| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet rechtspositie
ministers en staatssecretarissen
VOORZIENINGENBESLUIT
MINISTERS EN STAATSSECRETARISSEN
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 7 juni 2002, houdende bepalingen met
betrekking tot voorzieningen voor ministers en staatssecretarissen (Voorzieningenbesluit
ministers en staatssecretarissen)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties van 8 maart 2002, directoraat-generaal
Constitutionele Zaken en Koninkrijksrelaties, directie Constitutionele
Zaken en Wetgeving, nr. CW02/U61907;
Gelet op artikel 2, tweede en derde lid, van de
Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen;
De Raad van State gehoord (advies van 12 april
2002, nr. W04.02.0121/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 mei 2002,
directoraat-generaal Constitutionele Zaken en Koninkrijksrelaties,
directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, nr. CW02/U73895;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
b. jaarlijkse bezoldiging: het
twaalfvoud van de bezoldiging in de zin van artikel 1, eerste lid,
van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen,
vermeerderd met de aanspraak op de vakantie-uitkering;
c. gezinsleden: de echtgenoot,
levenspartner of geregistreerde partner van een minister of
staatssecretaris en de kinderen, stief- en pleegkinderen van
hemzelf, zijn echtgenoot, levenspartner of geregistreerde partner,
voor zover zij met hem samenwonen;
d. ministerie: ministerie waar een
minister of staatssecretaris werkzaam is;
e. BTW: belasting over de toegevoegde
waarde (omzetbelasting);
f. BPM: belasting van personenauto's
en motorrijwielen;
g. ROB: prijs van reparatie,
onderhoud en banden.
Artikel 2
1.Ministers en staatssecretarissen die
in verband met de vervulling van hun ambt zijn verhuisd, ontvangen een
verhuiskostenvergoeding indien zij zich met de verhuizing binnen een
afstand van 25 kilometer van het ministerie hebben gevestigd en de
afstand tussen de oude woning en het ministerie ten minste 50
kilometer bedroeg;
2.De verhuiskostenvergoeding bestaat
uit:
a. een bedrag voor de kosten
verbonden aan het vervoer van de betrokkene en zijn gezinsleden
naar de nieuwe woning, welk bedrag zo nodig wordt vermeerderd met
een bedrag voor reis- en verblijfkosten, welke de betrokkene en
eventueel een of meer van diens gezinsleden vooraf hebben gemaakt
ter bezichtiging van woonruimte;
b. een bedrag voor de kosten van
vervoer van de bagage en van de inboedel van de betrokkene naar de
nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en
uitpakken;
c. een bedrag voor alle andere
direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten.
3.Het bedrag, bedoeld in het tweede
lid, onder c, wordt vastgesteld op tien procent van de jaarlijkse
bezoldiging op de dag waarop de nieuwe woning wordt betrokken.
Artikel 3
1. Aan ministers en staatssecretarissen
die niet zijn verhuisd en van wie de woning zich op een afstand van
ten minste 50 kilometer van het ministerie bevindt, wordt op hun
verzoek voor de duur van de vervulling van hun ambt een gemeubileerde
verblijfsvoorziening binnen een afstand van 25 kilometer van het
ministerie ter beschikking gesteld.
2. Aan ministers en staatssecretarissen
die een gemeubileerde verblijfsvoorziening als bedoeld in het eerste
lid ter beschikking is gesteld, worden in verband met de
verblijfsvoorziening verstrekt dan wel de kosten vergoed van:
a. huur van een parkeerplaats, voor
zover deze onderdeel uitmaakt van de ter beschikking gestelde
verblijfsvoorziening;
b. beveiliging als bedoeld in
artikel 4, eerste lid;
c. informatie- en
communicatievoorzieningen als bedoeld in artikel 5;
d. gemeentelijke belastingen als
bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet en
waterschapsbelastingen als bedoeld in artikel 123, eerste lid,
onderdeel a, van de Waterschapswet;
e. abonnement voor ontvangst van
radio en televisie;
f. abonnement voor een krant;
g. gas, licht, water;
h. wassen en strijken;
i. schoonmaak.
3. In plaats van de in het eerste en
tweede lid bedoelde voorziening kunnen bewindslieden die niet zijn
verhuisd en van wie de woning zich op een afstand van ten minste 50
kilometer van het ministerie bevindt en die op het tijdstip van
benoeming reeds een gemeubileerde verblijfsvoorziening binnen een
afstand van 25 kilometer van het ministerie in eigendom hebben,
aanspraak maken op een bedrag ter vergoeding voor verblijfkosten
waarvan de hoogte afhankelijk is van de afstand van de woonplaats of
deel van de woonplaats van de betrokkene tot het gebouw van het
betreffende ministerie.
