| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet particuliere
beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
REGELING
PARTICULIERE BEVEILIGINGSORGANISATIES EN
RECHERCHEBUREAUS
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
De Minister van
Justitie;
Gelet op de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10
van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;
Besluit:
1. Algemene bepalingen
Artikel 1. (definitiebepalingen)
1. In deze regeling wordt verstaan
onder:
de minister: De Minister van
Justitie;
de wet: de Wet particuliere
beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;
de korpschef: de korpschef van een
regionaal politiekorps;
de commandant: de commandant van de
Koninklijke Marechaussee;
een horecabedrijf: een
horecabedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank-
en Horecawet, of waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is bij
het Bedrijfschap Horeca, of een bordeel, uitgezonderd
logiesverstrekkende ondernemingen, voor zover het
logiesverstrekking betreft;
de aanvraag: de aanvraag van een
migrerende beroepsbeoefenaar tot het verkrijgen van erkenning van
EG-beroepskwalificaties, bedoeld in de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties;
de aanvrager: de migrerende
beroepsbeoefenaar die een aanvraag indient;
een gereglementeerd beroep: een
beroep waarvoor ingevolge artikel 8 of artikel 10 van de wet
opleidingseisen worden gesteld;
een compenserende maatregel of een
maatregel: een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid;
de stagiair: de migrerende
beroepsbeoefenaar die een aanpassingsstage volgt;
Justis: de Justitiële
Uitvoeringsdienst Toetsing, Integriteit en Screening;
de dienstverrichter: de
dienstverrichter als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties.
2. Overige in deze regeling voorkomende
begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wet.
Artikel 2. (optreden naar buiten)
De wijze van acquisitie en promotie door
een beveiligingsorganisatie en een recherchebureau, alsmede het optreden
naar buiten, de presentatie en de uitvoering van de werkzaamheden, zijn
niet in strijd met de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam
van de bedrijfstak.
Artikel 3. (opzet en inrichting)
1.De opzet en de inrichting van een
beveiligingsorganisatie of recherchebureau zijn zodanig dat
regelmatige, continue en volledige uitoefening van de beveiligings-
dan wel recherchewerkzaamheden waartoe de organisatie of het bureau
zich heeft verbonden, is gewaarborgd.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
op een beveiligingsorganisatie die werkzaamheden verricht als bedoeld
in artikel 3, onder d, van de wet.
Artikel 4. (vertrouwelijke gegevens)
Een beveiligingsorganisatie of
recherchebureau treft maatregelen om te voorkomen dat persoons- en
andere vertrouwelijke gegevens in handen van onbevoegden komen.
2. Opleidingseisen
Artikel 5. (algemene opleiding)
1.Een beveiligingsorganisatie belast
uitsluitend een persoon met beveiligingswerkzaamheden, indien deze in
het bezit is van een op zijn naam gesteld diploma Beveiliger van de
Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties en
de Stichting Ecabo.
2.De verplichting in het eerste lid
geldt niet voor een periode van maximaal 12 maanden, te rekenen van af
de dag dat de betrokkene voor het eerst bij een particuliere
beveiligingsorganisatie met beveiligingswerkzaamheden wordt belast,
indien betrokkene door middel van een verklaring van de Stichting
Ecabo kan aantonen, dat hij in de periode waarop de aanvraag
betrekking heeft, de praktijkopleiding voor het diploma Beveiliger van
de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties
en de Stichting Ecabo volgt.
3.Op de uitvoering van de
praktijkopleiding wordt toezicht uitgeoefend door de Stichting Ecabo.
Leerbedrijven zijn aan de Stichting Ecabo een bedrag verschuldigd voor
de uitoefening van dit toezicht. De hoogte van dit bedrag wordt
jaarlijks in overleg tussen de Stichting Ecabo en de Stichting
Opleidingsfonds Beveiligingsbranche (SOBB) vastgesteld.
4.De in het tweede lid genoemde periode
van maximaal 12 maanden wordt op geen enkele wijze onderbroken,
verlengd of geschorst.
5.Het bepaalde in het eerste lid is
niet van toepassing indien de betrokkene is geboren vóór 1 december
1937 en van 1 december 1980 tot en met 30 november 1982 onafgebroken
werkzaam is geweest bij een op grond van de wet toegelaten
beveiligingsorganisatie.
