of 3:50, tweede lid, van de wet, wijst, in de
gevallen, genoemd in het eerste lid, en in het geval dat de
vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 3:47,
vijfde lid, van de wet, de vertegenwoordiging heeft beëindigd, binnen
een door de Nederlandsche Bank te bepalen termijn een nieuwe
vertegenwoordiger onderscheidenlijk natuurlijk persoon aan.
5. De verzekeraar, bedoeld in het
vierde lid, legt aan de Nederlandsche Bank een bewijs van aanstelling
van de nieuwe vertegenwoordiger over alsmede, indien de nieuwe
vertegenwoordiger rechtspersoon is, de statuten van deze
rechtspersoon, een uittreksel uit diens inschrijving in het
handelsregister en de akte van aanstelling van de natuurlijke persoon,
bedoeld in artikel 3:47, vijfde lid, van de wet.
Hoofdstuk 9. Minimum vermogen
§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan
eigen vermogen
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:53, derde lid, 3:54, derde lid, 3:55, tweede lid, en 3:55a,
tweede lid, van de wet
Artikel 48
1. Het minimumbedrag aan eigen
vermogen, bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet bedraagt:
a. € 5 miljoen voor een bank als
bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de
wet die geen bank als bedoeld in onderdeel b is, of voor een
clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of
3:55, eerste lid, van de wet;
b. € 2,5 miljoen voor een bank
als bedoeld in artikel 2:13 van de wet die in hoofdzaak haar
bedrijf maakt van het verlenen van beleggingsdiensten of het
verrichten van beleggingsactiviteiten;
c. € 225.000 voor een beheerder
als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van
de wet die geen beheerder van een instelling voor collectieve
belegging in effecten is en die een vermogen van ten minste €
250 miljoen beheert;
d. € 125.000 voor een beheerder
van een instelling voor collectieve belegging in effecten als
bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet of voor een
beheerder als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste
lid, van de wet die geen beheerder van een instelling voor
collectieve belegging in effecten is en die een vermogen van
minder dan € 250 miljoen beheert;
e. € 300.000 voor een
beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid,
van de wet die een instelling voor collectieve belegging in
effecten is en die geen aparte beheerder heeft;
f. € 35.000 voor een
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of
3:54, eerste lid, van de wet die uitsluitend de beleggingsdienst,
bedoeld in onderdeel a van de definitie van verlenen van een
beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, verleent en die deze
beleggingsdienst niet vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat
of door middel van het verrichten van diensten naar een andere
lidstaat mag verlenen;
g. € 50.000 voor een
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of
3:54, eerste lid, van de wet, die de beleggingsdienst, bedoeld in
onderdeel a van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst
in artikel 1:1 van de wet, vanuit een bijkantoor in een andere
lidstaat of door middel van het verrichten van diensten naar een
andere lidstaat mag verlenen;
h. € 50.000 voor een
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of
3:54, eerste lid, van de wet, niet zijnde een
beleggingsonderneming als bedoeld in onderdeel g, die de
beleggingsdienst verleent, bedoeld in onderdeel b, c, d of f, van
de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1
van de wet;
i. € 730.000 voor een
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of
3:54, eerste lid, van de wet, niet zijnde een
beleggingsonderneming als bedoeld in onderdeel f of g, die de
beleggingsdienst verleent, bedoeld in onderdeel e van de definitie
van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet;
j. € 730.000 voor een
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of
3:54, eerste lid, van de wet, niet zijnde een
beleggingsonderneming als bedoeld in onderdeel f of g, die de
beleggingsactiviteit verricht, bedoeld in onderdeel a van de
definitie van verrichten van een beleggingsactiviteit in artikel
1:1 van de wet;
k. € 730.000 voor een
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of
3:54, eerste lid, van de wet, die de beleggingsactiviteit
verricht, bedoeld in onderdeel b van de definitie van verrichten
van een beleggingsactiviteit in artikel 1:1 van de wet;
l. €20.000 voor een
betaalinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de
wet die uitsluitend de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn
betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
m. €50.000 voor een
betaalinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de
wet die uitsluitend de in punt 7 van de richtlijn betaaldiensten
vermelde betaaldienst verleent;
n. €125.000 voor een
betaalinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de
wet die een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de
richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
o. € 112.500 voor een bewaarder
als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van
de wet;
p. €350.000 voor een
elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste
lid, van de wet;
q. €225.000 voor een
premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid,
van de wet;
r. €112.500 voor een
pensioenbewaarder als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de
wet.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:53,
eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die geen andere
beleggingsdienst mogen verlenen dan de beleggingsdienst, bedoeld in
onderdeel a of d van de definitie van verlenen van een
beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, en geen nevendiensten als
bedoeld in onderdeel a van de definitie van nevendienst in artikel 1:1
van de wet verrichten, indien zij beschikken over:
a. een
beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare
voorziening die de aansprakelijkheid dekt van de
beleggingsonderneming wegens fouten, verzuimen of nalatigheden
begaan in de uitoefening van diens beroep en voorgevallen op het
grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte van toepassing is, voor een bedrag van ten
minste € 1.120.200 per schadegeval en ten minste € 1.680.300
per jaar voor alle schadegevallen gezamenlijk; of
b. een combinatie van een bedrag
aan eigen vermogen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen g of
h en een beroepsaansprakelijkheidsverzekering als bedoeld in
onderdeel a die resulteert in een dekking die ten minste
gelijkwaardig is aan € 50.000 of onderdeel a.
3. Onverminderd het eerste lid, aanhef
en onderdeel g of h, beschikken beleggingsondernemingen als bedoeld in
het tweede lid, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:80 of
2:86 van de wet is verleend, over:
a. een minimumbedrag aan eigen
vermogen van€ 25.000;
b. een
beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare
voorziening die hun aansprakelijkheid dekt wegens fouten,
verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van hun beroep
en voor gevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, voor
een bedrag van ten minste€ 500.000 per schadegeval en ten minste€
750.000 per jaar voor alle schadegevallen gezamenlijk; of
c. een combinatie van een
beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare
voorziening als bedoeld in onderdeel a die resulteert in een
dekking die ten minste gelijkwaardig is aan € 25.000 of
onderdeel b.
Artikel 49
1. Het minimumbedrag van het
garantiefonds, bedoeld in artikel 3:53, vierde lid, bedraagt:
a. voor een entiteit voor
risico-acceptatie als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de
wet een door de Nederlandsche Bank te bepalen bedrag, dat niet
hoger is dan€ 1 miljoen, afhankelijk van het risicoprofiel van
de entiteit;
b. € 1 miljoen [Red: per 6
augustus 2009: € 1,1 miljoen] voor een herverzekeraar als
bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55a, eerste lid, van de
wet die ondernemingsgebonden herverzekeraar is;
c. € 3 miljoen [Red: per 6
augustus 2009: € 3,2 miljoen] voor een herverzekeraar als
bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55a, eerste lid, van de
wet, niet zijnde een herverzekeraar als bedoeld onder b;
d. € 3,2 miljoen [Red: per 6
augustus 2009: € 3,5 miljoen] voor een levensverzekeraar als
bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de
wet;
e. € 45.378,02 voor een
natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:53, eerste
lid, of 3:55, eerste lid, van de wet;
f. € 2,2 miljoen [Red: per 6
augustus 2009: € 2,3 miljoen] voor een schadeverzekeraar als
bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de
wet, die geen schadeverzekeraar als bedoeld in onderdeel g is;
g. € 3,2 miljoen [Red: per 6
augustus 2009: € 3,5 miljoen] voor een schadeverzekeraar als
bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de
wet die zijn bedrijf uitoefent in de branche Aansprakelijkheid
motorrijtuigen, Aansprakelijkheid wegvervoer, Aansprakelijkheid
luchtvaartuigen, Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen, Algemene
aansprakelijkheid of Krediet en Borgtocht.
2. Het minimumbedrag van het
garantiefonds, bedoeld in artikel 3:54, derde lid, 3:55, tweede lid,
of 3:55a, tweede lid, van de wet bedraagt:
a. voor een in Nederland gelegen
bijkantoor van een entiteit voor risico-acceptatie als bedoeld in
artikel 3:55a, eerste lid, van de wet een door de Nederlandsche
Bank te bepalen bedrag, dat niet hoger is dan€ 1 miljoen,
afhankelijk van het risicoprofiel van de entiteit;
b. € 0,5 miljoen [Red: per 6
augustus 2009: € 0,6 miljoen] voor een in Nederland gelegen
bijkantoor van een herverzekeraar als bedoeld in artikel 3:55a,
eerste lid, van de wet die ondernemingsgebonden herverzekeraar is;
c. € 1,5 miljoen [Red: per 6
augustus 2009: € 1,6 miljoen] voor een in Nederland gelegen
bijkantoor van een herverzekeraar als bedoeld in artikel 3:55a,
eerste lid, van de wet, niet zijnde een bijkantoor als bedoeld
onder b;
d. € 1,6 miljoen [Red: per 6
augustus 2009: € 1,8 miljoen] voor een in Nederland gelegen
bijkantoor van een levensverzekeraar als bedoeld in artikel 3:54,
derde lid, van de wet;
e. € 45.378,02 voor een in
Nederland gelegen bijkantoor van een natura-uitvaartverzekeraar
als bedoeld in artikel 3:55, tweede lid, van de wet;
f. € 1,1 miljoen [Red: per 6
augustus 2009: € 1,2 miljoen] voor een in Nederland gelegen
bijkantoor van een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:54,
derde lid, van de wet die geen schadeverzekeraar als bedoeld in
onderdeel g is;
g. € 1,6 miljoen [Red: per 6
augustus 2009: € 1,8 miljoen] voor een in Nederland gelegen
bijkantoor van een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:54,
derde lid, van de wet die zijn bedrijf uitoefent in de branche
Aansprakelijkheid motorrijtuigen, Aansprakelijkheid wegvervoer,
Aansprakelijkheid luchtvaartuigen, Aansprakelijkheid zee- en
binnenschepen, Algemene aansprakelijkheid of Krediet en Borgtocht.
3. Voor schadeverzekeraars als bedoeld
in het eerste lid, aanhef en onderdelen f en g, die tevens het bedrijf
van herverzekeraar uitoefenen, bedraagt evenwel het minimumbedrag van
het garantiefonds, bedoeld in artikel 3:53, vierde lid, het bedrag,
genoemd in het eerste lid, onderdeel c, f of g, al naar gelang welk
bedrag het hoogste is, indien:
1°. het bedrag aan geïnde
herverzekeringspremies groter is dan tien procent van het totale
premiebedrag;
2°. het bedrag aan geïnde
herverzekeringspremies hoger is dan € 50 miljoen; of
3°. de technische voorzieningen
als gevolg van geaccepteerde herverzekering groter zijn dan tien
procent van de totale technische voorzieningen.
4. De in het eerste lid, onderdelen b
tot en met d, f en g, en tweede lid, onderdelen b tot en met d, f en
g, bedoelde bedragen wijzigen van rechtswege overeenkomstig de
jaarlijkse kennisgeving van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen aan het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie betreffende de aan de procentuele wijziging van het door Eurostat
bekendgemaakte Europese indexcijfer van de consumptieprijzen
aangepaste bedragen.
5. Van de in het vierde lid bedoelde
kennisgeving, de gewijzigde bedragen en het tijdstip waarop de
gewijzigde bedragen voor het eerst worden toegepast doet de
Nederlandsche Bank onverwijld mededeling in de Staatscourant.
§ 9.2. Samenstelling van het
minimumbedrag aan eigen vermogen
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:53, derde lid, 3:54, derde lid, en 3:55, tweede lid, van de
wet
Artikel 50
1. Het minimumbedrag aan eigen vermogen
van een bank als bedoeld in artikel 2:13, eerste lid, 3:53, eerste
lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, van een beheerder van een
instelling voor collectieve beleggingen in effecten als bedoeld in
artikel 3:53, eerste lid, van de wet, van een beheerder als bedoeld in
artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet die geen
beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten is
en die een vermogen van minder dan€ 250 miljoen beheert, van een
beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de
wet, van een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste
lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, van een betaalinstelling als
bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet, van een
clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55,
eerste lid, van de wet, van een elektronischgeldinstelling als bedoeld
in artikel 3:53, eerste lid, van de wet of van een
premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van
de wet, wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen,
bedoeld in artikel 91, tweede lid, onderdelen a tot en met c.
2. Artikel 89, eerste en tweede lid,
onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 51
1. Het minimumbedrag aan eigen vermogen
van een beheerder als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55,
eerste lid, van de wet die geen beheerder van een instelling voor
collectieve belegging in effecten is en die een vermogen van ten
minste € 250 miljoen beheert, of van een bewaarder als bedoeld in
artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet, of van een
pensioenbewaarder als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet
wordt gevormd door de waarde van het kernkapitaal, bedoeld in artikel
91, en het aanvullend kapitaal, bedoeld in artikel 92.
2. De artikelen 89 en 94, eerste lid,
onderdelen a tot en met c, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 52
1. Het minimumbedrag van het
garantiefonds van een herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54,
eerste lid, van de wet of van een bijkantoor als bedoeld in artikel
3:55a, eerste lid, of 3:54, derde lid, van de wet wordt gevormd door
de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 95,
tweede lid, 96 en 97, eerste lid, voor zover dit lid de meerwaarden in
verband met onderwaardering van activa betreft, verminderd met de
waarde van de posten, bedoeld in artikel 95, derde lid.
2. De artikelen 89, 95, vierde en
vijfde lid, en 98, eerste, derde en vierde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 53
1. Het minimumbedrag van het
garantiefonds van een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in
artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet of van een
bijkantoor als bedoeld in artikel 3:55, tweede lid, van de wet wordt
gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de
artikelen 95, tweede lid, 96 en 97, verminderd met de waarde van de
posten, bedoeld inartikel 95, derde lid.
2. Deartikelen 89, 95, vierde en vijfde
lid, en 98, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 9.3. De waarden die dienen tot dekking
van het minimumbedrag van het garantiefonds
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:54, derde lid, en 3:55, tweede lid, van de wet
Artikel 54
De waarden die dienen tot dekking van het
minimumbedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 3:54, derde lid,
of 3:55, tweede lid, van de wet zijn aanwezig in Nederland.
Artikel 55
1.Ten minste de helft van het
minimumbedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 54, wordt
gedekt door verhandelbare waarden die in open bewaring worden gegeven
bij een bank die in Nederland haar bedrijf mag uitoefenen.
2.De Nederlandsche Bank kan, met het
oog op het voorkomen van waardevermindering van de waarden, bedoeld in
het eerste lid, regels stellen met betrekking tot de voorwaarden
waaronder die waarden in bewaring kunnen worden gegeven.
Artikel 56
1. Een verzekeraar kan met de bank,
bedoeld inartikel 55, eerste lid, overeenkomen dat deze bij haar in
bewaring gegeven waarden op naam van de verzekeraar mag overdragen aan
een effectenbewaarinstelling die rechtspersoon is, indien:
a. de nakoming van de
verplichtingen van de effectenbewaarinstelling is gewaarborgd; en
b. de effectenbewaarinstelling zich
jegens de bank heeft verplicht om hetzij die waarden hetzij een
gelijke hoeveelheid waarden van dezelfde soort op naam van de
verzekeraar in haar voorraad aanwezig te houden en na beëindiging
van de overeenkomst tussen de verzekeraar en de bank af te geven
aan de verzekeraar.
2. De bank, bedoeld in artikel 55,
eerste lid, onderscheidenlijk de effectenbewaarinstelling draagt
zelfstandig zorg voor verkrijging van nieuwe coupon- en dividendbladen
en voor bewaargeving in verband met het bijwonen van
aandeelhoudersvergaderingen door de verzekeraar.
3. De waarden worden slechts aan de
verzekeraar afgegeven en ten aanzien daarvan worden slechts
rechtshandelingen verricht, indien de Nederlandsche Bank daartoe, op
verzoek, heeft besloten. De bank, bedoeld in artikel 55, eerste lid,
onderscheidenlijk de effectenbewaarinstelling mag evenwel vanaf twee
weken voor de dag der betaalbaarstelling coupons en dividendbewijzen
zonder een besluit van de Nederlandsche Bank daartoe aan de
verzekeraar afgeven, tenzij de Nederlandsche Bank heeft besloten dat
zij dat niet mag. De Nederlandsche Bank deelt dit besluit onverwijld
aan de verzekeraar mede.
4. De waarden worden op verzoek van de
Nederlandsche Bank aan haar ter bewaring afgegeven, indien de bank,
bedoeld inartikel 55, eerste lid:
a. niet langer in Nederland haar
bedrijf mag uitoefenen; of
b. de overeenkomst met de
verzekeraar beëindigt dan wel de nakoming van de verplichtingen
van de effectenbewaarinstelling niet langer waarborgt.
5. De Nederlandsche Bank geeft de
waarden onverwijld na de afgifte, bedoeld in het vierde lid, op kosten
van de verzekeraar in bewaring bij een bank die in Nederland haar
bedrijf mag uitoefenen.
§ 9.4. Bijzondere bepalingen
Bepalingen ter uitvoering van artikel
3:53, derde lid, van de wet
Artikel 57
1. In afwijking van artikel 49, eerste
lid, aanhef en onderdeel d, bedraagt het minimumbedrag van het
garantiefonds, bedoeld in artikel 3:53, vierde lid, van de wet,€ 0
voor de volgende levensverzekeraars:
a. Wederkerige
Verzekeringsmaatschappij«Begrafenis Sociëteit» W.A., gevestigd
te Edam;
b. Onderling Fonds Sliedrecht B.A.,
gevestigd te Sliedrecht; en
c. Tiels Onderling Fonds tot
uitkering bij overlijden«Gustaaf Adolf» U.A., gevestigd te Tiel.
2. Het eerste lid is slechts van
toepassing voor zover de in dat lid genoemde levensverzekeraars:
a. uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend uitkeringen bij overlijden verzekeren, waarvan het
bedrag per verzekerde niet groter is dan het gemiddelde bedrag van
de kosten van uitvaart;
b. niet hun bedrijf uitbreiden met
een of meer branches voor de uitoefening waarvan zij een
vergunning behoeven; en
c. niet in een andere lidstaat een
bijkantoor openen of aldaar hun bedrijf uitbreiden.
Artikel 58
1.In afwijking van artikel 49, eerste
lid, aanhef en onderdeel f of g, bedraagt het minimumbedrag van het
garantiefonds, bedoeld in artikel 3:53, vierde lid, van de wet,€ 0
voor schadeverzekeraars met zetel in Nederland die:
a. op 1 januari 1986 het bedrijf
van schadeverzekeraar uitoefenden;
b. beschikken over een vergunning
als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, van de wet;
c. gedurende het laatst verstreken
boekjaar voor 1 augustus 1978 niet een premie-inkomen van ten
minste zesmaal de waarde van het minimumbedrag van het
garantiefonds zoals dat gold op 1 juli 1994 op grond van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 hebben geboekt;
d. niet hun bedrijf uitbreiden met
een of meer branches voor de uitoefening waarvan zij een
vergunning behoeven; en
e. niet in een andere lidstaat een
bijkantoor openen of aldaar hun bedrijf uitbreiden.
2.Het eerste lid is van toepassing op
een in dat lid bedoelde schadeverzekeraar tot het einde van het
boekjaar waarin deze een premie-inkomen van ten minste zesmaal de
waarde van het minimumbedrag van het garantiefonds zoals deze gold op
1 juli 1994 op grond van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
boekt.
Hoofdstuk 10. Solvabiliteit
§ 10.1. Minimumomvang solvabiliteit
Bepalingen ter uitvoering van artikel
3:57, tweede lid, van de wet
Artikel 59
1. De solvabiliteit, bedoeld in artikel
3:57, eerste lid, van de wet is voldoende indien:
a. het in aanmerking te nemen
toetsingsvermogen, bedoeld in de artikelen 90 tot en met 94, ten
minste gelijk is aan de minimumomvang van het toetsingsvermogen,
berekend overeenkomstig de artikelen 60 tot en met 64 of paragraaf
10.2, met inachtneming van de paragrafen 10.3 en 10.4; of
b. de aanwezige
solvabiliteitsmarge, bedoeld in de artikelen 95 tot en met 98, ten
minste gelijk is aan het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge,
berekend overeenkomstig de artikelen 65 tot en met 68.
2. Onverminderd het eerste lid is de
solvabiliteit ten minste gelijk aan het ingevolgeartikel 48
voorgeschreven minimumbedrag aan eigen vermogen of het ingevolge
artikel 49 of 57 voorgeschreven minimumbedrag van het garantiefonds.
Zolang artikel 58, eerste lid, van toepassing is, is de
solvabiliteitsmarge van een schadeverzekeraar als bedoeld in dat lid
ten minste gelijk aan€ 205.000.
Artikel 60
1. De minimumomvang van het
toetsingsvermogen van een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in
artikel 3:57, eerste lid, of 3:58, eerste lid, van de wet of van een
clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:61,
eerste lid, van de wet bedraagt de som van:
a. acht procent van de som van de
ingevolge artikel 61 te berekenen bedragen van de naar risico
gewogen activa en posten buiten de balanstelling voor de
kredietrisico’s, met inbegrip van de tegenpartijkredietrisico’s
en verwateringsrisico’s, met betrekking tot het totale bedrijf,
uitgezonderd de handelsportefeuille en de niet-liquide activa van
een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling die artikel
90, tweede lid, toepast;
b. het ingevolge het tweede lid te
berekenen bedrag van de met betrekking tot de handelsportefeuille
vereiste solvabiliteit ter dekking van de positierisico’s,
afwikkelingsrisico’s, leveringsrisico’s, tegenpartijrisico’s
en, in geval van een overschrijding als bedoeld in artikel 102,
eerste, tweede en derde lid, grote posities;
c. het ingevolge het tweede lid te
berekenen bedrag van de met betrekking tot het totale bedrijf
vereiste solvabiliteit ter dekking van de valutarisico’s,
afwikkelingsrisico’s en grondstoffenrisico’s; en
d. het ingevolge de artikelen 62b
tot en met 62e te berekenen bedrag van de met betrekking tot het
totale bedrijf vereiste solvabiliteit ter dekking van het
operationeel risico.
2. De Nederlandsche Bank stelt nadere
regels met betrekking tot de berekening, bedoeld in het eerste lid,
onderdelen b en c.
3. De minimumomvang van het
toetsingsvermogen van een beleggingsonderneming als bedoeld in het
eerste lid waarop artikel 62a van toepassing is, bedraagt in elk geval
25 procent van de vaste kosten in het afgelopen boekjaar. Indien zij
haar werkzaamheden niet gedurende een volledig boekjaar heeft
uitgeoefend, bedraagt de minimumomvang van het toetsingsvermogen 25
procent van de in haar programma van werkzaamheden begrote vaste
kosten. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat voor de
beleggingsonderneming een hogere minimumomvang geldt indien
aannemelijk is dat de begrote vaste kosten te laag zijn begroot.
4. De vaste kosten, bedoeld in het
derde lid, omvatten alle kosten, uitgezonderd:
a. variabele kosten van werknemers
wier dienstverband niet onverwijld en zonder schadeloosstelling
kan worden opgezegd;
b. kosten van werknemers wier
dienstverband onverwijld en zonder schadeloosstelling kan worden
opgezegd;
c. variabele kosten betreffende de
voor de beleggingsonderneming verrichte werkzaamheden;
d. afschrijvingen;
e. rentekosten over achtergestelde
leningen die ingevolge artikel 92, derde lid, onderdeel c, of
artikel 93, deel uitmaken van het toetsingsvermogen;
f. buitengewone kosten met een
eenmalig karakter; en
g. overige variabele kosten indien
de Nederlandsche Bank daartoe, op schriftelijk verzoek, heeft
besloten.
5. De Nederlandsche Bank kan besluiten
dat voor een beleggingsonderneming als bedoeld in het eerste lid een
andere minimumomvang geldt indien sinds het afgelopen boekjaar sprake
is van aanzienlijke wijzigingen in dier werkzaamheden.
Artikel 60a
1. De minimumomvang van het
toetsingsvermogen van een betaalinstelling wordt berekend met
toepassing van met de Nederlandsche Bank overeengekomen methode A, B
of C, genoemd in bijlage B bij dit besluit.
2. In afwijking van het eerste lid kan
de Nederlandsche Bank indien een evaluatie van de
risicobeheersingsprocessen, het verzamelen en vastleggen van
risicoverliesgegevens en het interne controlesysteem en het
bedrijfscontinuïteitsbeheer van de betaalinstelling daartoe
aanleiding geeft, de betaalinstelling verplichten een
toetsingsvermogen aan te houden dat ten hoogste 20% hoger is dan het
bedrag dat het resultaat is van de toepassing van een uit bijlage B
gekozen methode, of de betaalinstelling toestaan een toetsingsvermogen
aan te houden dat ten hoogste 20% lager is dan het bedrag dat het
resultaat is van de uitbijlage B gekozen methode.
Artikel 61
1. Het bedrag van een naar risico
gewogen actief of post buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 60,
eerste lid, onderdeel a, is gelijk aan zijn vorderingswaarde
vermenigvuldigd met het aan dat actief of post buiten de balanstelling
ingevolge het vijfde lid, onderdeel a, toegekende risicogewicht. In
afwijking van de vorige volzin wordt het bedrag van een naar risico
gewogen post bij gesecuritiseerde activa en posten buiten de
balanstelling of van een naar risico gewogen securitisatiepositie
berekend volgens paragraaf 10.4.
2. Onverminderd het vijfde lid,
onderdeel c, is de vorderingswaarde van:
a. een actief gelijk aan zijn
balanswaarde;
b. een post buiten de balanstelling
met een volledig risico gelijk aan zijn actuele waarde;
c. een post buiten de balanstelling
met een middelgroot risico gelijk aan vijftig procent van zijn
actuele waarde;
d. een post buiten de balanstelling
met een laag tot middelgroot risico gelijk aan twintig procent van
zijn actuele waarde; en
e. een post buiten de balanstelling
met een laag risico gelijk aan nul.
