|
BESLUIT van
12 oktober 2006, houdende bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 1:10, 1:11, 3:5, 3:36 en 3:110 van de Wet op het financieel
toezicht (Besluit reikwijdtebepalingen Wft)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Financiën van 12 juli 2006,
no. FM 2006-01704 M;
Gelet op de artikelen 1:10, 1:11, 3:5, 3:36 en
3:110 van de Wet op het financieel toezicht;
De Raad van State gehoord (advies van
17 augustus 2006, nr. W06.06.0333/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Financiën van 9 oktober 2006, FM 2006-02265 U;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: Wet op het financieel toezicht;
b. Zwitserland: Zwitserse Bondsstaat.
Hoofdstuk 2. Reikwijdte
Afdeling 2.1. Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 1:10,
aanhef en onderdeel a, en 3:36, zesde lid, van de wet
§ 2.1.1. Onderlinge waarborgmaatschappijen met zetel in Nederland
Artikel 2
1. Het ingevolge het Algemeen
deel, het Deel Markttoegang financiële ondernemingen, het Deel
Prudentieel toezicht financiële ondernemingen en de afdeling 5.4.3
van het Deel Gedragstoezicht financiële markten van de wet bepaalde
met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van
schadeverzekeraar is, voorzover in dit besluit niet anders is
bepaald, niet van toepassing op onderlinge waarborgmaatschappijen
van beperkte omvang met zetel in Nederland die het bedrijf van
schadeverzekeraar uitoefenen en in het bezit zijn van een
door de Nederlandsche Bank ingevolge deze paragraaf verleende
verklaring.
2. Bij de aanvraag van een verklaring legt de aanvrager aan de
Nederlandsche Bank een gewaarmerkt afschrift van de statuten, een
lijst met namen en adressen van zijn bestuurders en een programma van
werkzaamheden over, dat bevat:
a. een opgave van de aard van de
risico’s die de onderlinge waarborgmaatschappij voornemens is
te dekken;
b. een uiteenzetting omtrent de leidende beginselen op het gebied
van de herverzekering;
c. een raming van de kosten voor de inrichting van de
administratie en van het productienet;
d. bewijsstukken waaruit blijkt dat
de onderlinge waarborgmaatschappij beschikt over de financiële
middelen tot dekking daarvan;
en voorts, voor de eerste drie boekjaren:
e. een raming van de andere dan de in onderdeel c bedoelde kosten
van beheer, met name van de algemene kosten en de provisies;
f. een raming van de premies en van de schaden;
g. een raming van de liquiditeitspositie; en
h. een raming van de financiële
middelen tot dekking van de verplichtingen en, voorzover van
toepassing, tot dekking van de solvabiliteitsmarge bedoeld in
artikel 4, tweede lid.
3. Indien artikel 4 van toepassing is worden tevens
bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat de onderlinge
waarborgmaatschappij voldoet aan artikel 4, tweede lid, en is het
ingevolge artikel 3:57, eerste tot en met derde lid, van de wet
bepaalde van toepassing.
Artikel 3
1. De Nederlandsche Bank verleent een verklaring als bedoeld
in artikel 2 aan onderlinge waarborgmaatschappijen waarvan:
a. de statuten bepalen dat de leden tijdens de
bedrijfsuitoefening verplicht zijn of kunnen worden volledig bij te
dragen in de tekorten of dat de schadevergoedingsplicht naar gelang
van de beschikbare middelen kan worden beperkt en dat bij de
ontbinding de leden en zij die binnen de in de statuten bepaalde
termijn hebben opgehouden leden te zijn, aansprakelijk zijn voor
tekorten of dat de schadevergoedingsplicht naargelang de beschikbare
middelen kan worden beperkt;
b. de bedrijfsuitoefening is beperkt tot slechts een van de
branches, bedoeld in artikel 2:27, tweede lid, van de wet, met
uitzondering van de branches Ongevallen, Ziekte, Aansprakelijkheid
motorrijtuigen, Aansprakelijkheid wegvervoer, Aansprakelijkheid
luchtvaartuigen, Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen, Algemene
aansprakelijkheid, Krediet, Borgtocht en Hulpverlening;
c. de bij hen verzekerde risico’s
op genoegzame wijze zijn herverzekerd, tenzij de Nederlandsche Bank
besluit dat geen herverzekering behoeft plaats te vinden;
d. ten minste de helft van het jaarlijkse bruto premie-inkomen
afkomstig is van de leden;
e. het aantal verzekeringnemers niet groter is dan drieduizend;
en
f. het jaarlijkse bruto
premie-inkomen niet meer dan € 455.000 beloopt.
2. Het eerste lid, onderdeel c, is
niet van toepassing op onderlinge waarborgmaatschappijen waarvan het
aantal verzekeringnemers niet groter is dan tweehonderd en het
jaarlijkse bruto premie-inkomen niet meer dan € 91.000 beloopt.
Artikel 4
1. De Nederlandsche Bank verleent een verklaring als bedoeld
in artikel 2 aan onderlinge waarborgmaatschappijen die niet voldoen
aan artikel 3 en waarvan:
a. de statuten bepalen dat de leden tijdens de
bedrijfsuitoefening verplicht zijn of kunnen worden volledig bij te
dragen in de tekorten, of dat de schadevergoedingsplicht naargelang
de beschikbare middelen kan worden beperkt en dat bij de ontbinding
de leden en zij die binnen de in de statuten bepaalde termijn hebben
opgehouden leden te zijn, aansprakelijk zijn voor tekorten, of dat
de schadevergoedingsplicht naar gelang van de beschikbare middelen
kan worden beperkt;
b. de bedrijfsuitoefening zich niet uitstrekt tot de branches
Ongevallen, Ziekte, Aansprakelijkheid motorrijtuigen,
Aansprakelijkheid wegvervoer, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen,
Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen, Algemene aansprakelijkheid,
Krediet, Borgtocht en Hulpverlening;
c. het jaarlijkse bruto
premie-inkomen niet meer dan € 5.000.000 beloopt; en
d. tenminste de helft van het jaarlijkse bruto premie-inkomen
afkomstig is van de leden.
2. De onderlinge
waarborgmaatschappij beschikt over een solvabiliteitsmarge die ten
minste € 205.000 bedraagt. Ten aanzien van deze solvabiliteitsmarge
is het ingevolge artikel 3:57, eerste tot en met derde lid, van de wet
bepaalde van toepassing.