4. De hoogte van het in het derde lid
bedoelde bedrag wordt als volgt berekend:
50 kilometer: 40 * X
75 kilometer: 85 * X
150 kilometer en meer: 140 * X
waarbij X gelijk is aan de het voor
dienstreizen van het burgerlijk rijkspersoneel geldende bedrag voor
vergoeding wegens verblijfskosten in verband met logies. De
vergoeding, behorend bij afstanden, afgerond op hele kilometers,
tussen de in bovenstaand schema genoemde afstanden, wordt berekend
naar evenredigheid met het verschil tussen de in het schema aangegeven
vergoedingen bij de naast hogere en naast lagere afstand. Het bedrag
van de vergoeding wordt afgerond op hele euro’s.
5. Een verstrekking als bedoeld in het
eerste of tweede lid of een vergoeding als bedoeld in het tweede of
derde lid wordt in aanmerking genomen als eindheffingsbestanddeel als
bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de
loonbelasting 1964.
Artikel 4
1. Ten behoeve van ministers en
staatssecretarissen en hun gezinsleden worden passende
beveiligingsmaatregelen getroffen.
2. Indien dit om veiligheidsredenen
noodzakelijk wordt geoordeeld, wordt aan ministers en
staatssecretarissen een gemeubileerde verblijfsvoorziening ter
beschikking gesteld.
3. Artikel 3, tweede en vijfde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
Aan ministers en staatssecretarissen
worden informatie- en communicatievoorzieningen en lectuur, daarbij
inbegrepen de hiervoor benodigde aansluitingen en abonnementen, ter
beschikking gesteld voor de duur van de vervulling van hun ambt.
Artikel 6
In het geval van binnenlandse en
buitenlandse dienstreizen worden de noodzakelijke faciliteiten ter
beschikking gesteld ten behoeve van vervoer en verblijf voor ministers
en staatssecretarissen en voor degenen die hen vergezellen.
Artikel 6a
Ministers en staatssecretarissen hebben
recht op de vergoeding van gemaakte kosten voor verlies, diefstal of
beschadiging van voor de dienstreis meegenomen noodzakelijke bagage tot
ten hoogste het bedrag vastgesteld op grond van artikel 13, tweede lid,
van het Reisbesluit buitenland.
Artikel 7
1. Ministers en staatssecretarissen
hebben voor de duur van de vervulling van hun ambt een dienstauto met
chauffeur ter beschikking.
2. De prijs per kilometer van de
dienstauto bedraagt niet meer dan €0,60 exclusief BTW, berekend op
de grondslag van een gebruiksduur van twee jaar en 60.000 gereden
kilometers per jaar.
3. Het bedrag, genoemd in het tweede
lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling
gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het
prijsindexcijfer jaargemiddelde operationele autolease inclusief
brandstof, zoals door het Centraal Bureau voor de Statistiek
gepubliceerd, over het tweede kalenderjaar voorafgaand aan genoemde
datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer over het jaar daaraan
voorafgaand.
4. De prijs per kilometer wordt
berekend aan de hand van de formule
(((n / (l/12)) + o + f + g + h + p) /
m) + i
waarin:
n = (((a-c)/1,19) + (b/1,19) + c) –
(d/1,19)
afschrijving over looptijd (inclusief
BPM en exclusief BTW);
o = ((d/1,19) x e) + ((n/2) x e)
rente per jaar;
p = ((k/1,19) x (m/100) x j)
brandstofkosten per jaar;
en:
a = consumentenprijs inclusief
accessoires af fabriek (inclusief BPM en BTW);
b = consumentenprijs van accessoires
achteraf en/of door derden (inclusief BTW);
c = totale BPM;
d = totale marktconforme restwaarde
inclusief BTW en BPM;
e = rentetarief in procenten;
f = administratiekosten inclusief
management fee per jaar doch exclusief BTW (of interne kosten ingeval
niet wordt uitbesteed);
g = houderschapsbelasting per jaar;
h = het in het kader van het
omslagstelsel door het Bureau Schade Afwikkeling vastgestelde bedrag;
i = ROB exclusief BTW;
j = brandstofverbruik in liters per 100
kilometer;
k = tarief bij brandstofsoort inclusief
BTW;
l = looptijd in maanden;
m = jaarkilometrage.