3. De vorderingswaarde, bedoeld in het
tweede lid, van effecten of grondstoffen die in het kader van een
retrocessieovereenkomst, omgekeerde retrocessieovereenkomst, opgenomen
effectenlening, verstrekte effectenlening, opgenomen
grondstoffenlening, verstrekte grondstoffenlening of
margeleningstransactie worden verkocht, gedeponeerd of verstrekt,
wordt indien de financiële onderneming ingevolge artikel 82, eerste
lid, de uitgebreide benadering van financiële zekerheden toepast,
verhoogd met de overeenkomstig die benadering berekende
volatiliteitsaanpassing.
4. De vorderingswaarde van een door een
volgestorte kredietprotectie gegarandeerd actief of gegarandeerde post
buiten de balanstelling mag overeenkomstig paragraaf 10.3 worden
aangepast.
5. De Nederlandsche Bank stelt regels
met betrekking tot:
a. de indeling van de activa en
posten buiten de balanstelling in categorieën naar gelang de
wederpartij en de aan die categorieën toe te kennen
risicogewichten met inachtneming van artikel 61a;
b. de indeling van de posten buiten
de balanstelling in posten met een volledig risico, posten met een
middelgroot risico, posten met een middelgroot tot laag risico en
posten met een laag risico, bedoeld in het tweede lid, onderdelen
b tot en met e;
c. de vorderingswaarde van
afgeleide financiële instrumenten als bedoeld in bijlage C en
uitstaande kredietrisico’s met een centrale tegenpartij die
optreedt als exclusieve wederpartij bij overeenkomsten betreffende
financiële instrumenten waarbij geldt dat het
tegenpartijkredietrisico van de centrale tegenpartij ten aanzien
van alle deelnemers in haar regelingen dagelijks volledig door
zekerheden wordt gedekt.
6. De vorderingswaarde van
retrocessieovereenkomsten, omgekeerde retrocessieovereenkomsten,
opgenomen effectenleningen, verstrekte effectenleningen, opgenomen
grondstoffenleningen, verstrekte grondstoffenleningen, transacties met
afwikkeling op lange termijn of margeleningstransacties mag, met
instemming van de Nederlandsche Bank, worden bepaald op grond van de
door de Nederlandsche Bank te stellen regels, bedoeld in het vijfde
lid, aanhef en onderdeel c.
7. Op verzoek van een bank,
beleggingsonderneming of clearinginstelling als bedoeld in artikel
3:57, eerst lid, van de wet, kan de Nederlandsche Bank een
risicogewicht van nul toestaan voor een actief of post buiten de
balanstelling van de hiervoor bedoelde financiële ondernemingen
indien het betreft vorderingen op hun moederondernemingen,
dochterondernemingen, dochterondernemingen van hun moederondernemingen
of ondernemingen waarmee zij verbonden zijn door een betrekking als
bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de richtlijn geconsolideerde
jaarrekening, indien:
a. de vordering bestaat op een
andere bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling, een
financiële holding, een financiële instelling, of een
onderneming die nevendiensten verricht, en deze ondernemingen
betrokken zijn in het bedrijfseconomische toezicht;
b. de in onderdeel a bedoelde
onderneming onderdeel uitmaakt van dezelfde volledige
consolidatie;
c. de in onderdeel a bedoelde
onderneming aan dezelfde risicobeoordeling, meet- en
controleprocedures is onderworpen;
d. de in onderdeel a bedoelde
onderneming haar zetel heeft in Nederland; en
e. de bank, beleggingsonderneming
of clearinginstelling aantoont dat geen feitelijke of juridische
belemmeringen aanwezig of te voorzien zijn die een onmiddellijke
overdracht van toetsingsvermogen of terugbetaling van schulden
door de in onderdeel a bedoelde ondernemingen aan haar kan
verhinderen.
8. Het zevende lid is niet van
toepassing op de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 91,
tweede lid, en 92, tweede en derde lid.
Artikel 61a
1. Bij de toekenning van een
risicogewicht aan een categorie activa of posten buiten de
balanstelling kan een bank, beleggingsonderneming of
clearinginstelling als bedoeld in artikel 60, eerste lid, een
kredietbeoordeling van een door de Nederlandsche Bank of door een
toezichthoudende instantie van een andere lidstaat ingevolge paragraaf
10.5 erkend kredietbeoordelingsbureau of, ingeval van vorderingen op
centrale overheden en centrale banken, erkende kredietbeoordelingen
van een exportkredietverzekeraar op een consistente wijze gebruiken.
De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot het
gebruik van een kredietbeoordeling als bedoeld in de vorige volzin.
2. De financiële onderneming gebruikt
slechts gevraagde kredietbeoordelingen. De Nederlandsche Bank kan, op
verzoek, de financiële onderneming toestemming verlenen om
ongevraagde kredietbeoordelingen te gebruiken.
3. De Nederlandsche Bank kent op een
objectieve en consequente wijze een risicogewicht toe aan
kredietbeoordelingen als bedoeld in het eerste lid met inachtneming
van het volgende:
a. zij onderscheidt de relatieve
risicograden waaraan de kredietbeoordeling uitdrukking geeft;
b. in geval van een
kredietbeoordelingsbureau dat pas is opgericht of dat over
beperkte gegevens met betrekking tot wanbetaling beschikt, vraagt
zij welke mate van wanbetaling op lange termijn naar het oordeel
van het kredietbeoordelingsbureau overeenkomt met alle activa of
posten buiten de balanstelling waaraan dezelfde kredietbeoordeling
is toegekend;
c. zij vergelijkt de voor elke
kredietbeoordeling van een kredietbeoordelingsbureau
geconstateerde mate van wanbetaling en vergelijkt deze met een
referentiewaarde die is opgesteld op basis van de mate van
wanbetaling die door andere kredietbeoordelingsbureaus zijn
geconstateerd bij een groep van uitgevende instellingen waaraan
een gelijkwaardig kredietrisico is verbonden;
d. indien zij van oordeel is dat de
voor een kredietbeoordeling van een kredietbeoordelingsbureau
geconstateerde mate van wanbetaling structureel wezenlijk hoger
ligt dan de referentiewaarde, kent zij aan de kredietbeoordeling
van het betreffende kredietbeoordelingsbureau een hoger
risicogewicht toe;
e. indien zij het aan een
kredietbeoordeling toegekende risicogewicht heeft verhoogd en het
kredietbeoordelingsbureau toont aan dat de voor haar
kredietbeoordeling geconstateerde mate van wanbetaling niet langer
structureel wezenlijk hoger is dan de referentiewaarde, kan zij
aan de kredietbeoordeling weer het oorspronkelijke risicogewicht
toekennen.
4. Indien een toezichthoudende
instantie van een andere lidstaat op een met het derde lid
vergelijkbare wijze een risicogewicht heeft toegekend aan de
kredietbeoordeling, kan de Nederlandsche Bank deze overnemen.
Artikel 62
1. Het is een bank,
beleggingsonderneming of clearinginstelling als bedoeld in artikel 60,
eerste lid, toegestaan het bedrag van de met betrekking tot de
handelsportefeuille vereiste solvabiliteit ter dekking van de
positierisico’s, afwikkelingsrisico’s, leveringsrisico’s en
tegenpartijrisico’s, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b,
te berekenen volgens de ingevolge artikel 61 gestelde regels indien
haar handelsportefeuille onder normale omstandigheden:
a. niet meer bedraagt dan vijf
procent van het totale bedrijf; en
b. niet meer bedraagt dan€ 15
miljoen.
2. De Nederlandsche Bank stelt regels
met betrekking tot de berekening van de omvang van de
handelsportefeuille ten opzichte van het totale bedrijf en de
grondslagen van die berekening.
3. Een financiële onderneming die het
eerste lid toepast, geeft hiervan kennis aan de Nederlandsche Bank met
een door deze na overleg met de financiële onderneming te bepalen
frequentie. Een overschrijding van een limiet als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a of b, meldt de financiële onderneming
onverwijld aan de Nederlandsche Bank.
4. Indien de handelsportefeuille van
een financiële onderneming die het eerste lid toepast op enig moment
meer dan zes procent van haar totale bedrijf uitmaakt of meer dan €
20 miljoen bedraagt, is die toepassing haar vanaf zes maanden na die
overschrijding niet langer toegestaan.
5. De Nederlandsche Bank kan, op
verzoek, besluiten dat een financiële onderneming die een der
limieten, bedoeld in het vierde lid, heeft overschreden, opnieuw het
eerste lid toepast indien de financiële onderneming aantoont dat zij
na de overschrijding gedurende ten minste twee jaren heeft voldaan aan
de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b.
Artikel 62a
1. Het solvabiliteitsvereiste ter
dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 60, eerste
lid, onderdeel d, is niet van toepassing op beleggingsondernemingen
waarvan het minimumbedrag aan eigen vermogen op grond van artikel 48,
aanhef en onderdeel g of h, € 50.000 bedraagt of
clearinginstellingen.
2. De Nederlandsche Bank kan, op
verzoek, toestemming verlenen om het solvabiliteitsvereiste te
berekenen op grond van het derde lid, aan:
a. beleggingsondernemingen waarvan
het minimumbedrag aan eigen vermogen op grond van artikel 48,
eerste lid, aanhef en onderdelen i, j of k,€ 730.000 bedraagt en
die uitsluitend voor eigen rekening handelen:
1°. om orders van cliënten
uit te voeren; of
2°. om toegang te verkrijgen
tot een clearing- en afwikkelingssysteem dan wel een
gereglementeerde markt in de hoedanigheid van gemachtigde of
uitvoerder van een order van een cliënt; of
b. beleggingsondernemingen waarvan
het minimumbedrag aan eigen vermogen op grond van artikel 48,
eerste lid, aanhef en onderdelen i, j of k,€ 730.000 bedraagt
en:
1°. waarbij cliënten geen
gelden of effecten aanhouden;
2°. die uitsluitend voor eigen
rekening handelen;
3°. die geen externe cliënten
hebben; en
4°. waarvan de uitvoering en
afwikkeling van transacties geschieden onder de
verantwoordelijkheid van en worden gegarandeerd door een
clearinginstelling met zetel in Nederland.
3. Indien de Nederlandsche Bank
toestemming als bedoeld in het tweede lid heeft verleend, houdt de
beleggingsonderneming een toetsingsvermogen aan dat ten minste gelijk
is aan de som van de bedragen, bedoeld in artikel 60, eerste lid,
onderdelen a tot en met c, en derde lid.
Artikel 62b
1. Een bank of beleggingsonderneming
als bedoeld in artikel 60, eerste lid, maakt gebruik van de
basisindicatorbenadering voor de berekening van het bedrag van de met
betrekking tot het totale bedrijf vereiste solvabiliteit ter dekking
van het operationeel risico, bedoeld in artikel 60, eerste lid,
onderdeel d.
2. De Nederlandsche Bank stelt regels
met betrekking tot de basisindicatorbenadering.
Artikel 62c
1. In afwijking van artikel 62b kan een
bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 60, eerste lid,
gebruik maken van de standaardbenadering voor de berekening van het
bedrag van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel
risico, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel d.
2. Indien de financiële onderneming
gebruik maakt van de standaardbenadering worden de activiteiten in een
aantal business lines gesplitst. Voor elke business line berekent de
financiële onderneming het bedrag met betrekking tot de vereiste
solvabiliteit op grond van door de Nederlandsche Bank te stellen
regels.
3. In de standaardbenadering bedraagt
het bedrag, bedoeld in het eerste lid, de som van de met betrekking
tot het totale bedrijf vereiste solvabiliteit voor het operationeel
risico in de afzonderlijke business lines.
4. De Nederlandsche Bank stelt regels
met betrekking tot de voorwaarden waaraan de financiële onderneming
voldoet indien zij gebruik wil maken van de standaardbenadering en met
betrekking tot de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking
van het operationeel risico volgens die benadering.
Artikel 62d
1. De Nederlandsche Bank kan een bank
als bedoeld in artikel 60, eerste lid, op verzoek, toestemming
verlenen om gebruik te maken van een alternatieve indicator voor de
berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het
operationeel risico met betrekking tot de business lines
«bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine en middelgrote
ondernemingen» en«zakelijke bankdiensten»,indien:
a. deze business lines gezamenlijk
ten minste 90 procent van haar netto rentebaten en netto
niet-rentebaten vertegenwoordigen; en
b. de bank kan aantonen dat een
aanzienlijk deel van haar activiteiten op het gebied van deze
business lines betrekking heeft op leningen met een grote kans op
wanbetalingen en dat de alternatieve indicator een betere
grondslag biedt om het operationeel risico te berekenen.
2. De Nederlandsche Bank stelt regels
met betrekking tot de alternatieve indicator, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 62e
1. Het is een bank of
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 60, eerste lid, die
eenmaal de standaardbenadering gebruikt, niet toegestaan daarna alsnog
de basisindicatorbenadering te gebruiken.
2. De Nederlandsche Bank kan, op
aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het
eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat daarvoor goede redenen
zijn.
3. De Nederlandsche Bank kan, op
verzoek, toestemming verlenen aan een bank of beleggingsonderneming om
de standaardbenadering in combinatie met de basisindicatorbenadering
toe te passen, indien de financiële onderneming de
standaardbenadering implementeert overeenkomstig een met de
Nederlandsche Bank overeengekomen tijdschema.
Artikel 63
1. De minimumomvang van het
toetsingsvermogen van een beheerder van een instelling voor
collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 3:57, eerste
lid, van de wet bedraagt€ 125.000 vermeerderd met twee honderdste
procent van het bedrag waarmee de waarde van het beheerde vermogen het
bedrag van€ 250 miljoen te boven gaat. De minimumomvang van het
toetsingsvermogen bedraagt niet meer dan € 10 miljoen.
2. Tot het beheerde vermogen wordt
gerekend het vermogen van de beleggingsinstellingen waarover de
beheerder het beheer voert met inbegrip van de delen van het vermogen
waarvan hij het beheer heeft uitbesteed, uitgezonderd de delen van het
vermogen waarvan het beheer door derden aan hem is uitbesteed.
3. Artikel 60, derde tot en met vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 64
1. Voor het deel van de werkzaamheden
van een elektronischgeldinstelling dat betrekking heeft op de uitgifte
van elektronisch geld en betaaldiensten die verband houden met de
uitgifte van dit elektronisch geld, bedraagt de minimumomvang van het
toetsingsvermogen 2% van het gemiddeld uitstaand elektronisch geld.
2. Voor het deel van de werkzaamheden
van een elektronischgeldinstelling dat betrekking heeft op het
verlenen van betaaldiensten die geen verband houden met de uitgifte
van elektronisch geld, wordt de minimumomvang van het
toetsingsvermogen berekend met overeenkomstige toepassing vanartikel
60a, eerste lid.
3. De omvang van het toetsingsvermogen
van een elektronischgeldinstelling bedraagt te allen tijde ten minste
de som van de minimumomvang van het toetsingsvermogen berekend volgens
het eerste lid en de minimumomvang van het toetsingsvermogen berekend
volgens het tweede lid.
4. Indien een
elektronischgeldinstelling de uitgifte van elektronisch geld niet
gedurende ten minste zes maanden heeft uitgeoefend, bedraagt de
minimum omvang van het toetsingsvermogen, bedoeld in het tweede lid,
twee procent van het uitstaand elektronisch geld of het blijkens haar
programma van werkzaamheden na zes maanden nagestreefde bedrag aan
uitstaand elektronisch geld, naar gelang welk bedrag het hoogst is.
5. In afwijking van het eerste en
tweede lid kan de Nederlandsche Bank indien een evaluatie van de
risicobeheersingsprocessen, het verzamelen en vastleggen van
risicoverliesgegevens en het internecontrolesysteem van de
elektronischgeldinstelling daartoe aanleiding geeft, de
elektronischgeldinstelling verplichten een toetsingsvermogen aan te
houden dat ten hoogste 20 procent hoger is dan het bedrag dat het
resultaat is van de toepassing van de methode, bedoeld in het eerste
of tweede lid, of de elektronischgeldinstelling toestaan een
toetsingsvermogen aan te houden dat ten hoogste 20 procent lager is
dan het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van de methode,
bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 64a
Het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge
van een herverzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:61,
eerste lid, van de wet die zijn bedrijf uitoefent zowel in de activiteit
levensherverzekering of natura-uitvaartherverzekering, als in de
activiteit schadeherverzekering, bedraagt de som van de bedragen,
berekend ingevolge de artikelen 64b en 64c.
Artikel 64b
1.Het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van een herverzekeraar als bedoeld in artikel
3:57, eerste lid, 3:61, eerste lid, of 3:62, eerste of tweede lid, van
de wet die zijn bedrijf uitoefent in de activiteit
levensherverzekering wordt bepaald overeenkomstig artikel 64c.
2.Het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van een herverzekeraar die zijn bedrijf uitoefent
in de activiteit levensherverzekering wordt, in afwijking van het
eerste lid, bepaald overeenkomstig artikel 65 indien die activiteit
betrekking heeft op de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, punt 1,
onderdeel a, voor zover die verbonden zijn met beleggingsfondsen of in
verband staan met overeenkomsten met winstdeling, en punt 2,
onderdelen b, c, d en e, van richtlijn nr. 2002/83/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002
betreffende levensverzekering (PbEU L 345).
3.Het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van een herverzekeraar die zijn bedrijf uitoefent
in de activiteit natura-uitvaartherverzekering wordt bepaald
overeenkomstig artikel 65.
Artikel 64c
1. Het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van een herverzekeraar als bedoeld in artikel
3:57, eerste lid, 3:61, eerste lid, of 3:62, eerste lid, van de wet
die zijn bedrijf uitoefent in de activiteit schadeherverzekering
bedraagt het product van het op grond van onderdeel c berekende
percentage, vermenigvuldigd met het hoogste van de op grond van de
onderdelen a en b berekende bedragen. De bedragen en het percentage
worden als volgt berekend:
a. achttien procent van de in het
voorafgaande boekjaar geboekte dan wel verdiende premies,
naargelang welk bedrag het hoogst is en van de in rekening
gebrachte poliskosten, voor zover deze premies en kosten niet meer
bedragen dan€ 53,1 miljoen [Red: per 6 augustus 2009: € 57,5
miljoen] , vermeerderd met zestien procent van deze premies en
kosten voor zover deze meer bedragen dan€ 53,1 miljoen [Red: per
6 augustus 2009: € 57,5 miljoen] ;
b. 26 procent van de gemiddeld
geboekte bruto schaden in de voorafgaande drie boekjaren en van de
gemiddelde toevoeging aan de schadevoorziening in deze jaren, voor
zover deze schaden en toevoeging niet meer bedragen dan € 37,2
miljoen [Red: per 6 augustus 2009: € 40,3 miljoen] , vermeerderd
met 23 procent van deze schaden en toevoeging, voor zover deze
meer bedragen dan€ 37,2 miljoen [Red: per 6 augustus 2009: €
40,3 miljoen] ;
c. de verhouding, welke ten minste
vijftig procent bedraagt, berekend over de voorafgaande drie
boekjaren tezamen, tussen de schaden die voor eigen rekening komen
van de herverzekeraar, na overdracht uit hoofde van retrocessie,
en de bruto schaden.
2. Voor zover het de berekening met
betrekking tot de herverzekering van risico’s van de branches
Aansprakelijkheid luchtvaartuigen, Aansprakelijkheid zee- en
binnenschepen en Algemene aansprakelijkheid betreft, worden de
geboekte dan wel verdiende premies, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, of de geboekte bruto schaden, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, met vijftig procent verhoogd. Voor de herverzekering van
risico’s van andere branches kunnen de geboekte dan wel verdiende
premies, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voor bijzondere
herverzekeringsactiviteiten of categorieën overeenkomsten worden
verhoogd met ten hoogste vijftig procent. De Nederlandsche Bank past
het percentage toe dat is vastgesteld volgens de procedure van artikel
55, tweede lid, van richtlijn nr. 2005/68/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 november 2005
betreffende herverzekering en houdende wijziging van Richtlijnen
73/239/EEG en 92/49/EEG van de Raad en van Richtlijnen 98/78/EG en
2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 323). De
Nederlandsche Bank doet mededeling van dat percentage in de
Staatscourant. Het percentage wordt voor het eerst toegepast in het
boekjaar dat begint op 1 januari van het op de mededeling volgende
kalenderjaar of gedurende dat kalenderjaar.
3. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag besluiten dat voor de toerekening van de geboekte dan wel
verdiende premies of geboekte bruto schaden aan de branches gebruik
kan worden gemaakt van statistische methoden.
4. Indien het een herverzekeraar
betreft die in hoofdzaak risico’s van kredietschade, stormschade,
hagelschade of vorstschade dekt, wordt in de berekening en de
verhouding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b onderscheidenlijk
onderdeel c, uitgegaan van de voorafgaande zeven boekjaren.
5. Voor de toepassing van dit artikel
worden ontvangen premies en betaalde of te betalen schaden in verband
met herverzekeringen, die ingevolge de internationale
jaarrekeningstandaarden niet als zodanig worden aangemerkt, in
aanmerking genomen.
6. Indien het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge zoals berekend overeenkomstig dit artikel lager is
dan het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van het voorafgaande
boekjaar, bedraagt het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge ten
minste de uitkomst van de volgende berekening: het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van het voorafgaande boekjaar wordt
vermenigvuldigd met de verhouding, welke ten hoogste honderd procent
bedraagt, tussen de bedragen voor technische voorzieningen voor te
betalen schaden verminderd met het bedrag van de overdrachten uit
retrocessie aan het einde van het boekjaar en de bedragen voor
technische voorzieningen voor te betalen schaden verminderd met het
bedrag van de overdrachten uit retrocessie aan het begin van het
boekjaar.
7. De Nederlandsche Bank kan besluiten
de op retrocessie gebaseerde vermindering, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, te beperken indien:
a. de aard of de kwaliteit van de
overdracht uit hoofde van retrocessie sinds het afgelopen boekjaar
sterk is gewijzigd; of
b. er nauwelijks risico-overdracht
plaatsvindt uit hoofde van retrocessie.
8. Artikel 49, vierde en vijfde lid, is
van overeenkomstige toepassing op de bedragen, bedoeld in het eerste
lid, onderdelen a en b.
9. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag besluiten dat voor de toepassing van het eerste lid,
onderdeel c, vorderingen op een entiteit voor risico-acceptatie worden
beschouwd als overdracht uit hoofde van retrocessie indien de
zekerheid die een vordering op een entiteit voor risico-acceptatie
biedt vergelijkbaar is met de zekerheid van een vordering op een
herverzekeraar.
Artikel 65
1. Het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van een levensverzekeraar als bedoeld in artikel
3:57, eerste lid, of 3:58, eerste of tweede lid, van de wet bedraagt
de som van de als volgt te berekenen bedragen:
a. voor zover het verzekeringen
betreft waarbij door de levensverzekeraar beleggingsrisico wordt
gelopen: vier procent van het bedrag van de bruto technische
voorzieningen, vermenigvuldigd met de verhouding, welke ten minste
85 procent bedraagt, tussen de technische voorzieningen verminderd
met het bedrag van de overdrachten uit hoofde van herverzekering
en de bruto technische voorzieningen aan het eind van het
afgelopen boekjaar;
b. voor zover het verzekeringen
betreft waarbij door de levensverzekeraar geen beleggingsrisico
wordt gelopen en waarbij de beheerslasten voor een periode van
meer dan vijf jaar zijn vastgelegd: een procent van de bruto
technische voorzieningen, vermenigvuldigd met de verhouding, welke
ten minste 85 procent bedraagt, tussen de technische voorzieningen
de overdrachten uit hoofde van herverzekering en de bruto
technische voorzieningen aan het eind van het afgelopen boekjaar;
c. voor zover het verzekeringen
betreft waarbij door de levensverzekeraar geen beleggingsrisico
wordt gelopen en waarbij de beheerslasten voor een periode van
vijf jaar of minder zijn vastgelegd: 25 procent van de netto
beheerslasten in verband met de bedrijfsuitoefening in het
afgelopen boekjaar;
d. voor zover het spaarkassen
betreft: een procent van het vermogen van de spaarkassen;
e. voor zover het verzekeringen met
risicokapitaal betreft, de som van de uitkomsten van de hierna
onder 1° tot en met 3° bedoelde berekeningen, vermenigvuldigd
met de verhouding, welke ten minste vijftig procent bedraagt,
tussen het risicokapitaal verminderd met het bedrag van de
overdrachten uit hoofde van herverzekering en het risicokapitaal
in het afgelopen boekjaar:
1°. tijdelijke verzekeringen
met een contractsduur van ten hoogste drie jaar: 0,1 procent
van het risicokapitaal bij overlijden;
2°. tijdelijke verzekeringen
met een contractsduur van meer dan drie jaar en ten hoogste
vijf jaar: 0,15 procent van het risicokapitaal bij overlijden;
3°. verzekeringen anders dan
tijdelijke verzekeringen met een contractsduur van ten hoogste
vijf jaar: 0,3 procent van het risicokapitaal bij overlijden;
f. voor zover het aanvullende
verzekeringen betreft: het overeenkomstig artikel 67, eerste,
zesde en zevende lid, berekende bedrag.
2. Voor de toepassing van dit artikel
wordt het verschil, bedoeld in artikel 98, derde lid, aangemerkt als
bruto technische voorzieningen.
3. Voor de toepassing van dit artikel
worden verplichtingen uit hoofde van levensverzekeringen waarvoor
ingevolge de internationale jaarrekeningstandaarden geen technische
voorzieningen worden gevormd, aangemerkt als technische voorzieningen.
4. De Nederlandsche Bank kan besluiten
de op herverzekering gebaseerde vermindering, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, b, e, laatste volzin, of f, te beperken indien:
a. de aard of de kwaliteit van de
overdracht uit hoofde van herverzekering sinds het afgelopen
boekjaar sterk is gewijzigd; of
b. er nauwelijks of geen
risico-overdracht plaatsvindt uit hoofde van herverzekering.
5. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag besluiten dat voor de toepassing van het eerste lid,
onderdelen a en e, bedragen die op een entiteit voor risico-acceptatie
kunnen worden verhaald, worden beschouwd als een overdracht uit hoofde
van herverzekering.
