| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op het financieel
toezicht (Wft)
VRIJSTELLINGSREGELING
WFT
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
De Minister van
Financiën;
Gelet op de artikelen 2:59, eerste lid, 2:64,
eerste lid, 2:74, 2:79, eerste lid, 2:85, eerste lid, 2:91, eerste lid,
2:95, eerste lid, 2:104, eerste lid, 3:3, 3:5, derde lid, 3:6, derde
lid, 3:7, derde lid, 3:111, eerste lid, 4:3, derde lid, 4:7, 5:5, 5:68,
tweede lid en 5:87 van de Wet op het financieel toezicht;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
§ 1.1. Definities
Artikel 1
In deze regeling wordt, voorzover niet anders is bepaald, verstaan
onder:
a. het besluit: het Besluit Gedragstoezicht financiële
ondernemingen Wft;
b. kredietbeheerder: bemiddelaar die in het kader van de overgang
van vorderingen uit hoofde van overeenkomsten van krediet de
verkrijgende onderneming assisteert bij het beheer en de uitvoering
van die overeenkomsten;
c. de wet: de Wet op het financieel toezicht.
Hoofdstuk 2. Vrijstelling van het Deel Markttoegang financiële
ondernemingen
§ 2.0. Bedrijf van betaaldienstverlener
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:3d van de wet
Artikel 1a
1. Van artikel 2:3a, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld
betaaldienstverleners:
a. voor zover zij in Nederland betaaldiensten verlenen als
bedoeld onder 1 tot en met 5 en 7 van de bijlage bij de richtlijn
betaaldiensten;
b. waarvan het gemiddelde van het totale bedrag van de
betalingstransacties die zij de voorafgaande twaalf maanden hebben
verricht, met inbegrip van die van agenten waarvoor zij volledig
aansprakelijk zijn, niet hoger is dan€ 3.000.000 per maand;
c. waarvan geen van de personen die het beleid bepalen of mede
bepalen personen zijn met antecedenten als bedoeld in artikel 6,
onderdelen a, b en d, van het Besluit prudentiële regels Wft voor
zover deze betrekking hebben op het witwassen van geld,
terrorismefinanciering of vermogensmisdrijven of als misdrijf
aangemerkte overtredingen van financiële toezichtswetgeving; en
d. die de Nederlandsche Bank in kennis hebben gesteld van hun
voornemen om de bedoelde betaaldiensten te verlenen.
2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien de
betaaldienstverlener de geldmiddelen die worden of zijn ontvangen van
betaaldienstgebruikers zeker stelt. Het ingevolge artikel 3:29a van de
wet bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien een betaaldienstverlener als bedoeld in het eerste lid
zijn werkzaamheden niet gedurende de gehele periode van de
voorafgaande twaalf maanden heeft verricht, kan voor de toepassing van
het eerste lid, onderdeel b, worden uitgegaan van een programma van
werkzaamheden waarin naar het oordeel van de Nederlandsche Bank een
reële begroting van het totale bedrag aan betalingstransacties is
opgenomen.
4. Een betaaldienstverlener als bedoeld in het eerste lid stelt de
Nederlandsche Bank in kennis van elke verandering in zijn situatie die
relevant is voor het naleven van de in het eerste lid gestelde
voorschriften.
Artikel 1b
Een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 1c is
vrijgesteld van artikel 2:3a, eerste lid, van de wet voor het deel van
haar werkzaamheden dat betrekking heeft op het verlenen van
betaaldiensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld.
§ 2.0a. Bedrijf van elektronischgeldinstelling
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:10d van de wet
Artikel 1c
1. Van artikel 2:10a, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld
elektronischgeldinstellingen met rechtspersoonlijkheid, indien:
a. de gezamenlijke waarde van de financiële verplichtingen van
de onderneming die met de uitgifte van elektronisch geld verband
houden, gemiddeld niet hoger is dan€ 5.000.000;
b. geen van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen
personen zijn met antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel
a, b of d, van het Besluit prudentiële regels Wft, voor zover
deze betrekking hebben op het witwassen van geld,
terrorismefinanciering of vermogensmisdrijven of als misdrijf
aangemerkte overtredingen van financiële toezichtswetgeving;
c. de onderneming elektronisch geld slechts uitgeeft via een
betaalinstrument of rekening voor elektronisch geld waarop
maximaal een bedrag van € 150 tegelijk kan worden opgeslagen; en
d. de onderneming de Nederlandsche Bank in kennis heeft gesteld
van haar voornemen om elektronisch geld uit te geven.
2. Indien een elektronischgeldinstelling als bedoeld in het eerste
lid zijn werkzaamheden niet gedurende de gehele periode van de
voorafgaande twaalf maanden heeft verricht, kan voor de toepassing van
het eerste lid, onderdeel a, worden uitgegaan van een programma van
werkzaamheden waarin naar het oordeel van de Nederlandsche Bank een
reële begroting is opgenomen van de gezamenlijke waarde van de
financiële verplichtingen die verband houden met de uitgifte van
elektronisch geld.
3. Een elektronischgeldinstelling als bedoeld in het eerste lid
stelt de Nederlandsche Bank onverwijld in kennis van elke verandering
in zijn situatie die relevant is voor het naleven van de in het eerste
lid gestelde regels.
§ 2.1. Aanbieden van beleggingsobjecten
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, van de wet
Artikel 2
1. Van artikel 2:55, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld:
a. aanbieders van beleggingsobjecten voorzover die
beleggingsobjecten:
1°. aan minder dan honderd consumenten worden aangeboden;
2°. deel uitmaken van een serie van beleggingsobjecten als
bedoeld in artikel 1, onderdeel bb, van het besluit die minder
dan twintig beleggingsobjecten omvat;
3°. een waarde hebben die niet volgens de regels van
artikel 110 van het besluit, indien dat van toepassing zou
zijn, kan worden bepaald; of
4°. worden aangeboden voor een nominaal bedrag per
beleggingsobject van ten minste € 100 000; en
b. aanbieders van beleggingsobjecten voorzover zij financiële
diensten verlenen aan:
1°. consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins
onder hun verantwoordelijkheid vallen;
2°. consumenten die werkzaam zijn bij of anderszins onder
de verantwoordelijkheid vallen van andere rechtspersonen
waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur
zijn verbonden; of
3°. consumenten waarmee zij in een formele of feitelijke
zeggenschapsstructuur zijn verbonden.
2. Indien een aanbieding niet uitsluitend aan gekwalificeerde
beleggers wordt gedaan is het eerste lid, aanhef en onderdeel a,
slechts van toepassing voor zover de aanbieder bij een aanbod van
beleggingsobjecten als bedoeld in het eerste lid, en in
reclame-uitingen en documenten waarin een dergelijk aanbod in het
vooruitzicht wordt gesteld, vermeldt dat hij voor het aanbieden niet
vergunningplichtig is ingevolge de wet en niet onder toezicht staat
van de Autoriteit Financiële Markten.
§ 2.2. Aanbieden van krediet
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:64, eerste lid, van de wet
Artikel 3
Ondernemingen die de juridische eigendom verkrijgen van vorderingen
uit hoofde van overeenkomsten inzake krediet die zij niet zelf als
wederpartij zijn aangegaan, zijn vrijgesteld van artikel 2:60, eerste
lid, van de wet voorover het beheer en de uitvoering van die
overeenkomsten krachtens overeenkomst geschiedt door een
kredietbeheerder aan wie het ingevolge de wet is toegestaan te
bemiddelen in krediet of krediet aan te bieden en die kredietbeheerder
de informatie, bedoeld in artikel 68 van het besluit, verstrekt op de in
dat artikel voorgeschreven wijze.
Artikel 3a
Van artikel 2:60, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld
instellingen als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van
de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover:
a. zij krediet aanbieden ter overbrugging van tijdelijke
liquiditeitstekorten aan natuurlijke personen die op het tijdstip
van aangaan van de overeenkomst inzake het krediet over geen of
onvoldoende inkomen beschikken om in de noodzakelijke kosten van
bestaan te voorzien danwel uitkeringsgerechtigde zijn als bedoeld in
artikel 1, onderdeel l, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen;
b. het jaarlijks kostenpercentage van het aangeboden krediet op
het tijdstip van aangaan van de overeenkomst inzake het krediet niet
meer bedraagt dan de helft van de wettelijke rente als bedoeld in
artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek; en
c. zij de natuurlijke personen duidelijk en volledig over hun
rechten en plichten met betrekking tot de overeenkomst hebben
geïnformeerd, desgewenst schriftelijk, alvorens de overeenkomst
inzake het krediet aan te gaan.
Artikel 3b
Van artikel 2:60, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld:
a. betaaldienstverleners die voor het uitoefenen van het bedrijf
van betaaldienstverlener een door de Nederlandsche Bank op grond van
artikel 2:3b van de wet verleende vergunning hebben, voorzover zij
in Nederland uitsluitend krediet aanbieden in verband met
betaaldiensten als bedoeld in de punten 4, 5 en 7 van de bijlage bij
de richtlijn betaaldiensten mits is voldaan aan de voorwaarden van
artikel 40b van het Besluit prudentiële regels Wft; en
b. betaaldienstverleners met zetel in een andere lidstaat die
voor het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener een
door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende
vergunning hebben, voorzover zij in Nederland uitsluitend krediet in
verband met betaaldiensten als bedoeld in de punten 4, 5, en 7 van
de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten aanbieden vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van
diensten naar Nederland mits is voldaan aan de voorwaarden van
artikel 16, derde lid, van de richtlijn betaaldiensten.
