| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren (Wrra)
BESLUIT
BOVENWETTELIJKE UITKERINGEN BIJ WERKLOOSHEID
VAN RECHTERLIJKE AMBTENAREN
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 23 november 2000, houdende vaststelling
van de regeling inzake de bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid
van rechterlijke ambtenaren (Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij
werkloosheid van rechterlijke ambtenaren)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op voordracht
van Onze Minister van Justitie van 18 augustus 2000, nr. 5045031/00/06,
directoraat-generaal Wetgeving, Rechtspleging en Rechtsbijstand,
directie Wetgeving;
Gelet op artikel 54, tweede lid, onderdeel b,
van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren;
De Raad van State gehoord (advies van 21
september, nr. W03.00.0384/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 14 november 2000, nr. 5061726/00/6, directoraat-generaal
Wetgeving, Rechtspleging en Rechtsbijstand, directie Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
1. In dit besluit wordt verstaan onder
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
b. betrokkene:
1°. de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar
in vaste dienst en de rechterlijk ambtenaar in opleiding in
vaste dienst die ten gevolge van een ontslag, niet zijnde een
disciplinair strafontslag dan wel een ontslag wegens flexibel
pensioen en uittreden, werkloos is geworden in de zin van de
Werkloosheidswet,
2°. de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar
in vaste dienst en de rechterlijk ambtenaar in opleiding in
vaste dienst die ten gevolge van ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, werkloos is geworden
in de zin van de Werkloosheidswet;
3°. de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die
ten gevolge van een ontslag op grond van artikel 46c, tweede
en derde lid, artikel 46l, eerste en tweede lid, danwel
artikel 46m van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren,
werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet;
4°. de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die
ten gevolge van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid
wegens ziekte, werkloos is geworden in de zin van de
Werkloosheidswet.
c. aanvullende uitkering: de aanvullende uitkering, bedoeld in
Hoofdstuk 2;
d. aansluitende uitkering: de aansluitende uitkering, bedoeld
in Hoofdstuk 3;
e. bovenwettelijke uitkering: aanvullende en aansluitende
uitkering;
f. dagloon: het dagloon, bedoeld in de artikelen 44 tot en met
46 van de Werkloosheidswet, evenwel zonder toepassing van de
maximum loongrens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet
financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een
loontijdvak van een dag, verminderd met de tegemoetkoming van de
werkgever strekkende tot betaling van de premie van een door of
voor de betrokkene afgesloten particuliere
ziektekostenverzekering;
g. pensioenreglement: het pensioenreglement Stichting
Pensioenfonds ABP;
h. minimumloon: het minimumloon, bedoeld in de Wet minimumloon
en minimumvakantiebijslag;
i. pensioen: het pensioen in de zin van het pensioenreglement;
j. diensttijd voor zover gelegen vóór 1 januari 1996:de tijd
zoals die voor betrokkene per 31 december 1995 meetelt voor de
pensioenberekening, bedoeld in de Algemene Burgerlijke Pensioenwet
zoals deze luidde op 31 december 1995;voor zover gelegen op of na
1 januari 1996:de tijd gedurende welke de betrokkene
overheidswerknemer is in de zin van de Wet privatisering ABP; in
beide gevallen met uitzondering van de tijd:
1°. die in aanmerking is genomen bij de berekening van de
duur van een wachtgeld of van een uitkering ter zake van
onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid;
2°. die voorafgaat aan een onderbreking in de diensttijd
door ontslag van langer dan één jaar;
3°. bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;
bij de bepaling van de diensttijd wordt in voorkomend geval de
diensttijd, bedoeld in artikel D1, tweede lid, van de Algemene
burgerlijke pensioenwet zoals dat luidde op 31 december 1995, mede
in aanmerking genomen; het verzoek, bedoeld in artikel D2 van de
Algemene burgerlijke pensioenwet wordt daarbij geacht te zijn
gedaan; indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van
de bovenwettelijke uitkering in aanmerking is genomen, met een
overheidspensioen, anders dan ten laste van de Stichting
Pensioenfonds ABP, wordt vergolden, worden de duur en het bedrag
van de bovenwettelijke uitkering met ingang van de dag waarop dit
pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die diensttijd buiten
beschouwing wordt gelaten;
k. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen toegekende uitkering.
2. Indien op het salaris van de betrokkene op de dag voorafgaande
aan het ontslag een korting wordt toegepast op grond van artikel 6, 8d
of 8e van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, wordt
voor het dagloon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, uitgegaan
van het dagloon zoals dat zou zijn vastgesteld indien geen sprake was
geweest van bedoelde korting.
Artikel 2. Berekeningswijze duur van de bovenwettelijke uitkering
1.Met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat wordt de duur van
de uitkering vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de
betrokkene:
a. die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
heeft bereikt met een periode gelijk aan 18% van de diensttijd;
b. die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
opklimmend met 1,5%;
c. die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur
gelijk aan 78% van de diensttijd.
2.Indien voor een betrokkene de duur van de uitkering, berekend op
grond van het eerste lid, langer is dan de duur van zijn WW-uitkering,
wordt dat verschil in duur met een maximum van twee jaar in mindering
gebracht op de op grond van het eerste lid berekende duur van de
uitkering.
3.De duur van de uitkering van betrokkene die ten tijde van het
ontslag 55 jaar of ouder is en een diensttijd, voor zover geldig voor
pensioen, van tenminste tien jaar heeft volbracht, wordt na afloop van
de termijn, welke op basis van het eerste en tweede lid is toegekend,
verlengd tot de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin
hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
Hoofdstuk 2. De aanvullende uitkering bij werkloosheid
Artikel 3. Recht op een aanvullende uitkering
1. De betrokkene heeft gedurende de periode dat recht bestaat op
een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, recht op een aanvullende
uitkering, met dien verstande dat het recht op een aanvullende
uitkering niet eerder ingaat dan op de dag waarop het ontslag in
werking treedt.