6. Deartikelen 64a tot en met 64c zijn
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
herverzekeringsactiviteiten van de levensverzekeraar indien:
1°. het bedrag aan geïnde
herverzekeringspremies hoger is dan tien procent van het totale
premie-inkomen;
2°. het bedrag aan geïnde
herverzekeringspremies hoger is dan € 50 miljoen; of
3°. de technische voorzieningen
als gevolg van geaccepteerde herverzekering hoger zijn dan tien
procent van de totale technische voorzieningen voor het gehele
bedrijf.
Artikel 66
1. Het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in
artikel 3:57, eerste lid, of 3:61, eerste of tweede lid, van de wet
bedraagt de som van de als volgt te berekenen bedragen:
a. voor zover het verzekeringen
betreft waarbij door de natura-uitvaartverzekeraar
beleggingsrisico wordt gelopen: de uitkomst van de berekening,
bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel a;
b. voor zover het verzekeringen
betreft waarbij door de natura-uitvaartverzekeraar geen
beleggingsrisico wordt gelopen en waarbij de beheerslasten voor
een periode van meer dan vijf jaar zijn vastgelegd: de uitkomst
van de berekening, bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel b;
c. voor zover het uitstaande depots
ten behoeve van uitvaarten betreft: een procent van het
depotbedrag;
d. voor alle verzekeringen: 0,3
procent van het risicokapitaal bij overlijden, vermenigvuldigd met
de verhouding, welke ten minste vijftig procent bedraagt, tussen
het risicokapitaal verminderd met het bedrag van de overdrachten
uit hoofde van herverzekering en het risicokapitaal in het
afgelopen boekjaar; en
e. voor zover het aanvullende
verzekeringen betreft: achttien procent van de in het afgelopen
boekjaar geboekte premies en van de in rekening gebrachte
poliskosten, voor zover deze premies en kosten niet meer bedragen
dan€ 10 miljoen, vermeerderd met zestien procent van deze
premies en kosten, voor zover deze meer bedragen dan € 10
miljoen. De uitkomst van de berekening, bedoeld in de vorige
volzin, wordt vermenigvuldigd met de verhouding, welke ten minste
vijftig procent bedraagt, tussen de uitkeringen die voor eigen
rekening komen van de natura-uitvaartverzekeraar na overdracht uit
hoofde van herverzekering en de bruto uitkeringen in het laatste
boekjaar.
2. Artikel 65, tweede en derde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 67
1. Het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel
3:57, eerste lid, of 3:58, eerste of tweede lid, van de wet bedraagt
het product van het op grond van onderdeel c van dit lid berekende
percentage, vermenigvuldigd met het hoogste van de op grond van de
onderdelen a en b van dit lid berekende bedragen. De bedragen en het
percentage worden als volgt berekend:
a. achttien procent van de in het
afgelopen boekjaar geboekte dan wel verdiende premies, naargelang
welk bedrag het hoogst is en van de in rekening gebrachte
poliskosten, voor zover deze premies en kosten niet meer bedragen
dan € 53,1 miljoen [Red: per 6 augustus 2009: € 57,5 miljoen]
, vermeerderd met zestien procent van deze premies en kosten voor
zover deze meer bedragen dan € 53,1 miljoen [Red: per 6 augustus
2009: € 57,5 miljoen] ;
b. 26 procent van de gemiddeld
geboekte bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren en van de
gemiddelde toevoeging aan de schadevoorziening in deze jaren, voor
zover deze schaden en toevoeging niet meer bedragen dan € 37,2
miljoen [Red: per 6 augustus 2009: € 40,3 miljoen] , vermeerderd
met 23 procent van deze schaden en toevoeging, voor zover deze
meer bedragen dan € 37,2 miljoen [Red: per 6 augustus 2009: €
40,3 miljoen] ;
c. de verhouding, welke ten minste
vijftig procent bedraagt, tussen de schaden die voor eigen
rekening komen van de verzekeraar na overdracht uit hoofde van
herverzekering en de bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren.
2. Voor zover het de berekening met
betrekking tot de branches Aansprakelijkheid luchtvaartuigen,
Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen en Algemene aansprakelijkheid
betreft, worden de geboekte dan wel verdiende premies, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, of de geboekte bruto schaden, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, met vijftig procent verhoogd. De
Nederlandsche Bank kan besluiten dat voor de toerekening van de
geboekte dan wel verdiende premies of geboekte bruto schaden aan de
genoemde branches gebruik kan worden gemaakt van statistische
methoden.
3. Voor zover het een schadeverzekeraar
betreft die in hoofdzaak ten minste een van de risico’s van
kredietschade, stormschade, hagelschade of vorstschade dekt, wordt in
de berekening en de verhouding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b
onderscheidenlijk onderdeel c, uitgegaan van de afgelopen zeven
boekjaren.
4. Voor zover het de branche
Hulpverlening betreft, wordt voor het bedrag van de geboekte bruto
schaden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, uitgegaan van de voor
de schadeverzekeraar uit de verleende hulp voortvloeiende kosten.
5. Voor de toepassing van dit artikel
wordt de hogekostencompensatie, bedoeld in artikel 1, onderdeel dd,
van het Besluit zorgverzekering, aangemerkt als herverzekering.
6. Voor de toepassing van dit artikel
worden ontvangen premies en betaalde of te betalen schaden in verband
met schadeverzekeringen, die ingevolge de internationale
jaarrekeningstandaarden niet als zodanig worden aangemerkt, in
aanmerking genomen.
7. Indien het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge zoals berekend overeenkomstig dit artikel lager is
dan het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van het voorafgaande
boekjaar, dan bedraagt het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge ten
minste de uitkomst van de volgende berekening: het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van het voorafgaande boekjaar wordt
vermenigvuldigd met de verhouding, welke ten hoogste honderd procent
bedraagt, tussen de bedragen voor technische voorzieningen voor te
betalen schaden verminderd met het bedrag van de overdrachten uit
herverzekering aan het einde van het boekjaar en de bedragen voor
technische voorzieningen voor te betalen schaden verminderd met het
bedrag van de overdrachten uit herverzekering aan het begin van het
boekjaar.
8. Artikel 65, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
9. Artikel 49, vierde en vijfde lid, is
van overeenkomstige toepassing op de bedragen, bedoeld in het eerste
lid, onderdelen a en b.
10. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag besluiten dat voor de toepassing van het eerste lid,
onderdeel c, bedragen die op een entiteit voor risico-acceptatie
kunnen worden verhaald, worden beschouwd als een overdracht uit hoofde
van herverzekering.
Artikel 68
1. Het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van een herverzekeraar die zijn bedrijf uitoefent
in de activiteit schadeherverzekering of schadeverzekeraar als bedoeld
in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste of tweede lid, 3:61, eerste
lid, of 3:62, eerste lid, van de wet bedraagt een derde van het
overeenkomstig artikel 64c onderscheidenlijk artikel 67 berekende
bedrag voor het gedeelte dat betrekking heeft op
ziektekostenverzekeringen indien die verzekeringen op analoge wijze
als levensverzekeringen worden beheerd en:
a. de geheven premie volgens
verzekeringswiskundige methoden wordt berekend;
b. een actuarieel berekende
ouderdomsvoorziening wordt gevormd;
c. een aanvullende premie wordt
geheven om een reële veiligheidsmarge te vormen;
d. de herverzekeraar of
schadeverzekeraar de ziektekostenverzekering uiterlijk voor het
einde van het derde verzekeringsjaar kan opzeggen; en
e. in de ziektekostenverzekering de
mogelijkheid is opgenomen om ook voor lopende verzekeringen de
premies te verhogen of de verstrekkingen te verminderen.
2. Bij ministeriële regeling kan het
minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, bedoeld in het eerste lid,
worden verhoogd tot ten hoogste het overeenkomstig artikel 64c
onderscheidenlijk artikel 67 berekende bedrag, indien de ingevolge
paragraaf 4.2 van de Zorgverzekeringswet gestelde regels met
betrekking tot de risicoverevening daartoe aanleiding geven.
§ 10.2. Minimumomvang toetsingsvermogen
volgens interne modellen
Bepalingen ter uitvoering van artikel
3:57, tweede lid, van de wet
Artikel 69
1. De Nederlandsche Bank kan een bank
of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of
3:58, eerste lid, van de wet, op verzoek, toestemming verlenen om de
bedragen van haar naar risico gewogen activa of posten buiten de
balanstelling in afwijking van artikel 61 te berekenen volgens een
interne modellenmethode, waarbij gebruik wordt gemaakt van eigen
ramingen van de kans op wanbetaling. De Nederlandsche Bank kan tevens,
op verzoek, toestemming verlenen om daarbij gebruik te maken van eigen
ramingen van verliezen bij wanbetaling en omrekeningsfactoren.
2. De gehanteerde interne modellen voor
het beheer en de beoordeling van kredietrisico’s worden zorgvuldig
toegepast. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot deze
interne modellen.
3. De toestemming, bedoeld in het
eerste lid, wordt verleend indien de financiële onderneming heeft
aangetoond dat de gehanteerde interne modellen voldoen aan het
bepaalde ingevolge het tweede lid.
4. De financiële onderneming die een
verzoek voor toestemming voor het gebruik van een interne
modellenmethode indient, legt bewijsstukken over waaruit blijkt dat
zij al ten minste gedurende drie jaar voor de desbetreffende
categorieën van activa en posten buiten de balanstelling, bedoeld in
artikel 71, eerste lid, systemen voor de beoordeling van kredietrisico’s
hanteert die in grote lijnen in overeenstemming zijn met de regels,
bedoeld in het tweede lid, laatste volzin.
5. De financiële onderneming die een
verzoek voor toestemming voor het gebruik van eigen ramingen van
verliezen bij wanbetaling en omrekeningsfactoren indient, legt
bewijsstukken over waaruit blijkt dat zij al ten minste gedurende drie
jaar eigen ramingen van verliezen bij wanbetaling of
omrekeningsfactoren opstelt en daarvan gebruik maakt op een wijze die
in grote lijnen in overeenstemming is met de regels, bedoeld in het
tweede lid, laatste volzin.
6. Onverminderd de artikelen 70 en 76
gebruikt de financiële onderneming die toestemming heeft gekregen
voor het gebruik van een interne modellenmethode, deze voor alle
activa en posten buiten de balanstelling.
7. Indien de financiële onderneming
niet langer voldoet aan het eerste tot en met zesde lid of de
artikelen 70 tot en met 76, dient zij bij de Nederlandsche Bank een
plan in om zo spoedig mogelijk opnieuw aan deze leden en artikelen te
voldoen, of toont zij aan dat dit geen noemenswaardige gevolgen voor
het gebruik van de interne modellenmethode heeft.
Artikel 70
1. De Nederlandsche Bank kan een bank
of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, op
verzoek, toestemming verlenen een interne modellenmethode stapsgewijs
in te voeren:
a. per categorie of, ingeval van de
categorie, bedoeld in artikel 71, eerste lid, aanhef en onderdeel
d, per subcategorie activa of posten buiten de balanstelling,
bedoeld inartikel 71, eerste lid;
b. binnen dezelfde
bedrijfsactiviteit;
c. per bedrijfsactiviteit binnen
dezelfde groep; of
d. voor het gebruik van eigen
ramingen van verliezen bij wanbetaling en omrekeningsfactoren voor
de berekening van risicogewichten voor vorderingen op
ondernemingen, banken en beleggingsondernemingen en centrale
overheden en centrale banken.
2. De Nederlandsche Bank stelt regels
teneinde te waarborgen dat de stapsgewijze invoering, bedoeld in het
eerste lid, binnen een redelijke termijn plaatsvindt en niet wordt
gebruikt om voor de categorieën vorderingen of bedrijfsactiviteiten,
bedoeld in het eerste lid, waarop een interne modellenmethode niet
wordt toegepast een lagere minimumomvang van het toetsingsvermogen te
bereiken.
3. De financiële onderneming die voor
enige categorie activa of posten buiten de balanstelling, bedoeld in
artikel 71, eerste lid, een interne modellenmethode gebruikt, gebruikt
deze ook voor de posities in aandelen, bedoeld in onderdeel e van
laatstgenoemd lid.
4. Onverminderd het eerste tot en met
derde lid enartikel 76 valt de financiële onderneming die ingevolge
artikel 69, eerste lid, toestemming heeft verkregen voor het gebruik
van een interne modellenmethode, voor de berekening van de bedragen
van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling
niet terug opartikel 61, tenzij de Nederlandsche Bank daarmee instemt.
5. Onverminderd het eerste en tweede
lid en artikel 76 is het de financiële onderneming die ingevolge
artikel 69, eerste lid, toestemming heeft verkregen voor het gebruik
van eigen ramingen van verliezen bij wanbetaling en
omrekeningsfactoren, niet toegestaan voor de berekening van de
bedragen van de naar risico gewogen activa en posten buiten de
balanstelling daarna alsnog de ingevolge artikel 73, tweede lid, door
de Nederlandsche Bank vastgestelde waarde van verliezen bij
wanbetaling en omrekeningsfactoren te gebruiken, tenzij de
Nederlandsche Bank daarmee instemt.
Artikel 71
1. Een bank of beleggingsonderneming
als bedoeld in artikel 69, eerste lid, die een interne modellenmethode
gebruikt, deelt haar activa en posten buiten de balanstelling volgens
een geschikte en in de tijd consistente methodiek in de volgende
categorieën in:
a. vorderingen of voorwaardelijke
vorderingen op centrale overheden en centrale banken;
b. vorderingen of voorwaardelijke
vorderingen op banken en beleggingsondernemingen;
c. vorderingen of voorwaardelijke
vorderingen op ondernemingen, waaronder vorderingen uit hoofde van
gespecialiseerde kredietverlening;
d. vorderingen of voorwaardelijke
vorderingen op particulieren en op kleine en middelgrote
ondernemingen;
e. posities in aandelen;
f. securitisatieposities; en
g. andere activa of posten buiten
de balanstelling die geen kredietverplichting vertegenwoordigen.
2. Activa of posten buiten de
balanstelling die een kredietverplichting vertegenwoordigen die niet
worden ingedeeld in een van de categorieën, bedoeld in het eerste
lid, onderdelen a, b of d tot en met f, worden ingedeeld in de
categorie, bedoeld in onderdeel c.
3. De Nederlandsche Bank stelt nadere
regels met betrekking tot de indeling in de categorieën, bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 72
1. De Nederlandsche Bank stelt, met
inachtneming van de artikelen 73 en 74, regels met betrekking tot:
a. de berekening van het bedrag van
de naar kredietrisico gewogen activa en posten buiten de
balanstelling, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot
en met e of g, voor zover dit bedrag niet op het toetsingsvermogen
in mindering wordt gebracht; en
b. de berekening van het bedrag van
de naar verwateringsrisico gewogen activa en posten buiten de
balanstelling die verband houden met gekochte kortlopende
handelsvorderingen, met of zonder verhaal op de wederpartij.
2. Het bedrag van een naar risico
gewogen post bij gesecuritiseerde activa en posten buiten de
balanstelling of van een naar risico gewogen securitisatiepositie als
bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdeel f, wordt berekend volgens
paragraaf 10.4.
Artikel 73
1. De regels, bedoeld in artikel 72,
eerste lid, voorzien in berekening op basis van de volgende
parameters:
a. de kans op wanbetaling;
b. het verlies bij wanbetaling;
c. de looptijd; en
d. de waarde van de desbetreffende
activa of posten buiten de balanstelling, bepaald door onder meer
de omrekeningsfactoren.
2. De door de Nederlandsche Bank
ingevolge artikel 72, eerste lid, te stellen regels omvatten mede
regels met betrekking tot de waarden van verlies bij wanbetaling en de
omrekeningsfactoren alsmede voorwaarden voor het gebruik van eigen
ramingen van de kans op wanbetaling, het verlies bij wanbetaling, de
looptijd en de omrekeningsfactoren.
3. In de door haar ingevolge artikel
72, eerste lid, te stellen regels kan de Nederlandsche Bank afwijken
van het eerste lid, voor zover het betreft de berekening van het
bedrag van de naar kredietrisico gewogen posities in aandelen, bedoeld
in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, waaronder posities in
instellingen voor collectieve belegging, vorderingen uit hoofde van
gespecialiseerde kredietverlening, bedoeld in artikel 71, eerste lid,
onderdeel c, of andere activa of posten buiten de balanstelling die
geen kredietverplichting vertegenwoordigen, bedoeld in artikel 71,
eerste lid, onderdeel g.
Artikel 74
1. Een bank of beleggingsonderneming
als bedoeld in artikel 69, eerste lid, die toestemming heeft gekregen
voor het gebruik van een interne modellenmethode gebruikt voor de
berekening van het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten
buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen
a tot en met d, eigen ramingen van de kans op wanbetaling.
2. De financiële onderneming die
ingevolgeartikel 69, eerste lid, laatste volzin, tevens toestemming
heeft gekregen voor de activa en posten buiten de balanstelling,
bedoeld inartikel 71, eerste lid, onderdeel d, gebruikt voor de
berekening van het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten
buiten de balanstelling eigen ramingen van verlies bij wanbetaling en
omrekeningsfactoren.
3. De financiële onderneming gebruikt
voor de categorieën, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen a
tot en met c, de ingevolge artikel 73, tweede lid, voor de berekening
van het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten buiten de
balanstelling vastgestelde waarden van verliezen bij wanbetaling en
omrekeningsfactoren, tenzij de financiële onderneming, bedoeld in het
eerste lid, ingevolge artikel 69, eerste lid, laatste volzin, tevens
toestemming heeft gekregen voor die activa en posten buiten de
balanstelling. In dat geval gebruikt zij voor de berekening van het
bedrag van de naar risico gewogen activa en posten buiten de
balanstelling eigen ramingen van verliezen bij wanbetaling en
omrekeningsfactoren.
Artikel 75
1. De Nederlandsche Bank stelt regels
met betrekking tot de berekening van de verwachte verliesposten in
verband met:
a. activa en posten buiten de
balanstelling, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot
en met e;
b. posities in instellingen voor
collectieve belegging, bedoeld in artikel 73, derde lid; en
c. het verwateringsrisico van
gekochte kortlopende handelsvorderingen.
2. De verwachte verliesposten in
verband met securitisatieposities, bedoeld in artikel 71, eerste lid,
onderdeel f, worden berekend volgens paragraaf 10.4.
3. De verwachte verliespost bij activa
of posten buiten de balanstelling die geen kredietverplichting
vertegenwoordigen, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdeel g, is
gelijk aan nul.
Artikel 76
1. De Nederlandsche Bank kan een bank
of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, die
bij de berekening van het bedrag van de naar risico gewogen activa of
posten buiten de balanstelling en de verwachte verliesposten voor een
of meer categorieën, bedoeld in artikel 71, eerste lid, gebruik maakt
van een interne modellenmethode, op verzoek, toestemming verlenen om
de standaardbenadering, bedoeld in artikel 61, te gebruiken voor
activa en posten buiten de balanstelling indien:
a. het activa of posten buiten de
balanstelling als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen a
en b, betreft, het aantal wederpartijen beperkt is en het voor de
financiële onderneming te belastend zou zijn om voor deze
wederpartijen een interne modellenmethode in te voeren;
b. het activa of posten buiten de
balanstelling betreft in verband met niet-belangrijke
bedrijfsactiviteiten en in categorieën die geen noemenswaardige
omvang hebben en waarvan het risicoprofiel als laag wordt
aangemerkt;
c. het vorderingen betreft op de
centrale overheid, regionale overheden, lagere overheden en
administratieve organen van een lidstaat, indien er op grond van
bepaalde publiekrechtelijke regelingen geen verschil in risico
bestaat tussen de vorderingen op de centrale overheid en de
vorderingen op de andere hierboven bedoelde overheden en organen,
en aan de vorderingen op de centrale overheid van die lidstaat
ingevolgeartikel 61, vijfde lid, onderdeel a, een risicogewicht
van nul procent is toegekend;
d. het vorderingen betreft op een
wederpartij die haar moederonderneming, dochteronderneming of een
dochteronderneming van haar moederonderneming is, indien deze
wederpartij een bank, beleggingsonderneming, financiële holding,
financiële instelling, vermogensbeheerder of onderneming die
nevendiensten verricht is waarop de hoofdstukken 9, 10 en 13 van
dit besluit van toepassing zijn of een verbonden onderneming als
bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de richtlijn
geconsolideerde jaarrekening;
e. het posities in aandelen betreft
van rechtspersonen aan wier kredietverplichtingen ingevolge
artikel 61, vijfde lid, onderdeel a, een risicogewicht van nul
procent is toegekend;
f. het posities in aandelen
betreft, ten belope van ten hoogste tien procent van de som van
het bedrag van het kernkapitaal, bedoeld in artikel 91, en het
bedrag van het aanvullend kapitaal, bedoeld in artikel 92, die
zijn ingenomen in het kader van overheidsprogramma’s waarmee
steun wordt verleend aan bepaalde economische sectoren en waarbij
de financiële onderneming omvangrijke subsidies ontvangt voor
haar beleggingen en de beleggingen op de een of andere wijze
onderworpen zijn aan overheidstoezicht en restricties;
g. het vorderingen op ondernemingen
betreft in de vorm van door de Europese Centrale Bank of een
centrale bank van een lidstaat voorgeschreven door de financiële
onderneming aan te houden minimumreserves; en
h. het overheidsgaranties of door
de overheid herverzekerde garanties betreft die voldoen aan door
de Nederlandsche Bank te stellen regels.
2. Onverminderd de onderdelen a tot en
met g van het eerste lid verleent de Nederlandsche Bank de in de
aanhef van dat lid bedoelde toestemming indien het posities in
aandelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e of f, betreft
waarvoor in een andere lidstaat toestemming tot het gebruik van de
standaardbenadering is verleend.
3. Voor de toepassing van het eerste
lid, aanhef en onderdeel b, worden posities in aandelen als omvangrijk
beschouwd indien de totale waarde ervan, uitgezonderd de in het eerste
lid, onderdeel f, genoemde posities in aandelen in het voorgaande jaar
gemiddeld meer dan tien procent of, indien in minder dan tien
individuele bedrijven een positie in aandelen is opgebouwd, meer dan
vijf procent van het toetsingsvermogen van de financiële onderneming
bedraagt.
Artikel 77
1. De Nederlandsche Bank verleent een
bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid,
op verzoek, toestemming, op verzoek, toestemming verlenen om het
bedrag van de vereiste solvabiliteit voor de positierisico’s met
betrekking tot de handelsportefeuille, bedoeld in artikel 60, eerste
lid, onderdeel b, of voor de valutarisico’s of grondstoffenrisico’s,
bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel c, in afwijking van
artikel 60, tweede lid, te berekenen op basis van interne modellen.
2. De Nederlandsche Bank stelt regels
met betrekking tot interne modellen als bedoeld in het eerste lid en
het gebruik ervan.
Artikel 78
1. De Nederlandsche Bank kan een bank
of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, op
verzoek, toestemming verlenen om het bedrag van de met betrekking tot
het totale bedrijf vereiste solvabiliteit ter dekking van het
operationeel risico, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b,
te berekenen op basis van de geavanceerde benadering die is gebaseerd
op een risicomeetsysteem.
2. Alvorens de Nederlandsche Bank
toestemming verleent voor de toepassing van de geavanceerde
benadering, bedoeld in het eerste lid, valideert de Nederlandsche Bank
het risicomeetsysteem en toetst zij of de:
a. interne validatieprocedures van
de financiële onderneming adequaat functioneren; en
b. datastromen en procedures ten
behoeve van het risicomeetsysteem van de financiële onderneming
doorzichtig en toegankelijk zijn.
3. De Nederlandsche Bank stelt regels
met betrekking tot het risicomeetsysteem en het
risicobeheersingsysteem voor de berekening van de vereiste
solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico.
4. Indien een Nederlandse
EU-moederbeleggingsonderneming of Nederlandse EU-moederbank en haar
dochterondernemingen of de dochterondernemingen van een Nederlandse
financiële EU-moederholding een geavanceerde benadering voor het
operationeel risico centraal toepast, kan de Nederlandsche Bank, op
verzoek, toestaan dat de moederonderneming en haar
dochterondernemingen samen voldoen aan de bij of krachtens dit besluit
gestelde regels met betrekking tot de geavanceerde benadering.
5. De Nederlandsche Bank stelt regels
waaraan het verzoek, bedoeld in het vierde lid, moet voldoen.
Artikel 79
1. Het is een bank of
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, die
eenmaal de geavanceerde benadering gebruikt, niet toegestaan daarna
alsnog de basisindicatorbenadering of standaardbenadering te
gebruiken.
2. De Nederlandsche Bank kan, op
aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het
eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat daarvoor goede redenen
zijn.
3. De Nederlandsche Bank kan, op
verzoek, toestemming verlenen aan een financiële onderneming als
bedoeld in het eerste lid om de geavanceerde benadering in combinatie
met de basisindicatorbenadering of standaardbenadering toe te passen,
indien:
a. deze gecombineerde toepassing
van benaderingen alle operationele risico’s in aanmerking neemt
die de financiële onderneming kan lopen;
b. zij instemt met de methodiek die
de financiële onderneming toepast om de operationele risico’s
van haar verschillende activiteiten, bedrijfsonderdelen,
juridische structuren of andere door haar relevant geachte
factoren in aanmerking te nemen; en
c. wordt voldaan aan de bij of
krachtens dit besluit gestelde regels met betrekking tot de
gebruikte benaderingen.
4. De Nederlandsche Bank kan aan de
toestemming, bedoeld in het derde lid, het voorschrift verbinden dat:
a. op het moment dat de
geavanceerde benadering wordt ingevoerd deze benadering op een
aanzienlijk gedeelte van de operationele risico’s van de
financiële onderneming wordt toegepast; en
b. de financiële onderneming de
geavanceerde benadering over een aanzienlijk gedeelte van haar
activiteiten implementeert overeenkomstig een met de Nederlandsche
Bank overeengekomen tijdschema.
§ 10.3. Kredietrisicovermindering
Bepalingen ter uitvoering van artikel
3:57, tweede lid, van de wet
Artikel 80
Een bank, beleggingsonderneming of
clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste
lid, of 3:61, eerste lid, van de wet die het bedrag van de naar risico
gewogen activa en posten buiten de balanstelling berekent ingevolge
artikel 61 of paragraaf 10.2, waarbij zij geen gebruik maakt van eigen
ramingen van verliezen bij wanbetaling en omrekeningsfactoren, neemt
slechts kredietrisicovermindering in aanmerking bij deze berekening of,
indien van toepassing, bij de berekening van de verwachte verliesposten
ingevolge artikel 92, tweede lid, onderdeel d, of artikel 94, tweede
lid, onderdeel f, indien is voldaan aan artikel 81.