§ 2.3. Aanbieden van rechten van deelneming
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:74 van de wet
Artikel 4
1. Van artikel 2:65, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld
degenen die rechten van deelneming in een beleggingsinstelling
aanbieden:
a. voorzover die rechten slechts kunnen worden verworven tegen
een tegenwaarde van ten minste € 100 000 per deelnemer;
b. voorzover die rechten een nominale waarde per recht hebben
van ten minste € 100 000;
c. als bedoeld in artikel 1:12, eerste lid, van de wet;
d. die een startersfonds is als bedoeld in artikel 4.1 van de
Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen;
e. waarvan:
1°. het balanstotaal voor minder dan vijftig procent
bestaat uit beleggingen, en
2°. minder dan vijftig procent van de totale gerealiseerde
opbrengsten gegenereerd wordt uit beleggingen; of
f. aan bestuurders, leden van de raad van commissarissen of
werknemers van die beleggingsinstelling, of aan bestuurders, leden
van de raad van commissarissen of werknemers van een met die
beleggingsinstelling in een formele of feitelijke
zeggenschapsstructuur verbonden vennootschap of instelling.
2. Indien een aanbieding niet uitsluitend aan gekwalificeerde
beleggers wordt gedaan is het eerste lid slechts van toepassing voor
zover de aanbieders bij een aanbod van rechten van deelneming als
bedoeld in het eerste lid, en in reclame-uitingen en documenten waarin
een dergelijk aanbod in het vooruitzicht wordt gesteld, vermelden dat
zij voor het aanbieden van deze rechten van deelneming niet
vergunningplichtig zijn ingevolge de wet en niet onder toezicht staan
van de Autoriteit Financiële Markten.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op beheerders voorzover
zij rechten van deelneming aanbieden in beleggingsinstellingen die
voorzieningen aanhouden in het kader van een levensloopregeling als
bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.
4. Het voldoen aan de in het eerste lid, onderdeel e, genoemde
criteria wordt berekend ongeacht de presentatie in de jaarrekening en
wordt vastgesteld per balansdatum aan het einde van het boekjaar.
§ 2.4. Adviseren
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:79, eerste lid, van de wet
Artikel 5
1. Van artikel 2:75, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld:
a. adviseurs voorzover zij adviseren over beleggingsobjecten
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a;
b. adviseurs voorzover zij adviseren over verzekeringen aan:
1°. rechtspersonen waarin zij deelnemen;
2°. vennootschappen waarvan zij vennoot zijn; of
3°. rechtspersonen of vennootschappen waarin of waarvan
andere rechtspersonen of vennootschappen waarmee zij in een
formele of feitelijke zeggenschapsstructuur verbonden zijn,
deelnemen onderscheidenlijk vennoot zijn;
c. [vervallen;]
d. adviseurs voorzover zij tevens optreden als bemiddelaar ten
aanzien van het aanbevolen financiële product en zij als
bemiddelaar zijn vrijgesteld ingevolge artikel 6, eerste lid,
aanhef en onderdeel c;
e. adviseurs in verzekeringen voorzover zij tevens optreden als
bemiddelaar ten aanzien van de aanbevolen verzekering en zij als
bemiddelaar zijn vrijgesteld ingevolge artikel 7, aanhef en
onderdeel c of d;
f. adviseurs die een andere hoofdberoepswerkzaamheid hebben dan
het verlenen van financiële diensten en uit hoofde van die
hoofdberoepswerkzaamheid inzicht hebben in de financiële situatie
van een consument, voorzover zij, zonder daarvoor van de aanbieder
provisie te ontvangen, die consument adviseren en de door hen
verstrekte adviezen in het verlengde liggen van hun
hoofdberoepswerkzaamheid;
g. de Staat der Nederlanden voorzover hij in het kader van
publieksvoorlichting adviseert over zorgverzekeringen of
ziektekostenverzekeringen ter aanvulling van een zorgverzekering;
h. gemeenten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel f,
voorzover zij tevens adviseren over de verzekering waarin zij
bemiddelen;
i. adviseurs voor zover zij tevens optreden als bemiddelaar ten
aanzien van het aanbevolen financiële product en zij als
bemiddelaar zijn vrijgesteld ingevolge artikel 6, eerste lid,
aanhef en onderdeel g; en
j. adviseurs voorzover zij adviseren over andere financiële
producten dan krediet aan:
1°. consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder
hun verantwoordelijkheid vallen;
2°. consumenten die werkzaam zijn bij of anderszins onder de
verantwoordelijkheid vallen van andere rechtspersonen waarmee zij
in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden;
of
3°. consumenten of, indien het advies over verzekeringen of
herverzekeringsbemiddeling betreft, cliënten waarmee zij in een
formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel f, is slechts van toepassing
indien het adviseren slechts een marginaal onderdeel uitmaakt van de
totale werkzaamheden van de adviseur en hij het aanbevolen financiële
product niet tevens aanbiedt of met betrekking tot het aanbevolen
financiële product niet tevens een beleggingsdienst verleent,
bemiddelt, optreedt als gevolmachtigde agent of optreedt als
ondergevolmachtigde agent.
3. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is slechts van toepassing
indien de desbetreffende adviseur in reclame-uitingen en andere
onverplichte precontractuele informatie inzake het beleggingsobject
vermeldt dat hij voor het adviseren ten aanzien van het
beleggingsobject niet onder toezicht staat van de Autoriteit
Financiële Markten.
4. Het eerste lid, aanhef en onderdeel d, is slechts van toepassing
indien de in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, bedoelde andere
onderneming volledig verantwoordelijk is voor het adviseren.
Artikel 5a
Van artikel 2:75, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld
instellingen als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van
de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover:
a. zij adviseren over krediet dat zij tevens aanbieden of waarin
zij tevens bemiddelen ter overbrugging van tijdelijke
liquiditeitstekorten aan natuurlijke personen die op het tijdstip
van aangaan van de overeenkomst inzake het krediet over geen of
onvoldoende inkomen beschikken om in de noodzakelijke kosten van
bestaan te voorzien danwel uitkeringsgerechtigde zijn als bedoeld in
artikel 1, onderdeel l, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen;
b. het jaarlijks kostenpercentage van het aangeboden krediet op
het tijdstip van aangaan van de overeenkomst inzake het krediet niet
meer bedraagt dan de helft van de wettelijke rente als bedoeld in
artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek; en
c. zij de natuurlijke personen duidelijk en volledig over hun
rechten en plichten met betrekking tot de overeenkomst hebben
geïnformeerd, desgewenst schriftelijk, alvorens de overeenkomst
inzake het krediet aan te gaan.
§ 2.5. Bemiddelen
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:85, eerste lid, van de wet
Artikel 6
1. Van artikel 2:80, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld:
a. bemiddelaars voorzover zij bemiddelen in beleggingsobjecten
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a;
b. bemiddelaars die geen kredietbeheerder zijn, voorzover hun
werkzaamheden slechts betrekking hebben op het incasseren van
vorderingen uit hoofde van overeenkomsten inzake krediet;
c. bemiddelaars voorzover zij bemiddelen in financiële
producten ten aanzien waarvan het een andere onderneming waarmee
zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn
verbonden ingevolge de wet is toegestaan deze aan te bieden of
daarin te bemiddelen;
d. bemiddelaars in goederenkrediet dat niet dient ter
verschaffing van het genot van beleggingsobjecten of financiële
instrumenten aan een consument;
e. bemiddelaars, met uitzondering van bemiddelaars in krediet,
voorzover zij bemiddelen ten behoeve van:
1°. consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins
onder hun verantwoordelijkheid vallen;
2°. consumenten die werkzaam zijn bij of anderszins onder
de verantwoordelijkheid vallen van andere rechtspersonen
waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur
zijn verbonden; of
3°. consumenten of, indien het financiële diensten met
betrekking tot verzekeringen of herverzekeringsbemiddeling
betreft, cliënten waarmee zij in een formele of feitelijke
zeggenschapsstructuur zijn verbonden;
f. gemeenten voorzover zij bemiddelen in zorgverzekeringen of
ziektekostenverzekeringen ter aanvulling van zorgverzekeringen
tussen financiëledienstverleners en consumenten van wie het
inkomen niet meer dan 130 procent van de relevante bijstandnorm
als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstand bedraagt;
en
g. bemiddelaars die voor het verlenen van beleggingsdiensten
een op grond van artikel 2:96 van de wet verleende vergunning
hebben, voorzover zij niet bemiddelen in verzekeringen of
hypothecair krediet.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is slechts van toepassing
indien de desbetreffende bemiddelaar in reclame-uitingen en andere
onverplichte precontractuele informatie inzake het beleggingsobject
vermeldt dat hij voor het aanbieden van het beleggingsobject niet
onder toezicht staat van de Autoriteit Financiële Markten.
3. Het eerste lid, aanhef en onderdeel c, is slechts van toepassing
indien de desbetreffende andere onderneming volledig verantwoordelijk
is voor het bemiddelen.
4. Het eerste lid, aanhef en onderdeel d, is slechts van toepassing
indien de looptijd van het goederenkrediet niet langer is dan de
verwachte economische levensduur van de verschafte roerende zaak, of
dan de periode van dienstverlening en de desbetreffende bemiddelaar in
goederenkrediet:
a. de consument niet adviseert over het financiële product
waarin hij bemiddelt; en
b. een andere hoofdberoepswerkzaamheid heeft dan bemiddeling in
goederenkrediet en het goederenkrediet dient ter verschaffing van
het genot van een roerende zaak, dan wel het verlenen van een
dienst.