Artikel 5
1. Een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan op grond van
artikel 3 een verklaring is verleend, dient binnen de door artikel
58, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde
termijnen de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens,
bedoeld in de artikelen 361, eerste lid, onderscheidenlijk 391,
eerste lid, en 392, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, bij de Nederlandsche Bank in.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op onderlinge waarborgmaatschappijen waarvan het aantal
verzekeringnemers niet groter is dan tweehonderd en het jaarlijkse
bruto premie-inkomen niet meer dan € 91.000 beloopt.
Artikel 6
1. Een onderlinge
waarborgmaatschappij waaraan op grond van artikel 4 een verklaring
is verleend, dient binnen zes maanden na afloop van het boekjaar bij
de Nederlandsche Bank een opgave in met betrekking tot de vanuit de
vestigingen in Nederland gesloten schadeverzekeringen met betrekking
tot in andere lidstaten gelegen risico’s.
2. In de opgave worden per lidstaat en per branchegroep de in
dat boekjaar geboekte premies, schaden en provisies vermeld, telkens
zonder aftrek van herverzekering. De Nederlandsche Bank stelt regels
met betrekking tot de branchegroepen en het model van de opgave.
Artikel 7
1. Ten aanzien van een onderlinge waarborgmaatschappij
waaraan op grond van artikel 3 een verklaring is verleend, is het
bepaalde ingevolge de artikelen 1:1, 1:6, tweede lid, 1:10, aanhef
en onderdeel a, 1:24, 1:25, 1:36, 1:40 tot en met 1:42, 1:51, 1:52,
1:59, 1:65, 1:68, 1:72 tot en met 1:74, 1:75, 1:76, eerste tot en
met zevende lid, 1:89 tot en met 1:91, 1:92, 1:93, 1:110, eerste
lid, 2:27, tweede lid, 2:28, 3:8 tot en met 3:10, 3:17 eerste en
tweede lid, aanhef en onderdelen a en b, en vierde lid, 3:29, derde
lid, 3:38, en 3:70 van de wet van toepassing.
2. Met betrekking tot het
verzekeren van bijkomende risico’s is het ingevolge artikel
3:36, vierde lid, van de wet bepaalde van toepassing met dien
verstande dat de risico’s van de branche Rechtsbijstand
uitsluitend als bijkomende risico’s mogen worden gecombineerd
met branches waarbij risico’s worden verzekerd die verband
houden met het gebruik van zeeschepen. Risico’s die verband
houden met aansprakelijkheden ten aanzien waarvan de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen van toepassing is
worden evenwel niet als bijkomend risico verzekerd.
Artikel 8
1. Ten aanzien van een onderlinge waarborgmaatschappij
waaraan op grond van artikel 4 een verklaring is verleend, is het
bepaalde ingevolge de artikelen 1:1, 1:6, tweede lid, 1:10, aanhef
en onderdeel a, 1:24, 1:25, 1:36, 1:40, 1:41, 1:42, 1:51, 1:52,
1:55, 1:59, 1:65, 1:68, 1:72 tot en met 1:74, 1:75, 1:76, eerste tot
en met zevende lid, 1:78, 1:89 tot en met 1:91, 1:92, 1:93, 1:110,
2:27, tweede lid, 2:28, 2:117 eerste en derde lid, 2:119, 3:8 tot en
met 3:10, 3:17, eerste lid, tweede lid, aanhef en onderdelen a en b
en vierde lid,, 3:29, derde lid, 3:38, 3:67, eerste lid, derde lid
en vierde lid, onderdeel a, 3:70, 3:71, 3:72, derde en vijfde tot en
met negende lid, 3:73, 3:88, 3:89, 3:114, 3:115 eerste en vierde
lid, 3:116, 3:117, tweede lid, 3:118, 3:120, eerste tot en met derde
lid, en vijfde tot en met negende lid, 3:121, 3:128, 3:130, 3:132,
3:136, eerste, vierde en vijfde lid, 3:138, 3:139, 3:161, 3:162 tot
en met 3:167, 3:169, 3:170, 3:171, eerste tot en met derde lid,
3:172 tot en met 3:176, 3:177, eerste lid, 3:178 tot en met 3:193,
3:195, eerste tot en met zesde lid, en 3:196 tot en met 3:198,
eerste, tweede, vijfde en zesde lid, van de wet van toepassing.
Artikel 108 van de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het
financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing.
2. De waarden die dienen tot
dekking van de technische voorzieningen moeten in toereikende mate in
dezelfde muntsoort kunnen worden geïnd of te gelde gemaakt als die
waarin de verplichtingen luiden. Deze waarden zijn in Nederland
aanwezig, met dien verstande dat met betrekking tot een overeenkomst
van communautaire co-assurantie deze waarden ter keuze van de
onderlinge waarborgmaatschappij ook aanwezig mogen zijn in de andere
lidstaten van waaruit de overige co-assuradeuren deelnemen aan de
overeenkomst. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of
gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van
het bepaalde in dit lid, indien de aanvrager aantoont dat daaraan
redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit
lid beoogt te beschermen anderszins worden bereikt.
3. Met betrekking tot het
verzekeren van bijkomende risico’s is het bij of krachtens
artikel 3:36, vierde lid, van de wet bepaalde van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de risico’s van de branche
Rechtsbijstand uitsluitend als bijkomende risico’s mogen worden
gecombineerd met branches waarbij risico’s worden verzekerd die
verband houden met het gebruik van zeeschepen. Risico’s die
verband houden met aansprakelijkheden ten aanzien waarvan de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen van toepassing is
mogen evenwel niet als bijkomend risico worden verzekerd.
Artikel 9
Voor de toepassing van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht
financiële ondernemingen van de wet bepaalde worden onderlinge
waarborgmaatschappijen die in het bezit zijn van een door de
Nederlandsche Bank ingevolge deze paragraaf verleende verklaring
beschouwd als schadeverzekeraar waaraan ingevolge het Deel
Markttoegang financiële ondernemingen van de wet een vergunning voor
het uitoefenen van het bedrijf van schadeverzekeraar is verleend.
Artikel 10
Indien een onderlinge waarborgmaatschappij voorziet of
redelijkerwijs kan voorzien dat zij niet meer voldoet of zal voldoen
aan artikel 3 of artikel 4, geeft zij hiervan onverwijld kennis aan de
Nederlandsche Bank.
Artikel 11
1. Artikel 1:104, eerste en tweede lid, van de wet is van
overeenkomstige toepassing.
2. De Nederlandsche Bank brengt de intrekking van een
verklaring, verleend op grond van artikel 4, ter kennis van de
toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten waarnaar de onderlinge
waarborgmaatschappij vanuit Nederland diensten verricht.