Artikel 81
1. Een zekerheidsregeling wordt slechts
in het kader van kredietrisicovermindering overeengekomen, indien zij
in alle relevante rechtsgebieden rechtsgeldig en afdwingbaar is.
2. Een financiële onderneming als
bedoeld in artikel 80 die leningverstrekkende financiële onderneming
is, neemt alle vereiste maatregelen om de effectiviteit van de
kredietrisicovermindering te waarborgen en de daaraan verbonden risico’s
te beperken.
3. In geval van volgestorte
kredietprotectie worden geen activa in aanmerking genomen die
onvoldoende zekerheid bieden ten aanzien van de protectie van de
activa.
4. Volgestorte kredietprotectie wordt
slechts als kredietrisicovermindering in aanmerking genomen, indien de
leningverstrekkende financiële onderneming het recht heeft om bij in
gebreke blijven, insolventie of faillissement van de debiteur of
indien van toepassing, van de bewaarnemer van de zekerheid of bij een
andere in de desbetreffende overeenkomst vermelde gebeurtenis die
betaling onder de overeenkomst of afwikkeling van de overeenkomst tot
gevolg heeft, de activa die als zekerheid dienen zo spoedig mogelijk
te liquideren of te behouden. De waarde van de activa die als
zekerheid worden gebruikt, mag niet te nauw zijn gekoppeld aan de kans
op wanbetaling van de debiteur.
5. In geval van niet-volgestorte
kredietprotectie mag de verstrekker van de garanties alleen in
aanmerking worden genomen als deze betrouwbaar is en de overeenkomst
tot kredietprotectie in de relevante rechtsgebieden rechtsgeldig en
afdwingbaar is.
6. De Nederlandsche Bank stelt nadere
regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder technieken van
kredietrisicovermindering toelaatbaar zijn en de beperking van de aan
kredietrisicovermindering verbonden risico’s.
Artikel 82
1. Een financiële onderneming als
bedoeld in artikel 80, eerste lid, die kredietrisicovermindering in
aanmerking neemt, past de berekening van de naar risico gewogen activa
en posten buiten de balanstelling en, indien van toepassing, de
berekening van de verwachte verliesposten aan. De Nederlandsche Bank
stelt regels met betrekking tot de aanpassing van deze berekeningen.
2. Het in aanmerking nemen van
kredietrisicovermindering levert geen hoger bedrag van de naar risico
gewogen activa of posten buiten de balanstelling of een hogere
verwachte verliespost op dan het bedrag van de naar risico gewogen
activa of posten buiten de balanstelling onderscheidenlijk de
verwachte verliespost van in alle overige opzichten identieke activa
of posten buiten de balanstelling waarbij geen
kredietrisicovermindering in aanmerking wordt genomen.
3. Indien bij de berekening van het
bedrag van de naar risico gewogen activa en posten buiten de
balanstelling ingevolge artikel 61, of ingevolge een interne
modellenmethode rekening is gehouden met kredietrisicovermindering,
wordt kredietrisicovermindering ingevolge deze paragraaf niet nogmaals
in aanmerking genomen.
§ 10.4. Securitisatie
Bepalingen ter uitvoering van artikel
3:57, tweede lid, van de wet
Artikel 83
Een bank, beleggingsonderneming of
clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste
lid, of 3:61, eerste lid, van de wet berekent het bedrag van naar risico
gewogen posten bij gesecuritiseerde activa en posten buiten de
balanstelling en van naar risico gewogen securitisatieposities op de
wijze, bepaald ingevolge deze paragraaf.
Artikel 84
1.Indien een aanzienlijk deel van het
aan de gesecuritiseerde posten verbonden kredietrisico is overgedragen
door een financiële onderneming als bedoeld in artikel 83 die
initiator is, mag zij:
a. ingeval van een traditionele
securitisatie de door haar gesecuritiseerde posten buiten
beschouwing laten bij de berekening op grond van paragraaf 10.1 of
10.2 van het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten
buiten de balanstelling en, indien van toepassing, van de
verwachte verliesposten;
b. ingeval van een synthetische
securitisatie de naar risico gewogen activa en posten buiten de
balanstelling en, indien van toepassing, de verwachte
verliesposten voor de gesecuritiseerde posten in plaats van op
grond van paragraaf 10.1 of 10.2 berekenen op grond van door de
Nederlandsche Bank te stellen regels.
2.Indien het eerste lid van toepassing
is, berekent de financiële onderneming het bedrag van de naar risico
gewogen securitisatieposities op grond van artikel 85.
3.Indien het eerste lid niet van
toepassing is, berekent de financiële onderneming het bedrag van de
naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling alsof er
geen securitisatie heeft plaatsgevonden.
4.De Nederlandsche Bank stelt regels
met betrekking tot de voorwaarden waaronder de overdracht van het aan
de securitisatieposities verbonden kredietrisico in aanmerking wordt
genomen.
Artikel 85
1. Het bedrag van een naar risico
gewogen securitisatiepositie is gelijk aan de waarde van de
securitisatiepositie vermenigvuldigd met een aan die
securitisatiepositie toegekend risicogewicht. Elke tranche van een
securitisatiepositie geldt daarbij als afzonderlijke
securitisatiepositie.
2. De Nederlandsche Bank stelt, met
inachtneming van het derde tot en met vijfde lid, regels met
betrekking tot het in aanmerking nemen van posten als
securitisatieposities en de aan die securitisatieposities toe te
kennen risicogewichten. Zij maakt daarbij onderscheid tussen gevallen
waarin artikel 61 wordt toegepast voor de berekening van de naar
risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling voor de
categorie waarin de gesecuritiseerde posten op grond van artikel 61,
vijfde lid, onderdeel a, zou zijn ingedeeld en alle overige gevallen.
3. Bij de toekenning van een
risicogewicht aan een securitisatiepositie kan een financiële
onderneming als bedoeld in artikel 83 een kredietbeoordeling van een
door de Nederlandsche Bank of door een toezichthoudende instantie van
een andere lidstaat ingevolge paragraaf 10.5 erkend
kredietbeoordelingsbureau op een consistente wijze gebruiken. De
Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot het gebruik
van een kredietbeoordeling als bedoeld in de vorige volzin.
4. De Nederlandsche Bank kent op een
objectieve en consequente wijze een risicogewicht toe aan
kredietbeoordelingen als bedoeld in het derde lid met inachtneming van
het volgende:
a. zij onderscheidt de relatieve
risicograden waaraan de kredietbeoordeling uitdrukking geeft;
b. zij zorgt ervoor dat aan
securitisatieposities die een gelijkwaardig kredietrisico lopen op
grond van kredietbeoordelingen hetzelfde risicogewicht wordt
toegekend; in voorkomende gevallen past zij de toekenning van een
risicogewicht op grond van kredietbeoordelingen aan een
securitisatiepositie aan.
. Artikel 61a, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 86
1. Indien op een securitisatie van
revolverende vorderingen een vervroegde- aflossingsbepaling van
toepassing is, berekent een financiële onderneming als bedoeld in
artikel 83die initiator is een aanvullende naar risico gewogen post.
2. De Nederlandsche Bank stelt regels
met betrekking tot de berekening van de aanvullende naar risico
gewogen post.
3. De Nederlandsche Bank kan, na
overleg met de relevante toezichthoudende instanties in andere
lidstaten, een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid
toestaan de aanvullende naar risico gewogen post te berekenen op een
wijze die niet wezenlijk afwijkt van de regels, bedoeld in het tweede
lid, indien het een securitisatie betreft:
a. van vorderingen op particulieren
of op kleine of middelgrote ondernemingen die niet zijn toegezegd
en onvoorwaardelijk, zonder opzegtermijn, kunnen worden opgezegd;
en
b. waarbij een kwantitatieve
waarde, die losstaat van het driemaandsgemiddelde van de
overgebleven rentemarge, aanleiding is voor de vervroegde
aflossing.
4. De Nederlandsche Bank maakt openbaar
welke opvattingen en bedenkingen bij het overleg, bedoeld in het derde
lid, door de toezichthoudende instanties zijn geuit.
Artikel 87
1. Indienartikel 84, eerste en tweede
lid, van toepassing is op een financiële onderneming als bedoeld in
artikel 83 of indien een financiële onderneming als bedoeld in
artikel 83 die sponsor is steun verleent aan een securitisatie of
indien een financiële onderneming financiële instrumenten uit haar
handelsportefeuille aan een entiteit voor securitisatiedoeleinden
verkocht heeft, overschrijdt zij niet de grenzen van haar contractuele
verplichtingen teneinde de mogelijke of feitelijke verliezen van de
beleggers te beperken.
2. Indien de financiële onderneming
die initiator of sponsor is bij een securitisatie niet voldoet aan het
eerste lid, dan houdt zij voor alle gesecuritiseerde posten evenveel
toetsingsvermogen aan als noodzakelijk was geweest indien deze posten
niet waren gesecuritiseerd.
3. De financiële onderneming maakt
openbaar dat zij buiten de grenzen van haar contractuele
verplichtingen steun heeft verleend en welke gevolgen dit heeft voor
haar toetsingsvermogen.
Artikel 87a
1. Een bank of beleggingsonderneming
die niet optreedt als initiator, sponsor of oorspronkelijke
kredietverstrekker, staat alleen bloot aan het kredietrisico van een
securitisatiepositie in of buiten de handelsportefeuille indien de
initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker jegens de
bank of beleggingsonderneming expliciet te kennen heeft gegeven om
permanent een materieel netto economisch belang aan te houden van
minimaal vijf procent.
2. Een bank of beleggingsonderneming
die optreedt als sponsor of als initiator maakt aan beleggers bekend
welk netto economisch belang zij in de securitisatie aanhoudt.
3. De Nederlandsche Bank stelt regels
met betrekking tot het aanhouden en meten van het netto economisch
belang, de relevante informatie over de securitisatie die voor
potentiële beleggers beschikbaar moet worden gesteld door als sponsor
en als initiator optredende banken of beleggingsondernemingen alsmede
de verplichtingen die voortvloeien uit de securitisatieposities.
4. Voor het toezicht op geconsolideerde
basis op een Nederlandse EU-moederkredietinstelling, een Nederlandse
EU-moederbeleggingsonderneming of een Nederlandse financiële
EU-moederholding, als bedoeld in artikel 1:1 van de wet stelt de
Nederlandsche Bank nadere regels met betrekking tot het bepaalde in
het eerste lid.
Artikel 87b
1. De Nederlandsche Bank maakt de
algemene criteria en methodieken openbaar op basis waarvan wordt
vastgesteld of is voldaan aan hetgeen in artikel 87a is bepaald.
2. Onverminderd artikel 1:89 van de
wet, maakt de Nederlandsche Bank jaarlijks het resultaat van de
evaluatie en de maatregelen die zijn opgelegd in gevallen dat niet is
voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 87a is bepaald bekend.
§ 10.5. Erkenning van
kredietbeoordelingen van kredietbeoordelingsbureaus en
exportkredietverzekeraars
Artikel 88
1. De Nederlandsche Bank erkent, op
aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, een
kredietbeoordelingsbureau indien het geregistreerd is, bedoeld in
artikel 14, vierde lid, van de verordening (EG) nr. 1060/2009 van het
Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake
ratingbureaus (PbEU L 302).
2. De Nederlandsche Bank stelt een
procedure vast voor de erkenning, bedoeld in het eerste lid, en maakt
deze bekend.
3. Indien een kredietbeoordelingsbureau
niet meer voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid, kan de
Nederlandsche Bank de erkenning intrekken.
4. Indien een toezichthoudende
instantie van een andere lidstaat een kredietbeoordelingsbureau heeft
erkend, erkent de Nederlandsche Bank het kredietbeoordelingsbureau
zonder toetsing.
Artikel 88a
De Nederlandsche Bank erkent, op
aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, de kredietbeoordelingen van
een exportkredietverzekeraar, indien de kredietbeoordelingen voldoen aan
de criteria opgenomen in bijlage VI, deel 1, punt 6, van de herziene
richtlijn banken.
§ 10.6. Samenstelling van het
toetsingsvermogen en de solvabiliteitsmarge
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:57, tweede lid, 3:59, tweede lid, en 3:62, tweede lid, van
de wet
Artikel 89
1. Bij de berekening van het
toetsingsvermogen, bedoeld in de artikelen 90 tot en met 94, of de
aanwezige solvabiliteitsmarge, bedoeld in de artikelen 95 tot en met
98, wordt per afzonderlijke post rekening gehouden met het
voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen. De
vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 91, tweede lid, onderdelen a
tot en met f, of 95, tweede lid, alsmede de waarden die tegenover die
vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen
ter beschikking van de desbetreffende financiële onderneming.
2. De Nederlandsche Bank stelt regels
met betrekking tot:
a. het als toetsingsvermogen of
aanwezige solvabiliteitsmarge in aanmerking nemen van hybride
kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 91, tweede lid,
onderdeel h, die onderdeel kunnen zijn van het kernkapitaal als
bedoeld in artikel 91, tweede lid, onderdeel a en het in
aanmerking nemen van hybride kapitaalinstrumenten die gelijk te
stellen zijn met de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen
92, tweede en derde lid, artikel 95, tweede lid en artikel 96.
b. het als immateriële activa als
bedoeld in de artikelen 91, derde lid, onderdeel c, en 95, derde
lid, onderdeel e, in aanmerking nemen van activa.
Artikel 90
1. Het toetsingsvermogen van een bank,
beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling of
elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid,
3:58, eerste lid, of 3:61, eerste lid, van de wet wordt gevormd door
de som van het overeenkomstig artikel 94, eerste lid, onderdelen a tot
en met c, tweede, derde en vierde lid, in aanmerking te nemen
kernkapitaal en aanvullend kapitaal.
2. In afwijking van het eerste lid kan
de financiële onderneming ervoor kiezen dat haar toetsingsvermogen,
uitsluitend ter dekking van de bedragen, bedoeld in artikel 60, eerste
lid, onderdeel b, voor zover het betreft de vereiste solvabiliteit ter
dekking van de positierisico’s en grote posities, en onderdeel c, en
het vereiste, bedoeld in artikel 60, derde lid, wordt gevormd door de
som van het overeenkomstig artikel 94, in aanmerking te nemen
kernkapitaal, aanvullend kapitaal en overig kapitaal. De bestanddelen
van dit toetsingsvermogen dienen niet tevens ter dekking van andere in
artikel 60, eerste lid, bedoelde bedragen.
3. Het toetsingsvermogen van een
beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten
als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, van de wet wordt gevormd door
de som van het overeenkomstig artikel 94, eerste lid, onderdelen a tot
en met c, in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend kapitaal.
Artikel 91
1. Het kernkapitaal wordt gevormd door
de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in het tweede lid,
verminderd met de waarde van de posten, bedoeld in het derde lid.
2. De voor de bepaling van het
kernkapitaal in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen zijn:
a. de vermogensbestanddelen,
voorzover deze bestanddelen de verliezen bij doorgaande
bedrijfsvoering volledig opvangen en in geval van faillissement of
liquidatie achtergesteld zijn bij alle andere schuldvorderingen en
preferente aandelen;
1°. voor een naamloze of
besloten vennootschap: het geplaatste en volgestorte
aandelenkapitaal, met uitsluiting van preferente aandelen;
2°. voor een vennootschap
onder firma: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen
van de beherende vennoten;
3°. voor een commanditaire
vennootschap: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen
van de beherende vennoten alsmede het gestorte commanditaire
kapitaal;
4°. voor een coöperatie: het
door de leden gestorte of ingelegde kapitaal;
5°. voor een onderneming die
een andere rechtsvorm heeft dan de hierboven genoemde: het
positieve verschil tussen bezittingen en schulden;
b. reserves, met uitsluiting van de
herwaarderingsreserves en, in het geval de financiële onderneming
een initiator van een securitisatie is, met uitsluiting van de
nettowinsten die zijn ontstaan uit de kapitalisatie van
toekomstige inkomsten uit de gesecuritiseerde activa en die als
kredietverbetering voor de securitisatieposities dienen;
c. positieve eindejaarsresultaten
of tussentijdse resultaten beoordeeld door een accountant, voordat
een formeel besluit is genomen omtrent de vaststelling, verminderd
met alle te verwachten lasten en met voorziene
dividenduitkeringen;
d. het fonds ter dekking van
algemene bankrisico’s;
e. het belang van derden, voor
zover het vermogensbestanddelen als bedoeld in dit lid omvat;
f. de negatieve onderdelen van de
herwaarderingsreserves, voor zover ontstaan door
waardeveranderingen van beleggingen in niet-rentedragende waarden;
g. negatieve tussentijdse
resultaten of eindejaarsresultaten; en
h. vermogensbestanddelen die
voldoen aan artikel 91a.
3. De voor de bepaling van het
kernkapitaal in aanmerking te nemen posten zijn:
a. reserves, voor zover ontstaan
door ongerealiseerde resultaten op de eigen kredietwaardigheid van
de financiële onderneming;
b. de boekwaarde van de door de
financiële onderneming uitgegeven effecten en van afgeleide
financiële instrumenten op door de financiële onderneming
uitgegeven effecten, voor zover het vermogensbestanddelen als
bedoeld in het tweede lid omvat;
c. immateriële activa;
d. reserves, voor zover ontstaan
door nog niet tot het resultaat gerekende waardeveranderingen van
afdekkingstransacties; en
e. in geval van een financiële
onderneming die artikel 90, tweede lid, toepast, of een beheerder
van een instelling voor collectieve belegging in effecten, de
volgende niet-liquide activa:
1°. materiële vaste activa
andere dan terreinen en gebouwen die in aanmerking genomen
kunnen worden tegenover de leningen waarvoor zij als zekerheid
dienen;
2°. de posten, bedoeld in
artikel 94, tweede lid, aanhef en onderdelen a tot en met e,
waarbij het vijfde tot en met zevende lid van dat artikel van
overeenkomstige toepassing zijn;
3°. niet onmiddellijk
verhandelbare deelnemingen en andere beleggingen in
ondernemingen die geen entiteit voor risico-acceptatie,
financiële instelling, bank of verzekeraar zijn;
4°. tekorten bij
dochterondernemingen;
5°. deposito’s, uitgezonderd
deposito’s die binnen negentig dagen opvraagbaar zijn of
margebetalingen in verband met rechten op overdracht op
termijn van goederen en optiecontracten;
6°. leningen en andere
verschuldigde bedragen, die niet binnen negentig dagen hoeven
worden afgelost; en
7°. fysieke voorraden.
Artikel 91a
1. De vermogensbestanddelen, bedoeld in
artikel 91, tweede lid, onderdeel h, voldoen aan de volgende
vereisten:
a. de vermogensbestanddelen hebben
geen vervaldatum of hebben een oorspronkelijke looptijd van ten
minste dertig jaar;
b. de vermogensbestanddelen kunnen
een of meer, uitsluitend naar het oordeel van de uitgevende
financiële onderneming uit te oefenen callopties omvatten, maar
worden ten vroegste vijf jaar na de datum van uitgifte afgelost;
c. als de bepalingen die voor
vermogensbestanddelen zonder vervaldatum gelden, voorzien in een
gematigde, door de Nederlandsche Bank te beoordelen
aflossingsprikkel voor de financiële onderneming, mag die prikkel
zich ten vroegste tien jaar na datum van uitgifte voordoen; en
d. de bepalingen die voor
vermogensbestanddelen met vervaldatum gelden, staan niet toe dat
van vermogensbestanddelen een prikkel tot aflossing op een andere
datum dan de vervaldatum uitgaat.
2. Onverminderd het eerste lid, voldoen
de vermogensbestanddelen bedoeld in artikel 91, tweede lid, onderdeel
h, aan de volgende vereisten:
a. de financiële onderneming heeft
de mogelijkheid de uitkering van rente of dividend zo nodig voor
onbepaalde tijd en op niet-cumulatieve basis te staken;
b. de financiële onderneming
staakt rente of dividenduitkeringen, als zij niet voldoet aan de
kapitaalvereisten van artikel 60, eerste lid;
c. het staken van de uitkering van
rente of dividend doet geen afbreuk aan het recht van de
financiële onderneming om de rente- of dividenduitkering te
vervangen door een voldoening in de vorm van een
vermogensbestanddeel dat voldoet aan de vereisten van artikel 91,
tweede lid, onderdeel a, mits de financiële onderneming daardoor
financiële middelen kan behouden. De Nederlandsche Bank kan aan
die vervanging voorwaarden verbinden; en
d. vermogensbestanddelen met, zowel
als zonder vervaldatum, kunnen alleen met voorafgaande toestemming
van de Nederlandsche Bank worden afgelost of ingekocht. De
Nederlandsche Bank kan deze toestemming verlenen mits het op
verzoek van de financiële onderneming wordt gedaan en noch de
financiële positie noch de solvabiliteitspositie van de
financiële onderneming al te zeer wordt aangetast. De
Nederlandsche Bank kan van de financiële onderneming verlangen
dat zij de vermogensbestanddelen vervangen door direct uitgegeven
vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 91, tweede lid,
onderdelen a en h, van dezelfde of betere kwaliteit.
3. De Nederlandsche Bank verlangt dat
de aflossing van vermogensbestanddelen met vervaldatum wordt
opgeschort als de financiële onderneming niet aan de
kapitaalsvereisten van artikel 60 voldoet en kan verlangen dat
aflossing op andere tijdstippen wordt opgeschort op grond van de
financiële positie en solvabiliteitspositie van de financiële
onderneming.
4. De Nederlandsche Bank kan te allen
tijde toestemming verlenen voor een vroegtijdige aflossing van
vermogensbestanddelen ingeval de toepasselijke fiscale behandeling of
indeling van deze vermogensbestanddelen volgens de regelgeving een
wijziging ondergaat die bij uitgifte niet was voorzien.
5. De Nederlandsche Bank kan verlangen
dat de uitkering van rente of dividend op grond van de financiële
positie en de solvabiliteitspositie van de financiële onderneming
wordt gestaakt.
6. De hoofdsom en niet uitgekeerde
rente of dividend kunnen eventuele verliezen opvangen en vormen geen
belemmering voor de herkapitalisatie van de financiële onderneming.
7. Bij het faillissement of de
liquidatie van de financiële onderneming zijn de
vermogensbestanddelen achtergesteld bij de in artikel 92, tweede lid,
onderdeel b, bedoelde vermogensbestanddelen.
8. De Nederlandsche Bank stelt nadere
regels met betrekking tot de vermogensbestanddelen als bedoeld in
artikel 91, tweede lid, onderdeel h.
Artikel 92
1. Het aanvullend kapitaal wordt
gevormd door het hoger aanvullend kapitaal en het lager aanvullend
kapitaal.
2. Het hoger aanvullend kapitaal wordt
gevormd door de waarde van:
a. de herwaarderingsreserves, voor
zover niet reeds verwerkt in artikel 91, tweede lid, onderdeel f,
en voor zover niet ontstaan door nog niet tot het resultaat
gerekende waardeveranderingen van afdekkingstransacties of door
waardering van rentedragende waarden tegen de actuele waarde;
b. het gestorte deel op
schuldtitels met onbepaalde looptijd en andere
financieringsinstrumenten indien:
1°. aflossing slechts
plaatsvindt indien de Nederlandsche Bank daartoe, op verzoek
van de financiële onderneming, instemming verleent;
2°. de schuldovereenkomst
bepaalt dat de financiële onderneming de rentebetaling over
de schuld mag uitstellen;
3°. de documenten inzake de
uitgifte van de schuldtitels bepalen dat schuld en niet
betaalde rente kunnen worden gebruikt om verliezen op te
vangen, terwijl de financiële onderneming haar werkzaamheden
kan voortzetten; en
4°. de vorderingen van de
crediteur volledig achtergesteld zijn bij die van alle
niet-achtergestelde crediteuren;
c. cumulatief preferente aandelen
met onbepaalde looptijd, voor zover deel uitmakend van het
gestorte kapitaal;
d. het verschil, indien positief,
van de som van de waardeaanpassingen en voorzieningen die
samenhangen met de verwachte verliesposten in verband met de
activa en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 71,
eerste lid, onderdelen a tot en met d, en de som van die verwachte
verliesposten berekend ingevolgeartikel 75, eerste lid, onderdelen
a en c, indien de financiële onderneming paragraaf 10.2 toepast
en dit verschil in aanmerking genomen wordt tot ten hoogste 0,6
procent van het totaal van de naar risico gewogen activa en posten
buiten de balanstelling, met dien verstande dat bij de berekening
van de naar risico gewogen activa en posten buiten de
balanstelling niet de securitisatieposities waaraan een
risicogewicht van 1250 procent is toegekend in aanmerking worden
genomen; de waardeaanpassingen en voorzieningen worden slechts op
grond van dit onderdeel als toetsingsvermogen van de financiële
onderneming in aanmerking genomen; en
e. het belang van derden, voor
zover het vermogensbestanddelen als bedoeld in dit lid omvat.
3. Het lager aanvullend kapitaal wordt
gevormd door de waarde van:
a. aansprakelijkheidsverplichtingen
van leden, indien het een coöperatie betreft, te weten het niet
gestorte kapitaal en statutaire verplichtingen van die leden tot
het doen van aanvullende niet-aflosbare stortingen bij verlies,
indien die stortingen in dat geval onmiddellijk gevorderd kunnen
worden;
b. preferente en cumulatief
preferente aandelen met een vaste looptijd, voor zover deel
uitmakend van het gestorte kapitaal;
c. het gestorte deel op langlopende
achtergestelde leningen indien:
1°. de vorderingen van de
crediteur, voor zover het de terugbetaling van het
leningbedrag betreft, volledig achtergesteld zijn bij die van
alle andere crediteuren;
2°. de achtergestelde lening
een vaste looptijd van oorspronkelijk ten minste vijf jaar of,
indien de looptijd onbepaald is, een opzeggingstermijn van ten
minste vijf jaar heeft;
3°. vervroegde aflossing
slechts plaatsvindt indien de Nederlandsche Bank daartoe, op
verzoek van de financiële onderneming, besluit;
4°. de hoogte tot welke de
achtergestelde lening in aanmerking kan worden genomen als
lager aanvullend kapitaal lineair wordt verlaagd gedurende ten
minste de vijf jaar die voorafgaan aan de datum van de
aflossing; en
5°. de leningovereenkomst geen
bepaling bevat op grond waarvan de achtergestelde lening voor
het einde van de looptijd, anders dan bij liquidatie, moet
worden afgelost; en
d. het belang van derden, voor
zover het vermogensbestanddelen als bedoeld in dit lid omvat.