6.Als gelijkwaardig aan het diploma
bedoeld in het eerste lid worden erkend:
a. het Vakdiploma
Bedrijfsbeveiliging en Bewakingsdienst van de Unie van
Beveiligings- en Bewakingspersoneel (UBB);
b. het Vakdiploma
Bedrijfsbeveiliging en Bewakingsdienst van de Nederlandse Bond van
Onbezoldigd opsporingsambtenaren en Bewakingspersoneel (NBOB);
c. de diploma's Beveiligingsbeambte
B, C en D van de Leidse Onderwijs Instellingen, behaald voor 1
februari 1986;
d. het diploma Beveiliging en
Bewaking van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere
Beveiligingsorganisaties, behaald voor 1 februari 1986;
e. het Vakdiploma Basiscursus
Marine Bewakingskorps tezamen met het diploma van het Marine
Bewakingskorps voor onbezoldigd ambtenaar van het Korps
Rijkspolitie, beide behaald voor 1 februari 1986;
f. het Certificaat Begincursus voor
de bedrijfsbewaking, afgegeven door de Stichting Vervoer- en
Havenopleidingen te Rotterdam, behaald voor 1 februari 1986;
g. het Basisdiploma Beveiliging van
de Stichting Vakexamens voor de Particuliere
Beveiligingsorganisaties, behaald voor 1 januari 1998;
h. het Ecabodiploma leerlingwezen
Algemeen Beveiligingsmedewerker;
i. het IVOB-diploma A en B;
j. het diploma Algemeen
Beveiligingsmedewerker van de Stichting Vakexamens voor de
Particuliere Beveiligingsorganisaties / de Stichting Ecabo.
k. een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als
beveiliger.
Artikel 6. (bestuursorganen)
Artikel 5, eerste tot en met vijfde lid,
van deze regeling, is van overeenkomstige toepassing op personen in
dienst van een bestuursorgaan, die in de uitoefening van hun functie
beveiligingswerkzaamheden verrichten.
Artikel 7. (horecaportiers)
In afwijking van artikel 5, eerste lid,
van deze regeling, kan een beveiligingsorganisatie een persoon met
beveiligingswerkzaamheden belasten ten behoeve van een horecabedrijf,
indien deze in het bezit is van een op naam gesteld diploma
horecaportier van de Stichting Vakbekwaamheid Horeca of van het Horeca
Branche Instituut, dan wel van de Stichting Nationaal Onderwijscentrum
van de Bedrijfstak Horeca, dan wel een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als horecaportier.
Artikel 7a. (evenementenbeveiliging)
1.In afwijking van artikel 5, eerste
lid, van deze regeling, kan een beveiligingsorganisatie een persoon
belasten met beveiligingswerkzaamheden bij een evenement indien deze
in het bezit is van het certificaat Event Security Officer van de
Stichting Vakexamens voor de Particuliere beveiligingsorganisaties en
de Stichting Ecabo of een erkenning van beroepskwalificaties als
bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als evenementenbeveiliger.
2.Het bepaalde in artikel 5, tweede en
vierde lid, van deze regeling, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8. (voetbalorganisaties)
In afwijking van artikel 5, eerste lid,
van deze regeling, kan een beveiligingsorganisatie een persoon die in
het bezit is van een op naam gesteld certificaat Voetbalsteward van de
Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond dan wel een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties voor werkzaamheden als voetbalsteward,
en die als steward is aangesteld bij een vereniging in het betaald
voetbal of bij een vereniging in de top- of hoofdklasse van het
amateurvoetbal, met beveiligingswerkzaamheden belasten bij
voetbalwedstrijden voor zover het beveiligingswerkzaamheden betreft kort
voor, tijdens of kort na de wedstrijd van de voetbalorganisatie in en
rond het stadion waar de wedstrijden plaatsvinden.
Artikel 9. (ongeuniformeerden)
1.Onverminderd artikel 5, eerste lid,
van deze regeling, belast een beveiligingsorganisatie uitsluitend een
persoon ongeüniformeerd met beveiligingswerkzaamheden, indien deze in
het bezit is van een op zijn naam gesteld certificaat
persoonsbeveiliging van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere
Beveiligingsorganisaties (SVPB) en Stichting Ecabo dan wel het diploma
Beveiligingsmedewerker, differentiatie persoonsbeveiliger van de
Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties en
de Stichting Ecabo, dan wel een erkenning van beroepskwalificaties als
bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als ongeüniformeerd
persoonsbeveiliger.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
op personen belast met beveiligingswerkzaamheden ten behoeve van
grootwinkel- of detailhandelbedrijven.