Artikel 12
De Nederlandsche Bank kan onverminderd het bepaalde in artikel
1:104, eerste en tweede lid, van de wet een verklaring weigeren of
intrekken indien een onderlinge waarborgmaatschappij deel uitmaakt of
zal uitmaken van een groep en met het deel uitmaken van die groep naar
het oordeel van de Nederlandsche Bank uitsluitend of in hoofdzaak
wordt beoogd te bewerkstelligen dat een andere in die groep verbonden
onderlinge waarborgmaatschappij voldoet of zal blijven voldoen aan
artikel 3, eerste lid, onderdelen e en f, of artikel 4, eerste lid,
onderdeel c.
Artikel 13
1. De intrekking van een verklaring verplicht de onderlinge
waarborgmaatschappij haar bedrijf af te wikkelen, tenzij de
intrekking gepaard gaat met de verlening van een andere verklaring
ingevolge dit besluit of met de verlening van een vergunning als
bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, van de wet.
2. Op de onderlinge waarborgmaatschappij die ingevolge het
eerste lid verplicht is haar bedrijf af te wikkelen, blijven gedurende
de afwikkeling de bepalingen van dit besluit van toepassing.
3. Gedurende de afwikkeling mag zonder toestemming van de
Nederlandsche Bank geen wijziging worden gebracht in de verplichting
van de leden om bij te dragen in de tekorten dan wel in de
mogelijkheid de schadevergoedingsplicht te beperken.
§ 2.1.2. Ondernemingen of instellingen op onderlinge grondslag met
zetel buiten Nederland
Artikel 14
1. Op een onderneming op onderlinge grondslag van beperkte
omvang met zetel buiten Nederland die vanuit een vestiging buiten
Nederland door middel van dienstverrichting naar Nederland het
bedrijf van schadeverzekeraar uitoefent of uit wil oefenen en niet
in het bezit is van een vergunning die overeenkomt met de in artikel
2:27, eerste lid, bedoelde vergunning, zijn de artikelen 2:34, 2:37
tot en met 2:47, 3:24, 3:58, tweede lid, 3:78, en 3:83 van de wet
niet van toepassing, indien de onderneming aan de Nederlandsche Bank
aantoont dat:
a. zij voldoet aan voorwaarden die overeenkomen met artikel 3 of
artikel 4;
b. indien de betrokken vestiging zich in een lidstaat bevindt, op
deze vestiging toezicht wordt uitgeoefend dat in voldoende mate
overeenkomt met het toezicht ingevolge dit besluit of, indien de
betrokken vestiging zich bevindt in een staat die geen lidstaat is,
zij in de staat van haar zetel bevoegd is tot uitoefening van het
bedrijf van schadeverzekeraar en dit bedrijf vanuit een vestiging in
die staat daadwerkelijk uitoefent.
2. Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2.2. Bepalingen ter uitvoering van artikel 1:10, aanhef en
onderdeel b, van de wet
Artikel 15
Het bepaalde ingevolge de artikelen 1:1, 1:45, eerste lid, aanhef
en onderdelen h en i, 1:51, tweede lid, 1:78, 1:104, eerste lid,
onderdeel d, 3:38, 3:53, eerste tot en met vierde lid, 3:57, eerste
tot en met vijfde lid, 3:67, 3:72, derde en vijfde tot en met negende
lid, 3:73, 3:88, 3:89, 3:132, 3:135 tot en met 3:139, 3:161 tot en met
3:193, 3:195 tot en met 3:201, 3:203, 3:204, 3:207 tot en met 3:219,
3:221, 3:238 tot en met 3:251, 3:255 tot en met 3:257, 3:268 tot en
met 3:273, 3:282 tot en met 3:288, 4:27
eerste en derde tot en met zesde lid, en 5:68 van de wet is niet van
toepassing op een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 1:10,
aanhef en onderdeel b, van de wet die voldoet aan de krachtens artikel
3, derde lid, van de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën
door Onze Minister gestelde regels.
Artikel 16
Een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 15:
a. legt in zijn statuten vast zich
bij het uitoefenen van het bedrijf van schadeverzekeraar te
beperken tot de werkzaamheden die ingevolge artikel 3 van de
Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën verricht mogen
worden;
b. vermeldt in de jaarrekening dat
alleen risico’s in verzekering zijn genomen voor rekening
of met garantie van de Staat der Nederlanden.
Afdeling 2.3. Bepalingen ter uitvoering van artikel 1:10, aanhef en
onderdeel c, van de wet
Artikel 17
Met uitzondering van de hoofdstukken 5.1 en 5.3, de afdelingen
5.4.1 en 5.4.2, en hoofdstuk 5.5 van de wet, zijn de ingevolge de wet
gestelde regels niet van toepassing op verenigingen en onderlinge
waarborgmaatschappijen van beperkte omvang met zetel in Nederland die
het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar uitoefenen en:
a. die naar Nederlands recht zijn opgericht voor 1 januari
1995; en
b. waarvan het aantal meerderjarige verzekerden minder dan 3000
bedraagt.
Afdeling 2.4. Bepalingen ter uitvoering van artikel 1:11 van de wet
Artikel 18
Op een schadeverzekeraar met zetel in Zwitserland die in Nederland
het bedrijf van schadeverzekeraar wil uitoefenen vanuit een in
Nederland gevestigd bijkantoor zijn de artikelen 19 tot en met 26 van
toepassing.
§ 2.4.1. De toegang tot het bedrijf van schadeverzekering
Artikel 19
1. Een schadeverzekeraar met zetel in Zwitserland legt bij de
notificatie, bedoeld in artikel 2:35 van de wet aan de Nederlandsche
Bank een certificaat over, afgegeven door de terzake bevoegde
toezichthoudende instantie van Zwitserland, waarin wordt verklaard
in welke branches de aanvrager het bedrijf van schadeverzekeraar mag
uitoefenen en dat hij beschikt over een solvabiliteitsmarge die
overeenkomt met de ingevolge artikel 3:57 van de wet vereiste
solvabiliteitsmarge. Het certificaat vermeldt voorts:
a. welk bedrag aan financiële
middelen beschikbaar is om de te verwachten kosten voor de
inrichting van de administratie en van het productienet in Nederland
te dekken;
b. welke categorieën van risico’s
door de schadeverzekeraar vanuit vestigingen in Zwitserland worden
gedekt.
2. Het certificaat wordt opgemaakt overeenkomstig een door de
Nederlandsche Bank vast te stellen model.