Artikel 93
Het overig kapitaal wordt gevormd door de
waarde van het gestorte deel op kortlopende achtergestelde leningen
indien:
a. de achtergestelde lening een
looptijd heeft van oorspronkelijk ten minste twee jaar;
b. de leningovereenkomst geen
bepaling bevat op grond waarvan de achtergestelde lening voor het
einde van de looptijd, anders dan bij liquidatie, moet worden
afgelost, tenzij de Nederlandsche Bank daartoe, op verzoek van de
financiële onderneming, besluit; en
c. op de achtergestelde lening,
indien het toetsingsvermogen minder dan 120 procent bedraagt van de
minimumomvang van het toetsingsvermogen, bedoeld in artikel 60, niet
wordt afgelost, tenzij de financiële onderneming hiervan kennis
geeft aan de Nederlandsche Bank.
Artikel 94
1. Voor de toepassing van de artikelen
90 tot en met 93:
a. wordt het kernkapitaal volledig
voor de berekening van het toetsingsvermogen in aanmerking
genomen;
b. wordt het aanvullend kapitaal
voor de berekening van het toetsingsvermogen slechts in aanmerking
genomen voor zover het niet meer bedraagt dan het kernkapitaal;
c. wordt het lager aanvullend
kapitaal voor de berekening van het toetsingsvermogen slechts in
aanmerking genomen voor zover het niet meer bedraagt dan vijftig
procent van het kernkapitaal;
d. wordt het overig kapitaal voor
de berekening van het toetsingsvermogen in aanmerking genomen voor
zover het niet meer bedraagt dan tweehonderdvijftig procent van
het kernkapitaal dat in aanmerking komt ter dekking van deze
bedragen en dat vereiste;
e. wordt het aanvullend kapitaal,
vermeerderd met het overig kapitaal, voor de berekening van het
toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen voor zover het
niet meer bedraagt dan het kernkapitaal; en
f. mag, indien wordt voldaan aan de
onderdelen b, c en e, voor de berekening van het toetsingsvermogen
het overig kapitaal worden gesubstitueerd door aanvullend
kapitaal.
2. Het ingevolge het eerste lid als
toetsingsvermogen in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend
kapitaal van een bank, beleggingsonderneming, betaalinstelling,
clearinginstelling of elektronischgeldinstelling als bedoeld in
artikel 90, eerste lid, worden beide verminderd met de helft van de
som van de waarde van:
a. aandelen die een belang van meer
dan tien procent vertegenwoordigen van het geplaatste
aandelenkapitaal van een financiële instelling of bank;
b. indien de bank,
beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling of
elektronischgeldinstelling een belang als bedoeld in onderdeel a
aanhoudt, de achtergestelde leningen en de posten, bedoeld in
artikel 92, tweede lid, onderdelen b en c, en derde lid,
onderdelen b en c, die tot het toetsingsvermogen van de
financiële instelling of bank gerekend worden;
c. aandelen die een belang van tien
procent of minder vertegenwoordigen van het geplaatste
aandelenkapitaal van een financiële instelling of bank,
achtergestelde leningen en posten, bedoeld in artikel 92, tweede
lid, onderdelen b en c, en derde lid, onderdelen b en c, die tot
het toetsingsvermogen van andere dan de in onderdeel b bedoelde
financiële instellingen of banken gerekend worden, voor zover de
waarde tien procent van het in aanmerking te nemen
toetsingsvermogen van de bank, beleggingsonderneming,
betaalinstelling, clearinginstelling of elektronischgeldinstelling
zonder toepassing van dit lid overstijgt, en indien de genoemde
posten deel uitmaken van de handelsportefeuille van de bank,
beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling of
elektronischgeldinstelling voor zover de waarde per individuele
financiële instelling of bank tien procent van het in aanmerking
te nemen toetsingsvermogen van de bank, beleggingsonderneming,
betaalinstelling, clearinginstelling of elektronischgeldinstelling
zonder toepassing van dit lid overstijgt;
d. deelnemingen als bedoeld in
artikel 3:268, eerste lid, onderdeel b, van de wet in een entiteit
voor risico-acceptatie of verzekeraar;
e. indien de bank,
beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling of
elektronischgeldinstelling een deelneming als bedoeld in onderdeel
d aanhoudt, de posten, bedoeld in artikel 96, die tot de
solvabiliteitsmarge van de entiteit voor risico-acceptatie of
verzekeraar worden gerekend;
f. indien de financiële
onderneming voor de berekening van de naar risico gewogen activa
en posten buiten de balanstelling ingevolge paragraaf 10.2 een
interne modellenmethode toepast:
1°. het verschil, indien
negatief, van de som van de waardeaanpassingen en
voorzieningen die samenhangen met de verwachte verliesposten
in verband met de activa en posten buiten de balanstelling,
bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met d,
en de som van die verwachte verliesposten, berekend
ingevolgeartikel 75, eerste lid, onderdelen a en c;
2°. de verwachte verliesposten
in verband met posities in aandelen, bedoeld in artikel 71,
eerste lid, onderdeel e, berekend ingevolge artikel 75, eerste
lid, onderdeel a of b; en
g. de vorderingen bij
securitisatieposities waaraan ingevolge artikel 85, tweede lid,
een risicogewicht van 1250 procent wordt toegekend, voor zover
deze niet in aanmerking zijn genomen in de berekening van de naar
risico gewogen activa en posten buiten de balansstelling, bedoeld
in artikel 85 en de vorderingen bij securitisatieposities in de
handelsportefeuille die, als ze in de niet-handelsportefeuille van
dezelfde financiële ondernemingen zaten, een risicogewicht van
1250 procent zouden krijgen.
3. In afwijking van het tweede lid
worden het als toetsingsvermogen in aanmerking te nemen kernkapitaal
en aanvullend kapitaal van de financiële onderneming die artikel 90,
tweede lid, toepast, verminderd met de helft van de som van de waarde
van de posten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen f en g.
4. Indien de helft van de som van de
waarde van de bestanddelen, bedoeld in het tweede lid, meer bedraagt
dan het als toetsingsvermogen in aanmerking te nemen aanvullend
kapitaal, wordt het verschil in mindering gebracht op het als
toetsingsvermogen in aanmerking te nemen kernkapitaal.
5. De Nederlandsche Bank kan, op
verzoek, besluiten dat de financiële onderneming, bedoeld in het
tweede lid, aanhef, al dan niet voor bepaalde tijd, haar als
toetsingsvermogen in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend
kapitaal niet hoeft te verminderen met de waarde van de in het tweede
lid bedoelde posten indien het belang in de entiteit voor
risico-acceptatie, financiële instelling, bank, verzekeraar of
verzekeringsholding, of de door deze financiële ondernemingen
uitgegeven achtergestelde leningen of overige posten tijdelijk worden
gehouden met het oog op een financiële bijstandsoperatie, bedoeld om
die financiële onderneming te saneren of te redden.
6. De financiële onderneming, bedoeld
in het tweede lid, aanhef, kan, in plaats van de vermindering met de
waarde van de posten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen d en e, de
methodes 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage B van het Besluit prudentieel
toezicht financiële groepen Wft op overeenkomstige wijze toepassen,
met dien verstande dat methode 1 uitsluitend kan worden toegepast
indien de Nederlandsche Bank, op verzoek, heeft besloten dat haar dat
is toegestaan. De Nederlandsche Bank besluit hiertoe indien het
geïntegreerd beheer en de interne controle van de in de consolidatie
te betrekken ondernemingen voldoende zijn.
7. Indien op de financiële
onderneming, bedoeld in de aanhef van het tweede lid, toezicht op
geconsolideerde basis ingevolge afdeling 3.6.2 van de wet of
prudentieel toezicht op financiële conglomeraten ingevolge afdeling
3.6.4 van de wet wordt gehouden, hoeft zij haar als toetsingsvermogen
in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend kapitaal niet te
verminderen met de waarde van de in het tweede lid bedoelde posten die
worden gehouden in een financiële instelling, bank, verzekeraar of
verzekeringsholding die in dat geconsolideerde toezicht of prudentieel
toezicht op financiële conglomeraten wordt betrokken.
8. De Nederlandsche Bank kan op verzoek
besluiten dat het een bank of beleggingsonderneming is toegestaan de
limieten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, en het negende
lid in noodsituaties tijdelijk te overschrijden.
9. Voor de toepassing van artikel 91,
tweede lid, onderdeel h, gelden de volgende limieten:
a. vermogensbestanddelen die in
noodsituaties als bedoeld in het achtste lid, binnen een vooraf
bepaalde marge geconverteerd moeten worden en op initiatief van de
Nederlandsche Bank in het licht van de financiële en
solvabiliteitssituatie van de bank of beleggingsonderneming te
allen tijde geconverteerd mogen worden in vermogensbestanddelen
als bedoeld in artikel 91, tweede lid, onderdeel a, mogen tezamen
niet meer bedragen dan vijftig procent van de som van de
vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 91, tweede lid,
onderdelen a tot en met e en h, verminderd met de som van de
vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 91, tweede lid,
onderdelen f en g en het derde lid;
b. binnen de limiet, bedoeld in
onderdeel a, bedragen alle andere vermogensbestanddelen tezamen
niet meer dan 35 procent van de som van de vermogensbestanddelen
genoemd in artikel 91, tweede lid, onderdelen a tot en met e en h
verminderd met de som van de vermogensbestanddelen bedoeld in
artikel 91, tweede lid, onderdelen f en g en het derde lid;
c. binnen de limieten, bedoeld in
de onderdelen a en b bedraagt de som van vermogensbestanddelen met
bepaalde looptijd en vermogensbestanddelen waarvan de bepalingen
een aflossingsprikkel voor de bank en beleggingsonderneming
bevatten, niet meer dan vijftien procent van de
vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 91, tweede lid,
onderdelen a tot en met e en h, verminderd met de som van de
vermogensbestanddelen bedoeld in artikel 91, tweede lid,
onderdelen f en g en het derde lid;
d. voor het bedrag van de
vermogensbestanddelen dat uitkomt boven de limieten bedoeld in de
onderdelen a, b en c, van dit lid, geldt de limiet, bedoeld
inartikel 94, eerste lid, onderdelen b en c.
Artikel 95
1. De aanwezige solvabiliteitsmarge van
een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste
of tweede lid, of 3:61, eerste of tweede lid, van de wet wordt gevormd
door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in het tweede
lid, verminderd met de waarde van de posten, bedoeld in het derde lid.
2. De vermogensbestanddelen, bedoeld in
het eerste lid, zijn:
a. het gestorte aandelenkapitaal of
waarborgkapitaal, indien van toepassing vermeerderd met de
ledenrekeningen indien:
1°. de ledenrekeningen
statutair een achtergesteld karakter hebben;
2°. de statuten bepalen dat
vanaf de ledenrekeningen slechts betalingen aan de leden
plaatsvinden indien daardoor de solvabiliteitsmarge niet daalt
beneden het minimumbedrag, dan wel indien bij liquidatie van
de verzekeraar alle andere schulden zijn voldaan;
3°. de statuten bepalen dat
elke betaling vanaf de ledenrekeningen voor andere doeleinden
dan voor de individuele opzegging van het lidmaatschap niet
eerder plaatsvindt dan dertig dagen na kennisgeving ervan aan
de Nederlandsche Bank; de Nederlandsche Bank kan besluiten dat
een voorgenomen betaling niet mag plaatsvinden; en
4°. de statutaire bepalingen
met betrekking tot de ledenrekeningen slechts kunnen worden
gewijzigd indien de Nederlandsche Bank daartoe, op verzoek,
besluit;
b. de reserves, waaronder de
herwaarderingsreserves voor zover deze niet zijn ontstaan door nog
niet tot het resultaat gerekende waardeveranderingen van
afdekkingstransacties;
c. de onverdeelde winst, verminderd
met uit te keren dividenden; en
d. het negatieve verschil tussen de
uitkomst van de netto-vermogensmutatiemethode en de uitkomst van
de vermogensmutatiemethode of de kostprijs van belangen in
dochtermaatschappijen, in deelnemingen in maatschappijen waarin de
verzekeraar invloed van betekenis uitoefent op het zakelijke en
financiële beleid en in rechtspersonen waarin wordt deelgenomen
volgens een onderlinge regeling tot samenwerking.
3. De posten, bedoeld in het eerste
lid, zijn:
a. de reserves, voor zover ontstaan
door ongerealiseerde resultaten op de eigen kredietwaardigheid van
de verzekeraar;
b. de egalisatiereserve voor de
branche Krediet, bedoeld in artikel 114, tweede lid;
c. het onverdeelde verlies;
d. de boekwaarde van de door de
verzekeraar uitgegeven effecten en van afgeleide financiële
instrumenten op door de verzekeraar uitgegeven effecten, voor
zover het vermogensbestanddelen als bedoeld in het tweede lid
omvat;
e. immateriële activa;
f. deelnemingen als bedoeld in
artikel 3:268, eerste lid, onderdeel b, van de wet in een
beleggingsonderneming, financiële instelling, bank, verzekeraar
of verzekeringsholding als bedoeld in artikel 3:268, eerste lid,
onderdeel j, van de wet; en
g. indien de verzekeraar een
deelneming als bedoeld in onderdeel f aanhoudt: de posten, bedoeld
in de artikelen 92, tweede lid, onderdelen b en c, en derde lid,
onderdelen b en c, en 96, die tot de solvabiliteitsmarge dan wel
het toetsingsvermogen van de financiële onderneming, bedoeld in
onderdeel f, worden gerekend.
4. De Nederlandsche Bank kan, op
verzoek, besluiten dat een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid,
al dan niet voor bepaalde tijd, zijn aanwezige solvabiliteitsmarge
niet hoeft te verminderen met de waarde van de posten, bedoeld in het
derde lid, onderdelen f en g, indien deze posten tijdelijk worden
gehouden met het oog op een financiële bijstandsoperatie, bedoeld om
de financiële onderneming, bedoeld in het derde lid, onderdeel f, te
saneren of te redden.
5. Een verzekeraar als bedoeld in het
eerste lid kan, in plaats van de vermindering met de waarde van de
posten, bedoeld in het derde lid, onderdelen f en g, de methodes 1, 2
of 3, bedoeld in bijlage A of B, van het Besluit prudentieel toezicht
financiële groepen Wft op overeenkomstige wijze toepassen, met dien
verstande dat methode 1 uitsluitend kan worden toegepast indien de
Nederlandsche Bank, op verzoek, heeft besloten dat hem dat is
toegestaan. De Nederlandsche Bank besluit hiertoe indien het
geïntegreerd beheer en de interne controle van de in de consolidatie
te betrekken ondernemingen voldoende zijn.
Artikel 96
De aanwezige solvabiliteitsmarge, bedoeld
in artikel 95, eerste lid, wordt tevens gevormd door de waarde van:
a. cumulatief preferente aandelen;
b. het gestorte deel op
achtergestelde leningen indien is voldaan aan de voorwaarden,
bedoeld in artikel 92, derde lid, onderdeel c, onder 1° tot en met
5°, en de leningovereenkomst slechts gewijzigd kan worden indien de
Nederlandsche Bank daartoe, op verzoek, besluit; en
c. het gestorte deel op schuldtitels
met onbepaalde looptijd en andere financieringsinstrumenten indien
aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 92, tweede lid, onderdeel b,
onder 1° tot en met 4°, is voldaan.
Artikel 97
1. De Nederlandsche Bank kan er, op
verzoek, mee instemmen dat de verzekeraar bij de berekening van de
aanwezige solvabiliteitsmarge, bedoeld in artikel 95, eerste lid,
tevens de waarde betrekt van:
a. meerwaarden in verband met de
onderwaardering van activa of overwaardering van de technische
voorzieningen ingevolgeartikel 121, vierde lid;
b. suppletiebijdragen die een
onderlinge waarborgmaatschappij die het bedrijf van herverzekeraar
die zijn bedrijf uitoefent in de activiteit schadeherverzekering,
natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar uitoefent, tijdens
het boekjaar krachtens de statuten van haar leden kan eisen tot
maximaal vijftig procent van het verschil tussen de
maximumbijdragen en de werkelijk gevorderde bedragen; of
c. de helft van het geplaatste,
niet-gestorte kapitaal of van het in aandelen verdeeld
waarborgkapitaal indien van het geplaatste kapitaal minimaal 25
procent is gestort.
2. De Nederlandsche Bank stelt nadere
regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder de
suppletiebijdragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bij de
berekening kunnen worden betrokken.
Artikel 98
1. Voor de toepassing van de artikelen
95 tot en met 97 ten aanzien van herverzekeraars, levensverzekeraars
en schadeverzekeraars:
a. wordt de waarde van de
vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 95, tweede lid,
verminderd met de waarde van de posten, bedoeld in artikel 95,
derde lid, volledig voor de berekening van de aanwezige
solvabiliteitsmarge in aanmerking genomen;
b. wordt de waarde van de
vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 96 en 97, voor
zover het niet betreft de meerwaarden in verband met de
onderwaardering van activa of overwaardering van de technische
voorzieningen ingevolgeartikel 121, vierde lid, voor de berekening
van de aanwezige solvabiliteitsmarge gezamenlijk slechts in
aanmerking genomen voor zover deze niet meer bedraagt dan vijftig
procent van het totaal van de aanwezige solvabiliteitsmarge of het
minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, naar gelang welk bedrag het
laagst is; en
c. wordt de waarde van de
vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 96, onderdelen a en b,
met een vaste looptijd voor de berekening van de aanwezige
solvabiliteitsmarge gezamenlijk slechts in aanmerking genomen voor
zover deze niet meer bedragen dan 25 procent van het totaal van de
aanwezige solvabiliteitsmarge of het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge, naar gelang welk bedrag het laagst is.
2. Voor de toepassing van de artikelen
95 tot en met 97 ten aanzien van natura-uitvaartverzekeraars:
a. wordt de waarde van de
vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 95, tweede lid,
verminderd met de waarde van de posten, bedoeld in artikel 95,
derde lid, volledig voor de berekening van de aanwezige
solvabiliteitsmarge in aanmerking genomen;
b. wordt de waarde van de
vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 96 en 97, eerste
lid, onderdeel b, voor de berekening van de aanwezige
solvabiliteitsmarge gezamenlijk slechts in aanmerking genomen voor
zover deze niet meer bedraagt dan vijftig procent van het
minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge; en
c. wordt de waarde van de
vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 96, onderdelen a en b,
met een vaste looptijd voor de berekening van de aanwezige
solvabiliteitsmarge gezamenlijk slechts in aanmerking genomen voor
zover deze niet meer bedraagt dan 25 procent van het minimumbedrag
aan solvabiliteitsmarge.
3. Voor de berekening van de aanwezige
solvabiliteitsmarge van een herverzekeraar die zijn bedrijf uitoefent
in de activiteit levensherverzekering, levensverzekeraar of
natura-uitvaartverzekeraar wordt niet meegerekend het positieve
verschil tussen de gedisconteerde technische voorzieningen die niet
worden gedekt door rentedragende beleggingen met dezelfde looptijd,
berekend met een voorzichtige vaste disconteringsvoet en met de
disconteringsvoet die is gebruikt voor de toets, bedoeld in artikel
121, tweede lid, tenzij hiermee reeds rekening gehouden is in de
balanswaardering van de technische voorzieningen. De Nederlandsche
Bank stelt de voorzichtige vaste disconteringsvoet vast.
4. Voor de berekening van de aanwezige
solvabiliteitsmarge van een herverzekeraar die zijn bedrijf uitoefent
in de activiteit schadeherverzekering of schadeverzekeraar, die
overeenkomstig artikel 121, tweede lid, de toets naar de
toereikendheid van de balanswaarde van de voorzieningen uitvoert,
wordt niet meegerekend het positieve verschil tussen de uitkomst van
de toets zonder discontering en de balanswaarde van de technische
voorzieningen, bedoeld in artikel 121, vierde lid, voor alle
verplichtingen die geen verband houden met de branches Ongevallen en
Ziekte en die niet resulteren in periodieke uitkeringen. Het derde lid
is van overeenkomstige toepassing op de in de toets naar de
toereikendheid van de balanswaarde van de voorzieningen betrokken
verplichtingen die verband houden met de branches Ongevallen en Ziekte
of die resulteren in periodieke uitkeringen.
Artikel 99
1. De artikelen 89, 95, 96, 97, eerste
lid, voor zover dit lid niet de meerwaarden op grond van
winstverwachtingen betreft, en 98, eerste, derde en vierde lid, zijn
van overeenkomstige toepassing op het garantiefonds van een
herverzekeraar, levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar als
bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste of tweede lid, 3:61,
eerste lid, onderscheidenlijk 3:62, eerste of tweede lid, van de wet.
2. De artikelen 89, 95 tot en met 97 en
98, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het
garantiefonds van een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in
artikel 3:57, eerste lid, of 3:61, eerste of tweede lid, van de wet.
Artikel 100
1.De artikelen 89, 95 tot en met 97,
98, eerste, derde en vierde lid, en 99, zijn van overeenkomstige
toepassing op bijkantoren als bedoeld in artikel 3:59, eerste lid, van
de wet.
2.De artikelen 89, 95 tot en met 97,
98, tweede en derde lid, en 99, zijn van overeenkomstige toepassing op
bijkantoren als bedoeld in artikel 3:62, eerste lid, van de wet.
§ 10.7. De waarden die dienen tot
dekking van het garantiefonds en het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:59, tweede lid, en 3:62, tweede lid, van de wet
Artikel 101
1. De waarden die dienen tot dekking
van het garantiefonds van een bijkantoor als bedoeld in artikel 3:59,
eerste lid, of 3:62, eerste lid, van de wet zijn aanwezig in
Nederland.
2. De waarden die dienen tot dekking
van het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van een bijkantoor als
bedoeld in het eerste lid zijn aanwezig in één of meer lidstaten.
§ 10.8. Aanhouden van balansposten en
posten buiten de balanstelling
Bepalingen ter uitvoering van artikel
3:57, zesde lid, van de wet
Artikel 102
1. De waarde van de grote posities van
een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:57, zesde
lid, of 3:58, eerste lid, van de wet of van een clearinginstelling als
bedoeld in artikel 3:57, zesde lid, of 3:61, eerste lid, van de wet,
is met inachtneming van de kredietrisicolimitering, ten aanzien van
een wederpartij of groep van verbonden wederpartijen niet groter dan
25 procent van haar toetsingsvermogen.
2. Indien de wederpartij een bank of
beleggingsonderneming is als bedoeld in het eerste lid of wanneer een
groep van verbonden wederpartijen een of meer banken of
beleggingsondernemingen als bedoeld in het eerste lid omvat, kan deze
waarde niet meer bedragen dan 25 procent van het toetsingsvermogen van
de bank of beleggingsonderneming of€ 150 miljoen, naargelang welk
bedrag het hoogst is, voor zover de som van de waarde van de posities,
met inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering,
jegens alle verbonden wederpartijen die geen bank of
beleggingsonderneming zijn, niet meer bedraagt dan 25 procent van het
toetsingsvermogen van de bank of beleggingsonderneming.
3. Indien het bedrag van € 150
miljoen groter is dan 25 procent van het toetsingsvermogen van de bank
of beleggingsonderneming, mag de waarde van de grote positie, met
inachtneming van het effect van de kredietrisicolimitering, een
redelijke limiet, gelet op het toetsingsvermogen van de bank of
beleggingsonderneming, bedoeld in het eerste lid, niet te boven gaan.
Deze limiet wordt door de bank of beleggingsonderneming bepaald
overeenkomstig het door haar gevoerde beleid ten aanzien van het
beheersen van concentratierisico’s, maar mag niet groter zijn dan
honderd procent van haar toetsingsvermogen.
4. Het tweede en het derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing op posities die worden gehouden in
geregistreerde gedekte obligaties.
5. De Nederlandsche bank stelt
aanvullende regels vast omtrent posities die zijn uitgezonderd van de
toepassing van het eerste, tweede en derde lid.
6. Voor de toepassing van dit artikel
is de waarde van een actief gelijk aan de balanswaarde en is de waarde
van een post buiten de balanstelling gelijk aan de actuele waarde. De
Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot de
waardering van activa en posten buiten de balanstelling voor de
toepassing van dit artikel, het geheel of gedeeltelijk niet in
aanmerking nemen van bepaalde activa of posten buiten de balanstelling
voor de toepassing van dit artikel en het toepassen van
risicogewichten op bepaalde activa en posten buiten de balanstelling.
7. De financiële onderneming geeft de
Nederlandsche Bank onverwijld kennis van een overschrijding van een
limiet als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid. De
Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten dat het een bank of
beleggingsonderneming voor een beperkte duur is toegestaan een limiet
te overschrijden of in het geval de limiet van€ 150 miljoen bedoeld
in het derde lid van toepassing is, in een uitzonderlijk geval
toestaan dat de limiet van honderd procent van het eigen vermogen van
de bank wordt overschreden. De Nederlandsche Bank stelt regels met
betrekking tot de voorwaarden waaronder zij een overschrijding
toestaat. Zij kan daarbij bepalen dat de eerste volzin van dit lid
niet van toepassing is.
Artikel 103
1. De waarde van de onroerende zaken,
bedrijfsmiddelen, deelnemingen in ondernemingen die geen financiële
ondernemingen zijn, en kredieten aan ondernemingen die geen
financiële ondernemingen zijn, indien daarin deelnemingen worden
gehouden, verminderd met de waarde van eventueel gestelde zekerheden,
van een bank als bedoeld in artikel 3:57, zesde lid, of 3:58, eerste
lid, van de wet of van een clearinginstelling als bedoeld in artikel
3:57, zesde lid, of 3:61, eerste lid, van de wet bedraagt niet meer
dan haar toetsingsvermogen, verminderd met het overig kapitaal,
bedoeld in artikel 93.