3.Onverminderd artikel 5, eerste lid,
van deze regeling, belast een beveiligingsorganisatie uitsluitend een
persoon ongeüniformeerd met beveiligingswerkzaamheden ten behoeve van
grootwinkel- of detailhandelbedrijven, indien deze in het bezit is van
een op zijn naam gesteld certificaat winkelsurveillance van de
Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties en
de Stichting Ecabo, dan wel een diploma Beveiligingsmedewerker,
differentiatie winkelsurveillant van de Stichting Vakexamens voor de
Particuliere Beveiligingsorganisaties en de Stichting Ecabo, dan wel
een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als
ongeüniformeerd winkelsurveillant.
4.Als gelijkwaardig aan het diploma in
het eerste lid en het derde lid wordt erkend het Vakdiploma
Beveiliging van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere
Beveiligingsorganisaties.
5.Als gelijkwaardig aan het diploma in
het derde lid wordt erkend het Certificaat Detailhandel van de
Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties.
Artikel 10. (particulier rechercheurs)
1. Een recherchebureau belast
uitsluitend een persoon met recherchewerkzaamheden, indien deze in het
bezit is van een op naam gesteld diploma particulier onderzoeker van
de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties
en de Stichting Ecabo.
2. Als gelijkwaardig aan het diploma,
bedoeld in het eerste lid, worden erkend een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als particulier
rechercheur.
3. Het eerste lid geldt niet voor een
periode van maximaal 12 maanden, te rekenen vanaf de dag dat de
betrokkene voor het eerst bij een particulier recherchebureau dat
beschikt over het keurmerk particulier onderzoeksbureau van de
Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties met
recherchewerkzaamheden wordt belast, indien betrokkene door middel van
een verklaring van de opleidende instelling kan aantonen dat hij in de
periode waarop de aanvraag betrekking heeft, de opleiding voor het
diploma particulier onderzoeker van de Stichting Vakexamens voor de
Particuliere Beveiligingsorganisaties en de Stichting Ecabo volgt.
4. De in het derde lid genoemde periode
van maximaal 12 maanden wordt op geen enkele wijze onderbroken,
verlengd of geschorst.
Artikel 11. (alarminstallateurs)
1.Een beveiligingsorganisatie die
werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 3, onder b, van de wet,
aan welke een vergunning is verleend, laat het plan voor de
installatie, de installatie en het onderhoud van de alarmapparatuur
die hij gebruikt, slechts opstellen dan wel uitvoeren door
alarminstallateurs die in het bezit zijn van een diploma dat de
instemming heeft van de minister.
2.Instemming als bedoeld in het eerste
lid hebben:
a. het diploma Monteur
Beveiligingssystemen (MBV);
b. het diploma Technicus
Beveiligingsinstallaties (TBV);
c. een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als
alarminstallateur.
Artikel 11a. (alarmcentralisten)
1.In afwijking van artikel 5, eerste
lid, van deze regeling, kan een beveiligingsorganisatie als bedoeld in
artikel 3, onder b, van de wet een persoon belasten met
beveiligingswerkzaamheden als alarmcentralist indien deze in het bezit
is van het certificaat Basisopleiding Centralist Alarmcentrale van de
Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties en
de Stichting Ecabo of een erkenning van beroepskwalificaties als
bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als alarmcentralist.
2.Het bepaalde in artikel 5, tweede en
vierde lid, van deze regeling, is van overeenkomstige toepassing.
3. Uniformen
Artikel 12. (uiterlijk uniform en
ontheffing)
1.Het uniform, bedoeld in artikel 9,
eerste lid, van de wet, is voorzien van een embleem, overeenkomstig
het in bijlage 1 bij deze regeling vastgestelde model, op de wijze
zoals in genoemde bijlage is omschreven.
2.De korpschef van de regio waar de
beveiligingswerkzaamheden worden verricht, of, indien een
beveiligingsorganisatie werkzaamheden verricht op een
luchtvaartterrein, de commandant, kan, uitsluitend voor die regio of
voor dat luchtvaartterrein, aan een beveiligingsorganisatie ontheffing
verlenen van de verplichting tot het dragen van een uniform indien dit
gelet op de aard van de werkzaamheden gewenst is en zich daartegen
geen zwaarwegende belangen verzetten. De korpschef of de commandant
kan aan de ontheffing voorschriften verbinden betreffende de
instructie van het betrokken personeel.
4. Legitimatiebewijzen
Artikel 13. (model legitimatiebewijs)
1.Het legitimatiebewijs, bedoeld in
artikel 9, achtste lid, van de wet, komt overeen met het in bijlage 2
bij deze regeling vastgestelde model en de in die bijlage aangeduide
kleur.