Artikel 20
1. Bij de notificatie legt een schadeverzekeraar met zetel in
Zwitserland aan de Nederlandsche Bank een programma van
werkzaamheden over als bedoeld in artikel 21.
2. De Nederlandsche Bank legt het programma van werkzaamheden,
zonodig vergezeld van haar opmerkingen, binnen twee maanden na
ontvangst van de vereiste gegevens, bewijsstukken en inlichtingen voor
advies voor aan de toezichthoudende instantie, bedoeld in artikel 19,
eerste lid.
3. Indien de toezichthoudende instantie haar advies niet binnen
drie maanden nadat zij het programma van werkzaamheden heeft ontvangen
aan de Nederlandsche Bank heeft uitgebracht, wordt zij geacht geen
bezwaar te hebben.
4. De Nederlandsche Bank doet binnen een maand na ontvangst van
het advies, bedoeld in het tweede lid, of binnen een maand na verloop
van de termijn, bedoeld in het derde lid, van haar beslissing
mededeling aan de schadeverzekeraar.
Artikel 21
1. Het programma van werkzaamheden bevat:
a. een opgave van de aard van de
risico’s die de schadeverzekeraar voornemens is te dekken;
b. een uiteenzetting omtrent de leidende beginselen op het gebied
van de herverzekering;
c. een raming van de kosten voor de
inrichting van de administratie en van het productienet en
bewijsstukken waaruit blijkt, dat het bijkantoor beschikt over de
financiële middelen tot dekking daarvan, alsmede, indien een der te
dekken risico’s behoort tot de branche Hulpverlening, een
opgave van de ter beschikking van de schadeverzekeraar staande
middelen voor het verstrekken van de overeengekomen hulp;
d. een raming voor de eerste drie boekjaren van de andere dan de
in onderdeel c bedoelde kosten van beheer, met name van de algemene
kosten en de provisies, van het bijkantoor;
e. een raming voor de eerste drie boekjaren van de premies en van
de schaden van het bijkantoor; en
f. een raming voor de eerste drie boekjaren van de
liquiditeitspositie van het bijkantoor.
2. De schadeverzekeraar voegt bij het programma van
werkzaamheden de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens,
bedoeld in de artikelen 361, eerste lid, onderscheidenlijk 391, eerste
lid en 392, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek van elk der laatste drie boekjaren, tenzij sedert
de oprichting van de onderneming van de schadeverzekeraar nog geen
drie boekjaren zijn verstreken en:
a. de schadeverzekeraar is opgericht ingevolge een fusie van
bestaande schadeverzekeraars; of
b. de schadeverzekeraar is opgericht door een of meer bestaande
schadeverzekeraars voor de uitoefening van een bepaalde branche,
waarin een van de betrokken schadeverzekeraars voordien werkzaam
was.
3. Het programma van werkzaamheden bevat een opgave van de
solvabiliteitsmarge met betrekking tot het gehele in en buiten
Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf.
Artikel 22
1. In afwijking van artikel 3:118, eerste lid, onderdeel c,
van de wet verleent de Nederlandsche Bank voor een overdracht van
rechten en verplichtingen uit overeenkomsten aan een verzekeraar met
zetel in Zwitserland geen toestemming alvorens de terzake bevoegde
toezichthoudende autoriteit van Zwitserland heeft verklaard dat de
overnemende verzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht,
het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge bezit.
2. In afwijking van artikel 3:118, derde lid, onderdeel a, van
de wet kan de Nederlandsche Bank voor een overdracht als bedoeld in
het eerste lid aan een verzekeraar met zetel in Zwitserland in het
kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een andere lidstaat
gelegen bijkantoor slechts toestemming verlenen, indien de terzake
bevoegde toezichthoudende autoriteit van Zwitserland heeft verklaard
dat het betrokken bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht,
beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge.
§ 2.4.2. Technische voorzieningen
Artikel 23
Artikel 3:68 van de wet is van toepassing op een bijkantoor in
Nederland van een schadeverzekeraar met zetel in Zwitserland.
Artikel 24
1. Indien een bijkantoor in Nederland van een
schadeverzekeraar met zetel in Zwitserland niet voldoet aan het bij
of krachtens artikel 3:68 van de wet bepaalde met betrekking tot de
technische voorzieningen, kan de Nederlandsche Bank de vrije
beschikking door het bijkantoor over de waarden die betrekking
hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf van
schadeverzekeraar, beperken of hem verbieden om anders dan met
machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze
waarden.
2. Alvorens een beperking of een verbod als bedoeld in het
eerste lid uit te vaardigen stelt de Nederlandsche Bank de
toezichthoudende instantie van Zwitserland op de hoogte van haar
voornemen.
3. Een beperking of een verbod als bedoeld in het eerste lid
kan de Nederlandsche Bank ook uitvaardigen, indien de toezichthoudende
instantie van Zwitserland of van een andere lidstaat dan Nederland
waar de schadeverzekeraar met zetel in Zwitserland een vestiging
heeft, dit verzoekt op grond van het feit dat het bijkantoor naar haar
oordeel in soortgelijke omstandigheden verkeert als bedoeld in het
eerste lid.
4. Het bijkantoor kan de ongeldigheid van een rechtshandeling,
verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de
wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
5. De beperking of het verbod wordt door de Nederlandsche Bank
door middel van een deurwaardersexploot aan de schadeverzekeraar
bekend.
6. De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op
zodra het bijkantoor weer voldoet aan de in het eerste lid bedoelde
eisen of, wanneer de beperking of het verbod uitsluitend berust op het
derde lid, zodra daartoe naar het oordeel van de Nederlandsche Bank
aanleiding bestaat, doch in elk geval zodra de in dat lid bedoelde
toezichthoudende instantie de door haar opgelegde beperking of het
verbod heeft opgeheven. De Nederlandsche Bank maakt de opheffing
bekend aan het bijkantoor.
7. De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instantie,
bedoeld in het derde lid, alsmede de toezichthoudende instanties van
de lidstaten waarnaar het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid,
vanuit Nederland diensten verricht in kennis van de uitvaardiging van
de beperking of het verbod en de opheffing daarvan.
Artikel 25
1. De Nederlandsche Bank vaardigt een beperking of een verbod
als bedoeld in artikel 24 uit ten aanzien van de hier te lande
aanwezige waarden, indien de toezichthoudende instantie van
Zwitserland dit verzoekt op grond van het feit dat de
schadeverzekeraar met zetel in Zwitserland naar haar oordeel in
soortgelijke omstandigheden verkeert als bedoeld in artikel 3:136,
tweede lid, van de wet.