Artikel 6a
Van artikel 2:80, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld
instellingen als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van
de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover:
a. zij bemiddelen in krediet ter overbrugging van tijdelijke
liquiditeitstekorten ten behoeve van natuurlijke personen die op het
tijdstip van aangaan van de overeenkomst inzake het krediet over
geen of onvoldoende inkomen beschikken om in de noodzakelijke kosten
van bestaan te voorzien danwel uitkeringsgerechtigde zijn als
bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. het jaarlijks kostenpercentage van het aangeboden krediet op
het tijdstip van aangaan van de overeenkomst inzake het krediet niet
meer bedraagt dan de helft van de wettelijke rente als bedoeld in
artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek; en
c. zij de natuurlijke personen duidelijk en volledig over hun
rechten en plichten met betrekking tot de overeenkomst hebben
geïnformeerd, desgewenst schriftelijk, alvorens de overeenkomst
inzake het krediet aan te gaan.
Artikel 7
Van artikel 2:80, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld
bemiddelaars in verzekeringen voorzover:
a. hun werkzaamheden slechts betrekking hebben op
schadebehandeling of het innen van premies;
b. zij bemiddelen voor:
1°. rechtspersonen waarin zij deelnemen;
2°. vennootschappen waarvan zij vennoot zijn; of
3°. rechtspersonen of vennootschappen waarin of waarvan
andere rechtspersonen of vennootschappen waarmee zij in een
formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden,
deelnemen onderscheidenlijk vennoot zijn;
c. zij bemiddelen in hagelschadeverzekeringen, paarden- en
veeverzekeringen of glasverzekeringen, met uitzondering van
broeiglasverzekeringen;
d. zij reisbureau of reisorganisatie zijn en de verzekeringen
waarin zij bemiddelen annuleringsverzekeringen zijn of verzekeringen
die met het oog op een reis of vakantie worden afgesloten, indien op
de desbetreffende vestiging van het reisbureau of de reisorganisatie
ten minste een medewerker beschikt over:
1°. een geldig diploma voor de eindtermen, opgenomen in
onderdeel 4 van bijlage B van het besluit;
2°. het diploma vakbekwaamheid voor het reisbureaubedrijf,
na 1 juli 1992 afgegeven door de Stichting Examens en Proeven
voor het Reisbureaubedrijf;
3°. het certificaat ‘reisverzekeringen’, afgegeven door
de Stichting Examens en Proeven voor het Reisbureaubedrijf;
4°. het diploma Middelbaar Middenstands Onderwijs, afdeling
Middelbaar Toeristisch en Recreatief Onderwijs, afgegeven op
grond van artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
5°. het diploma Middelbaar economisch en administratief
onderwijs, afdeling Middelbaar Toeristisch en Recreatief
Onderwijs, na 1 januari 1994 afgegeven op grond van artikel 29
van de Wet op het voortgezet onderwijs;
6°. het diploma Middelbaar beroepsonderwijs, Sector
Economie, Afdeling Toerisme en Recreatie, afgegeven op grond van
artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
7°. het diploma Middenkaderfunctionaris reizen, afgegeven op
grond van artikel 7.4.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
8°. het diploma Zelfstandig werkend medewerker reizen,
afgegeven op grond van artikel 7.4.6 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs;
9°. het diploma Middenkaderfunctionaris toeristische
informatie, afgegeven op grond van artikel 7.4.6 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, indien dit diploma is afgegeven
mede op basis van het behalen van het examen voor de
deelkwalificatie Vakantiereizen; of
10°. het diploma Zelfstandig werkend medewerker toeristische
informatie, afgegeven op grond van artikel 7.4.6 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, indien dit diploma is afgegeven
mede op basis van het behalen van het examen voor de
deelkwalificatie Vakantiereizen.
§ 2.6. Herverzekeringsbemiddelen
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:91, eerste lid, van de wet
Artikel 8
Van artikel 2:86, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld
herverzekeringsbemiddelaars voorzover zij financiële diensten verlenen
aan cliënten waarmee zij in een formele of feitelijke
zeggenschapsstructuur zijn verbonden.
§ 2.7. Optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde
agent
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:95, eerste lid, van de wet
Artikel 9
Van artikel 2:92, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld
gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agenten voorzover zij
verzekeringen sluiten met:
a. consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun
verantwoordelijkheid vallen;
b. consumenten die werkzaam zijn bij of anderszins onder de
verantwoordelijkheid vallen van andere rechtspersonen waarmee zij in
een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden; of
c. consumenten of, indien het financiële diensten met betrekking
tot verzekeringen of herverzekeringsbemiddeling betreft, cliënten,
waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn
verbonden.
§ 2.8. Verlenen van beleggingsdiensten
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:104, eerste en tweede lid, van
de wet
Artikel 10
1. Van artikel 2:96 van de wet zijn vrijgesteld
beleggingsondernemingen met zetel in Australië, de Verenigde Staten
van Amerika of Zwitserland, voor zover op het verlenen van de
desbetreffende beleggingsdiensten of het in de uitoefening van beroep
of bedrijf handelen voor eigen rekening toezicht wordt uitgeoefend
door een toezichthoudende instantie in de staat van hun zetel en
indien zij dit voorafgaand aan het verlenen van die beleggingsdiensten
of beleggingsactiviteit in Nederland aan de Autoriteit Financiële
Markten hebben aangetoond door middel van:
a. een verklaring, afgegeven door de desbetreffende
toezichthoudende instantie; of
b. een schriftelijke verwijzing naar de website van de
desbetreffende toezichthoudende instantie, indien de in de aanhef
bedoelde informatie aldus kan worden verkregen.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder
toezichthoudende instantie mede verstaan een organisatie die geen
toezichthoudende instantie is in de zin van artikel 1:1 van de wet en
die als zelfregulerende organisatie, belast met toezicht op het
verlenen van beleggingsdiensten is aangewezen of erkend door een
toezichthoudende instantie.
3. Indien zij in de staat van hun zetel niet langer onder toezicht
staan voor de beleggingsdienst die zij in Nederland verlenen, melden
de beleggingsondernemingen, bedoeld in het eerste lid, dat onverwijld
aan de Autoriteit Financiële Markten.
Artikel 11
1. Van artikel 2:96 van de wet zijn vrijgesteld:
a. personen die beschikken over een vergunning of ontheffing
als bedoeld in artikel 2:75 van de wet voor het adviseren over
levensverzekeringen of hypothecair krediet;
b. personen waaraan het ingevolge artikel 2:76, tweede en
vijfde lid, van de wet is toegestaan om te adviseren over
levensverzekeringen of hypothecair krediet; en
c. personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet
implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten
beschikten over een vergunning of ontheffing als bedoeld in
artikel 2:75 van de wet voor het adviseren over financiële
instrumenten, indien die vergunning of ontheffing na dat tijdstip
niet is ingetrokken.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personen die
voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van de Wet implementatie
richtlijn markten voor financiële instrumenten een vergunning of
ontheffing als bedoeld in artikel 2:75 van de wet voor het adviseren
over financiële instrumenten hadden aangevraagd, op welke aanvraag op
het tijdstip van inwerkingtreding van die wet nog niet was beslist.
Het is deze personen toegestaan zonder vergunning of ontheffing hun
werkzaamheden voort te zetten, tot het moment dat onherroepelijk op de
aanvraag is beslist.
3. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is slechts van
toepassing voor zover de betrokken personen:
a. in Nederland beleggingsdiensten verlenen als bedoeld in
onderdeel a of d van de definitie van verlenen van een
beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, met betrekking tot
rechten van deelneming in een beleggingsinstelling;
b. geen aan hun cliënten toebehorende gelden of effecten
aanhouden;
c. in Nederland orders doorgeven aan beleggingsinstellingen die
in Nederland rechten van deelneming mogen aanbieden en aan banken
en beleggingsondernemingen die in Nederland beleggingsdiensten
mogen verlenen;
d. beschikken over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of
een daarmee vergelijkbare voorziening; en
e. de Autoriteit Financiële Markten in kennis hebben gesteld
van hun voornemen om beleggingsdiensten als bedoeld in onderdeel a
te verlenen.
4. Andere personen dan bedoeld in het eerste en tweede lid zijn,
voor zover zij voldoen aan het derde lid, vrijgesteld van artikel
2:99, eerste lid, onderdelen c, d en f tot en met j, van de wet. Het
ingevolge de artikelen 4:9, tweede lid, 4:11, tweede lid en 4:15,
eerste, tweede en vierde lid, van de wet bepaalde is van
overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 4:75, tweede en derde lid, van de wet, is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
beroepsaansprakelijkheidsverzekering of de daarmee vergelijkbare
voorziening de aansprakelijkheid wegens fouten, verzuimen of
nalatigheden voortvloeiend uit de in dit artikel bedoelde
beleggingsdiensten dekt en de dekking ten minste € 500.000 per
schadegeval en ten minste € 750.000 per jaar voor alle
schadegevallen gezamenlijk bedraagt;
Artikel 12 [Vervallen per 01-11-2007]
Artikel 13
Van artikel 2:96 van de wet zijn vrijgesteld beleggingsondernemingen
voorzover zij als particuliere participatiemaatschappijen
beleggingsdiensten verlenen met betrekking tot aandelen in hun eigen
geplaatste kapitaal.