2.Het legitimatiebewijs bevat een
verklaring waaruit de toestemming, bedoeld in artikel 7, tweede of
derde lid, van de wet, blijkt, van de korpschef, de commandant of de
minister, die deze toestemming heeft gegeven.
3.Het legitimatiebewijs, bedoeld in het
eerste lid, kan een aantekening bevatten van de korpschef, de
commandant of de minister, die de toestemming heeft gegeven op grond
van artikel 7, tweede of derde lid, van de wet, waaruit blijkt dat het
de betrokkenen slechts is toegestaan de op het legitimatiebewijs
omschreven beveiligings- dan wel recherchewerkzaamheden te verrichten.
In dat geval reikt de toestemming bedoeld in artikel 7, tweede of
derde lid, van de wet, niet verder dan uit de aantekening blijkt.
5 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2011]
6. Verslaglegging
Artikel 16 [Vervallen per 04-10-2006]
7. Uitrusting
Artikel 17. (gebruik hond)
1.Een beveiligingsorganisatie kan bij
de uitvoering van beveiligingswerkzaamheden gebruik maken van een
hond, tenzij in de vergunning anders is bepaald. Gebruik maken van een
hond is slechts toegestaan indien uit een verklaring, afgegeven door
een instantie die de toestemming heeft van de minister, blijkt dat
deze hond geschikt is om als surveillancehond of objectbewakingshond
te worden ingezet.
2.De hondengeleider is bij de
uitvoering van de beveiligingswerkzaamheden in het bezit van een
verklaring, afgegeven door een instantie die de toestemming heeft van
de minister, waaruit blijkt dat de geleider en de hond een, voor het
verrichten van de werkzaamheden, geschikte combinatie vormen.
3.Toestemming als bedoeld in het eerste
en tweede lid hebben in ieder geval:
a. de Koninklijke Nederlandse
Politiehond Vereniging;
b. de Nederlandse Bond voor de
Diensthond.
4.De hond staat tijdens de uitvoering
van de beveiligingswerkzaamheden onder direkt toezicht van de
geleider.
5.De hondengeleider verleent
desgevraagd inzage in de verklaringen als bedoeld in het eerste en
tweede lid, aan de personen die met het toezicht op de naleving van de
wet zijn belast, alsmede aan de korpschef van de politieregio waar de
beveiligingswerkzaamheden worden verricht of, indien de
beveiligingswerkzaamheden worden verricht op een luchtvaartterrein,
bij de commandant van de Koninklijke marechaussee.
6.Met de verklaringen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, worden gelijkgesteld verklaringen van
goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in
een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet
zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een
daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland
bindt, welke verklaringen zijn afgegeven op basis van onderzoekingen
die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan
het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
8. Behandeling van klachten
Artikel 18. (vaststellen
klachtenregeling)
1. Een beveiligingsorganisatie of
recherchebureau stelt een klachtenregeling vast. De klachtenregeling
bevat ten minste gegevens over:
a. bij wie de klacht moet worden
ingediend;
b. de minimale eisen waaraan een
klaagschrift moet voldoen;
c. de termijn waarbinnen een klacht
kan worden ingediend;
d. de te volgen procedure voor de
behandeling van de klacht;
e. de termijn waarbinnen de klacht
wordt afgehandeld.
2. Een beveiligingsorganisatie of een
recherchebureau brengt een kopie van een ingediende klacht ter kennis
van de minister.
3. Aan de indiening en behandeling van
een klacht worden geen kosten verbonden.
9. Afstemming met politie
Artikel 19. (informeren politie)
1.Een beveiligingsorganisatie draagt
zorg voor een goede afstemming van de beveiligingswerkzaamheden met de
politie in de regio waar de werkzaamheden worden verricht, of, indien
de beveiligingswerkzaamheden worden verricht op een luchtvaartterrein,
met de commandant.
2.Een beveiligingsorganisatie stelt
voordat de beveiligingswerkzaamheden worden verricht de korpschef van
de regio waar deze werkzaamheden zullen worden uitgevoerd, of, indien
de beveiligingswerkzaamheden worden verricht op een luchtvaartterrein,
de commandant door middel van een aanmeldingsformulier, overeenkomstig
het in bijlage 4 bij deze regeling vastgestelde model, op de hoogte
van de aard, omvang en duur van de werkzaamheden.
3.Het tweede lid is niet van toepassing
op beveiligingsorganisaties die werkzaamheden verrichten als bedoeld
in artikel 3, onder b, van de wet.