2. De schadeverzekeraar kan de ongeldigheid van een
rechtshandeling, verricht in strijd met de beperking of het verbod,
inroepen indien de wederpartij de maatregel kende of daarvan niet
onkundig kon zijn.
3. De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod,
bedoeld in het eerste lid, op zodra de toezichthoudende instantie van
Zwitserland dit verzoekt. Zij maakt de opheffing bekend aan de
schadeverzekeraar. Tevens doet de Nederlandsche Bank van het besluit
tot opheffing van de beperking of het verbod mededeling aan de
toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waarheen de
schadeverzekeraar vanuit Nederland diensten verricht.
§ 2.4.3. Noodregeling
Artikel 26
Paragraaf 3.5.5.3 van de wet is van overeenkomstige toepassing op
een bijkantoor in Nederland van een schadeverzekeraar met zetel in
Zwitserland.
Hoofdstuk 3. Ontheffingen
Bepalingen ter uitvoering van artikel 3:5, vierde lid, van de wet
Artikel 27
1. Een ontheffing als bedoeld in artikel 3:5, vierde lid, van
de wet, kan, onverminderd artikel 28, worden verleend indien;
a. de nakoming van alle verplichtingen van de aanvrager die zijn
ontstaan door het in de uitoefening van een bedrijf buiten besloten
kring aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking
hebben van opvorderbare gelden van anderen dan professionele
marktpartijen, wordt gegarandeerd door:
1°. een onderneming met een positief
geconsolideerd eigen vermogen, waarvan de aanvrager
dochtermaatschappij is;
2°. een
financiële onderneming die in Nederland het bedrijf van bank mag
uitoefenen of een bank met zetel in een door Onze Minister aan te
wijzen staat waar toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van
bank wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten
aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen;
3°. de Staat der Nederlanden of een
openbaar lichaam als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet
financiering decentrale overheden; of
4°. een onderneming die behoort tot
een door de Nederlandsche Bank aan te wijzen categorie; of
b. de aanvrager een door de
Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële Markten op grond
van de wet verleende vergunning heeft.
2. De aanvrager van een ontheffing als bedoeld in artikel 3:5,
vierde lid, van de wet, toont aan dat zal worden voldaan aan artikel
28, eerste lid, en legt ten aanzien van de in dat lid bedoelde
personen de volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, de
geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres,
het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in
artikel 30; en
d. een opgave van referenten.
3. De houder van de ontheffing verstrekt binnen zes maanden na
afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank de jaarrekening, het
jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in de artikelen 361,
eerste lid, onderscheidenlijk 391, eerste lid, en 392, eerste lid,
onderdelen a tot en met h, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 28
1. Het beleid van een houder van een ontheffing als bedoeld
in artikel 3:5, vierde lid, van de wet wordt bepaald of mede bepaald
door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Indien
binnen de houder van een ontheffing een orgaan is belast met het
toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de houder
van een ontheffing wordt dit toezicht gehouden door personen wier
betrouwbaarheid buiten twijfel staat.
2. De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste
lid staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder
voor de toepassing van de wet is vastgesteld, zolang niet een
wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke
aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.
3. Op de vaststelling van de betrouwbaarheid van de personen,
bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 29 tot en met 33 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 29
De Nederlandsche Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een
persoon als bedoeld in artikel 28, eerste lid, buiten twijfel staat op
basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.
Artikel 30
De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel
29, in ieder geval in aanmerking:
a. de in onderdelen 1 en 2 van de bijlage genoemde
strafrechtelijke antecedenten;
b. de in onderdeel 3 van de bijlage
genoemde financiële antecedenten;
c. de in onderdeel 4 van de bijlage genoemde
toezichtantecedenten;
d. de in onderdeel 5 van de bijlage genoemde fiscaal
bestuursrechtelijke antecedenten; en
e. de in onderdeel 6 van de bijlage genoemde overige
antecedenten.
Artikel 31
1. De Nederlandsche Bank verkrijgt inzicht in de in artikel
29 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:
a. door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;
b. door de Landelijke Officier van Justitie verstrekte
politiegegevens;
c. gegevens uit de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel
b, van de Wet controle op rechtspersonen;
d. gegevens en inlichtingen, verkregen van de Belastingdienst;
e. gegevens en inlichtingen,
verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan
wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen
instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten
of op personen die op die markten werkzaam zijn;
f. ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;
g. inlichtingen, verkregen van door betrokkene opgegeven
referenten;
h. gegevens uit openbare bronnen;
i. inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met
betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen,
bewindvoeringen of noodregelingen waarbij de in artikel 28 bedoelde
personen betrokken zijn geweest;
j. inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of
voormalige beroepsgenoten van betrokkene; of
k. gegevens en inlichtingen,
verkregen uit andere bij ministeriële regeling aan te wijzen
bronnen.
2. Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig
het eerste lid, de Nederlandsche Bank aanleiding geven tot nader
onderzoek, kan de Nederlandsche Bank ook inlichtingen inwinnen en
gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat
lid. De Nederlandsche Bank stelt de betrokkene in dat geval vooraf
schriftelijk in kennis van:
a. de reden van het nadere onderzoek;
b. de personen of instanties bij wie nadere gegevens of
inlichtingen zullen worden ingewonnen; en
c. de aard van de nadere gegevens of inlichtingen.
Artikel 32
De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 28 staat
niet buiten twijfel als deze veroordeeld is terzake van een misdrijf,
genoemd in onderdeel 1 van de bijlage, tenzij er sinds het
onherroepelijk worden van de uitspraak acht jaren of meer zijn
verstreken.
Artikel 33
De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel
29, in aanmerking:
a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten
grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige
omstandigheden van het geval;
b. de belangen die de wet beoogt te beschermen; en
c. de overige belangen van de aanvrager en de betrokken persoon
of personen.
Artikel 34
1. De houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 3:5,
vierde lid, van de wet:
a. informeert, alvorens een overeenkomst aan te gaan terzake van
het in de uitoefening van een bedrijf buiten besloten kring
aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van
opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen zijn
wederpartij duidelijk en volledig over diens rechten en plichten met
betrekking tot de overeenkomst;
b. deelt de Nederlandsche Bank
schriftelijk en onverwijld nadat hij daarvan in het kader van de
normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen een wijziging mede in
de gegevens die eerder door hemzelf of door een financiële
onderneming aan een toezichthouder zijn verstrekt ten behoeve van de
beoordeling van de ingevolge de wet gestelde eisen met betrekking
tot de betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in artikel 28,
eerste lid; en
c. deelt de Nederlandsche Bank schriftelijk het voornemen tot
wijziging van de personen bedoeld in artikel 28, eerste lid, mede.