5. De dienstauto wordt slechts in
gebruik genomen nadat is vastgesteld dat aan de voorschriften van het
tweede tot en met vierde lid is voldaan, tenzij afwijking van deze
voorschriften noodzakelijk is om redenen van veiligheid of wegens een
individuele werkplekanalyse, verricht of getoetst door een deskundige
persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Arbeidsomstandighedenwet. Artikel 14, tweede lid, onderdelen b en c,
van de Arbeidsomstandighedenwet is in het tweede geval van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 8
1. Ministers en staatssecretarissen
ontvangen een maandelijkse vergoeding voor de door hen verschuldigde
loonbelasting over het gebruik van de dienstauto. De vergoeding wordt
berekend aan de hand van de formule
CAT x P/100 x T/100
M = ----------------------------------
12
waarin:
M = het bedrag van de vergoeding;
CAT = de catalogusprijs van de
dienstauto, met inbegrip van BTW en BPM, verminderd met het deel van
de catalogusprijs, met inbegrip van BTW en BPM, dat toerekenbaar is
aan buitengewone beveiligingsmaatregelen;
P = het toepasselijke percentage,
genoemd in artikel 13bis, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting
1964.
T = het hoogste van de in de
tarieftabel van artikel 20a, eerste lid, van de Wet op de
loonbelasting 1964 opgenomen percentages.
2. Aangewezen als een
eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt:
a. de maandelijkse vergoeding,
bedoeld in het eerste lid;
b. het tot het belastbare loon in
de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 van de minister of
staatssecretaris behorend voordeel ter zake van de dienstauto
toerekenbaar aan buitengewone beveiligingsmaatregelen.
Artikel 9
Aan ministers en staatssecretarissen
worden de overige voorzieningen ter beschikking gesteld die noodzakelijk
zijn voor het vervullen van hun ambt.
Artikel 10
1. Ministers en staatssecretarissen
ontvangen een maandelijkse vergoeding voor de kosten van voorzieningen
die voor hun eigen rekening komen en door hen mede worden aangewend
ten behoeve van de vervulling van hun ambt.
2. De maandelijkse vergoeding, bedoeld
in het eerste lid, bedraagt
a. voor Onze Minister-President,
Minister van Algemene Zaken €657,27;
b. voor Onze Minister van
Buitenlandse Zaken €657,27;
c. voor een andere Minister €
328,63;
d. voor een Staatssecretaris €
273,50.
3. De maandelijkse vergoeding, bedoeld
in het eerste lid, wordt aangewezen als een eindheffingsbestanddeel
als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de
loonbelasting 1964.
4. De in het tweede lid genoemde
bedragen worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling
gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex, geldend voor de maand
september van het voorafgaande jaar, daartoe aanleiding geeft.
Artikel 11
Ministers en staatssecretarissen
ontvangen een vergoeding voor de door hen gemaakte kosten van
voorzieningen die niet voor hun eigen rekening komen en die aantoonbaar
door hen zijn aangewend voor de vervulling van hun ambt.
Artikel 12
[Wijzigt het besluit van 22 september
1977, houdende regeling van de vergoeding aan ambtenaren van kosten
verbonden aan het gebruik van de privé-telefoonaansluiting voor
dienstdoeleinden. ]
Artikel 13
[Wijzigt het Reisbesluit binnenland]
Artikel 14
[Wijzigt het Reisbesluit buitenland]
Artikel 15
Het Verhuis- en verblijfkostenbesluit
Ministers en Staatssecretarissen en het besluit van 15 mei 1992,
houdende vergoeding voor ministers en staatssecretarissen voor de kosten
die aan de vervulling van het ambt zijn verbonden (Stb. 255) worden
ingetrokken.
Artikel 15a
Bij toepassing van artikel 39c van de Wet
op de loonbelasting 1964:
a. wordt de vergoeding, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt
berekend door het getal 100 te verminderen met het getal van het
hoogste tarief, bedoeld in kolom IV van artikel 2.10 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
b. blijven deartikelen 3, vijfde lid,
8, tweede lid, en 10, derde lid, buiten toepassing; en
c. worden de bedragen, genoemd in
artikel 10, tweede lid, vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt
berekend door het getal 100 te verminderen met het getal van het
hoogste tarief, bedoeld in kolom IV van artikel 2.10 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
d. wordt de vergoeding, bedoeld in
artikel 3, derde lid, vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt
berekend door het getal 100 te verminderen met het getal van het
hoogste tarief, bedoeld in kolom IV van artikel 2.10 van de Wet
inkomstenbelasting 2010.
Artikel 16
Dit besluit treedt in werking met ingang
van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het
wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2001.
Artikel 17
Dit besluit wordt aangehaald als:
Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 7 juni 2002
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
Uitgegeven de zestiende juli 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|