10. Bijzondere bepalingen voor
particuliere alarmcentrales
Artikel 20. (eisen particuliere
alarmcentrale)
1. Een beveiligingsorganisatie die
werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 3, onder b, van de wet,
is gecertificeerd door een door de Raad voor Accreditatie erkende
certificeringsinstelling, die de toestemming heeft van de minister.
2. Van het bepaalde in het eerste lid
kan door de minister ontheffing worden verleend. Met toepassing van
artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is
paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing op een aanvraag om ontheffing.
3. Toestemming als bedoeld in het
eerste lid heeft in ieder geval:
het Nederlands Centrum voor Preventie (NCP)
4. Met de certificering, bedoeld in
deze regeling, wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring,
afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere
lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een
lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend
of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, welke
verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die een
beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het
niveau dat met de nationale certificering wordt nagestreefd.
Artikel 21 [Vervallen per 24-12-2004]
Artikel 22. (informeren politie)
Zodra door een beveiligingsorganisatie
die werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 3, onder b, van de
wet, een aanvang wordt gemaakt met nieuwe beveiligingswerkzaamheden
stelt deze beveiligingsorganisatie de korpschef van de regio waar zich
de objecten bevinden, die door de alarmcentrale worden beveiligd, of,
indien de objecten die door de alarmcentrale worden beveiligd zich
bevinden op een luchtvaartterrein, de commandant,op de hoogte van:
a. de aanvang en de beëindiging van
een overeenkomst met een abonnee die strekt tot een aansluiting op
de particuliere alarmcentrale van alarm-apparatuur,
en voorzover de korpschef daarom
schriftelijk verzoekt tevens van:
b. de aard en situering van het
object, de in- en uitgangen en het beveiligd gebied met haar
afzonderlijke zones;
c. de soorten alarm waarvoor
assistentie kan worden gevraagd (inbraak, overval, brand);
d. de naam en het adres van de
persoon die de alarmapparatuur heeft geïnstalleerd of zorgdraagt
voor het onderhoud;
e. het sleuteladres;
f. de instantie of persoon die na het
doorgeven van een alarm binnen 15 minuten bij het pand aanwezig zal
zijn.
11. Bijzondere bepalingen voor geld- en
waardetransporten
Artikel 23. (eisen voor geld- en
waardetransportbedrijf)
1.De wijze waarop de werkzaamheden door
een particulier geld- en waardetransportbedrijf worden verricht,
alsmede het door een particulier geld- en waardetransport gebruikte
materieel voldoen aan de in bijlage 5 bij deze regeling gestelde
eisen.
2.Van het bepaalde in het eerste lid
kan door de minister ontheffing worden verleend.
§ 11a. Bijzondere bepalingen voor
recherchebureaus
Artikel 23a. Vaststellen
(privacy)gedragscode
Een recherchebureau stelt een
(privacy)gedragscode vast, identiek aan het in bijlage 6 bij deze
regeling vastgestelde model, en leeft de code na.
11b. Bijzondere bepalingen voor erkenning
EG-beroepskwalificaties
Artikel 23b. (documenten bij aanvraag)
1. De aanvraag om erkenning van de
EG-beroepskwalificaties wordt ingediend bij Justis.
2. De aanvraag gaat in ieder geval
vergezeld van:
a. de documenten betreffende
nationaliteit en verblijf, bedoeld in artikel 13, eerste lid onder
a, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties;
b. een gewaarmerkte kopie van de
bekwaamheidsattesten of van de opleidingstitels waarop de
aanvrager zich beroept;
c. een schriftelijk bewijs van de
beroepservaring, indien de aanvrager over beroepservaring
beschikt;
d. een verklaring omtrent gedrag
afgegeven door het bevoegd gezag van de betrokken staat van
oorsprong of herkomst, of een met die verklaring overeenkomend
document als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Algemene
wet erkenning EG-beroepskwalificaties, met dien verstande dat de
verklaring of het document ten tijde van de indiening van de
aanvraag niet ouder is dan drie maanden.
3. Indien de Minister een eerdere
aanvraag heeft afgewezen en hierbij een mededeling, bedoeld in artikel
23g, derde lid, heeft gedaan, gaat de aanvraag tevens vergezeld van:
a. een verklaring, bedoeld in
artikel 23h, vierde lid, of
b. een verklaring, bedoeld in
artikel 23i, tweede lid.
4. De Minister kan verlangen dat de
aanvrager nadere informatie verstrekt over:
a. de aard, de inhoud en de duur
van de door de aanvrager gevolgde opleiding, en
b. de beroepservaring van de
aanvrager.