Artikel 14
Van artikel 2:96 van de wet zijn vrijgesteld:
a. beheerders van een individueel vermogen waarvan de aandelen
uitsluitend kunnen worden gehouden door een kring van bloed- of
aanverwanten voorzover zij individuele vermogens beheren van de tot
die kring behorende personen; en
b. beheerders van een individueel vermogen die een stichting zijn
met als enig doel het beheren van individuele vermogens van een
kring van bloed- of aanverwanten, voorzover zij individuele
vermogens beheren van de tot die kring behorende personen.
Hoofdstuk 3. Vrijstelling van het Deel Prudentieel toezicht
financiële ondernemingen
§ 3.1. Beheerders, beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen
en bewaarders
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:3 van de wet
Artikel 15
1. Beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdelen a tot en met e, en beleggingsinstellingen waarvan alleen
rechten van deelneming zijn aangeboden aan bestuurders, leden van de
raad van commissarissen of werknemers van die beleggingsinstelling, of
aan bestuurders, leden van de raad van commissarissen of werknemers
van een met die beleggingsinstelling in een formele of feitelijke
zeggenschapsstructuur verbonden rechtspersoon, vennootschap of
instelling, zijn vrijgesteld van hetgeen ingevolge het Deel
Prudentieel toezicht financiële ondernemingen, met uitzondering van
artikel 3:7, van de wet is bepaald.
2. Beheerders en bewaarders zijn vrijgesteld van hetgeen ingevolge
het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet is
bepaald, voorzover zij beleggingsinstellingen als bedoeld in het
eerste lid beheren onderscheidenlijk belast zijn met de bewaring van
de activa van die beleggingsinstellingen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op beheerders voorzover
zij beleggingsinstellingen beheren als bedoeld in artikel 4, tweede
lid.
Artikel 16 [Vervallen per 01-11-2007]
Artikel 17 [Vervallen per 01-11-2007]
Artikel 18
Beleggingsondernemingen als bedoeld in de artikelen 11, 13 en 14 zijn
vrijgesteld van hetgeen ingevolge het Deel Prudentieel toezicht
financiële ondernemingen, met uitzondering van de artikelen 3:5, 3:6 en
3:7, van de wet is bepaald.
§ 3.1A. Elektronischgeldinstellingen
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:3 van de wet
Artikel 18a
1. Elektronischgeldinstellingen als bedoeld in artikel 1c zijn
vrijgesteld van hetgeen ingevolge het Deel Prudentieel toezicht
financiële ondernemingen, met uitzondering van de artikelen 3:5, 3:6,
3:7, 3:29a, 3:29b, 3:29c, vierde lid, en 3:34 van de wet is bepaald.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is slechts van
toepassing op voorwaarde dat de elektronischgeldinstelling eenmaal per
jaar staten aan de Nederlandse Bank verstrekt overeenkomstig artikel
130, derde lid, onderdeel c, van het Besluit prudentiële regels Wft.
§ 3.2. Aantrekken van opvorderbare gelden van het publiek
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:5, derde lid, van de wet
Artikel 19
1. Gerechtsdeurwaarders als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van
de Gerechtsdeurwaarderswet zijn vrijgesteld van artikel 3:5, eerste
lid, van de wet, voorzover zij de opvorderbare gelden aanhouden op een
rekening als bedoeld in artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
2. Notarissen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet op het notarisambt zijn vrijgesteld van artikel 3:5, eerste
lid, van de wet, voorzover zij de opvorderbare gelden aanhouden op een
rekening als bedoeld in artikel 25 van de Wet op het notarisambt.
Artikel 20
Van artikel 3:5, eerste lid, van de wet, zijn vrijgesteld stichtingen
die:
a. als enige activiteit hebben het tijdelijke beheer van de
opvorderbare gelden ten behoeve van de rechthebbenden of degenen die
zullen blijken de rechthebbenden te zijn; en
b. uitsluitend werkzaam zijn voor advocaten die niet zelf
gerechtigd zijn tot de opvorderbare gelden, hetgeen uit een
schriftelijke overeenkomst tussen de desbetreffende stichtingen en
de betrokken advocaten blijkt.
Artikel 21
Van artikel 3:5, eerste lid, van de wet, zijn vrijgesteld personen of
vennootschappen die opvorderbare gelden aantrekken, ter beschikking
verkrijgen of ter beschikking hebben tegen uitgifte van waardepapieren
aan toonder als onderdeel van een verkooptransactie in het groothandels-,
industrieel of detailhandelsbedrijf, voorzover zij:
a. per verkooptransactie voor een bedrag van ten hoogste een
vierde van de verkoopprijs aan waardepapieren verkopen; en
b. jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een
jaarrekening als bedoeld in artikel 361, eerste lid, van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek bij de Nederlandsche Bank indienen, waarbij
wordt vermeld het totale bedrag aan:
1°. verkooptransacties; en
2°. uitgegeven waardepapieren.
Artikel 22
Betaaldienstverleners als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, zijn
vrijgesteld van artikel 3:5, eerste lid, van de wet, voor zover het
opvorderbare gelden betreft die zijn of worden ontvangen van
betaaldienstgebruikers in verband met het verlenen van betaaldiensten
als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel a.
Artikel 23
1. Trustkantoren die werkzaam mogen zijn in Nederland op grond van
artikel 2 van de Wet toezicht trustkantoren zijn vrijgesteld van
artikel 3:5, eerste lid, van de wet, voorzover:
a. het aantrekken, ter beschikking hebben of ter beschikking
krijgen van de opvorderbare gelden rechtstreeks voortvloeit uit
administratieve activiteiten die worden verricht op grond van een
overeenkomst tussen het trustkantoor en degene van wie de gelden
worden aangetrokken, op basis waarvan het trustkantoor diensten
als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 2°, van de Wet
toezicht trustkantoren verleent;
b. zij de opvorderbare gelden tijdelijk beheren; en
c. zij de opvorderbare gelden scheiden van de gelden van het
trustkantoor door de opvorderbare gelden aan te houden op een
afgescheiden rekening.
2. Artikel 25 van de Wet op het notarisambt is van overeenkomstige
toepassing op de afgescheiden rekening, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c.
Artikel 24
1. Van artikel 3:5, eerste lid, van de wet, zijn vrijgesteld
stichtingen:
a. die uitsluitend werkzaam zijn voor trustkantoren die
werkzaam mogen zijn in Nederland op grond van artikel 2 van de Wet
toezicht trustkantoren;
b. die als enige activiteit hebben het tijdelijke beheer van
opvorderbare gelden van degene met wie een trustkantoor als
bedoeld in onderdeel a een overeenkomst als bedoeld in artikel 23,
eerste lid, onderdeel a is aangegaan, voorzover:
1°. de opvorderbare gelden uitsluitend worden
aangetrokken, ter beschikking worden gehouden of ter
beschikking worden verkregen door de stichting ter uitvoering
van die overeenkomst en het aantrekken, ter beschikking
verkrijgen of ter beschikking hebben van de opvorderbare
gelden rechtstreeks voortvloeit uit de administratieve
activiteiten die op grond van die overeenkomst door het
trustkantoor worden verricht; en
2°. de stichting de opvorderbare gelden alleen uitkeert,
indien degene met wie het trustkantoor de overeenkomst is
aangegaan hiertoe een opdracht aan het trustkantoor heeft
gegeven; en
c. waarvan het beleid wordt bepaald of mede bepaald door
personen wier betrouwbaarheid ingevolge de wet of de Wet toezicht
trustkantoren buiten twijfel staat.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is slechts van
toepassing voorzover de stichtingen, bedoeld in het eerste lid, zorg
dragen voor een onvoorwaardelijke garantie voor alle verplichtingen
ontstaan door het aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter
beschikking hebben van de opvorderbare gelden, welke is afgegeven door
het desbetreffende trustkantoor of een onderneming die deel uitmaakt
van dezelfde groep als dit trustkantoor en dit trustkantoor
onderscheidenlijk die onderneming een eigen vermogen heeft dat
gedurende de gehele looptijd van de garantie positief is.
Artikel 24a
Bewindvoerders, die:
a. benoemd zijn op grond van artikel 287, derde lid, van de
Faillissementswet; en
b. personen zijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het
Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering,
zijn vrijgesteld van artikel 3:5, eerste lid, van de wet voor zover
zij opvorderbare gelden aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter
beschikking hebben ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld
in Titel III van de Faillissementswet.
§ 3.3. Waarborg- en garantiefondsen
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:6, derde lid, van de wet
Artikel 25
Waarborg- en garantiefondsen zijn vrijgesteld van artikel 3:6, eerste
lid, van de wet voorzover zij waarborgen of garanties aanbieden die ten
gunste komen van:
a. natuurlijke personen of vennootschappen die geen rechtspersoon
zijn en per aangeboden waarborg of garantie een verplichting van
minder dan € 10.000 per begunstigde per potentieel schadegeval
wordt aangegaan; of
b. rechtspersonen.
§ 3.4. Gebruik van het woord ‘bank’
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:7, derde lid, van de wet
Artikel 26
Financiëledienstverleners die in Nederland krediet mogen aanbieden,
zijn vrijgesteld van artikel 3:7, eerste lid, van de wet, voorzover zij
het woord ‘voorschotbank’ of een vertaling daarvan bezigen in hun
naam of bij de uitoefening van hun bedrijf.