2. Onverminderd het eerste lid,
bedraagt de waarde van onroerende zaken van een financiële
onderneming als bedoeld in het eerste lid, anders dan voor eigen
gebruik, niet meer dan 25 procent van haar toetsingsvermogen.
3. Voor de toepassing van het tweede
lid kan een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid:
a. een onroerende zaak die zij
volgens een huurcontract heeft verhuurd, waarderen tegen de
actuele waarde, verminderd met de contante waarde van de
overeengekomen huurtermijnen of leasetermijnen tijdens de duur van
het contract op basis van de contractrente;
b. een onroerende zaak die zij
heeft verhuurd voor een periode van twee jaar of langer, waarderen
tegen de actuele waarde, verminderd met de contante waarde van de
huurtermijnen en de waarde van de eventueel gestelde zekerheden.
Als waarde van de zekerheden wordt aangemerkt de waarde, berekend
naar de in het bankwezen gebruikelijke maatstaven, uitgezonderd de
hypothecaire dekking, die hier op de executiewaarde van het
hypothecair verbondene wordt gesteld.
4. De berekening van de waarde van de
activa, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt met
uitzondering van de waarde van onroerende zaken in ontwikkeling zijn
voor rekening en risico van derden, of van onroerende zaken die zijn
verkocht, waarbij de obligatoire overeenkomst tot verkoop nog niet is
voltooid.
Artikel 104
1. Een beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten, instelling voor collectieve
belegging in effecten die een beleggingsmaatschappij is, of bewaarder
die is verbonden aan een instelling voor collectieve belegging in
effecten als bedoeld in artikel 3:57, zesde lid, van de wet verstrekt
geen kredieten voor rekening van derden, stelt zich niet garant en
gaat geen borgtochtverplichtingen aan.
2. Een financiële onderneming als
bedoeld in het eerste lid verkoopt geen financiële instrumenten die
de instelling voor collectieve belegging in effecten niet in eigendom
heeft.
3. De financiële onderneming gaat niet
als debiteur geldleningen aan met uitzondering van:
a. kortlopende leningen die
gezamenlijk niet meer bedragen dan tien procent van de activa van
de instelling voor collectieve belegging in effecten;
b. leningen voor het verwerven van
onroerende zaken die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de
uitoefening van de werkzaamheden van de beleggingsmaatschappij en
die gezamenlijk niet meer bedragen dan tien procent van haar
activa, voor zover de omvang van deze geldleningen tezamen met de
omvang van de in onderdeel a genoemde leningen niet meer bedraagt
dan vijftien procent van haar activa; of
c. leningen met als doel de
verwerving van vreemde valuta waardoor de netto schuld van de
instelling voor collectieve belegging in effecten niet verandert
of zal veranderen.
Artikel 105 [Vervallen per 01-01-2012]
Hoofdstuk 11. Liquiditeit
§ 11.1. Minimumomvang liquiditeit
Bepalingen ter uitvoering van artikel
3:63, tweede lid, van de wet
Artikel 106
1. Als liquiditeit van een bank als
bedoeld in artikel 3:63, eerste lid, 3:64 of 3:65 van de wet geldt de
aanwezige liquiditeit, bedoeld in deartikelen 111, 112 of 113.
2. De minimale omvang van de
liquiditeit, bedoeld in het eerste lid, is ten minste gelijk aan de
vereiste liquiditeit, bedoeld in artikel 108.
3. De liquiditeit van een onderneming
als bedoeld in artikel 3:63, eerste lid, 3:64, 3:65 of 3:66 van de
wet, niet zijnde een bank, is voldoende indien de aanwezige
liquiditeit, bedoeld in de artikelen 111, 112 of113, tenminste gelijk
is aan de vereiste liquiditeit, bedoeld in deartikelen 108, 109 of110.
Artikel 107
1. Het is een bank of
clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:63, 3:64, 3:65 of 3:66 van
de wet toegestaan om:
a. zowel de te ontvangen rente bij
de aanwezige liquiditeit als de te betalen rente bij de vereiste
liquiditeit mee te rekenen;
b. dochtermaatschappijen en
bijkantoren die elk minder dan één procent uitmaken van het
balanstotaal niet te betrekken bij de liquiditeitsberekeningen,
indien ten minste 95 procent van het totale geconsolideerde
balanstotaal wordt betrokken in de berekening;
c. middellijke deelnemingen en
bijkantoren van deelnemingen waarbij geen sprake is van, in
verhouding tot de bank of clearinginstelling als geheel, grote
liquiditeitsbehoefte terwijl de liquiditeitsvoorziening ervan in
belangrijke mate afhankelijk is van de moederonderneming
onderscheidenlijk het hoofdkantoor, niet te betrekken bij de
liquiditeitsberekeningen; of
d. een liquiditeitstekort in
convertibele of inconvertibele valuta’s te compenseren met een
overschot in convertibele valuta’s, voor zover afkomstig uit een
land van waaruit vrije overdracht van liquiditeiten mogelijk is.
2. Indien een bank of
clearinginstelling kiest voor toepassing van het eerste lid, onderdeel
b of c, betrekt zij de intragroepstransacties in de berekening van de
liquiditeit.
§ 11.2. Berekening van de minimumomvang
van de liquiditeit
Bepalingen ter uitvoering van artikel
3:63, tweede lid, van de wet
Artikel 108
1. De vereiste liquiditeit van een bank
of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:63, 3:64, 3:65 of 3:66
van de wet bedraagt de som van de gewogen uitgaande kasstromen op
basis van de kalenderposten, vermeerderd met de niet in de
vervalkalender opgenomen gewogen toevertrouwde middelen en overige
posten die opgevraagd kunnen worden of tot een betalingsverplichting
kunnen leiden, gedurende de weekperiode respectievelijk de
maandperiode.
2. De Nederlandsche Bank stelt regels
met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde posten en de weging
daarvan.
Artikel 109
1. De vereiste liquiditeit van een
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 3:63 of 3:66 van de wet
bedraagt tien procent van het beheerde vermogen.
2. In afwijking van het vorige lid kan,
indien uit een overeengekomen ontbindings- of beëindigingsregeling
vooraf bekend is voor welk bedrag op een bepaalde datum wordt
ingekocht, worden volstaan met dat bedrag.
Artikel 110
De vereiste liquiditeit van een
elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:63 of 3:65 van de
wet is gelijk aan het bedrag van de betalingsverplichtingen dat verband
houdt met het uitstaand elektronisch geld en de overige verplichtingen.
§ 11.3. Samenstelling van de liquiditeit
Bepalingen ter uitvoering van artikel
3:63, tweede lid, van de wet
Artikel 111
1. De aanwezige liquiditeit van een
bank of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:63, 3:64, 3:65 of
3:66 van de wet in de weekperiode wordt gevormd door de gewogen
voorraadposten, de gewogen kasinstroom van de kalenderposten gedurende
de weekperiode en de officiële stand-by faciliteiten.
2. De financiële onderneming betrekt
bij de berekening van de aanwezige liquiditeit in de weekperiode
uitsluitend de activa die in het kader van het dagelijkse
liquiditeitenbeheer aan haar ter beschikking staan teneinde te kunnen
voorzien in de directe liquiditeitsbehoefte en de inkomende kasstromen
uit het kernbedrijf waarmee in het kader van het dagelijkse
liquiditeitenbeheer rekening wordt gehouden. Daartoe worden in elk
geval gerekend:
a. financiële instrumenten op
basis waarvan op korte termijn liquide middelen kunnen worden
verkregen door verkoop of belening zonder dat dit gepaard gaat met
meer dan marginale kosten of verliezen;
b. onmiddellijk opeisbaar
interbancair actief; en
c. onmiddellijk opeisbare
vorderingen op overheden en professionele geldmarktpartijen.
3. De aanwezige liquiditeit van de
financiële onderneming in de maandperiode wordt gevormd door de
gewogen voorraadposten en de gewogen kasinstroom gedurende de
maandperiode.
4. De financiële onderneming betrekt,
onverminderd het eerste en derde lid, bij de berekening van de
aanwezige liquiditeit het liquiditeitsoverschot van een bijkantoor of
een dochtermaatschappij met zetel buiten Nederland, welk
liquiditeitsoverschot wordt berekend op basis van dit besluit of,
indien dit lager is, volgens de in de staat van de zetel daarvoor
geldende regels, slechts voor zover:
a. overdracht van het
liquiditeitsoverschot niet leidt tot een liquiditeitstekort bij
het bijkantoor of de dochtermaatschappij volgens de lokale
liquiditeitstoetsing;
b. het om een overschot in
convertibele valuta’s gaat; en
c. vrije en grensoverschrijdende
overdracht van liquiditeit mogelijk is.
5. De financiële onderneming betrekt
bij de berekening van de aanwezige liquiditeit niet:
a. activa die niet onbelemmerd
overdraagbaar zijn;
b. direct opeisbare tegoeden bij
personen die geen bank of professionele geldmarktpartij zijn.
6. De Nederlandsche Bank stelt regels
met betrekking tot de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde
posten en de weging daarvan.
Artikel 112
De aanwezige liquiditeit van een
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 3:63 of 3:66 van de wet
wordt gevormd door de volgende posten:
a. kasmiddelen, daggeld en direct
opvraagbare tegoeden bij banken die een vergunning als bedoeld in
artikel 2:11 van de wet hebben of waarop toezicht op het uitoefenen
van het bedrijf van bank wordt uitgeoefend dat in voldoende mate
waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te
beschermen;
b. kortlopende schuldtitels aan
toonder;
c. financiële instrumenten die zijn
toegelaten tot de handel aan een gereglementeerde markt of een markt
in financiële instrumenten waarvan de houder gevestigd is in een
staat die deel uitmaakt van de G10 of aan een andere door de
Nederlandsche Bank aangewezen gereglementeerde markt;
d. officiële stand-by faciliteiten
afgegeven door banken die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11
van de wet hebben of waarop toezicht op het uitoefenen van het
bedrijf van bank wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen
biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen;
en
e. onvoorwaardelijke garanties van
banken en verzekeraars die een vergunning als bedoeld in artikel
2:11 onderscheidenlijk artikel 2:27 van de wet hebben of waarop
toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van bank
onderscheidenlijk verzekeraar wordt uitgeoefend dat in voldoende
mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt
te beschermen.
Artikel 113 [Vervallen per 01-01-2012]
Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen
§ 12.1. De berekening van de technische
voorzieningen
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:57, tweede lid, en 3:67, vierde lid, onderdeel a, en 3:68a,
tweede lid, van de wet
Artikel 114
1. Een entiteit voor risico-acceptatie
als bedoeld in artikel 3:67, eerste lid, of artikel 3:68a, eerste lid,
van de wet, een herverzekeraar als bedoeld in artikel 3:67, eerste
lid, of 3:68a, eerste lid, van de wet, of een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:67, eerste lid, of 3:68,
eerste lid, van de wet, of een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld
in artikel 3:67, eerste lid, of 3:69, eerste lid, van de wet houdt,
met inachtneming van artikel 427, derde lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek de technische voorzieningen, bedoeld in artikel
435, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, aan voor zover
deze op haar onderscheidenlijk hem van toepassing zijn.
2. Een schadeverzekeraar als bedoeld in
het eerste lid die zijn jaarrekening opstelt overeenkomstig de
internationale jaarrekeningstandaarden houdt voor de branche Krediet,
in plaats van een egalisatievoorziening, een egalisatiereserve aan.
Voor de toepassing van dit besluit wordt de egalisatiereserve
aangemerkt als technische voorziening.
3. Een entiteit voor risico-acceptatie
of een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid kan afwijken van de
indeling, bedoeld in artikel 435, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, of van de berekening van de technische
voorzieningen, bedoeld in de artikelen 115 tot en met 119, indien de
internationale jaarrekeningstandaarden zulks voorschrijven.
Artikel 114a
De waarden, die tegenover de technische
voorzieningen staan die door een entiteit voor risico-acceptatie als
bedoeld in artikel 3:67, eerste lid, of artikel 3:68a, eerste lid, van
de wet, worden aangehouden, zijn gelijk aan het bedrag dat maximaal
wordt uitgekeerd door de entiteit voor risico-acceptatie indien het
gedekte risico zich voordoet.
Artikel 115
1. De door een verzekeraar als bedoeld
inartikel 114, eerste lid, aan te houden voorziening voor
niet-verdiende premies en lopende risico’s, waaronder de
catastrofevoorziening indien deze is getroffen, omvat onder meer:
a. de in het boekjaar ontvangen
premies ter zake van risico’s die op het daarop volgende
boekjaar of boekjaren betrekking hebben; en
b. de schaden en kosten uit lopende
verzekeringen die na afloop van het boekjaar kunnen ontstaan en
die niet gedekt kunnen worden door de voorziening die betrekking
heeft op de niet-verdiende premies tezamen met de in het daarop
volgende boekjaar of boekjaren nog te ontvangen premies.
2. De voorziening voor niet-verdiende
premies wordt voor elke schadeverzekering afzonderlijk en op
voorzichtige wijze bepaald. Het gebruik van statistische of wiskundige
methoden is toegestaan indien de aard van de verzekering dat toelaat
en indien deze methoden naar verwachting dezelfde resultaten opleveren
als de afzonderlijke berekeningen.
Artikel 116
1. De door een verzekeraar als bedoeld
inartikel 114, eerste lid, aan te houden voorziening voor
levensverzekeringen wordt berekend op basis van een voldoende
voorzichtige prospectieve actuariële methode, rekening houdend met de
in de toekomst te ontvangen premies en met alle toekomstige
verplichtingen volgens de voor iedere lopende levensverzekering
gestelde voorwaarden, met inbegrip van:
a. alle gegarandeerde uitkeringen
en gegarandeerde afkoopwaarden;
b. de winstdelingen waarop de
verzekeringnemer, verzekerde of gerechtigde op uitkeringen,
collectief dan wel individueel recht heeft;
c. alle keuzemogelijkheden waarover
de verzekeringnemer, verzekerde of gerechtigde op uitkeringen,
volgens de voorwaarden van de levensverzekering beschikt; en
d. de bedrijfskosten, met inbegrip
van provisies.
2. Artikel 115, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het eerste lid kan
een retrospectieve methode worden toegepast indien de op grond van die
methode berekende technische voorzieningen niet lager zijn dan de
voorzieningen bij toepassing van een prospectieve methode of indien
het gebruik van een prospectieve methode vanwege de aard van het
betrokken type levensverzekering niet mogelijk is.
Artikel 117
1. De door een verzekeraar als bedoeld
inartikel 114, eerste lid, aan te houden voorziening voor te betalen
schaden of voor te betalen uitkeringen omvat het bedrag van de te
verwachten schaden, in aanmerking nemende:
a. de voor de balansdatum ontstane
schaden of verplichtingen tot uitkering die zijn gemeld en nog
niet zijn afgewikkeld en de schaden of verplichtingen tot
uitkering die nog niet zijn gemeld;
b. de kosten die verband houden met
de afwikkeling van schaden of uitkeringen; en
c. de in verband met schaden of
uitkeringen te verwachten baten uit subrogatie en de verkrijging
van de eigendom van verzekerde zaken.
2. Artikel 115, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing. In geval van periodiek te betalen
uitkeringen geschiedt de bepaling volgens erkende actuariële
methoden.
3. Discontering van de voorziening voor
te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen, anders dan
periodieke uitkeringen, is slechts toegestaan indien de afwikkeling
van de schaden ten minste vier jaren na het tijdstip van het opmaken
van de jaarrekening zal duren en deze afwikkeling geschiedt volgens
een betrouwbaar schade-afwikkelingsschema, waarin mede rekening wordt
gehouden met alle factoren die de kosten van afwikkeling van de schade
verhogen. Indien de voorziening voor te betalen schaden of te betalen
uitkeringen wordt verminderd ten gevolge van discontering van te
betalen schaden worden in de toelichting op de balans het bedrag van
de voorziening voor discontering en de gebruikte methode van
discontering vermeld.
4. Met betrekking tot een communautaire
co-assurantie zijn de voorzieningen voor te betalen schaden of voor te
betalen uitkeringen verhoudingsgewijs ten minste gelijk aan die welke
de co-assuradeur die als eerste verzekeraar optreedt, aanhoudt volgens
de regels of gebruiken die gelden in de lidstaat van waaruit de eerste
verzekeraar zijn verplichtingen uit hoofde van de communautaire
co-assurantie is aangegaan.
Artikel 118
1. Indien de verplichtingen uit hoofde
van verzekeringen op het tijdstip van het opmaken van de jaarrekening
redelijkerwijs niet te schatten zijn wegens het ontbreken van
voldoende nauwkeurige gegevens met betrekking tot de over het
tekenjaar te ontvangen premies of te betalen schaden en kosten van
afwikkeling van de schade, kan door een verzekeraar als bedoeld in
artikel 114, eerste lid, in afwijking van artikel 117:
a. als voorziening voor te betalen
schaden of voor te betalen uitkeringen worden opgenomen:
1°. een percentage van de
geboekte premies met betrekking tot het tekenjaar waarin de
verzekeringen een aanvang nemen; of
2°. het positieve verschil
tussen enerzijds de geboekte premies en anderzijds de betaalde
schaden en kosten van afwikkeling van de schaden met
betrekking tot het tekenjaar waarin de verzekeringen een
aanvang nemen; of
b. ter bepaling van de voorziening
voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen gebruik
wordt gemaakt van gegevens, bedoeld in onderdeel a, die betrekking
hebben op een jaar dat ten hoogste twaalf maanden aan het boekjaar
voorafgaat.
2. De overeenkomstig het eerste lid
bepaalde voorziening moet te allen tijde toereikend zijn om aan de
huidige en toekomstige verplichtingen te voldoen. Het bedrag van de
voorziening wordt, zodra dat nodig blijkt, zodanig verhoogd tot het
toereikend is.
3. Indien de berekening, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, wordt toegepast, wordt zodra voldoende
nauwkeurige gegevens, bedoeld in het eerste lid, aanhef, bekend zijn,
doch uiterlijk aan het einde van het derde boekjaar volgend op het in
het eerste lid bedoelde tekenjaar, de voorziening voor te betalen
schaden of voor te betalen uitkeringen overeenkomstig artikel 117
bepaald.
Artikel 119
De voorziening voor winstdeling en
kortingen van een verzekeraar als bedoeld in artikel 114, eerste lid,
omvat de bedragen die in de vorm van winstdeling bestemd zijn voor de
verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen, voor
zover deze niet hebben geleid tot verhoging van de voorziening voor
levensverzekering, alsmede de bedragen die een gedeeltelijke
terugbetaling van premies op grond van het resultaat van de
verzekeringen vertegenwoordigen, voor zover deze niet tot verhoging van
de ledenrekening hebben geleid.
Artikel 120
1. Een herverzekeraar of
schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 114, eerste lid, houdt een
egalisatievoorziening aan voor het herverzekeren van risico’s in de
branche Krediet onderscheidenlijk voor de branche Krediet voor:
a. alle aangegane verplichtingen
indien het een herverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in
Nederland betreft;
b. de vanuit zijn in Nederland
gelegen bijkantoren aangegane verplichtingen indien het een
herverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat of een
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is
betreft.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op:
a. herverzekeraars met zetel in
Nederland die naast de risico’s van de branche Krediet risico’s
van een andere branche vanuit een vestiging in een lidstaat
herverzekeren, indien de door hun jaarlijks geboekte premies met
betrekking tot hun vanuit vestigingen in een lidstaat aangegane
verplichtingen voor de risico’s van de branche Krediet minder
dan vier procent van het totale bedrag aan jaarlijks geboekte
premies en minder dan € 2.500.000 belopen;
b. herverzekeraars met zetel in een
niet-aangewezen staat die naast de risico’s van de branche
Krediet risico’s van een andere branche vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor herverzekeren, indien de door hun jaarlijks
geboekte premies met betrekking tot hun vanuit bijkantoren in
Nederland aangegane verplichtingen in de herverzekering van risico’s
van de branche Krediet minder dan vier procent van het totale
bedrag aan jaarlijks geboekte premies en minder dan € 2.500.000
belopen;
c. schadeverzekeraars met zetel in
Nederland die naast de branche Krediet een of meer andere branches
vanuit een vestiging in een lidstaat uitoefenen, indien de door
hun jaarlijks geboekte premies met betrekking tot hun vanuit
vestigingen in een lidstaat aangegane verplichtingen in de
uitoefening van de branche Krediet minder dan vier procent van het
totale bedrag aan jaarlijks geboekte premies en minder dan €
2.500.000 belopen; of
d. schadeverzekeraars met zetel in
een staat die geen lidstaat is die naast de branche Krediet een of
meer andere branches vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor
uitoefenen, indien de door hun jaarlijks geboekte premies met
betrekking tot hun vanuit bijkantoren in Nederland aangegane
verplichtingen in de uitoefening van de branche Krediet minder dan
vier procent van het totale bedrag aan jaarlijks geboekte premies
en minder dan € 2.500.000 belopen.
3. De egalisatievoorziening wordt
gevormd ter dekking van een tijdens het boekjaar in de branche Krediet
geleden technisch verlies en beloopt ten minste 134 procent van het
gemiddelde van de tijdens de vijf voorgaande boekjaren jaarlijks
geboekte premies verminderd met het bedrag van de overdrachten uit
hoofde van herverzekering en na toevoeging van de geaccepteerde
herverzekeringen.
4. Aan de egalisatievoorziening wordt
in elk van de opeenvolgende boekjaren waarin in de branche Krediet een
technisch overschot werd geboekt, 75 procent van dit technisch
overschot toegevoegd, totdat de voorziening gelijk is aan of hoger dan
het overeenkomstig het derde lid berekende minimum.
5. Dit artikel is van overeenkomstige
toepassing op de egalisatiereserve voor de branche Krediet, bedoeld in
artikel 114, tweede lid.
Artikel 121
1. Onverminderd de artikelen 115, 116,
117 en119 voert een verzekeraar als bedoeld in artikel 114, eerste
lid, jaarlijks een toets uit naar de toereikendheid van de
balanswaarde van de voorzieningen voor:
a. niet-verdiende premies en
lopende risico’s, waaronder de catastrofevoorziening indien deze
wordt aangehouden;
b. levensverzekering;
c. te betalen schaden of voor te
betalen uitkeringen;
d. winstdeling en kortingen; en
e. latente
winstdelingsverplichtingen.
De verzekeraar gaat bij de uitvoering
van de toets, voor zover van toepassing, uit van toekomstige
betalingsverplichtingen, daarbij passende onzekerheidsmarges en
methoden om toekomstige verplichtingen te waarderen op de balansdatum.
2. Indien discontering wordt gebruikt
bij de bepaling van de balanswaarde van de voorzieningen, bedoeld in
het eerste lid, stelt de Nederlandsche Bank voor de toepassing van de
toets, bedoeld in dat lid, onverminderd de artikelen 114, 116, 117 en
119 en met inachtneming van de internationale jaarrekeningstandaarden,
regels met betrekking tot de te hanteren grondslagen en rekenprincipes
voor de disconteringsvoet, sterfte en invaliditeit.
3. Indien de waarden die dienen tot
dekking van de technische voorzieningen niet tegen de actuele waarde
zijn gewaardeerd, betrekt de verzekeraar het verschil tussen de
actuele waarde en de balanswaarde van deze waarden bij de toets,
bedoeld in het tweede lid.
4. De balanswaarde van de technische
voorzieningen is ten minste gelijk aan de waarde die volgt uit de
toets, bedoeld in het tweede lid, met inachtneming van het derde lid.
§ 12.2. De waarden die dienen tot
dekking van de technische voorzieningen
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:67, vierde lid, onderdeel a, en 3:68a, tweede lid, van de
wet.
Artikel 122
1. Een entiteit voor risico-acceptatie
of herverzekeraar als bedoeld in artikel 3:67, eerste lid, of 3:68a,
eerste lid, van de wet, levensverzekeraar of schadeverzekeraar als
bedoeld in artikel 3:67, eerste lid, of 3:68, eerste lid, van de wet
of natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:67, eerste lid,
of 3:69, eerste lid, van de wet draagt er zorg voor dat de aard van de
waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen in
overeenstemming zijn met de aard van de aangegane verplichtingen. Deze
waarden worden adequaat gediversifieerd en gespreid. Waarden met een
hoog risico worden tot een voorzichtig niveau beperkt.
2. Een vordering op een entiteit voor
risico-acceptatie of verzekeraar, die geen vergunning op grond van
deze wet of op grond van het recht van een andere lidstaat behoeft te
hebben, uit hoofde van een door een andere verzekeraar als
verzekeringnemer gesloten herverzekeringsovereenkomst kan slechts
dienen als waarde ter dekking van de technische voorzieningen indien:
a. geen tegenvordering openstaat;
en
b. het aannemelijk is dat de
vordering zal worden voldaan.
Artikel 122a
1.Onverminderdartikel 122, eerste lid:
a. beperkt een entiteit voor
risico-acceptatie of herverzekeraar beleggingen in waarden die
niet op een gereglementeerde markt worden verhandeld tot een
voorzichtig niveau;
b. belegt een entiteit voor
risico-acceptatie of herverzekeraar slechts in afgeleide
financiële instrumenten, voor zover deze worden gebruikt om het
beleggingsrisico te beperken of een efficiënt portefeuillebeheer
mogelijk te maken;
c. vermijdt een entiteit voor
risico-acceptatie of herverzekeraar een bovenmatig risico met
betrekking tot dezelfde wederpartij;
d. diversifieert een entiteit voor
risico-acceptatie of herverzekeraar de waarden zodanig dat een
bovenmatige afhankelijkheid van een bepaald actief, een bepaalde
emittent of groep van verbonden wederpartijen en risicoaccumulatie
in de portefeuille wordt vermeden.
2.Er is geen sprake van een bovenmatige
afhankelijkheid van een bepaald actief in geval van beleggingen door
een entiteit voor risico-acceptatie of herverzekeraar in
staatsobligaties.
3.Artikel 122, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing op entiteiten voor risico-acceptatie voor
zover het betreft het gebruik van vorderingen die dienen als dekking
van de technische voorzieningen.