5. De Minister kan verlangen dat de
gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, c en
d, en vierde lid, die zijn gesteld in een andere dan de Nederlandse
taal, vergezeld gaan van vertalingen in de Nederlandse taal, en dat
deze vertalingen zijn opgesteld door een beëdigd tolk of vertaler.
Artikel 23c. (procedure erkenning)
1.Justis deelt de aanvrager zo spoedig
mogelijk, maar uiterlijk een maand na ontvangst, schriftelijk mee dat
de aanvraag is ontvangen.
2.Indien niet is voldaan aan het
bepaalde in artikel 23b, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld
om de aanvraag binnen een maand aan te vullen. De Minister kan deze
termijn verlengen.
3.De mededeling, bedoeld in het tweede
lid, wordt zo mogelijk gedaan in de ontvangstbevestiging, bedoeld in
het eerste lid.
4.De Minister beslist op de aanvraag:
a. binnen drie maanden nadat de
aanvrager heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 23b, of
b. onverwijld na het ongebruikt
verstrijken van de termijn die is gesteld voor het aanvullen van
de aanvraag.
5.De Minister kan de termijn, bedoeld
in het vierde lid onder a, met een maand verlengen.
Artikel 23d. (erkenning)
De beroepskwalificaties worden erkend
indien:
a. is voldaan aan de vereisten van
artikel 6 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, en
b. de door de aanvrager in het kader
van diens opleiding gevolgde vakken naar het oordeel van de Minister
niet wezenlijk verschillen van de vakken die onderdeel vormen van de
Nederlandse opleiding, genoemd in hoofdstuk 2, of
c. deze verschillen naar het oordeel
van de Minister in voldoende mate worden overbrugd door de kennis en
ervaring die de aanvrager tijdens de uitoefening van diens beroep
heeft verworven, danwel door een compenserende maatregel.
Artikel 23e. (voornemen tot afwijzing en
zienswijze)
1.Indien de Minister van oordeel is dat
de beroepskwalificaties niet kunnen worden erkend, deelt hij de
aanvrager zo spoedig mogelijk schriftelijk mee dat hij voornemens is
de aanvraag af te wijzen.
2.Het voornemen is met redenen omkleed.
3.Indien de Minister voornemens is de
aanvraag af te wijzen wegens wezenlijke verschillen, maar hij van
mening is dat een met goed gevolg volbrachte compenserende maatregel
kan leiden tot overbrugging van de wezenlijke verschillen, en daarmee
tot een te honoreren nieuwe aanvraag, zal de Minister hier in het
voornemen een mededeling over doen.
4.De aanvrager wordt in de gelegenheid
gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen binnen een maand na
verzending van de mededeling, bedoeld in het eerste lid. De Minister
kan deze termijn verlengen.
5.Indien het voornemen een mededeling,
bedoeld in het derde lid, bevat, vermeldt de aanvrager in zijn
zienswijze of hij bereid is tot het volbrengen van een compenserende
maatregel, en zo ja, of hij dit wil doen door het volgen van een
aanpassingsstage dan wel het afleggen van een proeve van bekwaamheid.
6.Indien de aanvrager in zijn
zienswijze aangeeft een aanpassingsstage te willen volgen, geeft hij
in die zienswijze tevens aan bij welke beveiligingsorganisatie, welk
recherchebureau of welk alarminstallatiebedrijf de aanpassingsstage
zal worden gevolgd, alsmede welke gekwalificeerde beroepsbeoefenaar
hem daarbij zal begeleiden.
Artikel 23f. (geen aanhouding besluit)
De Minister maakt niet ambtshalve gebruik
van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Algemene
wet erkenning EG-beroepskwalificaties, tot aanhouding van de aanvraag
als een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid vereist wordt.
Artikel 23g. (afwijzing)
1.De aanvraag wordt afgewezen indien:
a. niet is voldaan aan de
voorwaarden van artikel 6 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties,
b. de door de aanvrager gevolgde
vakken naar het oordeel van de Minister wezenlijk verschillen van
de vakken die onderdeel vormen van de opleiding, bedoeld in
hoofdstuk 2, en
c. deze verschillen naar het
oordeel van de Minister in onvoldoende mate worden overbrugd door
de kennis en ervaring die aanvrager blijkens de aanvraag tijdens
de uitoefening van diens beroep danwel door een compenserende
maatregel heeft verworven.
2.De afwijzing is met redenen omkleed.