Artikel 27
Gemeentelijke kredietbanken die zijn opgericht met inachtneming van
artikel 4:36 van de wet en ten aanzien waarvan artikel 4:37 van de wet
is toegepast, zijn vrijgesteld van artikel 3:7, eerste lid, van de wet.
Artikel 28
Beleggingsinstellingen die zijn opgericht door een financiële
onderneming die in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen,
beleggingsinstellingen die een beheerder hebben die tot dezelfde groep
behoort als een zodanige financiële onderneming en
beleggingsinstellingen waarvan de deelnemingsrechten door tussenkomst
van een zodanige financiële onderneming aan het publiek worden
aangeboden, zijn vrijgesteld van artikel 3:7, eerste lid, van de wet,
indien:
a. zij een beleggingsmaatschappij zijn en de financiële
onderneming, bedoeld in de aanhef, of de beheerder, bedoeld in de
aanhef, het dagelijks beleid van de beleggingsmaatschappij bepaalt;
b. zij een beleggingsfonds zijn en de financiële onderneming,
bedoeld in de aanhef, of de beheerder, bedoeld in de aanhef, de
beheerder van het beleggingsfonds is;
c. zij een beleggingsinstelling zijn waarvan de
deelnemingsrechten door tussenkomst van de financiële onderneming,
bedoeld in de aanhef, aan het publiek worden aangeboden en die
financiële onderneming daartoe een overeenkomst heeft gesloten met
de beleggingsinstelling of met haar beheerder;
d. zij de naam van de financiële onderneming in hun naam voeren;
en
e. uit hun naam duidelijk blijkt dat het om een
beleggingsinstelling gaat.
Artikel 29
1. Vrijgesteld van artikel 3:7, eerste lid, van de wet, zijn:
a. beleggersgiro’s die rekeningen beheren voor
beleggingsinstellingen die ingevolge artikel 28 zijn vrijgesteld,
welke beleggingsinstellingen door het openen van de rekening
vorderingen hebben verkregen, luidende in effecten of rechten van
deelneming in een beleggingsinstelling, door middel van welke
rekening transacties in effecten of rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling kunnen worden bewerkstelligd;
b. beleggingsondernemingen die werkzaamheden verrichten,
gericht op het aanbieden van de mogelijkheid om door het openen
van een rekening vorderingen te verkrijgen, luidende in effecten
of rechten van deelneming in een beleggingsinstelling, door middel
van welke rekening transacties in effecten of rechten van
deelneming in een beleggingsinstelling kunnen worden
bewerkstelligd, welke werkzaamheden worden verricht voor
beleggingsinstellingen die ingevolge artikel 28 zijn vrijgesteld;
en
c. door een bank ingevolge artikel 4:87, derde lid, van de wet
opgerichte bewaarinstellingen of beleggersgiro’s die rekeningen
in financiële instrumenten beheren waarmee transacties in
financiële instrumenten kunnen worden bewerkstelligd ten behoeve
van klanten van die bank.
2. Artikel 28, onderdelen d en e, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 30
Dochterondernemingen van een financiële onderneming die in Nederland
het bedrijf van bank mag uitoefenen, zijn vrijgesteld van artikel 3:7,
eerste lid, van de wet, indien de verplichtingen van de
dochterondernemingen worden gegarandeerd door die financiële
onderneming.
Artikel 31
Personen of vennootschappen die bemiddelen of als tussenpersoon
werkzaamheden verrichten als bedoeld in artikel 4:3, eerste lid, van de
wet, ten behoeve van een financiële onderneming die in Nederland het
bedrijf van bank mag uitoefenen, zijn vrijgesteld van artikel 3:7,
eerste lid, van de wet, voorzover zij bij het bemiddelen of bij het
verrichten van werkzaamheden als tussenpersoon gebruik maken van de naam
van die financiële onderneming.
§ 3.5. Regime voor banken aangesloten bij een centrale
kredietinstelling
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:111, eerste lid, van de wet
Artikel 32
De banken die zijn aangesloten bij de Coöperatieve Centrale
Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. zijn vrijgesteld van het toezicht door de
Nederlandsche Bank op de naleving van hetgeen ingevolge de artikelen
3:10, 3:17, 3:18, 3:57 en 3:63, van de wet is bepaald, voorzover de
Coöperatieve Centrale Raiffeissen-Boerenleenbank B.A. en de aangesloten
banken voldoen aan artikel 3:111, eerste lid, van de wet.
Hoofdstuk 4. Vrijstelling van het Deel Gedragstoezicht financiële
ondernemingen
§ 4.1. Werkzaamheden als tussenpersoon bij het aantrekken van
opvorderbare gelden van het publiek
Vrijstelling als bedoeld in artikel 4:3, derde lid van de wet
Artikel 33
1. Van artikel 4:3, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld degenen
die werkzaamheden verrichten als bedoeld in dat lid, voorzover:
a. zij deze werkzaamheden verrichten ten behoeve van
stichtingen als bedoeld in artikel 20 of 24;
b. zij deze werkzaamheden verrichten ten behoeve van personen
of vennootschappen als bedoeld in artikel 21; of
c. zij deze werkzaamheden verrichten ten behoeve van
financiële ondernemingen die in Nederland het bedrijf van bank
mogen uitoefenen; of
d. zij geldtransactiekantoren zijn als bedoeld in artikel 1,
onderdeel a, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren die zijn
ingeschreven als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van die wet en
zij deze werkzaamheden verrichten ten behoeve van een
geldtransactie als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 3°,
van die wet.
2. Aan de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en
onderdeel c, worden de volgende voorschriften verbonden:
a. de werkzaamheden vinden plaats op grond van een
schriftelijke overeenkomst tussen de tussenpersoon en de
financiële onderneming en van deze overeenkomst wordt mededeling
gedaan aan de Autoriteit Financiële Markten;
b. uit de administratie van de tussenpersoon blijkt dat de
gelden op naam van de desbetreffende financiële onderneming zijn
ontvangen; en
c. de tussenpersoon geeft bij zijn werkzaamheden aan voor welke
financiële onderneming hij de werkzaamheden verricht.
§ 4.2. Beleggingsinstellingen
Vrijstelling als bedoeld in artikel 4:7 van de wet
Artikel 34
1. Beleggingsinstellingen als bedoeld in de artikelen 4, eerste
lid, onderdelen a tot en met e, en beleggingsinstellingen waarvan
alleen rechten van deelneming zijn aangeboden aan bestuurders, leden
van de raad van commissarissen of werknemers van die
beleggingsinstelling, of aan bestuurders, leden van de raad van
commissarissen of werknemers van een met die beleggingsinstelling in
een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur verbonden
rechtspersoon, vennootschap of instelling, zijn vrijgesteld van
hetgeen ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen
van de wet is bepaald.
2. Beheerders en bewaarders zijn vrijgesteld van hetgeen ingevolge
het Deel Gedragstoezicht toezicht financiële ondernemingen van de wet
is bepaald, voorzover zij beleggingsinstellingen als bedoeld in het
eerste lid beheren onderscheidenlijk belast zijn met de bewaring van
de activa van die beleggingsinstellingen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op beheerders voorzover
zij beleggingsinstellingen beheren als bedoeld in artikel 4, derde
lid.
§ 4.3. Beleggingsondernemingen
Vrijstelling als bedoeld in artikel 4:7 van de wet
Artikel 35
Beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 10 zijn vrijgesteld
van het ingevolge afdeling 4.2.1 en de artikelen 4:13, 4:14, 4:17, 4:26,
4:83, 4:84, 4:87, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de wet
bepaalde.
Artikel 35a
1. Personen als bedoeld in artikel 11 zijn vrijgesteld van hetgeen
ingevolge de afdelingen 4.2.1, 4.2.2, 4.2.3, en 4.3.7 van de wet met
betrekking tot beleggingsondernemingen is bepaald, met uitzondering
van het bepaalde ingevolge:
a. artikel 4:9, eerste lid, van de wet, met betrekking tot de
deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 4:10 van de wet, met betrekking tot de
betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;
c. artikel 4:13 van de wet;
d. artikel 35, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van het
besluit, met dien verstande dat de beleggingsonderneming de
gegevens gedurende ten minste een jaar bewaart;
e. artikel 4:16, eerste lid, van de wet en artikel 37 van het
besluit;
f. artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de wet en de
artikelen 39, 40 en 41 van het besluit;
g. artikel 4:19 van de wet en artikel 51a van het besluit;
h. artikel 4:20, eerste en derde lid, van de wet, en de
artikelen 49a, 58a, 58b, eerste lid, onderdelen a tot en met e,
58c en 58e van het besluit;
i. de artikelen 4:23, eerste en tweede lid, en 4:24, eerste,
tweede, derde, vierde en zesde lid, van de wet, en de artikelen 80
a, eerste, tweede en derde lid, 80b, eerste en derde lid, 80c en
80d van het besluit;
j. de artikelen 81 en 82, eerste lid, van het besluit;
k. artikel 4:89, eerste en vijfde lid, van de wet; en
l. artikel 4:90, eerste lid, van de wet en artikel 168a van het
besluit.
2. De artikelen 4:9, tweede lid, 4:11, tweede lid, en 4:15, eerste
lid, van de wet en de artikelen 28, 29 en 57, eerste lid, onderdeel c,
van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing, alsmede, voor
zover het betreft de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede
lid, van de wet, de eindtermen genoemd in de onderdelen 2.5 tot en met
2.7 en in de onderdelen 5.6 tot en met 5.8 van bijlage B van het
besluit.
