| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet pleziervaartuigen
REGELING
KEURINGSINSTANTIES WET PLEZIERVAARTUIGEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
De Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 8, tweede lid, en 10 van
de Wet pleziervaartuigen;
Besluit:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. modules A bis, optie 1, B, D, E, F, G en H: de
overeenstemmingsbeoordelingsmodules A bis, optie 1, B, D, E, F, G en
H bedoeld in bijlagen VI, VII, IX, XVI, X, XI en XII van de
richtlijn;
b. NEN-EN 45001, NEN-EN 45004, NEN-EN 45011 of NEN-EN 45012:
de met de desbetreffende aanduiding overeenkomende norm, uitgegeven
door het Nederlands Normalisatie-instituut te Delft;
c. Raad: de Stichting Raad voor Accreditatie, gevestigd te
Utrecht.
§ 2. Aanvragen
Artikel 2
1. Een aanvraag om te worden aangewezen
als keuringsinstantie op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet
pleziervaartuigen vermeldt voor welke van de in artikel 1, onderdeel a,
genoemde modules en voor welke van de in artikel 1, eerste lid, van de
richtlijn genoemde producten de aanwijzing wordt gevraagd.
2. Aanwijzing kan uitsluitend worden gevraagd voor alle
keuringstaken uit een bepaalde module.
Artikel 3
1. Een aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens en
bescheiden:
a. een uittreksel van het ter zake van de aanvrager in het
handelsregister ingeschrevene;
b. afschriften van polissen van tegen wettelijke aansprakelijkheid
afgesloten verzekeringen;
c. indien de aanvrager geaccrediteerd is door de Raad: het
certificaat van accreditatie, alsmede een schriftelijke verklaring
waarin de aanvrager de Raad machtigt om alle door de Minister van
Verkeer en Waterstaat gewenste gegevens en inlichtingen met betrekking
tot zijn accreditatie te verstrekken;
d. indien de aanvrager niet geaccrediteerd is door de Raad: een
door de Raad opgesteld beoordelingsrapport dat de uitkomsten bevat van
een door de Raad met inachtneming van de artikelen 4 en 4a verricht
onderzoek naar het vermogen van de aanvrager om de taken te verrichten
waarvoor aanwijzing is gevraagd.
2. Een niet door de Raad geaccrediteerde aanvrager verschaft de
Raad alle gegevens en bescheiden die de Raad voor het opstellen van het
in het eerste lid, onderdeel d, genoemde beoordelingsrapport nodig
heeft.
§ 3. Beoordelingscriteria
Artikel 3a
1. Een aan te wijzen keuringsinstantie is
als in Nederland gevestigd bedrijf of als in Nederland gevestigde
nevenvestiging van een buitenlands bedrijf ingeschreven in het
handelsregister.
2. De aan te wijzen keuringsinstantie heeft een verzekering
afgesloten tegen wettelijke aansprakelijkheid waarvan de verzekerde som
ten minste 2.268.901
per gebeurtenis bedraagt.
Artikel 4
1. Een aan te wijzen keuringsinstantie voldoet aan de criteria
opgenomen in bijlage XIV van de richtlijn.
2. Een instantie die aangewezen wenst te worden voor module A
bis, optie 1 beschikt over voldoende kennis van scheepsbouw op
HBO-niveau.
3. Een instantie die aangewezen wenst te worden voor de modules
B, D, E, F, G en H beschikt over voldoende kennis van scheepsbouw en
werktuigbouw op HBO-niveau en kennis van elektrotechniek op MBO-niveau
is.
4. De kennisniveaus, bedoeld in het tweede en derde lid, kunnen
ook aanwezig zijn in de vorm van een gelijkwaardige combinatie van
opleiding en ervaring.
Artikel 4a
Een aan te wijzen keuringsinstantie voldoet met het oog op de te
verrichten taken aan de beoordelingscriteria van:
a. voor modules A bis, optie 1, en F: NEN-EN 45001, NEN-EN 45004
of NEN-EN 45011;
b. voor modules B en G: NEN-EN 45004 of NEN-EN 45011;
c. voor modules D, E en H: NEN-EN 45012.
Artikel 4b
Een aan te wijzen keuringsinstantie wordt vermoed te voldoen aan de
artikelen 4 en 4a, indien zij voor de taken waarvoor aanwijzing wordt
gevraagd is geaccrediteerd door de Raad.
§ 4. Toezicht
Artikel 5
Een keuringsinstantie verstrekt de Minister van Verkeer en Waterstaat
jaarlijks voor 1 maart een schriftelijke rapportage over de in het
voorgaande kalenderjaar door haar uitgevoerde keuringen en procedures
van overeenstemmingsbeoordeling in het kader van de Wet
pleziervaartuigen.
Artikel 6
De keuringsinstantie stelt de Minister van Verkeer en Waterstaat
onverwijld in kennis van:
a. wijzigingen van het ter zake van de keuringsinstantie in het
handelsregister ingeschrevene, met betrekking tot haar naam en
adresgegevens;
b. indien zij voor de taken waarvoor zij is aangewezen, door de
Raad is geaccrediteerd: wijziging, schorsing of beλindiging van
haar accreditatie;
c. indien zij niet over een accreditatie als bedoeld in onderdeel
b beschikt: wijzigingen in de organisatie, de bedrijfsinterne
procedures of de personele bezetting van de keuringsinstantie,
voorzover die wijzigingen relevant zijn voor de wijze waarop of de
mate waarin de keuringsinstantie voldoet aan de artikelen 4 en 4a.
Artikel 7
1. Een keuringsinstantie die niet over een accreditatie als
bedoeld in artikel 6, onderdeel b, beschikt, wordt jaarlijks
onderworpen aan een controleonderzoek en vierjaarlijks aan een
hernieuwd onderzoek, uit te voeren door de Raad, die over de
uitkomsten van het onderzoek rapporteert aan de Minister van Verkeer
en Waterstaat.
2. Bij een controleonderzoek wordt globaal getoetst of de
keuringsinstantie nog steeds voldoet aan de artikelen 3a tot en met 4a.
Bij een hernieuwd onderzoek vindt een volledige herbeoordeling plaats
van het vermogen van de keuringsinstantie om, gelet op haar organisatie,
personeel en materieel, de taken te verrichten waarvoor zij is
aangewezen.
3. De periode tussen het onderzoek, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, onderdeel d, en het eerstvolgende controleonderzoek of tussen twee
onderzoeken als bedoeld in het eerste lid bedraagt ten minste acht en
ten hoogste zestien maanden. Indien bij twee opeenvolgende onderzoeken
als bedoeld in het eerste lid geen non-conformiteiten zijn geconstateerd
en de keuringsinstantie tevens naar behoren heeft voldaan aan de
artikelen 5 en 6, wordt de keuringsinstantie in afwijking van het eerste
lid uiterlijk vierentwintig maanden na het vorige onderzoek onderworpen
aan het eerstvolgende onderzoek.
4. Bij samenloop van een hernieuwd onderzoek met een
controleonderzoek treedt het hernieuwde onderzoek in de plaats van dat
controleonderzoek.
§ 5. Kosten
Artikel 8
Een door de Raad onderzochte aanvrager, onderscheidenlijk een door de
Raad onderzochte keuringsinstantie, vergoedt de Raad de in rekening
gebrachte kosten.
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2005]
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 10
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1997.
Artikel 11
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling keuringsinstanties Wet
pleziervaartuigen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink.
|
|
|