2. De houder van een ontheffing geeft geen uitvoering aan het
voornemen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voordat de
Nederlandsche Bank heeft vastgesteld dat de betrouwbaarheid van de
betrokken persoon buiten twijfel staat. De Nederlandsche Bank neemt
een besluit omtrent de betrouwbaarheid:
a. binnen zes weken na ontvangst van de mededeling; of
b. inden de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van
de mededeling om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken
na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken
na ontvangst van de mededeling.
3. Indien de Nederlandsche Bank een derde verzoekt om nadere
gegevens als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, geeft zij daarvan
kennis aan de houder.
4. Bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
legt de houder ten aanzien van de betrokken persoon de volgende
gegevens over:
a. een opgave van de naam, de
geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres,
het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in
artikel 30; en
d. een opgave van referenten.
5. Het tweede lid en het vierde lid, onderdelen b, c en d, zijn
niet van toepassing indien de wijziging een persoon betreft wiens
betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder
reeds is vastgesteld.
Hoofdstuk 4. Ondertoezichtstelling financiële instellingen
Bepalingen ter uitvoering van artikel 3:110, tweede lid, van de wet
Artikel 35
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel
3:110, tweede lid van de wet wordt gedaan met gebruikmaking van het
daartoe door de Nederlandsche Bank vastgestelde formulier dat op
verzoek aan de aanvrager ter beschikking wordt gesteld.
2. Het aanvraagformulier en de daarbij ingevolge dit besluit te
verstrekken gegevens worden in enkelvoud ingediend.
Artikel 36
1. De gegevens, bedoeld in dit besluit, worden in een
zodanige vorm verstrekt dat een goede beoordeling door de
Nederlandsche Bank mogelijk is.
2. De opstellers van verklaringen en rapportages ondertekenen
of waarmerken deze.
Artikel 37
1. De gegevens, bedoeld in artikel 3:110, tweede lid, van de
wet zijn:
a. een opgave van de naam, het
adres en het telefoon- en faxnummer van de bank of banken waarvan de
financiële instelling dochtermaatschappij is;
b. een opgave van de naam, het adres en het telefoon- en faxnummer
van de aanvrager;
c. een opgave van de rechtsvorm
van de financiële instelling;
d. indien de aanvrager rechtspersoon is, een opgave van de
statutaire zetel, de statutaire naam en de handelsnaam of
handelsnamen;
e. indien de aanvrager is ingeschreven in het handelsregister, een
opgave van het nummer van inschrijving;
f. indien aanwezig, een
gewaarmerkt afschrift van de statuten van de financiële instelling;
g. een opgave van de activiteiten die de aanvrager voornemens is te
verrichten;
h. gegevens op basis waarvan de
Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen
ingevolge artikel 3:8 van de wet is bepaald met betrekking tot de
deskundigheid van de personen die het dagelijks beleid bepalen van de
financiële instelling;
i. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen
of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 3:9 van de wet is
bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het
beleid bepalen of mede bepalen of onderdeel zijn van een orgaan dat
belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken
van de aanvrager;
j. een beschrijving van het voorgenomen beleid met betrekking tot
de integere bedrijfsuitoefening als bedoeld in artikel 3:10, eerste
lid, van de wet;
k. een beschrijving van de zeggenschapsstructuur aan de hand
waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan
artikel 3:16 van de wet;
l. een beschrijving van de inrichting van de bedrijfsvoering met
betrekking tot de beheerste en integere bedrijfsuitoefening, bedoeld
in artikel 3:17, eerste lid, van de wet;
m. een beschrijving van het geconsolideerde toezicht, bedoeld in
artikel 3:31 van de wet; en
n. bescheiden waaruit het eigen vermogen, bedoeld in artikel 3:53,
eerste lid, van de wet en de te verwachten solvabiliteit, bedoeld in
artikel 3:57, eerste lid, van de wet blijken.
2. De gegevens, bedoeld in artikel 3:110, tweede lid, van de
wet zijn voor een aanvrager die voornemens is beleggingsdiensten te
verlenen, onverminderd het eerste lid, een beschrijving van:
a. de inrichting van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 4:14
van de wet;
b. de maatregelen, bedoeld in artikel 4:87 van de wet; en
c. het voorgenomen beleid, bedoeld in 4:88 van de wet.
3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, zijn:
a. een opgave van de naam, de
geboortedatum, de geboorteplaats, de nationaliteit, het privé-adres,
het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een curriculum vitae;
c. een opgave van de relevante
diploma’s;
d. een kopie van een geldig identiteitsbewijs; en
e. een opgave van referenten.
4. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, zijn:
a. een opgave van de naam, de
geboortedatum, de nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en
faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in de
bijlage bij dit besluit; en
d. een opgave van referenten.
5. Het eerste lid, onderdeel i, is niet van toepassing indien
het een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van
de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 38
1. Een verklaring die is verleend ingevolge de artikelen 2 of
3 van het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen of
ingevolge de artikelen 2 of 3 van het Besluit vrijgestelde
onderlinge waarborgmaatschappijen 1994 en die op het tijdstip waarop
dit besluit in werking treedt niet is ingetrokken, wordt beschouwd
te zijn verleend ingevolge de artikelen 3 onderscheidenlijk 4 van
dit besluit.
2. Een onderneming op onderlinge grondslag als bedoeld in
artikel 14 die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit op
grond van artikel 9a van het Besluit vrijgestelde onderlinge
waarborgmaatschappijen of op grond van artikel 13 van het Besluit
vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994 bevoegd is
diensten te verrichten naar Nederland vanuit een vestiging buiten
Nederland en tevens daadwerkelijk zulke diensten verricht, wordt
beschouwd bevoegd te zijn ingevolge artikel 14 van dit besluit.
Artikel 39
1. In afwijking van artikel 38 blijven op onderlinge
waarborgmaatschappijen die op 20 maart 2002 in het bezit waren van
een verklaring als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit
vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994, tot 20 maart
2007 de ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Besluit
vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994 van toepassing
verklaarde eisen van toepassing zoals deze luidden op 2 december
2003.