3.Indien de Minister de aanvraag
afwijst wegens wezenlijke verschillen, maar hij van mening is dat een
met goed gevolg volbrachte compenserende maatregel kan leiden tot
overbrugging van de wezenlijke verschillen, en daarmee tot een te
honoreren nieuwe aanvraag, deelt hij in de afwijzing mee welke
maatregel kan leiden tot compensatie van de tekortschietende
beroepskwalificaties.
4.Ten aanzien van de compenserende
maatregel respecteert de Minister de wens van de aanvrager, tenzij:
a. de aanvrager kenbaar heeft
gemaakt dat hij geen compenserende maatregel wil volbrengen;
b. de termijn, bedoeld in artikel
23e, vierde lid, ongebruikt is verstreken;
c. de opleidingstitel in een derde
land is afgegeven;
d. deze wens in strijd komt met het
bepaalde in artikel 23h, derde lid.
Artikel 23h. (aanpassingsstage)
1.Het bedrijf, bedoeld in artikel 23e,
zesde lid, kan een stagiair met werkzaamheden belasten zonder dat deze
in het bezit is van een in hoofdstuk 2 genoemd diploma of een
erkenning van EG-kwalificaties, indien de stagiair beschikt over een
mededeling, bedoeld in 23g, derde lid, met vermelding van het
betrokken bedrijf.
2.De duur van de aanpassingsstage
bedraagt ten hoogste twaalf maanden.
3.De aanvrager mag meer
aanpassingsstages volgen, met dien verstande dat de gezamenlijke duur
van de aanpassingsstages ten hoogste twaalf maanden bedraagt.
4.Na afronding van de aanpassingsstage
zendt het bedrijf, bedoeld in het eerste lid, een schriftelijke
verklaring aan de stagiair.
5.De verklaring, bedoeld in het vierde
lid, wordt binnen twee weken na afronding van de aanpassingsstage
verzonden, en bevat een oordeel over de wijze waarop de
aanpassingsstage is vervuld.
Artikel 23i. (proeve van bekwaamheid)
1.De proeve van bekwaamheid wordt
afgelegd in de Nederlandse taal bij een door de Minister aangewezen
instantie.
2.Na het afleggen van de proeve van
bekwaamheid zendt de instantie, bedoeld in het eerste lid, een
schriftelijke verklaring aan de aanvrager.
3.De verklaring, bedoeld in het tweede
lid, wordt binnen twee weken na het afleggen van de proeve van
bekwaamheid verzonden, en bevat een oordeel over de wijze waarop de
aanvrager de proeve van bekwaamheid heeft afgelegd.
4.De aanvrager mag meer proeven van
bekwaamheid afleggen.
11c. Bijzondere bepalingen voor
tijdelijke en incidentele dienstverrichters
Artikel 23j. (beroepskwalificatie-eisen
aan tijdelijke en incidentele dienstverrichters)
Een dienstverrichter wordt geen
beperkingen wegens beroepskwalificaties opgelegd indien wordt voldaan
aan de volgende voorwaarden:
a. het beroep of de opleiding die
leidt tot de toegang tot of uitoefening van het beroep in de
betrokken staat van vestiging is gereglementeerd; of
b. het beroep of de opleiding die
leidt tot toegang of uitoefening van het beroep in de betrokken
staat van vestiging is niet gereglementeerd en de migrerende
beroepsbeoefenaar heeft het beroep tijdens de tien jaar voorafgaand
aan de dienstverrichting in Nederland gedurende ten minste twee
jaar, of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds, uitgeoefend
in de betrokken staat van vestiging; en
c. de dienstverrichter doet
voorafgaand aan de eerste dienstverrichting in Nederland een
schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van
de Algemene wet EG-beroepskwalificaties toekomen aan Justis, met
informatie over welk gereglementeerd beroep op welke tijdelijke of
incidentele wijze zal worden verricht.
Artikel 23k. (verklaring vooraf door
tijdelijke en incidentele dienstverrichter)
1.De verklaring, genoemd in artikel 23j
onder c, kan met alle middelen worden aangeleverd en wordt steeds na
een jaar opnieuw afgegeven door de dienstverrichter indien hij
voornemens is om gedurende het opvolgende jaar in Nederland tijdelijk
en incidenteel diensten te verrichten.
2.De verklaring gaat vergezeld van de
volgende documenten, afgegeven door de terzake bevoegde autoriteit van
de betrokken staat:
a. de documenten betreffende
nationaliteit en verblijf, genoemd in artikel 23, derde lid onder
a, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties;
b. een attest dat de
dienstverrichter rechtmatig in een andere betrokken staat dan
Nederland is gevestigd om er de betrokken werkzaamheden uit te
oefenen, en dat de dienstverrichter op het moment van afgifte van
het attest geen permanent of tijdelijk beroepsverbod is opgelegd;
c. een bewijs dat de
dienstverrichter nooit strafrechtelijk is veroordeeld.