Artikel 122b
1. De technische voorzieningen van een
levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 122
worden gedekt door:
a. de volgende beleggingen:
1°. obligaties en andere
geld-en kapitaalmarktinstrumenten;
2°. leningen die geen
obligaties zijn;
3°. aandelen en andere met
aandelen gelijk te stellen niet-rentedragende beleggingen;
4°. rechten van deelneming in
instellingen voor collectieve belegging in effecten en
deelnemingen in andere beleggingsfondsen;
5°. onroerende zaken,
waaronder onroerende zaken voor eigen gebruik, alsmede
zakelijke rechten op onroerende zaken; en
6°. afgeleide financiële
instrumenten, voor zover deze worden gebruikt om het
beleggingsrisico te beperken of een efficiënt
portefeuillebeheer mogelijk te maken;
b. de volgende vorderingen:
1°. vorderingen op
herverzekeraars, met inbegrip van het aandeel van
herverzekeraars in de technische voorzieningen, en verhaalbare
bedragen op entiteiten voor risico-acceptatie;
2°. deposito’s en
vorderingen uit hoofde van herverzekering;
3°. vorderingen op
verzekeringnemers en tussenpersonen uit hoofde van
verzekeringen en herverzekeringen, voor zover binnen negentig
dagen opeisbaar;
4°. vorderingen van een
schadeverzekeraar uit hoofde van verhaalsrecht of subrogatie;
5°. voorschotten op polissen
van een levensverzekeraar;
6°. belastingtegoeden; en
7°. vorderingen op
garantiefondsen; en
c. de volgende andere activa:
1°. materiële vaste activa,
andere dan onroerende zaken;
2°. liquide middelen en
deposito’s bij banken of bij buitenlandse andere
instellingen die vergunning hebben om deposito’s te
ontvangen;
3°. overlopende
acquisitiekosten;
4°. lopende interest en huur
en andere overlopende posten; en
5°. zakelijke rechten waarvan
het genot is uitgesteld.
2. Indien beleggingen van een
levensverzekeraar of schadeverzekeraar worden beheerd door een
dochteronderneming van die verzekeraar, wordt voor de toepassing van
het eerste lid uitgegaan van de activa in het bezit van deze
dochteronderneming.
3. De Nederlandsche Bank kan in
individuele gevallen besluiten dat de waarden die dienen tot dekking
van de technische voorzieningen voor de toepassing van dit besluit
tegen een lager bedrag worden gewaardeerd.
Artikel 123
1. Onverminderd de artikelen 122 en
122b, worden de waarden die dienen tot dekking van de technische
voorzieningen van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als
bedoeld in artikel 3:67, eerste lid, of 3:68, eerste lid, van de wet,
ten opzichte van het totaal van de technische voorzieningen, per
categorie van activa als bedoeld in artikel 122b, eerste lid, verdeeld
met inachtneming van de volgende maxima:
a. leningen als bedoeld in artikel
122b, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, aan ondernemingen en
instellingen die geen beleggingsinstelling, bank of verzekeraar
met zetel in een lidstaat zijn, voor zover deze leningen niet zijn
voorzien van een garantie, hypotheek of andere zekerheid: vijf
procent;
b. kasmiddelen: drie procent; en
c. beleggingen als bedoeld
inartikel 122b, eerste lid, onderdeel a, onder 1°en 3°, voor
zover deze beleggingen niet op een gereglementeerde markt worden
verhandeld: tien procent.
2. De waarden die dienen tot dekking
van de technische voorzieningen worden, ten opzichte van het totaal
van de technische voorzieningen, per individueel actief als bedoeld in
artikel 122b, eerste lid, verdeeld met inachtneming van de volgende
maxima:
a. een bepaald terrein of gebouw
als bedoeld inartikel 122b, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, of
een complex van verschillende terreinen of gebouwen dat als een
belegging kan worden beschouwd: tien procent per object; en
b. een bepaalde lening als bedoeld
in artikel 122b, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, aan
ondernemingen en instellingen die geen beleggingsinstelling, bank
of verzekeraar met zetel in een lidstaat zijn, voor zover deze
leningen niet zijn voorzien van een garantie, hypotheek of andere
zekerheid: een procent per lening.
3. De waarden die dienen tot dekking
van de technische voorzieningen bestaan, ten opzichte van het totaal
van de technische voorzieningen, voor maximaal vijf procent uit
beleggingen als bedoeld in artikel 122b, eerste lid, onderdeel a,
onder 1° en 3°, uitgegeven door een bepaalde emittent of uit
leningen aan een bepaalde kredietnemer, tezamen genomen.
Waardepapieren uitgegeven of gegarandeerd door onderscheidenlijk
leningen aan of gegarandeerd door centrale, regionale of lokale
overheidslichamen of internationale instellingen of organisaties
waarvan een of meer lidstaten deel uitmaken, blijven hierbij buiten
beschouwing.
4. De Nederlandsche Bank kan, op
verzoek, besluiten het maximum, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a, voor een levensverzekeraar te verhogen tot acht procent van de
technische voorzieningen en het maximum, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, tot twee procent van de technische voorzieningen indien
de belangen van de verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op
uitkeringen zich daartegen niet verzetten.
5. De Nederlandsche Bank kan, op
verzoek, besluiten dat voor de toepassing van het derde lid een
bepaalde bank met zetel in Nederland met een overheidslichaam wordt
gelijkgesteld, indien de aandelen van die bank in handen zijn van de
Nederlandse Staat of Nederlandse provincies, gemeenten, waterschappen
of andere openbare lichamen als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet
en de werkzaamheden van die bank statutair bestaan in het door haar
tussenkomst verstrekken van leningen aan, of met garantie van de
Nederlandse Staat of andere overheidslichamen of het vertrekken van
leningen aan nauw met de Nederlandse Staat of de lokale
overheidslichamen verbonden instanties.
6. Het maximum, bedoeld in het derde
lid, wordt gesteld op tien procent van de technische voorzieningen
indien de waarden die dienen tot dekking van de technische
voorzieningen voor niet meer dan veertig procent bestaan uit leningen
aan of waardepapieren van kredietnemers en emittenten waarin de
verzekeraar meer dan vijf procent van zijn activa heeft belegd.
Artikel 124
Onverminderd artikel 123 stelt de
Nederlandsche Bank nadere regels met betrekking tot het gebruik van de
waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen van
levensverzekeraars of schadeverzekeraars als bedoeld in artikel 122,
eerste lid, en de daarbij in acht te nemen voorwaarden, ten aanzien van:
a. de leningen waarvoor niet door
middel van een bankgarantie, een garantie toegekend door een
verzekeraar, een recht van hypotheek of een andere wijze zekerheid
is gegeven;
b. deelnemingen in een
beleggingsinstelling, voor zover de richtlijn beleggingsinstellingen
niet van toepassing is;
c. effecten die niet worden
verhandeld op een gereglementeerde markt; en
d. beleggingen als bedoeld in artikel
122b, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, uitgegeven door een
emittent niet zijnde centrale, regionale of lokale overheid of een
ander openbaar lichaam, een internationale organisatie waarvan een
of meer lidstaten deel uitmaken of een bank met zetel in Nederland,
in een andere lidstaat of in een ingevolge artikel 3:2, eerste lid,
onderdeel c, onder 2°, van de wet aangewezen staat.
Artikel 124a
In afwijking van artikel 123, derde lid,
kan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar tot ten hoogste veertig
procent van de waarden die dienen tot dekking van de technische
voorzieningen beleggen in geregistreerde gedekte obligaties van een
bepaalde uitgevende bank.
Artikel 124b
1. De Nederlandsche Bank besluit op
verzoek van een bank met zetel in Nederland om een door die bank
uitgegeven of uit te geven categorie obligaties alsmede de uitgevende
bank in een openbaar register op te nemen, indien die bank aantoont
dat de obligaties zijn aan te merken als gedekte obligaties. Bij
ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de
wijze waarop de bank dit kan aantonen.
2. De Nederlandsche Bank stelt een
lijst van de overeenkomstig het eerste lid geregistreerde categorieën
obligaties en banken alsmede wijzigingen daarvan, ter kennis van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen met het oog op de toepassing
van artikel 22, vierde lid, van de richtlijn beleggingsinstellingen.
De Nederlandsche Bank doet onverwijld mededeling aan de uitgevende
bank van iedere kennisgeving als bedoeld in de vorige volzin met
betrekking tot die bank en de door haar uitgegeven categorieën
obligaties.
3. Indien een categorie obligaties niet
langer voldoet aan het in het eerste lid bedoelde vereiste voor
registratie of indien de uitgevende bank niet of niet langer voldoet
aan artikel 124c, kan de Nederlandsche Bank besluiten de registratie
van de categorie obligaties of van de uitgevende bank, bedoeld in het
eerste lid, door te halen. In dat geval stelt zij de Commissie van de
Europese Gemeenschappen daarvan onverwijld in kennis en maakt zij dit
onverwijld openbaar op haar website.
Artikel 124c
Een bank die obligaties heeft uitgegeven
die behoren tot een categorie die is geregistreerd overeenkomstig
artikel 124b:
a. houdt een administratie bij waarin
zijn opgenomen:
1°. de uitgegeven obligaties die
tot die categorie behoren, en
2°. de activa die dienen ter
dekking van die obligaties; en
b. toont aan de Nederlandsche Bank
tenminste jaarlijks aan dat de categorie obligaties nog voldoet aan
het in artikel 124b, eerste lid, bedoelde vereiste voor registratie.
§ 12.2.1. Beleggingsbeleid van een
premiepensioeninstelling
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:267b, vijfde en zesde lid, van de wet
Artikel 124d
Het beleggingsbeleid van een
pensioenregeling die niet wordt beheerst door het recht van een lidstaat
wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het land van herkomst
van de regeling.
Artikel 124e
1. Het beleggingsbeleid van een
pensioenregeling die wordt beheerst door het recht van een lidstaat
wordt uitgevoerd overeenkomstig de volgende beginselen:
a. beleggingen in de bijdragende
onderneming worden beperkt tot ten hoogste 5% van de portefeuille
als geheel, en ingeval de bijdragende onderneming tot een groep
behoort, worden beleggingen in de ondernemingen die tot dezelfde
groep als de bijdragende onderneming behoren, beperkt tot ten
hoogste 10% van de portefeuille. Wanneer een groep van
ondernemingen aan de premiepensioeninstelling bijdragen betaalt,
geschieden beleggingen in deze bijdragende ondernemingen prudent,
waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een
behoorlijke diversificatie;
b. de beleggingen worden
gewaardeerd op basis van marktwaardering;
c. beleggingen in niet tot de
handel op een gereglementeerde markt, of een multilaterale
handelsfaciliteit of een daarmee vergelijkbaar systeem in een
staat die geen lidstaat is toegelaten waarden worden tot een
prudent niveau beperkt.
d. beleggingen in derivaten zijn
toegestaan voor zover deze bijdragen aan een vermindering van het
risicoprofiel of een doeltreffend portefeuillebeheer
vergemakkelijken. De premiepensioeninstelling vermijdt een
bovenmatig risico met betrekking tot een en dezelfde tegenpartij
en tot andere derivatenverrichtingen;
e. de waarden worden naar behoren
gediversifieerd zodat een bovenmatige afhankelijkheid van of
vertrouwen in bepaalde waarden, of een bepaalde emittent van
waarden of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de
portefeuille als geheel worden vermeden.
2. De eisen die zijn opgenomen in het
eerste lid, aanhef en onderdelen a en e, zijn niet van toepassing op
beleggingen in staatsobligaties.
3. Onder waardering op marktwaarde
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan: het bedrag
waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden
afgewikkeld tussen terzake goed geïnformeerde partijen, die tot een
transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn.
4. Leningen als bedoeld in artikel
3:267b, vierde lid, van de wet mogen slechts worden aangegaan voor een
periode van niet langer dan een jaar.
5. Van een liquiditeitsdoelstelling als
bedoeld in artikel 3:267b, vierde lid, van de wet is sprake als de
premiepensioeninstelling tijdelijk niet kan voldoen aan zijn
verplichtingen of de betreffende lening wordt aangegaan ter
verbetering van het risicoprofiel van de premiepensioeninstelling.
Artikel 125
1. De technische voorzieningen van een
levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 122,
eerste lid, met betrekking tot uitkeringen die volgens de verzekering
rechtstreeks gekoppeld zijn aan de waarde van een deelneming in een
instelling voor collectieve belegging in effecten, of aan de waarde
van activa die zijn opgenomen in een door de verzekeraar gehouden
fonds dat gewoonlijk in fracties is verdeeld, worden gedekt door deze
rechten van deelneming onderscheidenlijk fracties dan wel, indien geen
fracties zijn gecreëerd, door deze activa.
2. De technische voorzieningen met
betrekking tot uitkeringen die volgens de verzekering rechtstreeks
gekoppeld zijn aan een referentiewaarde anders dan die bedoeld in het
eerste lid, worden gedekt door de eenheden die deze referentiewaarde
vertegenwoordigen. Als deze eenheden ontbreken, worden de technische
voorzieningen gedekt door activa die zo nauw mogelijk aansluiten bij
die waarop de betrokken referentiewaarde is gebaseerd.
3. Op de technische voorzieningen die
rechtstreeks verband houden met de uitkeringen, bedoeld in het eerste
en tweede lid, zijn, voor zover in die uitkeringen geen sprake is van
een gegarandeerd rendement of een gegarandeerd uitkeringsniveau, de
artikelen 122 en 122b tot en met 124 niet van toepassing.
Artikel 126
1. Indien de dekking van een
levensverzekering of schadeverzekering van een verzekeraar als bedoeld
in artikel 122, eerste lid, in een bepaalde muntsoort is uitgedrukt,
zijn de verplichtingen van die verzekeraar opeisbaar in deze
muntsoort.
2. Indien de dekking van een
schadeverzekering niet in een bepaalde muntsoort is uitgedrukt, zijn
de verplichtingen van de schadeverzekeraar opeisbaar in de muntsoort
van de staat waar het risico is gelegen. De schadeverzekeraar kan
evenwel de muntsoort kiezen waarin de premie is uitgedrukt, indien
goede gronden voor een dergelijke keuze aanwezig zijn.
3. De Nederlandsche Bank kan, op
verzoek, toestaan dat de verplichtingen van de schadeverzekeraar
opeisbaar zijn in de muntsoort die hij overeenkomstig de opgedane
ervaring zal gebruiken, of, bij ontstentenis daarvan, de muntsoort van
de staat waar zich de vestiging bevindt van waaruit de
schadeverzekering is aangegaan voor schadeverzekeringen ter dekking
van de risico’s die zijn ingedeeld in:
a. de branches Casco rollend
spoorwegmaterieel, Luchtvaartuigcasco, Casco zee- en
binnenschepen, Vervoerde zaken, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen,
Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen en Algemene
aansprakelijkheid, voor zover het productenaansprakelijkheid
betreft; en
b. de andere branches indien
overeenkomstig de aard van de risico’s aan de verplichtingen
moet worden voldaan in een andere muntsoort dan die welke uit de
voorgaande leden voortvloeit.
4. Indien uitkeringen ter zake van een
schadeverzekering moeten plaatsvinden in een bepaalde andere muntsoort
dan die welke uit de voorgaande leden voortvloeit, zijn de
verplichtingen van de schadeverzekeraar opeisbaar in die muntsoort,
met name de muntsoort waarin de door de schadeverzekeraar te betalen
schadevergoeding is vastgesteld bij een rechterlijke uitspraak of bij
overeenkomst tussen de schadeverzekeraar en de verzekerde.
5. Indien een schade wordt begroot in
een muntsoort die bij de schadeverzekeraar vooraf bekend is, maar die
verschilt van die welke voortvloeit uit de voorgaande leden, mogen
zijn verplichtingen opeisbaar zijn in deze muntsoort.
6. De Nederlandsche Bank kan, op
verzoek, besluiten dat het de levensverzekeraar of schadeverzekeraar
is toegestaan tegenover zijn technische voorzieningen geen waarden te
stellen die inbaar of te gelde te maken zijn in de muntsoort waarin de
dekking van de verzekering luidt, indien uit de voorgaande leden
voortvloeit dat de verzekeraar om te voldoen aanartikel 127, eerste
lid, eerste volzin, over waarden in een bepaalde muntsoort moet
beschikken voor een bedrag van niet meer dan zeven procent van de
waarden in andere muntsoorten.
7. De Nederlandsche Bank kan, op
verzoek, aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar ontheffing
verlenen van artikel 127, eerste lid, eerste volzin, indien:
a. de verplichtingen opeisbaar zijn
in een andere muntsoort dan die van een van de lidstaten;
b. voor beleggingen in deze
muntsoort voorschriften bestaan;
c. voor deze muntsoort
transferbeperkingen gelden; of
d. deze muntsoort om soortgelijke
redenen ongeschikt is om te worden gebruikt tot dekking van
technische voorzieningen.
8. De levensverzekeraar of
schadeverzekeraar mag een bedrag van ten hoogste twintig procent van
zijn in een bepaalde muntsoort luidende verplichtingen dekken met
waarden die inbaar of te gelde te maken zijn in een andere muntsoort
dan die waarin de dekking van de verzekering luidt. De totale waarden
in alle muntsoorten tezamen moeten ten minste gelijk zijn aan de
totale verplichtingen in alle muntsoorten tezamen.
9. De Nederlandsche Bank kan, op
verzoek, besluiten dat, indien ingevolge de voorgaande leden tegenover
verplichtingen waarden moeten staan die luiden in de muntsoort van een
lidstaat, aan deze voorwaarde eveneens is voldaan indien de
betreffende waarden in euro luiden.
10. Dit artikel is niet van toepassing
op verzekeringen als bedoeld in artikel 125.
Artikel 127
1.De waarden die dienen tot dekking van
de technische voorzieningen van een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 122, eerste lid, moeten in
toereikende mate kunnen worden geïnd of te gelde gemaakt in dezelfde
muntsoort als die waarin de verplichtingen ingevolge artikel 126
luiden. De waarden die dienen tot dekking van de technische
voorzieningen van een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in
artikel 122, eerste lid, moeten in toereikende mate kunnen worden
geïnd of te gelde gemaakt in de muntsoort van de staat waarin de
verzekerde ten tijde van het sluiten van de natura-uitvaartverzekering
zijn woonplaats heeft.
2.Voor zover de waarden, bedoeld in het
eerste lid, eerste volzin, dienen tot dekking van de technische
voorzieningen voor aangegane verplichtingen, moeten zij:
a. in geval van een
levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland:
aanwezig zijn in een lidstaat indien wat een levensverzekeraar
betreft de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats in een
lidstaat heeft, of, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon
is, de zetel van de verzekeringnemer zich in een lidstaat bevindt,
en wat een schadeverzekeraar betreft het risico in een lidstaat is
gelegen; of
b. in geval van een
levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die
geen lidstaat is: aanwezig zijn in Nederland.
3.Voor zover de waarden, bedoeld in het
eerste lid, tweede volzin, dienen tot dekking van de technische
voorzieningen voor de vanuit de vestigingen in Nederland aangegane
verplichtingen, moeten zij:
a. in geval van een
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland: aanwezig zijn
in een lidstaat; of
b. in geval van een
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat:
aanwezig zijn in Nederland.
§ 12.3. De waarden die dienen tot
dekking van de verplichtingen die voortvloeien uit werknemersvorderingen
Bepalingen ter uitvoering van artikel
3:67, vierde lid, onderdeel a, van de wet
Artikel 128
1. De artikelen 122 tot en met 126 en
127, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de
waarden, bedoeld in artikel 3:67, derde lid, of 3:68, derde lid, van
de wet die dienen tot dekking van de verplichtingen van een
levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in die artikelen
die voortvloeien uit vorderingen als bedoeld in artikel 3:198, tweede
lid, onderdelen b, c en d, derde lid, onderdelen a, b en c, van de
wet.
2. De artikelen 122, eerste, derde lid,
aanhef en de onderdelen a en b, onder 2°, en vijfde lid, en 127,
eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de
waarden, bedoeld in artikel 3:67, derde lid, of 3:69, tweede lid, van
de wet, die dienen tot dekking van de verplichtingen van een
natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in die artikelen die
voortvloeien uit vorderingen als bedoeld in artikel 3:198, vierde lid,
onderdelen a, b en c, van de wet.
Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage
§ 13.1. Verstrekking van de jaarstukken
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:71, tweede lid, en 3:81, tweede lid, van de wet
Artikel 129
Een betaalinstelling, clearinginstelling,
elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank,
pensioenbewaarder, premiepensioeninstelling of verzekeraar als bedoeld
in artikel 3:71, eerste lid, 3:81, eerste lid, of 3:85, eerste of tweede
lid, van de wet verstrekt de documenten, bedoeld in artikel 3:71, eerste
lid, of 3:81, eerste lid, van de wet, wat betreft indeling en inhoud in
de vorm waarin deze zijn opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, de internationale jaarrekeningstandaarden
onderscheidenlijk het recht van de staat waar deze financiële
onderneming haar zetel heeft. Een financiële onderneming met zetel in
Nederland vermeldt of de jaarrekening al dan niet is vastgesteld en
goedgekeurd overeenkomstig de statuten of de vennootschapsakte.
§ 13.2. Verstrekking van de staten
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:72, vijfde en zevende lid, en 3:73 van de wet
Artikel 130
1. De door een beleggingsonderneming of
bank als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, of 3:82, eerste lid, van
de wet of door een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:72,
eerste lid, of 3:86, eerste lid, van de wet te verstrekken staten
omvatten uitsluitend:
a. balans- en resultatengegevens
alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het
toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht
financiële ondernemingen van de wet;
b. andere gegevens ten behoeve van
het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
1°. de solvabiliteit ingevolge
artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste lid, of 3:61, eerste
lid, van de wet;
2°. het aanhouden van
balansposten en posten buiten de balanstelling ingevolge
artikel 3:57, zesde lid, 3:58, eerste lid, of 3:61, eerste
lid, van de wet; en
3°. de liquiditeit ingevolge
artikel 3:63, eerste lid, 3:64 of 3:65 van de wet.
2. De door een entiteit voor
risico-acceptatie of verzekeraar als bedoeld in artikel 3:72, derde
lid, van de wet of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:82, tweede lid,
of 3:86, tweede lid, van de wet te verstrekken staten omvatten
uitsluitend:
a. een jaarrekening alsmede
aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het toezicht op
de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële
ondernemingen van de wet;
b. andere gegevens ten behoeve van
het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
1°. de solvabiliteit ingevolge
artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste of tweede lid, 3:59,
3:61, eerste of tweede lid, of 3:62 van de wet; en
2°. de technische
voorzieningen ingevolge artikel 3:67, 3:68, 3:68a, 3:69 of
3:73 van de wet.
3. De door een betaalinstelling of
elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid,
van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. balans-en resultatengegevens
alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het
toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht
financiële ondernemingen van de wet;
b. andere gegevens ten behoeve van
het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot de
solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, eerste lid, van de wet;
c. voor zover van toepassing een
opgave van het gemiddeld uitstaand elektronisch geld.
4. De door een bijkantoor als bedoeld
in artikel 3:77 van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend
gegevens ten behoeve van het toezicht op de liquiditeit ingevolge
artikel 3:64.
Artikel 131
1. De Nederlandsche Bank stelt, met
inachtneming van het bepaalde ingevolge het Deel Prudentieel toezicht
financiële ondernemingen van de wet, alsmede met inachtneming van
Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de internationale
jaarrekeningstandaarden, regels met betrekking tot de staten, bedoeld
in artikel 130. Deze omvatten uitsluitend:
a. de modellen van de staten;
b. de reikwijdte van toepassing van
de staten en de mate van detaillering van de in te vullen
gegevens; deze omvatten geen uitbreiding of nadere rubricering van
de staten;
c. de reikwijdte van de
consolidatie overeenkomstig de regels met betrekking tot
consolidatie die de financiële onderneming in haar jaarrekening
toepast, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit;
d. de waardering van de posten
overeenkomstig de waarderingsmethoden die de financiële
onderneming in haar jaarrekening toepast;
e. de te hanteren valuta en
rekeneenheid;
f. de afronding;
g. de termijn waarbinnen de staten
worden verstrekt, met dien verstande dat deze niet korter is dan
noodzakelijk voor de uitoefening van het toezicht op de naleving
van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de
wet; en
h. de frequentie waarmee de staten
worden verstrekt, met dien verstande dat deze ten minste een maal
per jaar is.
2. De regels, bedoeld in het eerste
lid, onderdelen b, f, g en h, zijn afgestemd op de aard en de omvang
van de financiële onderneming, alsmede op de omvang van de
solvabiliteit van de financiële onderneming. De frequentie, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel h, is evenwel niet hoger dan:
a. twaalf maal per jaar voor de
staten ten behoeve van het toezicht op de liquiditeit, bedoeld in
artikel 130, eerste lid, onderdeel b, onder 3° en derde lid;
b. een maal per jaar voor de
jaarrekening, bedoeld in artikel 130, tweede lid, onderdeel a, en
de staten ten behoeve van het toezicht op de technische
voorzieningen, bedoeld in artikel 130, tweede lid, onderdeel b,
onder 2°; en
c. vier maal per jaar voor de
overige in artikel 130, eerste en tweede lid, genoemde staten;
d. twee maal per jaar voor de in
artikel 130, derde lid, genoemde staten.
3. De Nederlandsche Bank kan in
individuele gevallen besluiten dat een financiële onderneming als
bedoeld in artikel 130 periodiek moet melden of haar solvabiliteit of
liquiditeit zich boven een door de Nederlandsche Bank vastgestelde
signaleringswaarde bevindt. De frequentie van de melding is niet hoger
dan een maal per maand en is afgestemd op de aard en de omvang van de
financiële onderneming, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van
de financiële onderneming.
4. Een beleggingsonderneming als
bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel i, j of k, doet de
melding, bedoeld in het derde lid, met redenen omkleed aan de
Nederlandsche Bank in elke maand waarin zij niet ingevolge het tweede
lid, onderdeel c, staten verstrekt. Zij meldt daarbij in ieder geval
wat de waarde van haar toetsingsvermogen is, hoe deze waarde is
berekend en hoe deze waarde zich verhoudt tot de waarde van haar
toetsingsvermogen zoals vermeld in de laatst verstrekte staten.