2. Indien de onderlinge waarborgmaatschappij op 20 maart 2007
nog niet volledig voldoet aan de ingevolge artikel 3, tweede lid, van
het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994 van
toepassing verklaarde eisen, kan de Nederlandsche Bank een aanvullende
termijn van ten hoogste twee jaar toestaan, mits de onderlinge
waarborgmaatschappij voor genoemde datum de maatregelen die zij
voornemens is te nemen om de vereiste solvabiliteitsmarge te bereiken
overeenkomstig artikel 3:136, eerste, vierde en vijfde lid, van de wet
ter toestemming bij de Nederlandsche Bank heeft ingediend en de
Nederlandsche Bank die toestemming heeft verleend.
Artikel 40
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 41
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit reikwijdtebepalingen Wft.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 12 oktober 2006
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de eenendertigste oktober 2006
De Minister van Justitie.
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage behorend bij artikel 30
1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in
artikel 30, onderdeel a
1.1. Veroordelingen
Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het
buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van,
doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan
of plegen van:
– het in of vanuit Nederland, beschikkende over
voorwetenschap, verrichten of bewerkstelligen van transacties in
bepaalde effecten (artikelen 5:53 en 5:56 van de wet);
– het doorgeven van voorwetenschap als bedoeld in artikelen
5:53 en 5:56 van de wet of de nadrukkelijke aanbeveling bepaalde
transacties te doen zonder daarbij de voorwetenschap door te geven
(artikel 5:57 van de wet);
– deelneming aan een criminele en of terroristische
organisatie (artikelen 140 tot en met 140a van het Wetboek van
Strafrecht (WvSr));
– valsheid in geschrifte (artikel 225 van het WvSr);
– opzettelijk verstrekken van onware gegevens (artikel 227a
van het WvSr);
– opzettelijk schenden van de verplichting gegevens te
verstrekken (artikel 227b van het WvSr);
– diefstal onder verzwarende omstandigheden (artikelen 311en
312 van het WvSr);
– verduistering (artikelen 321 tot en met 323 van het WvSr);
– benadeling van schuldeisers of rechthebbenden (artikelen
340 tot en met 348 van het WvSr);
– opzetheling (artikel 416 van het WvSr);
– witwassen (artikelen 420bis tot en met 420ter van het WvSr);
– overtreding van een bepaling uit de financiële
toezichtswetgeving, als misdrijf strafbaar gesteld in artikel 2
juncto 6 van de Wet op de economische delicten en waarvoor
betrokkene is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf of een geldboete van ten minste de vierde
categorie; of
– overtreding van een of meer in het buitenland geldende
strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 30,
onderdeel a
2.1. Veroordelingen
Bij rechterlijke uitspraak is betrokkene in Nederland of in het
buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen
plegen van, uitlokken van, uitlokking van, medeplegen van,
medeplichtigheid aan of plegen van:
Wetboek van Strafrecht:
– openbare orde en discriminatie (artikelen 131 tot en met
151a);
– gemeengevaarlijke misdrijven (artikelen 157 tot en met 175);
– openbaar gezag (artikelen 177 tot en met 207a );
– muntmisdrijven (artikelen 208 tot en met 215);
– andere valsheiddelicten dan muntmisdrijven (artikelen 216 tot
en met 235);
– opzettelijk verstrekken van onware gegevens (artikel 227a);
– opzettelijk schenden van de verplichting gegevens te
verstrekken (artikel 227b);
– misdrijven tegen de zeden (artikelen 242, 246, 243 tot en met
245, 247 tot en met 250, 250ter);
– bedreiging met geweld of misdrijf (artikel 285);
– geweldsmisdrijven tegen het leven (artikelen 287 tot en met
294);
– mishandeling (artikelen 300 tot en met 306);
– dood en lichamelijk letsel door schuld (artikelen 307 tot en
met 309);
– eenvoudige diefstal (artikel 310);
– diefstal onder verzwarende omstandigheden (artikel 311);
– diefstal met geweld (artikel 312);
– afpersing (artikel 317);
– verduistering (artikelen 321 tot en met 323);
– bedrog (artikelen 326 tot en met 337);
– benadeling van schuldeisers of rechthebbenden (artikelen 340
tot en met 348);
– vernieling (artikelen 350 tot en met 354);
– ambtsmisdrijven (artikelen 355 tot en met 380);
– heling en schuldheling (artikelen 416 tot en met 417bis);
– witwassen (artikelen 420 bis tot en met 420quinquies);
– opgave van valse naam, academische titel etc. (artikel 435);
– onbevoegd uitoefenen makelaardij (artikel 436a);
– indruk wekken van officieel gesteund of erkend optreden
(artikel 435b);
– eigenmachtig handelen tijdens surséance (artikel 442);
– verstrekken van onware gegevens (artikel 447c); of
– schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel
447d).
Algemene wet inzake de rijksbelastingen (AWR):
– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).
Opiumwet:
– met opzet smokkelen, bereiden, verkopen, afleveren, aanwezig
hebben, etc. van
– harddrugs (artikel 2, eerste lid);
– met opzet smokkelen, bereiden, verkopen, afleveren,
aanwezig hebben en vervaardigen softdrugs (artikel 3, eerste
lid); of
– voorbereidingshandelingen met betrekking tot bereiden,
verkopen, afleveren etc. en smokkelen van harddrugs (artikel
10a, eerste lid).
Wet op de economische delicten (WED):
Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name
verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding
van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde
lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de
Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
Wet wapens en munitie:
– zonder erkenning wapen of munitie vervaardigen etc. (artikel
9, eerste lid), vervaardigen, voorhanden hebben etc. bepaalde wapens
(artikel 13, eerste lid);
– zonder consent bepaalde wapens of munitie doen binnenkomen of
uitgaan etc. (artikel 14, eerste lid);
– zonder vergunning of verlof vervoeren bepaalde wapens of
munitie (artikel 22, eerste lid);
– verboden voorhanden hebben van bepaalde wapens of munitie
(artikel 26, eerste lid); of
– verboden overdragen van bepaalde wapens of munitie (artikel
31, eerste lid).
Wegenverkeerswet 1994:
– dood of letsel door schuld (artikel 6);
– doorrijden na ongeval (artikel 7);
– rijden onder invloed (artikel 8);
– motorvoertuig besturen na ontzegging (artikel 9);
– joyriding (artikel 11); of
– medewerking weigeren aan onderzoek (artikel 163).
Algemene Douanewet
– overtreding douanewetgeving (artikelen 10:5 en 10:6).
Invorderingswet 1990
– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 64 en 65).
Buitenlandse strafbepalingen
– Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het
buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland
geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
2.2. Transacties
Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het
WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel 10:15 van de Algemene Douanewet
gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde
strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee
vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake
van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het
buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.