3.Indien zich een wezenlijke
verandering heeft voorgedaan in de door de documenten, genoemd in het
tweede lid, gestaafde situatie, maakt de dienstverrichter daarvan
binnen een maand melding bij Justis, onder overlegging van documenten
waaruit die nieuwe situatie blijkt.
12. Vergoeding van kosten
Artikel 24. (kosten vergunning,
toestemming en legitimatiebewijs)
1. De vergoeding van kosten, bedoeld in
artikel 4, zevende lid, van de wet, bedraagt voor:
het verlenen en verlengen van een
vergunning: € 489,–.
Deze kosten worden voldaan aan de
minister.
2. De vergoeding van kosten, bedoeld in
artikel 6, onder e, van de wet, bedraagt voor:
de afgifte van een legitimatiebewijs:
€ 16,-.
Deze kosten worden voldaan aan de
korpschef, de commandant of de minister, die op grond van artikel 13,
tweede lid, van deze regeling bevoegd is tot het afgeven van het
legitimatiebewijs.
3. De vergoeding van kosten, bedoeld in
artikel 7, zevende lid, van de wet, bedraagt voor:
het verlenen van toestemming als
bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet: €59,–.
Deze kosten worden voldaan aan de
korpschef, commandant of de minister die op grond van artikel 7,
eerste, tweede of derde lid, van de wet bevoegd is tot het verlenen
van toestemming.
4. Indien een beveiligingsorganisatie
of recherchebureau is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese
Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie,
die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend
Verdrag dat Nederland bindt, en de beroepseisen waaraan in het land
van vestiging reeds is voldaan aanleiding geven tot een vereenvoudigde
procedure, worden in afwijking van het eerste en derde lid, slechts de
kosten vergoed die voortvloeien uit die vereenvoudigde procedure.
5. De vergoeding van kosten wordt
jaarlijks aangepast overeenkomstig het voor de maand december van het
voorgaande jaar vastgestelde percentage voor de ontwikkeling in de
kosten van de arbeidsvoorwaardenontwikkeling bij de overheid. Het
basisbedrag wordt rekenkundig afgerond op euro’s.
13. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 25. (overgangsregeling
opleidingseis bestuursorganen)
1.Artikel 6 van deze regeling, is niet
van toepassing op personen die zijn geboren vóór 1 april 1944 en op
het moment van inwerkingtreding van de wet in dienst zijn van een
bestuursorgaan en in de uitoefening van hun functie
beveiligingswerkzaamheden verrichten.
2.[Vervallen.]
3.Het tweede lid vervalt op 1 april
2004.
Artikel 26. (particulier rechercheur)
1.Artikel 10 van deze regeling, is niet
van toepassing indien het personen betreft die zijn geboren vóór 1
april 1944 en op het moment van inwerkingtreding van de wet te werk
zijn gesteld door een recherchebureau.
2.[Vervallen.]
3.Het tweede lid vervalt op 1 april
2004.
Artikel 27. (alarminstallateur)
1.Artikel 11, eerste lid, van deze
regeling, is niet van toepassing indien het personen betreft die zijn
geboren vóór 1 april 1944 en op het moment van inwerkingtreding van
de wet als alarminstallateur werkzaam zijn.
2.[Vervallen.]
3.Het tweede lid vervalt op 1 april
2004.
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 28a [Vervallen per 07-05-2006]
Artikel 29. (voorkomen
handelsbelemmeringen)
Met het in deze regeling bedoelde
materieel wordt gelijk gesteld materieel, dat rechtmatig is geproduceerd
of in de handel is gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie
dan wel rechtmatig is geproduceerd in een staat die partij is bij de
overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en dat ten minste aan
gelijkwaardige technische eisen voldoet.
Artikel 30. (intrekken voorgaande
regeling)
De Regeling particuliere
beveiligingsorganisaties (Stcrt.1997, 237) wordt ingetrokken.
Artikel 31. (inwerkingtreding regeling)
Deze regeling treedt in werking op het
tijdstip waarop de wet in werking treedt.
Artikel 32. (titel regeling)
Deze regeling kan worden aangehaald als:
Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen 3 en 5, die ter
inzage worden gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Justitie,
Schedeldoekshaven 100 te Den Haag.
Den Haag, 3 maart 1999.
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|