5. Ter voorbereiding op de
implementatie van richtlijn nr. 2009/138/EG van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 25 november 2009 betreffende de
toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het
herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (herschikking) (PbEU L 335)
dienen entiteiten voor risico-acceptatie en verzekeraars de in Bijlage
D vastgestelde modellen van staten in, met inachtneming van het zesde
lid. Voor zover niet anders blijkt, zijn op deze modellen van staten
de regels van toepassing die de Nederlandsche Bank heeft vastgesteld
op grond van het eerste lid, onderdelen b, c, e, f en h.
6. Voor het boekjaar 2011 dienen
entiteiten voor risico-acceptatie en verzekeraars de modellen van
staten 1 tot en met 3, bedoeld in bijlage D, in binnen acht maanden na
afloop van dat boekjaar. Voor het boekjaar 2012 dienen entiteiten voor
risico-acceptatie en verzekeraars de modellen van staten, bedoeld in
bijlage D, gelijktijdig in met de kwartaalrapportages over het eerste
kwartaal van 2013 die op grond van de in het vijfde lid genoemde
richtlijn worden ingediend.
Artikel 131a
1. Indien blijkt dat de rapportage
zoals vastgesteld in bijlage D materiële afwijkingen bevat ten
opzichte van de rapportage zoals die ingevolge de richtlijn nr.
2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het
verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II)
(herschikking) (PbEU L 335) zal worden vastgesteld, besluit Onze
Minister dat de rapportage over het boekjaar 2011, bedoeld in artikel
131, zesde lid, niet behoeft te worden ingediend.
2. Onze Minister stelt de modellen van
staten, bedoeld in bijlage D, voor het boekjaar 2012 zo spoedig
mogelijk opnieuw vast indien:
a. het eerste lid toepassing heeft
gevonden;
b. het eerste lid geen toepassing
heeft gevonden en de staten die ingevolge de richtlijn, genoemd in
het eerste lid, zullen worden vastgesteld materieel afwijken van
de staten, bedoeld in bijlage D.
Artikel 132
Indien een beleggingsonderneming,
betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling,
entiteit voor risico-acceptatie, bank, verzekeraar of bijkantoor als
bedoeld in artikel 130 de staten niet langs elektronische weg verstrekt,
kan de Nederlandsche Bank, op verzoek van de financiële onderneming,
besluiten dat het de financiële onderneming is toegestaan andere
informatiedragers dan de modellen, bedoeld in artikel 131, eerste lid,
onderdeel a, te gebruiken, indien deze wat betreft indeling en inhoud
geen afwijking vertonen van de modellen.
Artikel 133
1. Het onderzoek van de staten, bedoeld
in artikel 130, door de accountant, uitmondend in een verklaring
omtrent de getrouwheid als bedoeld in artikel 3:72, zevende lid,
eerste volzin, van de wet, wordt een maal per jaar uitgevoerd. De
Nederlandsche Bank stelt regels waarin wordt bepaald welke staten door
de accountant in zijn onderzoek worden betrokken. De accountant
waarmerkt deze staten.
2. Het onderzoek van het actuarieel
verslag van een verzekeraar als bedoeld in artikel 130, tweede lid,
door de actuaris, uitmondend in een verklaring als bedoeld in artikel
3:73 van de wet, wordt een maal per jaar uitgevoerd en omvat:
a. de toets, bedoeld in artikel
121, eerste lid, onderdeel a, voor zover het betreft verzekeringen
met een contractduur van meer dan vier jaar waarbij gedurende de
contractduur:
1°. de premie jaarlijks niet
of slechts beperkt kan worden verhoogd; en
2°. de risico’s significant
oplopen; en
b. de toets, bedoeld inartikel 121,
tweede lid, met inachtneming van de artikelen 98, derde en vierde
lid, en 121, derde en vierde lid.
Artikel 134
Een entiteit voor risico-acceptatie of
verzekeraar als bedoeld in artikel 130, tweede lid, maakt de staten,
bedoeld in dat lid, onderdeel a, vergezeld van de verklaring, bedoeld in
artikel 3:73 van de wet, jaarlijks binnen een termijn van zes maanden
openbaar, voor zover het gaat om staten omvattende:
a. de jaarrekening, het jaarverslag
en de overige gegevens en wat betreft indeling en inhoud in de vorm
waarin deze zijn opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekening standaarden;
b. indien van toepassing: informatie
over de winstdeling ten gunste van polishouders per productgroep; en
c. indien van toepassing: financiële
informatie over de zorgverzekering, bedoeld in artikel 1, onderdeel
d, van de Zorgverzekeringswet.
§ 13.3. Verstrekking van de opgave van
gesloten verzekeringen
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:74, tweede lid, 3:78, tweede lid, 3:83, tweede lid, en 3:87,
tweede lid, van de wet
Artikel 135
1. Een levensverzekeraar als bedoeld in
artikel 3:74, eerste lid, 3:78, eerste lid, of 3:83, eerste lid, van
de wet, vermeldt bij de opgave van gesloten levensverzekeringen per
branche de in het boekjaar geboekte premies, niet verminderd met het
bedrag van de herverzekering.
2. Een schadeverzekeraar als bedoeld in
artikel 3:74, eerste lid, 3:78, eerste lid, of 3:83, eerste lid, van
de wet vermeldt bij de opgave van gesloten schadeverzekeringen per
branchegroep de in het boekjaar geboekte premies, schaden en
provisies, telkens niet verminderd met het bedrag van de
herverzekering. Deze gegevens alsmede de frequentie en de gemiddelde
kosten van de schadegevallen, worden voor de branche Aansprakelijkheid
motorrijtuigen evenwel afzonderlijk vermeld. De Nederlandsche Bank
stelt de branchegroepen vast.
3. Een natura-uitvaartverzekeraar als
bedoeld in artikel 3:87, eerste lid, van de wet, vermeldt bij de
opgave van gesloten natura-uitvaartverzekeringen de in het boekjaar
geboekte premies, niet verminderd met het bedrag van de
herverzekering.
4. Een verzekeraar als bedoeld in
artikel 3:74, eerste lid, of 3:83, eerste lid, van de wet vermeldt bij
de in dat artikellid bedoelde opgave de gegevens, bedoeld in het
eerste en tweede lid, per lidstaat.
5. De artikelen 131, eerste lid, aanhef
en onderdeel a, en 132 zijn van overeenkomstige toepassing op de
verstrekking van de opgaven, bedoeld in het eerste tot en met derde
lid.
Hoofdstuk 14. Meldingsplichten van de
accountant en de actuaris
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 3:88, vierde lid, en 3:89, eerste lid, van de wet
Artikel 136
1. De door een accountant als bedoeld
in artikel 3:88, tweede lid, 3:90, 3:91 of 3:93 van de wet te
verstrekken gegevens zijn:
a. het accountantsverslag aan de
bestuurders en de raad van commissarissen;
b. de directiebrieven;
c. overige correspondentie tussen
de accountant en de financiële onderneming die rechtstreeks
betrekking heeft op de verklaring omtrent de getrouwheid van de
jaarrekening of de staten van de financiële onderneming; en
d. indien de Nederlandsche Bank
daarom verzoekt, een nadere toelichting op de gegevens, bedoeld in
de onderdelen a tot en met c.
2. De door een actuaris als bedoeld in
artikel 3:89, eerste lid, 3:92 of 3:94 van de wet te verstrekken
gegevens zijn:
a. het actuarieel rapport en het
actuarieel verslag aan de bestuurders en de raad van
commissarissen;
b. overige stukken die voortvloeien
uit de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3:73 van de wet; en
c. indien de Nederlandsche Bank
daarom verzoekt, een nadere toelichting op de gegevens, bedoeld in
de onderdelen a en b.
Artikel 137
1. De accountant of actuaris die
voornemens is gegevens als bedoeld in artikel 136, eerste
onderscheidenlijk tweede lid, te verstrekken, stelt de financiële
onderneming daarvan in kennis.
2. Indien de financiële onderneming
dat wenst, kan zij zelf de gegevens aan de Nederlandsche Bank
verstrekken. In dat geval stelt zij de accountant of de actuaris
daarvan in kennis. De accountant of de actuaris vergewist zich ervan
dat de Nederlandsche Bank de gegevens heeft ontvangen en dat de inhoud
van de gegevens hem geen aanleiding geeft alsnog gegevens aan de
Nederlandsche Bank te verstrekken.
3. Indien de accountant of actuaris
schriftelijk gegevens verstrekt aan de Nederlandsche Bank, zendt hij
onverwijld aan de financiële onderneming een afschrift van de
gegevens en, indien van toepassing, van de begeleidende brief.
Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde
deelnemingen
Bepalingen ter uitvoering van artikel
3:95, tweede lid, en artikel 3:96, tweede, derde en vierde lid, van de
wet
Artikel 138
De gegevens, bedoeld in artikel 3:95,
tweede lid, en 3:96, tweede lid, van de wet zijn:
1°. een opgave van de omvang van een
gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 3:95 van de wet;
2°. gegevens op basis waarvan de
Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen
ingevolge artikel 3:99 van de wet is bepaald met betrekking tot de
betrouwbaarheid van de aanvrager of houder van een verklaring van
geen bezwaar die op grond van zijn gekwalificeerde deelneming het
beleid van de betrokken onderneming zou kunnen bepalen of mede
bepalen of zou bepalen of mede bepalen; en
3°. bescheiden waaruit de
financiële positie en de juridische groepsstructuur van de
aanvrager of houder van een verklaring van geen bezwaar blijken.
Artikel 139
Tot de liquide middelen van een
vennootschap als bedoeld in artikel 3:96, derde lid, van de wet worden
uitsluitend gerekend:
a. aanwezige munten of bankbiljetten;
b. direct opvorderbare tegoeden;
c. kortlopende vorderingen die geen
direct opvorderbare tegoeden zijn; en
d. activa die geen kortlopende
vorderingen zijn en die op zeer korte termijn en zonder
substantiële verliezen kunnen worden omgezet in munten of
bankbiljetten of direct opvorderbare tegoeden.
Artikel 140
1. Een verklaring van geen bezwaar
betreffende een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel
3:96, eerste lid, onderdeel c, van de wet wordt verleend, indien:
a. de waarde van de gekwalificeerde
deelneming bij verwerving of na vergroting van de gekwalificeerde
deelneming niet groter is dan vijftien procent van het
toetsingsvermogen van de bank, zoals berekend ingevolge de
artikelen 90 tot en met 94, met uitzondering van de vermindering,
bedoeld in artikel 94, tweede lid, aanhef en onderdelen f en g; en
b. de totale waarde van de
gekwalificeerde deelnemingen van de bank in ondernemingen die geen
financiële ondernemingen zijn, door de nieuwe of vergrote
gekwalificeerde deelneming niet groter wordt dan 60 procent van
het toetsingsvermogen van de bank, zoals berekend ingevolge de
artikelen 90 tot en met 94, met uitzondering van de vermindering,
bedoeld in artikel 94, tweede lid, aanhef en onderdelen f en g.
2. Een verklaring van geen bezwaar
betreffende een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel
3:96, eerste lid, onderdeel c, van de wet wordt, onverminderd het
eerste lid, verleend, indien:
a. de gekwalificeerde deelneming
wordt verworven en gehouden in het kader van een schuldsanering of
reddingsoperatie bij de betrokken onderneming;
b. de gekwalificeerde deelneming
wordt verworven en gehouden in het kader van een overgenomen
emissie van aandelen; of
c. de gekwalificeerde deelneming
wordt verworven en tijdelijk gehouden in het kader van een
stallingaffaire op eigen naam van de bank maar voor rekening van
derden.
3. Een verklaring van geen bezwaar voor
een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in het tweede lid wordt
voor bepaalde tijd verleend; de gekwalificeerde deelnemingwordt niet
betrokken in de berekening op grond van het eerste lid.
Hoofdstuk 15a. Verlenen betaaldiensten
door tussenkomst betaaldienstagent
Artikel 140a. Bepaling ter uitvoering van
artikel 3:111b van de wet
De gegevens, bedoeld in artikel 3:111b,
eerste lid, van de wet zijn:
a. een opgave van de naam, het adres,
het telefoon- en faxnummer en emailadres van de betaaldienstagent;
b. een beschrijving van de interne
controlemechanismen die door de betaaldienstagent zullen worden
gebruikt om de in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren
van terrorisme neergelegde verplichtingen na te komen; en
c. de identiteit van de bestuurders
en de personen die verantwoordelijk zijn voor het beleid van de
betaaldienstagent die bij het aanbieden van betaaldiensten wordt
gebruikt, alsmede gegevens waaruit blijkt dat zij betrouwbaar en
deskundig zijn.
Hoofdstuk 16. Slotbepalingen
Artikel 141
1. Onverminderd het tweede lid is
hoofdstuk 5niet van toepassing op overeenkomsten met betrekking tot
het uitbesteden van werkzaamheden die:
a. zijn gesloten door een
clearinginstelling, bank, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in
artikel 3:18, eerste lid, 3:23, 3:25, 3:26 of 3:27 van de wet voor
de datum van inwerkingtreding van dit besluit; en
b. voldoen aan de op dat moment
geldende regelgeving.
2. Indien de overeenkomst, bedoeld in
het eerste lid, materieel wordt aangepast, is hoofdstuk 5 vanaf dat
moment van toepassing op de gehele overeenkomst.
Artikel 142
Voor het boekjaar 2007 wordt het
minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge voor herverzekeraars of
schadeverzekeraars die zorgverzekeringen als bedoeld in artikel 1,
onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet of daarop aanvullende
ziektekostenverzekeringen herverzekeren onderscheidenlijk uitvoeren,
bepaald op de wijze als bedoeld inartikel 67, met dien verstande dat bij
de berekening en de verhouding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b
onderscheidenlijk c, van dat artikel niet wordt uitgegaan van de
afgelopen drie boekjaren, maar van de boekjaren 2006 en 2007.
Artikel 143
[Wijzigt dit besluit.]
Artikel 144
1. De ingevolge dit besluit te
verstrekken staten worden voor de eerste maal verstrekt over het
boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2007.
2. Ten aanzien van de staten over het
in 2006 geëindigde boekjaar blijft het bepaalde ingevolge artikel 55,
tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, het Besluit staten
verzekeringsbedrijf 1994, het Besluit staten
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en artikel 8 van de Nadere regeling
prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 van toepassing.
Artikel 145
Een besluit, genomen op grond van een van
de artikelen, bedoeld in kolom A, wordt vanaf het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit aangemerkt als een besluit in de zin
van het daarna in kolom B genoemde artikel van dit besluit. De aan het
besluit gestelde beperkingen of verbonden voorschriften blijven van
kracht.
|
A |
B |
|
2, tweede lid, onderdeel b, van het
Besluit solvabiliteitsmarge natura-uitvaartverzekeringsbedrijf |
95, tweede lid, onderdeel a, onder
4° |
|
2, tweede lid, onderdeel e, van het
Besluit solvabiliteitsmarge natura-uitvaartverzekeringsbedrijf |
97, eerste lid, aanhef en onderdeel
a |
|
2, tweede lid, onderdeel f, van het
Besluit solvabiliteitsmarge natura-uitvaartverzekeringsbedrijf |
96, onderdeel b |
|
6, vierde lid, eerste volzin, van
het Besluit solvabiliteitsmarge natura-uitvaartverzekeringsbedrijf |
56, derde lid, eerste volzin |
|
6, vierde lid, tweede volzin, van
het Besluit solvabiliteitsmarge natura-uitvaartverzekeringsbedrijf |
56, derde lid, tweede volzin |
|
1, tweede lid, van het Besluit
solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 |
67, tweede lid |
|
3, tweede lid, onderdeel a, van het
Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 |
95, tweede lid, onderdeel a, onder
3° |
|
3, tweede lid, onderdeel b, van het
Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 |
95, tweede lid, onderdeel a, onder
4° |
|
3, tweede lid, onderdeel, c, d of
e, van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 |
97, eerste lid, aanhef |
|
3, tweede lid, onderdeel f, van het
Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 |
96, onderdeel b |
|
9, vierde lid, eerste volzin, van
het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 |
56, derde lid, eerste volzin |
|
9, vierde lid, tweede volzin, van
het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 |
56, derde lid, tweede volzin |
|
10, eerste lid, jo bijlage B, onder
3, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf
1994 |
126, derde lid |
|
10, eerste lid, jo bijlage B, onder
6, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf
1994 |
126, zesde lid |
|
10, eerste lid, jo bijlage B, onder
7, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf
1994 |
126, zevende lid |
|
10, eerste lid, jo bijlage B, onder
9, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf
1994 |
126, negende lid |
|
10, eerste lid, jo bijlage C, onder
2, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf
1994 |
126, zesde lid |
|
10, eerste lid, jo bijlage C, onder
3, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf
1994 |
126, zevende lid |
|
10, eerste lid, jo bijlage C, onder
5, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf
1994 |
126, negende lid |
|
16, vijfde lid, van het Besluit
toezicht beleggingsinstellingen 2005 |
63, derde lid, jo 60, zesde lid |
|
16, zevende lid, onderdeel g, van
het Besluit toezicht beleggingsinstellingen 2005 |
63, derde lid, jo 60, vijfde lid,
onderdeel g |
|
3, eerste lid, jo bijlage 1,
onderdeel 1.2, onder 1, onder e, van de Nadere regeling
prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 |
92, derde lid, onderdeel c, onder
3° |
|
3, eerste lid, jo bijlage 1,
onderdeel 1.2, onder 1, onder f, van de Nadere regeling
prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 |
93, onderdeel b |
|
4, tweede lid, onderdeel g, van de
Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 |
60, vijfde lid, onderdeel g |
|
4, derde lid, van de Nadere
regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 |
60, zesde lid |
|
4, vierde lid, van de Nadere
regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 |
60, vierde lid |
|
3, derde lid, onderdeel c, onder
2°, van de Regeling prudentieel toezicht beleggingsinstellingen |
92, derde lid, onderdeel c, onder
3° |
|
3, vierde lid, van de Regeling
belegging technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 |
123, vierde lid |
|
3, vijfde lid, van de Regeling
belegging technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 |
123, vijfde lid |
|
69, tweede lid, van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993 |
57, tweede lid |
Artikel 146
Indien de Nederlandsche Bank ten aanzien
van een bank of elektronischgeldinstelling een besluit heeft genomen dat
overeenkomt met een besluit als bedoeld in artikel 60, eerste lid,
onderdeel a, of derde lid, 62, vijfde lid, 64, 92, tweede of derde lid,
93, 102, zevende lid, wordt het eerstbedoelde besluit aangemerkt als
besluit in de zin van het desbetreffende artikel. De aan het besluit
gestelde beperkingen of verbonden voorschriften blijven van kracht.
Artikel 147
De artikelen van dit besluit treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.
Artikel 148
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
prudentiële regels Wft.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 12
oktober 2006
BEATRIX
De Minister van
Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de eenendertigste
oktober 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage A, behorend bij artikel 6
1. Strafrechtelijke antecedenten als
bedoeld in artikel 6, onderdeel a
1.1. Veroordelingen
Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene
in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging
tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van,
medeplichtigheid aan of plegen van:
– het in of vanuit Nederland,
beschikkende over voorwetenschap, verrichten of bewerkstelligen van
transacties in bepaalde effecten (artikelen 5:53 en 5:56 van de
wet);
– het doorgeven van voorwetenschap
als bedoeld in artikelen 5:53 en 5:56 van de wet of de nadrukkelijke
aanbeveling bepaalde transacties te doen zonder daarbij de
voorwetenschap door te geven (artikel 5:57 van de wet);
– deelneming aan een criminele en
of terroristische organisatie (artikelen 140 tot en met 140a van het
Wetboek van Strafrecht (WvSr));
– valsheid in geschrifte (artikel
225 van het WvSr);
– opzettelijk verstrekken van
onware gegevens (artikel 227a van het WvSr);
– opzettelijk schenden van de
verplichting gegevens te verstrekken (artikel 227b van het WvSr);
– diefstal onder verzwarende
omstandigheden (artikelen 311 en 312 van het WvSr);
– verduistering (artikelen 321 tot
en met 323 van het WvSr);
– benadeling van schuldeisers of
rechthebbenden (artikelen 340 tot en met 348 van het WvSr);
– opzetheling (artikel 416 van het
WvSr);
– witwassen (artikelen 420bis tot
en met 420ter van het WvSr);
– overtreding van een bepaling uit
de financiële toezichtswetgeving, als misdrijf strafbaar gesteld in
artikel 2 juncto 6 van de Wet op de economische delicten en waarvoor
betrokkene is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf
of een geldboete van ten minste de vierde categorie; of
– overtreding van een of meer in
het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de
hierboven genoemde.
2. Overige strafrechtelijke antecedenten
als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
2.1. Veroordelingen
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of
in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van,
doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen
van, medeplichtigheid aan of plegen van:
Wetboek van Strafrecht:
– openbare orde en discriminatie
(artikelen 131 tot en met 151a);
– gemeengevaarlijke misdrijven
(artikelen 157 tot en met 175);
– openbaar gezag (artikelen 177 tot
en met 207a );
– muntmisdrijven (artikelen 208 tot
en met 215);
– andere valsheiddelicten dan
muntmisdrijven (artikelen 216 tot en met 235);
– opzettelijk verstrekken van onware
gegevens (artikel 227a);
– opzettelijk schenden van de
verplichting gegevens te verstrekken (artikel 227b);
– misdrijven tegen de zeden
(artikelen 242, 246, 243 tot en met 245, 247 tot en met 250, 250ter);
– bedreiging met geweld of misdrijf
(artikel 285);
– geweldsmisdrijven tegen het leven
(artikelen 287 tot en met 294);
– mishandeling (artikelen 300 tot en
met 306);
– dood en lichamelijk letsel door
schuld (artikelen 307 tot en met 309);
– eenvoudige diefstal (artikel 310);
– diefstal onder verzwarende
omstandigheden (artikel 311);
– diefstal met geweld (artikel 312);
– afpersing (artikel 317);
– verduistering (artikelen 321 tot en
met 323);
– bedrog (artikelen 326 tot en met
337);
– benadeling van schuldeisers of
rechthebbenden (artikelen 340 tot en met 348);
– vernieling (artikelen 350 tot en
met 354);
– ambtsmisdrijven (artikelen 355 tot
en met 380);
– heling en schuldheling (artikelen
416 tot en met 417bis);
– witwassen (artikelen 420bis tot en
met 420quinquies);
– opgave van valse naam, academische
titel etc. (artikel 435);
– onbevoegd uitoefenen makelaardij
(artikel 436a);
– indruk wekken van officieel
gesteund of erkend optreden (artikel 435b);
– eigenmachtig handelen tijdens
surséance (artikel 442);
– verstrekken van onware gegevens
(artikel 447c); of
– schenden van de verplichting
gegevens te verstrekken (artikel 447d).
Algemene wet inzake de rijksbelastingen (AWR):
– overtreding fiscale wetgeving
(artikelen 68 en 69).
Opiumwet:
– met opzet smokkelen, bereiden,
verkopen, afleveren, aanwezig hebben, etc. van harddrugs (artikel 2,
eerste lid);
– met opzet smokkelen, bereiden,
verkopen, afleveren, aanwezig hebben en vervaardigen softdrugs
(artikel 3, eerste lid); of
– voorbereidingshandelingen met
betrekking tot bereiden, verkopen, afleveren etc. en smokkelen van
harddrugs (artikel 10a, eerste lid).
Wet op de economische delicten (WED):
Door de WED strafbaar gestelde
gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële
toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4
eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en
tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en
financieren van terrorisme.
Wet wapens en munitie:
– zonder erkenning wapen of munitie
vervaardigen etc. (artikel 9, eerste lid), vervaardigen, voorhanden
hebben etc. bepaalde wapens (artikel 13, eerste lid);
– zonder consent bepaalde wapens of
munitie doen binnenkomen of uitgaan etc. (artikel 14, eerste lid);
– zonder vergunning of verlof
vervoeren bepaalde wapens of munitie (artikel 22, eerste lid);
– verboden voorhanden hebben van
bepaalde wapens of munitie (artikel 26, eerste lid); of
– verboden overdragen van bepaalde
wapens of munitie (artikel 31, eerste lid).
Wegenverkeerswet 1994:
– dood of letsel door schuld (artikel
6);
– doorrijden na ongeval (artikel 7);
– rijden onder invloed (artikel 8);
– motorvoertuig besturen na
ontzegging (artikel 9);
– joyriding (artikel 11); of
– medewerking weigeren aan onderzoek
(artikel 163).
Algemene Douanewet
– overtreding douanewetgeving
(artikelen 10:5 en 10:6).
Invorderingswet 1990
– overtreding fiscale wetgeving
(artikelen 64 en 65).
Buitenlandse strafbepalingen
Onder veroordelingen worden ook verstaan
veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in
het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven
genoemde.
2.2. Transacties
Betrokkene heeft een transactie als
bedoeld in artikel 74 van het WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel
10:15 van de Algemene Douanewet gedaan ter zake van een of meer van de
hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt
ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot
niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare
strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde
autoriteit.
2.3. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak
of ontslag van rechtsvervolging
Betrokkene wordt ter zake van een of meer
van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder
vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is
vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.
Onder al dan niet voorwaardelijk sepot,
niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging
worden ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen in het
buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende
strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.
2.4. Andere feiten of omstandigheden
Andere feiten of omstandigheden die
redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de
beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, zoals blijkend uit
door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren
opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene
betrokken is (geweest) bij een of meer van de onder 2.1 genoemde
strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten wordt ook
verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt
door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het
buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met
de onder 2.1 genoemde.
3. Financiële antecedenten als bedoeld
in artikel 6, onderdeel b
3.1. Persoonlijk
– betrokkene heeft belangrijke
persoonlijke financiële problemen gehad en deze hebben tot
juridische, invorderings- of incassoprocedures geleid;
– ten aanzien van betrokkene is
surséance van betaling, faillissement, schuldsanering of
schuldeisersakkoord aangevraagd of uitgesproken;
– betrokkene is thans in Nederland of
elders verwikkeld in één of meer juridische procedures naar
aanleiding van persoonlijke financiële problemen, dan wel verwacht
daarin betrokken te raken; of
|