2.3. Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van
rechtsvervolging
Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1
genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of
voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of
ontslagen van rechtsvervolging.
Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging,
vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan
soortgelijke uitspraken en maatregelen in het buitenland ter zake van
overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen
vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.
2.4. Andere feiten of omstandigheden
Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs voor DNB van
belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van
betrokkene, zoals blijkend uit door tot de opsporing van strafbare
feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten
die erop wijzen dat betrokkene betrokken is (geweest) bij een of meer
van de onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of
rapporten wordt ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke
bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten
bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende
strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 2.1 genoemde.
3. Financiële antecedenten als bedoeld in artikel 30, onderdeel b
3.1. Persoonlijk
– betrokkene heeft belangrijke persoonlijke financiële
problemen gehad en deze hebben tot juridische, invorderings- of
incassoprocedures geleid;
– ten aanzien van betrokkene is surséance van betaling,
faillissement, schuldsanering of schuldeisersakkoord aangevraagd of
uitgesproken;
– betrokkene is thans in Nederland of elders verwikkeld in
één of meer juridische procedures naar aanleiding van persoonlijke
financiële problemen, dan wel verwacht daarin betrokken te raken;
of
– de persoonlijke financiële verplichtingen van betrokkene
staan naar algemene maatstaven niet in een gezonde verhouding tot
diens inkomsten of vermogen.
3.2. Zakelijk
– de huidige of één van de voormalige werkgever(s) van
betrokkene of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij
betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als beleidsbepalende of
medebeleidsbepalende persoon, feitelijke zeggenschap over het beleid
uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of
was voor het beleid, heeft belangrijke financiële problemen gehad
en deze hebben tot juridische procedures in Nederland of elders
geleid;
– met betrekking tot de huidige of één van de voormalige
werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij
betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende
persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap over het
beleid uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk
is of was voor het beleid, is surséance van betaling of
faillissement aangevraagd of uitgesproken; of
– betrokkene is veroordeeld tot voldoen van openstaande
schulden wegens aansprakelijkheid voor het faillissement van een
vennootschap of rechtspersoon op grond van de toepasselijke
bepalingen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (artikelen 50a,
138, 149, 248, 259 en 300a).
3.3. Andere feiten of omstandigheden
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van
betrokkene bij één of meer financiële gedragingen, voorzover die
redelijkerwijs voor DNB van belang kunnen zijn voor de beoordeling van
diens betrouwbaarheid.
4. Toezichtantecedenten als bedoeld in artikel 30, onderdeel c
4.1. Toezichtantecedenten
– het onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens aan een
toezichthouder of toezichthoudende instantie, als bedoeld artikel
1:1 van de wet;
– betrokkene of een vennootschap of rechtspersoon waarbij
betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende
persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur
uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of
was voor het beleid, is een toelating, vergunning of ontheffing
geweigerd door een toezichthouder of toezichthoudende instantie, als
bedoeld artikel 1:1 van de wet;
– een aan betrokkene of een vennootschap of rechtspersoon
waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of
medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk
zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins
(mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, verleende
toelating, vergunning of ontheffing is ingetrokken door een
toezichthouder of toezichthoudende instantie, als bedoeld artikel
1:1 van de wet;
– betrokkene, of zijn huidige of één van zijn voormalige
werkgevers of een vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene
een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon
bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur
uitoefent of uitoefende of anderszins (mede-) verantwoordelijk is of
was voor het beleid, is in conflict geweest met een toezichthouder
of toezichthoudende instantie, als bedoeld artikel 1:1 van de wet en
dit conflict heeft geleid tot enige maatregel jegens betrokkene dan
wel jegens de vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een
functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon
bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap over het beleid
uitoefent of uitoefende of anderszins verantwoordelijk is of was
voor het beleid; of
– aan betrokkene of aan een vennootschap of rechtspersoon
waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of
medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke
zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins
(mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, een verklaring
door de Minister van Justitie ter zake van de oprichting van dan wel
van de wijziging van de statuten van een vennootschap geweigerd op
gronden genoemd in de artikelen 2:68, tweede lid, 2:125, tweede lid,
2:179, tweede lid, onderscheidenlijk 2:235, tweede lid van het
Burgerlijk Wetboek.
4.2. Andere feiten of omstandigheden
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van
betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in
Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtswetgeving regels zijn
gesteld, welke gedraging of gedragingen die redelijkerwijs voor DNB
van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel
30, onderdeel d
5.1. Persoonlijk
Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer
van de hieronder genoemde strafbare feiten:
– opzettelijk een onjuiste of onvolledige belastingaangifte
doen (artikel 67d);
– het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige
te wijten dat een belastingaanslag tot een te laag bedrag is
vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven (artikel
67e); of
– het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of
inhoudingsplichtige te wijten is dat belasting niet, gedeeltelijk
niet, dan wel niet binnen de termijn is betaald (artikel 67f).
5.2. Zakelijk
Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige
vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt
of bekleedde als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon,
feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of
anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is op
grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete
opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde
strafbare feiten:
– opzettelijk een onjuiste of onvolledige belastingaangifte
doen (artikel 67d);
– het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige
te wijten dat een belastingaanslag tot een te laag bedrag is
vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven (artikel
67e); of
– het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige
of inhoudingsplichtige te wijten is dat belasting niet,
gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de termijn is betaald
(artikel 67f van de AWR).
5.3. Andere feiten of omstandigheden
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van
betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die
redelijkerwijs voor DNB van belang kunnen zijn voor de beoordeling van
diens betrouwbaarheid.
6. Overige antecedenten als bedoeld in artikel 30, onderdeel e
– de inschrijving van betrokkene bij het Dutch Securities
Institute is door die instelling beëindigd;
– betrokkene is onderworpen of onderworpen geweest aan een
procedure tot het treffen van tuchtrechtelijke, disciplinaire of
andere vergelijkbare maatregelen door of vanwege een organisatie van
zijn beroepsgenoten in of buiten Nederland en deze procedure heeft
jegens betrokkene tot maatregelen geleid; of
– betrokkene is betrokken of betrokken geweest bij enig
conflict met zijn huidige dan wel een vorige werkgever aangaande de
correcte vervulling van zijn functie of naleving van gedragsnormen
in verband met die taakvervulling en dit conflict heeft geleid tot
het opleggen van een arbeidsrechtelijke sanctie aan betrokkene
(zoals bijvoorbeeld in de vorm van een waarschuwing, berisping,
schorsing of ontslag).
|