| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de bijzondere
opsporingsdiensten (Wet BOD)
BESLUIT
BEKWAAMHEID EN BETROUWBAARHEID
OPSPORINGSAMBTENAREN BIJZONDERE OPSPORINGSDIENSTEN
2010
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 8 september 2010, houdende regels ter uitvoering van
artikel 7, derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten met
betrekking tot de bekwaamheid en betrouwbaarheid van
opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten (Besluit
bekwaamheid en betrouwbaarheid opsporingsambtenaren bijzondere
opsporingsdiensten 2010)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op voordracht van Onze Minister van Justitie
van 20 mei 2010, nummer 5651122/10/6;
Gelet op artikel 7, derde lid, van de Wet op de
bijzondere opsporingsdiensten;
De Raad van State gehoord (advies van 7 juli
2010, nr. W03.10.0193/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 30 augustus 2010, nummer 5666098/10/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. examencommissie: de examencommissie bijzondere
opsporingsdiensten;
b. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
c. de wet: de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.
Artikel 2
Onze betrokken Minister kan een ambtenaar van een bijzondere
opsporingsdienst opsporingsbevoegdheden toekennen voor de uitvoering van
de taak, bedoeld in artikel 3, van de wet voor zover en zolang Onze
Minister heeft vastgesteld dat hij voldoet aan de eisen van bekwaamheid
en betrouwbaarheid die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van
opsporingsbevoegdheden.
Hoofdstuk II. Bekwaamheid
§ 1. Blijk van bekwaamheid
Artikel 3
1. Een persoon beschikt over de bekwaamheid voor de uitoefening van
opsporingsbevoegdheden indien hij beschikt over de voor de uitoefening
van opsporingsbevoegdheden benodigde
a. kennis van grondrechten;
b. kennis van strafvorderlijke bevoegdheden;
c. kennis van algemene strafrechtelijke begrippen;
d. kennis van algemene staatsrechtelijke en privaatrechtelijke
begrippen;
e. kennis van de wettelijke eisen die worden gesteld aan een
proces-verbaal;
f. kennis van de taken en organisatie van de rechterlijke
macht, de politie, de Koninklijke marechaussee en de bijzondere
opsporingsdiensten; en
g. vaardigheden, waaronder in elk geval wordt begrepen het
opmaken van een proces-verbaal en het afnemen van een verhoor.
2. De bekwaamheid blijkt uit het met goed gevolg afgelegd hebben
van een door de examencommissie, bedoeld in artikel 4, samengesteld en
door Onze Minister goedgekeurd examen.
Artikel 4
1. Er is een examencommissie bijzondere opsporingsdiensten. De
examencommissie is verantwoordelijk voor het samenstellen, afnemen en
vaststellen van de uitslag van het examen, bedoeld in artikel 3,
tweede lid.
2. De examencommissie kan deskundigen aanwijzen die haar terzijde
staan bij het uitvoeren van de taak, bedoeld in het eerste lid.
3. De uitslag van het examen wordt uitgedrukt in het oordeel
voldoende of onvoldoende. De examencommissie stelt Onze Minister van
de uitslag van het examen in kennis.
Artikel 5
1. De examencommissie stelt een examenreglement vast. Het reglement
voorziet in elk geval in de mogelijkheid van ten minste één
herkansing voor een niet behaald examen of onderdeel daarvan en in de
mogelijkheid om beklag te doen over de uitslag van het examen of
onderdeel daarvan.
2. Het examenreglement, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze
Minister goedgekeurd.
Artikel 6
1. Onze Minister kan examens of onderdelen daarvan aanwijzen die
worden gelijkgesteld met het examen, bedoeld in artikel 3, tweede lid,
of onderdelen daarvan.
2. Van het examen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, is vrijgesteld
de persoon die tot zijn aanstelling voor de uitvoering van de taak als
bedoeld in artikel 3, onderdelen c en d, van de wet op grond van
artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering met de opsporing van
strafbare feiten is belast.
§ 2. Permanente her- en bijscholing
Artikel 7
Onze Minister stelt uiterlijk binnen vijf jaar na de aanstelling als
opsporingsambtenaar bij een bijzondere opsporingsdienst, en daarna
uiterlijk binnen elke vijf jaar, diens bekwaamheid voor de uitoefening
van opsporingsbevoegdheden opnieuw vast.