3. De vrijstelling van het ingevolge afdeling 4.3.7 bepaalde geldt
slechts voor zover de beleggingsonderneming:
a. met haar cliënt een overeenkomst sluit die:
1°. schriftelijk of anderszins op een duurzame drager
wordt vastgelegd;
2°. in het dossier als bedoeld in artikel 4:89, eerste
lid, van de wet wordt opgenomen;
3°. in ieder geval de aard en reikwijdte van de
dienstverlening van de beleggingsonderneming in haar relatie
met de betreffende cliënt bevat; en
4°. door de beleggingsonderneming en de betreffende
cliënt uiterlijk aan het einde van de dienstverlening wordt
ondertekend;
b. elke ontvangen order door haar cliënt laat ondertekenen
alvorens deze wordt doorgegeven;
c. ervoor zorgt dat haar cliënten op billijke wijze worden
behandeld in het geval dat een belangenconflict onvermijdelijk
blijkt te zijn en deze alvorens over te gaan tot de
dienstverlening op de hoogte stelt van het belangenconflict;
d. de gegevens vastlegt die betrekking hebben op de door of in
naam van de beleggingsonderneming verleende diensten waarbij een
belangenconflict is ontstaan; en
e. zich onthoudt van het aanbevelen van transacties of het
doorgeven van orders in rechten van deelneming met een zodanige
frequentie of van een zodanige omvang dat dit gezien de
omstandigheden kennelijk slechts strekt tot bevoordeling van de
beleggingsonderneming.
Artikel 36
Beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 14 zijn vrijgesteld
van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van
de wet bepaalde.
Artikel 37
Beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 13 zijn vrijgesteld
van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen,
met uitzondering van de artikelen 4:20, 4:22, 4:23, 4:24, 4:25, 4:88 en
4:89, van de wet bepaalde.
Artikel 38 [Vervallen per 01-11-2007]
§ 4.4. Financiële dienstverleners
Vrijstelling als bedoeld in artikel 4:7 van de wet
Artikel 39
Financiëledienstverleners zijn vrijgesteld van het ingevolge het
Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde
voorzover zij financiële diensten, anders dan met betrekking tot
krediet, verlenen aan:
a. consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun
verantwoordelijkheid vallen;
b. consumenten die werkzaam zijn bij of anderszins onder de
verantwoordelijkheid vallen van andere rechtspersonen waarmee zij in
een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden; of
c. consumenten of, indien het financiële diensten met betrekking
tot verzekeringen of herverzekeringsbemiddeling betreft, cliënten
waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn
verbonden.
Artikel 39a
Instellingen als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b,
van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn vrijgesteld van het ingevolge
het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde
met betrekking tot het aanbieden van, adviseren over en bemiddelen in
krediet, voorzover:
a. zij krediet aanbieden ter overbrugging van tijdelijke
liquiditeitstekorten aan natuurlijke personen die op het tijdstip
van aangaan van de overeenkomst inzake het krediet over geen of
onvoldoende inkomen beschikken om in de noodzakelijke kosten van
bestaan te voorzien danwel uitkeringsgerechtigde zijn als bedoeld in
artikel 1, onderdeel l, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen;
b. het jaarlijks kostenpercentage van het aangeboden krediet op
het tijdstip van aangaan van de overeenkomst inzake het krediet niet
meer bedraagt dan de helft van de wettelijke rente als bedoeld in
artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek; en
c. zij de natuurlijke personen duidelijk en volledig over hun
rechten en plichten met betrekking tot de overeenkomst hebben
geïnformeerd, desgewenst schriftelijk, alvorens de overeenkomst
inzake het krediet aan te gaan.
Artikel 40
Gemeentelijke kredietbanken ten aanzien waarvan artikel 4:37 van de
wet is toegepast zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel
Gedragstoezicht financiële ondernemingen, met uitzondering van artikel
4:20, van de wet bepaalde, voorzover zij financiële diensten verlenen
met betrekking tot betaalrekeningen en de daaraan verbonden
betaalfaciliteiten in het kader van het beheer van cliëntgelden als
onderdeel van een integraal hulpverleningstraject.
Artikel 41
1. Financiëledienstverleners zijn vrijgesteld van artikel 4:9,
tweede lid, van de wet voorzover zij financiële diensten verlenen met
betrekking tot:
a. betaalrekeningen en de daaraan verbonden betaalfaciliteiten;
b. spaarrekeningen en de daaraan verbonden spaarfaciliteiten,
tenzij het spaarrekeningen betreft waarvan de rentevergoeding is
gekoppeld aan de koersontwikkeling van tot de handel op een markt
in financiële instrumenten toegelaten financiële instrumenten.
2. Financiëledienstverleners zijn vrijgesteld van artikel 4:23,
eerste en tweede lid, van de wet voorzover zij financiële diensten
verlenen met betrekking tot financiële producten, met uitzondering
van:
a. complexe producten als bedoeld in artikel 1, onderdeel d,
van het besluit;
b. spaarrekeningen en de daaraan verbonden spaarfaciliteiten,
waarvan de rentevergoeding is gekoppeld aan de koersontwikkeling
van tot de handel op een markt in financiële instrumenten
toegelaten financiële instrumenten;
c. financiële instrumenten;
d. krediet waarvan de kredietsom meer dan € 1.000 bedraagt;
e. hypothecair krediet;
f. verzekeringen in verband met het geheel of gedeeltelijk
wegvallen van het inkomen van een cliënt;
g. combinaties van twee of meer van de financiële producten,
bedoeld in de onderdelen a tot en met h van de definitie van
financieel product in artikel 1:1 van de wet.
§ 4.5. Aanbieders
Vrijstelling als bedoeld in artikel 4:7 van de wet
Artikel 42
Aanbieders van complexe producten als bedoeld in artikel 1 van het
besluit zijn vrijgesteld van artikel 150 van het besluit, voorzover het
complexe producten betreft waarvoor de consument eenmalig een premie
betaalt of eenmalig een storting doet.
Artikel 43
1. Aanbieders van beleggingsobjecten als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel a, zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel
Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde.
2. Aanbieders zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel
Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde,
voorzover zij financiële producten, met uitzondering van krediet,
aanbieden aan:
1°. consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder
hun verantwoordelijkheid vallen;
2°. consumenten die werkzaam zijn bij of anderszins onder de
verantwoordelijkheid vallen van andere rechtspersonen waarmee zij
in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden;
of
3°. consumenten of, indien het aanbieden van verzekeringen
betreft, cliënten waarmee zij in een formele of feitelijke
zeggenschapsstructuur zijn verbonden.
3. Aanbieders van krediet zijn vrijgesteld van artikel 4:9, tweede
lid, van de wet voorzover dat betrekking heeft op personen als bedoeld
in artikel 4:9, tweede lid, van de wet die geen andere werkzaamheden
met betrekking tot krediet verrichten dan het incasseren van
vorderingen.
4. Ondernemingen waarop de vrijstelling bedoeld in artikel 3, van
toepassing is, zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel
Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde.
5. Aanbieders van verzekeringen zijn vrijgesteld van artikel 4:9,
tweede lid, van de wet, voorzover dat betrekking heeft op personen als
bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, die geen andere
werkzaamheden verrichten met betrekking tot verzekeringen dan
schadebehandeling of het innen van premies.
6. Aanbieders van zorgverzekeringen als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet zijn vrijgesteld van artikel
4:17, eerste lid, van de wet en de artikelen 57, eerste lid, aanhef en
onderdeel c, en 77, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het
besluit.
Artikel 44
Ziektekostenverzekeraars als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van
de Wet marktordening gezondheidszorg, zijn vrijgesteld van de artikelen
4:19, 4:20, eerste en derde lid, 4:22 en afdeling 4.2.5 van de wet. Deze
vrijstelling geldt niet ten aanzien van het bepaalde in de artikelen 57,
eerste lid, aanhef en onderdelen a en c, en 61, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, van het besluit, voorzover de ziektekostenverzekeraars
overeenkomsten aangaan inzake ziektekostenverzekeringen anders dan door
middel van een overeenkomst op afstand.
§ 4.6. Adviseurs
Vrijstelling als bedoeld in artikel 4:7 van de wet
Artikel 45
1. Van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële
ondernemingen van de wet bepaalde zijn vrijgesteld:
a. adviseurs voorzover zij adviseren over beleggingsobjecten
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a;
b. adviseurs voorzover zij adviseren over verzekeringen aan:
1°. rechtspersonen waarin zij deelnemen;
2°. vennootschappen waarvan zij vennoot zijn; of
3°. rechtspersonen of vennootschappen waarin of waarvan
andere rechtspersonen of vennootschappen waarmee zij in een
formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden,
deelnemen onderscheidenlijk vennoot zijn;
c. adviseurs in verzekeringen voorzover zij als bemiddelaar ten
aanzien van de aanbevolen verzekering zijn vrijgesteld ingevolge
artikel 47, eerste lid, aanhef en onderdeel d;
d. de Staat der Nederlanden voorzover hij in het kader van
publieksvoorlichting adviseert over zorgverzekeringen of
ziektekostenverzekeringen ter aanvulling van een zorgverzekering;
e. adviseurs die een andere hoofdberoepswerkzaamheid hebben dan
het verlenen van financiële diensten en uit hoofde van die
hoofdberoepswerkzaamheid inzicht hebben in de financiële situatie
van consumenten, voorzover zij, zonder daarvoor van de aanbieder
provisie te ontvangen, consumenten adviseren en de door hen
verstrekte adviezen in het verlengde liggen van hun
hoofdberoepswerkzaamheid;
f. adviseurs voorzover zij adviseren over financiële
instrumenten aan personen die handelen in de uitoefening van een
beroep of bedrijf en niet tevens beleggingsdiensten verlenen.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel e, is slechts van toepassing
indien het adviseren slechts een marginaal onderdeel uitmaakt van de
totale werkzaamheden van de adviseur en hij het aanbevolen financiële
product niet tevens aanbiedt of met betrekking tot het aanbevolen
financiële product niet tevens een beleggingsdienst verleent,
bemiddelt, optreedt als gevolmachtigde agent of optreedt als
ondergevolmachtigde agent.
3. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is slechts van toepassing
voorzover de adviseurs in reclame-uitingen en andere onverplichte
precontractuele informatie inzake het beleggingsobject vermelden dat
zij voor het adviseren over het beleggingsobject niet onder toezicht
staan van de Autoriteit Financiële Markten.
Artikel 46
1.Adviseurs in financiële instrumenten die tevens
beleggingsdiensten verlenen zijn vrijgesteld van de artikelen 4:9,
tweede lid, en 4:15, eerste en derde lid, van de wet.
2.Adviseurs in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling
zijn vrijgesteld van de artikelen 4:9, tweede lid, 4:15, eerste lid,
4:17, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 4:20 van de wet, voorzover
zij adviseren over rechten van deelneming in henzelf onderscheidenlijk
in door hen beheerde beleggingsinstellingen.
3.Adviseurs in financiële instrumenten als bedoeld in bijlage B
bij de richtlijn beleggingsdiensten die tevens beheerders van
instellingen voor collectieve belegging in effecten zijn, zijn
vrijgesteld van de artikelen 4:9, tweede lid, 4:15, eerste lid, 4:17,
eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 4:20 van de wet.
4.Adviseurs in financiële instrumenten die niet tevens
beleggingsdiensten verlenen zijn vrijgesteld van artikel 4:20 van de
wet indien zij adviseren aan personen die handelen in de uitoefening
van hun beroep of bedrijf.
§ 4.7. Bemiddelaars
Vrijstelling als bedoeld in artikel 4:7 van de wet
Artikel 47
1. Van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële
ondernemingen van de wet bepaalde zijn vrijgesteld:
a. bemiddelaars voorzover zij bemiddelen in beleggingsobjecten
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a;
b. bemiddelaars die geen kredietbeheerder zijn, voorzover hun
werkzaamheden slechts betrekking hebben op het incasseren van
vorderingen uit hoofde van overeenkomsten inzake krediet;
c. bemiddelaars voorzover zij bemiddelen in verzekeringen aan:
1°. rechtspersonen waarin zij deelnemen;
2°. vennootschappen waarvan zij vennoot zijn; of
3°. rechtspersonen of vennootschappen waarin of waarvan
andere rechtspersonen of vennootschappen waarmee zij in een
formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden,
deelnemen onderscheidenlijk vennoot zijn;
d. bemiddelaars in verzekeringen als bedoeld in artikel 7,
aanhef en onderdelen c en d;
e. bemiddelaars in verzekeringen als bedoeld in artikel 7,
aanhef en onderdeel a;
f. gemeenten voorzover zij bemiddelen in zorgverzekeringen of
ziektekostenverzekeringen ter aanvulling van een zorgverzekering
tussen financiëledienstverleners en consumenten van wie het
inkomen niet meer dan 130 procent van de relevante bijstandnorm
als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstand bedraagt.
g. gemeenten als bedoeld in onderdeel f voorzover zij adviseren
over de verzekering waarin zij bemiddelen.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is slechts van toepassing
voorzover de desbetreffende bemiddelaar in reclame-uitingen en
documenten waarin een aanbod van het beleggingsobject in het
vooruitzicht wordt gesteld vermeldt dat hij voor het bemiddelen in het
beleggingsobject niet onder toezicht staat van de Autoriteit
Financiële Markten.
3. Het eerste lid, aanhef en onderdeel e, is niet van toepassing
ten aanzien van artikel 4:104 van de wet.
Artikel 48
Bemiddelaars in verzekeringen als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
onderdeel c, zijn vrijgesteld van artikel 4:75, eerste lid, van de wet
voorzover de andere onderneming volledig voor hen verantwoordelijk is
als bedoeld in artikel 6, derde lid, en:
a. een financiële onderneming is die een door de Nederlandsche
Bank verleende vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van
bank heeft;
b. een financiële onderneming is die een door de Nederlandsche
Bank verleende vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van
verzekeraar heeft; of
c. een onderlinge waarborgmaatschappij is als bedoeld in artikel
2, eerste lid, van het Besluit reikwijdtebepalingen Wft, waaraan een
verklaring ingevolge de artikelen 3 of 4 van dat koninklijk besluit
is verleend.
Artikel 49
1.Bemiddelaars in goederenkrediet als bedoeld in artikel 6, eerste
lid, onderdeel d, zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel
Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde, met
uitzondering van de artikelen 4:19, 4:20, eerste tot en met vijfde
lid, 4:16, 4:22, 4:25, 4:28, 4:29, 4:74, 4:92, 4:96, eerste lid, 4:94,
derde lid, en 4:99 van de wet.
2.Het eerste lid is slechts van toepassing voorzover het
goederenkrediet betreft waarvan de looptijd niet langer is dan de
verwachte economische levensduur van de verschafte roerende zaak, of
dan de periode van dienstverlening en indien het goederenkrediet dient
ter verschaffing van het genot van een roerende zaak, dan wel het
verlenen van een dienst en de desbetreffende bemiddelaar in
goederenkrediet:
a. de consument niet adviseert over het goederenkrediet; en
b. een andere hoofdberoepswerkzaamheid heeft dan bemiddeling in
goederenkrediet.
Artikel 50
1.Bemiddelaars die voor het verlenen van beleggingsdiensten een op
grond van artikel 2:96 van de wet verleende vergunning hebben zijn
vrijgesteld van de artikelen 4:9, eerste lid, 4:10, eerste lid en
4:11, tweede en derde lid, van de wet voorzover zij bemiddelen in
financiële producten, anders dan verzekeringen of hypothecair
krediet.
2.Adviseurs, die tevens bemiddelaars zijn als bedoeld in het eerste
lid, zijn vrijgesteld van de artikelen 4:9, eerste lid, 4:10, eerste
lid, en 4:11, tweede en derde lid, van de wet, voorzover zij adviseren
over de financiële producten waarin zij bemiddelen.
§ 4.8. Beleggingsondernemingen
Vrijstelling als bedoeld in artikel 4:7 van de wet
Artikel 51
Beleggingsondernemingen zijn vrijgesteld van de artikelen 85 en 86
van het besluit voorzover zij beleggingsdiensten verlenen aan
professionele beleggers.
§ 4.9. Herverzekeringsbemiddelaars
Vrijstelling als bedoeld in artikel 4:7 van de wet
Artikel 52
Herverzekeringsbemiddelaars zijn vrijgesteld van de artikelen 4:16,
eerste lid, 4:17, eerste lid, en 4:99 van de wet en, indien ten minste
een van de feitelijk leidinggevenden van de betreffende
herverzekeringsbemiddelaar ten minste drie jaar relevante werkervaring
heeft, van de artikelen 5 tot en met 7 van het besluit. Voorzover zij
adviseren of bemiddelen zijn herverzekeringsbemiddelaars tevens
vrijgesteld van artikel 4:72, onderscheidenlijk 4:73 van de wet.
Hoofdstuk 5. Vrijstelling van het Deel Gedragstoezicht financiële
markten
§ 5.1. Aanbieden van effecten
Vrijstelling als bedoeld in artikel 5:5 van de wet
Artikel 52a [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 53
1. Van artikel 5:2 van de wet zijn vrijgesteld degenen die effecten
aanbieden aan het publiek of toelaten tot de handel op een in
Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt, voorzover
het betreft:
a. effecten zonder aandelenkarakter die worden uitgegeven door
een lidstaat of een decentraal overheidslichaam van een lidstaat,
een openbare internationale instelling waarbij een of meer
lidstaten aangesloten zijn, de Europese Centrale Bank of een
centrale bank van een lidstaat;
b. aandelen in het kapitaal van een centrale bank van een
lidstaat;
c. effecten die onvoorwaardelijk en onherroepelijk gegarandeerd
zijn door een lidstaat of door een van de decentrale
overheidslichamen van een lidstaat;
d. effecten die worden uitgegeven door een vereniging of door
een instelling zonder winstoogmerk, met het oog op het verwerven
van de middelen die nodig zijn om haar niet-commerciële doelen te
verwezenlijken;
e. effecten zonder aandelenkarakter die worden uitgegeven door
een bank, voorzover deze effecten:
1°. doorlopend worden aangeboden aan het publiek of
onderdeel uitmaken van aanbiedingen aan het publiek of
toelatingen tot de handel op een gereglementeerde markt
waarbij over een periode van twaalf maanden sprake is van ten
minste twee afzonderlijke aanbiedingen of toelatingen van
effecten van eenzelfde categorie of klasse;
2°. niet achtergesteld, converteerbaar of omwisselbaar
zijn;
3°. geen recht geven tot het inschrijven op of verwerven
van andere categorieën effecten en niet aan een derivaat
gekoppeld zijn;
4°. de ontvangst van terugbetaalbare deposito’s
belichamen;
5°. gedekt zijn door een depositogarantiestelsel als
bedoeld in richtlijn nr. 94/19/EG van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de
depositogarantiestelsels (PbEG L 135);
f. effecten zonder aandelenkarakter die worden uitgegeven door
een bank waarbij de totale tegenwaarde van de aanbieding minder
dan € 50 miljoen bedraagt, welk grensbedrag wordt berekend over
een periode van twaalf maanden, indien deze effecten:
1°. doorlopend worden aangeboden aan het publiek of
onderdeel uitmaken van aanbiedingen aan het publiek of
toelatingen tot de handel op een gereglementeerde markt
waarbij over een periode van twaalf maanden sprake is van ten
minste twee afzonderlijke aanbiedingen of toelatingen van
effecten van eenzelfde categorie of klasse;
2°. niet achtergesteld, converteerbaar of omwisselbaar
zijn; en
3°. geen recht geven tot het inschrijven op of verwerven
van andere categorieën effecten en niet aan een derivaat
gekoppeld zijn; of
2. Het aanbieden van effecten aan het publiek en toelaten van
effecten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende
gereglementeerde markt zijn vrijgesteld van hetgeen ingevolge
hoofdstuk 5.1 van het Deel Gedragstoezicht financiële markten van de
wet is bepaald, voorzover het betreft effecten die deel uitmaken van
een aanbieding waarbij de totale tegenwaarde van de aanbieding binnen
de Europese Economische Ruimte, berekend per categorie en over een
periode van twaalf maanden, minder dan € 2,5 miljoen bedraagt.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt de totale
tegenwaarde van de aanbiedingen van in een groep verbonden
groepsmaatschappijen opgeteld.