Artikel 8
1. Een opsporingsambtenaar is bekwaam voor de uitoefening van
opsporingsbevoegdheden in de zin van artikel 7 indien hij beschikt
over de voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden benodigde
kennis en vaardigheden, bedoeld in artikel 3, eerste lid, blijkend uit
het met goed gevolg doorlopen hebben van een door Onze Minister
goedgekeurd programma voor permanente her- en bijscholing.
2. De examencommissie is verantwoordelijk voor het in stand houden
van een programma voor permanente her- en bijscholing.
3. De artikelen 4, tweede en derde lid, en 5 zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van het
examen een programma voor permanente her- en bijscholing moet worden
gelezen.
4. Indien een opsporingsambtenaar, om redenen die verband houden
met het belang van de bijzondere opsporingsdienst, niet uiterlijk
binnen de in artikel 7 bedoelde termijn een volledige programma voor
permanente her- en bijscholing heeft doorlopen, stelt Onze Minister op
aanvraag van het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst de
bekwaamheid van de opsporingsambtenaar uiterlijk binnen zes maanden na
ommekomst van die termijn vast. Het eerste tot en met derde lid zijn
van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Samenstelling, benoeming en werkwijze examencommissie
Artikel 9
1. De examencommissie bestaat uit vijf leden, inclusief de
voorzitter. De voorzitter van de examencommissie is werkzaam bij het
functioneel parket. De overige leden zijn werkzaam bij elk van de
bijzondere opsporingsdiensten. De leden worden door het hoofd van het
functioneel parket respectievelijk de hoofden van de bijzondere
opsporingsdiensten voor benoeming voorgedragen.
2. Indien het nodig is bij wijze van stemming te beslissen, wordt
de beslissing bij meerderheid van stemmen opgemaakt. De
examencommissie beslist niet bij stemming dan in aanwezigheid van ten
minste drie leden. Bij staking van stemmen beslist de stem van de
voorzitter.
Artikel 10
1. Onze Minister benoemt de voorzitter en de overige leden van de
examencommissie voor een periode van vier jaren.
2. Een lid kan voor een periode van ten hoogste vier jaren worden
herbenoemd.
3. Onze Minister kan een lid op diens schriftelijk verzoek
tussentijds ontslag verlenen.
4. Onze Minister kan een lid ontslag verlenen bij ziekte dan wel
wegens zwaarwichtige redenen zoals ongeschiktheid voor de functie, of
onverenigbaarheid van functies en belangen.
5. Van besluiten tot benoeming, herbenoeming of ontslag wordt
mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 11
De leden van de examencommissie ontvangen een vergoeding voor reis-
en verblijfkosten overeenkomstig het Reisbesluit binnenland.
Artikel 12
De examencommissie beschikt over een secretariaat.
Hoofdstuk III. Betrouwbaarheid
Artikel 13
De betrouwbaarheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden
blijkt uit een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28
van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
Artikel 14
1. Onze Minister stelt uiterlijk binnen vijf jaar na de aanstelling
als opsporingsambtenaar bij een bijzondere opsporingsdienst, en daarna
uiterlijk binnen elke vijf jaar, diens betrouwbaarheid opnieuw vast.
2. Het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst kan, indien hij
kennis heeft van feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld
zou kunnen worden dat sprake is van bezwaren in de zin van artikel 28
van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, Onze Minister
verzoeken de betrouwbaarheid van de opsporingsambtenaar bij een
bijzondere opsporingsdienst tussentijds opnieuw vast te stellen.
Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Artikel 15
Het Besluit bekwaamheid en betrouwbaarheid opsporingsambtenaren
bijzondere opsporingsdiensten wordt ingetrokken.
Artikel 16
1. De ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst aan wie op het
moment van de inwerkingtreding van dit besluit opsporingsbevoegdheden
zijn toegekend voor de uitvoering van de taak als bedoeld in artikel 3
van de wet wordt geacht bekwaam en betrouwbaar te zijn in de zin van
de artikelen 3 en 13.
2. De termijnen, bedoeld in artikel 7 en artikel 14, derde lid,
lopen in het in het eerste lid bedoelde geval vanaf het moment dat de
opsporingsambtenaar laatstelijk voor de inwerkingtreding van dit
besluit bekwaam en betrouwbaar is bevonden. In dat geval kan eenmalig
worden voorzien in een aangepast programma voor permanente her- en
bijscholing. Het aangepaste programma kan mede bestaan uit onderdelen
die voor inwerkingtreding van dit besluit zijn doorlopen.
Artikel 17
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 18
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bekwaamheid en
betrouwbaarheid opsporingsambtenaren bijzondere opsporingsdiensten 2010.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 8 september 2010
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de eenentwintigste september 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|