4. Indien een aanbieding niet uitsluitend aan gekwalificeerde
beleggers wordt gedaan is het tweede lid slechts van toepassing voor
zover de aanbieders in reclame-uitingen en documenten waarin de
aanbieding of de toelating in het vooruitzicht wordt gesteld,
vermelden dat ingevolge de wet geen verplichting bestaat tot het
algemeen verkrijgbaar stellen van een prospectus dat is goedgekeurd
door de Autoriteit Financiële Markten ter zake van de aanbieding of
toelating en dat op de aanbieding of toelating geen toezicht wordt
uitgeoefend door de Autoriteit Financiële Markten.
5. Degenen die, onverminderd het eerste lid, aanhef en onderdeel a,
c, f, en het tweede lid, een prospectus opstellen overeenkomstig
hoofdstuk 5.1 van de wet, kunnen de Autoriteit Financiële Markten
verzoeken om dit prospectus goed te keuren. In dat geval zijn de
artikelen 5:9, eerste lid, 5:9a en 5:10 van de wet van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 54
1. Van artikel 5:2 van de wet zijn vrijgesteld degenen die effecten
aanbieden aan het publiek, voor zover:
a. ter zake van een eerdere aanbieding van dezelfde effecten
aan het publiek artikel 5:3, tweede lid, van de wet, artikel 53,
of 55, van toepassing was;
b. ter zake van een eerdere toelating van dezelfde effecten tot
de handel op een gereglementeerde markt artikel 5:4 van de wet of
artikel 53, eerste lid, van toepassing was; of
c. ter zake van een eerdere aanbieding van dezelfde effecten
aan het publiek in Nederland of ter zake van een eerdere toelating
van dezelfde effecten tot de handel op een in Nederland gelegen of
functionerende gereglementeerde markt een prospectus algemeen
verkrijgbaar is gesteld dat is goedgekeurd door de Autoriteit
Financiële Markten of een toezichthoudende instantie van een
andere lidstaat.
2. Het aanbieden van aandelen, of certificaten daarvan, aan het
publiek is vrijgesteld van hetgeen ingevolge hoofdstuk 5.1 van het
Deel Gedragstoezicht financiële markten van de wet is bepaald,
voorzover op de toelating daarvan tot de handel op de gereglementeerde
markt artikel 5:4, aanhef en onderdeel a, van de wet van toepassing is
en ter zake van een eerdere toelating tot de handel op dezelfde
gereglementeerde markt van dezelfde aandelen, of certificaten daarvan,
van dezelfde categorie of klasse, een prospectus algemeen verkrijgbaar
is gesteld dat is goedgekeurd door de Autoriteit Financiële Markten
of een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat.
3. Het aanbieden van aandelen, of certificaten daarvan, aan het
publiek die voortkomen uit de conversie of omruiling van andere
effecten of uit de uitoefening van rechten verbonden aan andere
effecten is vrijgesteld van hetgeen ingevolge hoofdstuk 5.1 van het
Deel Gedragstoezicht financiële markten van de wet is bepaald,
voorzover:
a. ter zake van de aanbieding van die andere effecten aan het
publiek een prospectus algemeen verkrijgbaar is gesteld dat is
goedgekeurd door de Autoriteit Financiële Markten of een
toezichthoudende instantie van een andere lidstaat; en
b. de aan te bieden aandelen, of certificaten daarvan, van
dezelfde categorie of klasse zijn als de reeds aangeboden
effecten.
Artikel 55
Van artikel 5:2 van de wet zijn vrijgesteld degenen die effecten
aanbieden aan het publiek, voorzover de effecten worden aangeboden aan
personen, niet zijnde gekwalificeerde beleggers, die een schriftelijke
overeenkomst van lastgeving hebben afgesloten met een vermogensbeheerder
die op grond van de wet in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen en
die op grond van die overeenkomst zonder last of ruggespraak met de
volmachtgever naar eigen inzicht transacties kan verrichten of
bewerkstelligen.
§ 5.2. Optreden op markten in financiële instrumenten
Vrijstelling als bedoeld in artikel 5:68, tweede lid, van de wet
Artikel 56
Van artikel 5:68 van de wet zijn vrijgesteld:
a. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 4, onderdelen d,
e, en f en hun beheerders;
b. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1:12, eerste
lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, en hun beheerders;
c. degenen op wie artikel 3:2 van de wet van toepassing is.
§ 5.2a. Openbaar bod op effecten
Vrijstelling als bedoeld in artikel 5:81, tweede lid, van de wet
Artikel 56a
Van artikel 5:74, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld bieders
voor zover zij een openbaar bod uitbrengen op effecten:
a. waar geen rechtstreeks of potentieel stemrecht aan verbonden
is, met uitzondering van niet-royeerbare certificaten; of
b. die door henzelf zijn uitgegeven.
Artikel 56b
Van artikel 5:79 van de wet zijn vrijgesteld bieders voor zover zij
effecten verwerven:
a. in regelmatig verkeer op markten in financiële instrumenten;
b. met toepassing van de artikelen 92a, 201a of 336 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek; of
c. ingevolge een openbaar bod waarvan de aanmeldingstermijn
geheel of ten dele samenvalt met een openbaar bod dat door een derde
wordt uitgebracht op effecten van de doelvennootschap.
Artikel 56c
Van artikel 8, eerste lid van het Besluit openbare biedingen Wft,
voor zover het de verplichting betreft tot vermelding in het
biedingsbericht van de gegevens bedoeld in bijlage B, paragraaf 1,
onderdeel 1, Bijlage C, onderdeel 1 en Bijlage D, onderdeel 1 van dat
besluit, zijn vrijgesteld bieders voor zover zij een openbaar bod
aankondigen of uitbrengen op rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de
houder ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of
terugbetaald.
§ 5.3. Toepassen van een gedragscode door institutionele beleggers
Vrijstelling als bedoeld in artikel 5:87 van de wet
Artikel 57
Beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 4, onderdelen a tot en
met e, en beleggingsinstellingen waarvan alleen rechten van deelneming
zijn aangeboden aan bestuurders, leden van de raad van commissarissen of
werknemers van die beleggingsinstelling, of aan bestuurders, leden van
de raad van commissarissen of werknemers van een met die
beleggingsinstelling in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur
verbonden rechtspersoon, vennootschap of instelling, zijn vrijgesteld
van artikel 5:86, eerste lid, van de wet.
Hoofdstuk 6. Overgangsbepalingen
§ 6.1. Bijzondere bepalingen
Vrijstelling als bedoeld in de artikelen 2:59, eerste lid, 2:64,
eerste lid, 2:79, eerste lid, 2:85, eerste lid, 2:91, eerste lid, 2:95,
eerste lid en 2:104, eerste en tweede lid, van de wet
Artikel 58
1. Van de artikelen 2:55, eerste lid, 2:60, eerste lid, 2:75,
eerste lid, 2:80, eerste lid, 2:86, eerste lid, 2:92, eerste lid en
2:96 van de wet zijn vrijgesteld rechtspersonen als bedoeld in artikel
20, vijfde lid, onderdeel a, van de Vrijstellingsregeling Wfd en,
voorzover het artikel 2:80, eerste lid betreft, onderbemiddelaars in
krediet als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, onderdeel b, van de
Vrijstellingsregeling Wfd, die overeenkomstig het eerste lid van dat
artikel een vergunning of ontheffing hebben aangevraagd, op welke
aanvraag op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet nog niet is
beslist.
2. Het eerste lid is van toepassing totdat de Autoriteit
Financiële Markten op de in dat lid bedoelde aanvraag heeft beslist.
Artikel 31, tweede tot en met vierde lid, van de Invoerings- en
aanpassingswet Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 59 [Vervallen per 01-11-2007]
Artikel 60
De vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995 wordt
ingetrokken.
Artikel 61
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in
werking treedt.
Artikel 62
Deze regeling wordt aangehaald als: Vrijstellingsregeling Wft.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Financiën,
G. Zalm.
|
|
|