2. Op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, zijn
hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 3, alsmede de artikelen 47,
tweede en derde lid, 75, 76, 76a, 77a en 78 van de Werkloosheidswet
van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het tweede lid, is artikel 41 van de
Werkloosheidswet niet van overeenkomstige toepassing op de aanvullende
uitkering, bedoeld in het eerste lid, en zijn de artikelen 34, 35a en
35aa van de Werkloosheidswet slechts van overeenkomstige toepassing op
de aanvullende uitkering voor zover de hoogte van de in mindering te
brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
overstijgen.
Artikel 4. Hoogte van de aanvullende uitkering
1.Indien de duur van de uitkering, berekend op basis van artikel 2,
ten minste gelijk is aan de duur van de uitkering, berekend op basis
van artikel 42 of 52g van de Werkloosheidswet, wordt de uitkering
krachtens de Werkloosheidswet gedurende de eerste 12 maanden tot 80%,
gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en gedurende de
daaropvolgende periode tot 70% van het voor betrokkene geldende
dagloon aangevuld.
2.Indien de duur van de uitkering, berekend op basis van artikel 2,
korter is dan de duur van de uitkering, berekend op basis van artikel
42 of 52g van de Werkloosheidswet, wordt de uitkering krachtens de
artikelen 42 en 52g van de Werkloosheidswet gedurende de eerste twaalf
maanden tot 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en
vervolgens tot 70% aangevuld.
3.Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens
de Werkloosheidswet steeds geacht door betrokkene onverminderd te zijn
genoten.
Artikel 5. Aanvullende uitkering bij ziekte
1.Indien de betrokkene gedurende de periode dat hij recht heeft op
een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, wegens ziekte verhinderd
wordt arbeid te verrichten en deswege een uitkering geniet krachtens
de Ziektewet wordt de uitkering krachtens de Ziektewet zolang een
uitkering krachtens de Ziektewet wordt genoten, aangevuld tot de
percentages van het dagloon bedoeld in artikel 4, met inachtneming van
de daaraan voorafgaande termijn waarover betrokkene recht op een
aanvullende uitkering heeft gehad.
2.Indien het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet na
afloop van de periode, waarin de Ziektewet op betrokkene van
toepassing is geweest, herleeft, tellen zowel de termijn waarover
betrokkene voorafgaand aan deze periode recht heeft gehad op een
uitkering krachtens de Werkloosheidswet als de termijn waarin de
Ziektewet op hem van toepassing is geweest met inachtneming van
hetgeen hieromtrent in artikel 43, tweede en derde lid, van de
Werkloosheidswet is bepaald, mee voor het vaststellen van de hoogte
van de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 4.
3.Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens
de Ziektewet steeds geacht onverminderd door de betrokkene te zijn
genoten.
Artikel 5a
1.Indien de betrokkene gedurende de periode dat zij recht heeft op
een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, in verband met
zwangerschap en bevalling, adoptie onderscheidenlijk het opnemen van
een pleegkind in het genot komt van een uitkering krachtens de Wet
arbeid en zorg, wordt de uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg
gedurende de periode waarin de betrokkene in het genot hiervan is,
aangevuld tot 100% van het voor de betrokkene geldende dagloon.
2.Indien het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet na
afloop van de periode waarin de betrokkene in het genot van een
uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg is geweest, herleeft, tellen
zowel de termijn waarover betrokkene voorafgaand aan die periode recht
heeft gehad op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet als de
termijn gedurende welke krachtens de Wet arbeid en zorg een uitkering
is genoten, mee voor het vaststellen van de hoogte van de aanvullende
uitkering, bedoeld inartikel 4.
3.Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens
de Wet arbeid en zorg steeds geacht onverminderd door de betrokkene te
zijn genoten.
Artikel 6. Overlijdensuitkering
1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt de
uitkering, bedoeld in artikel 35 of 36 van de Ziektewet aangevuld tot
100% van het voor betrokkene geldende dagloon.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de uitkering
krachtens de Ziektewet steeds geacht onverminderd door de betrokkene
te zijn genoten.
Artikel 7. Verplichtingen en sancties
Indien ten aanzien van de uitkering die betrokkene krachtens de
Werkloosheidswet of krachtens de Ziektewet geniet een verplichting of
een sanctie wordt opgelegd, wordt die verplichting eveneens opgelegd dan
wel die sanctie op overeenkomstige wijze toegepast op de aanvullende
uitkering.
Hoofdstuk 3. Aansluitende uitkering bij werkloosheid
Artikel 8. Recht op aansluitende uitkering
1. Indien op het moment van ontslag de duur van de uitkering
berekend op basis van artikel 2, langer is dan de duur van de
uitkering berekend op basis van de Werkloosheidswet, heeft de
betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur krachtens de
Werkloosheidswet heeft bereikt, met ingang van dat moment recht op een
aansluitende uitkering, met dien verstande dat de verloren arbeidsuren
waarvoor hij geen betrokkene is, geen aanspraak geven op een uitkering
krachtens dit besluit.
2. Op de aansluitende uitkering zijn hoofdstuk II, paragrafen 1 tot
en met 3 en de artikelen 75, 76, 76a, 77a en 78 van de
Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het tweede lid eindigt het recht op een
aansluitende uitkering niet voor zover de betrokkene:
a. recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19,
eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Werkloosheidswet; of
b. geen recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19,
eerste lid, onderdeel a of b van de Werkloosheidswet vanwege het
enkele feit dat zijn verzekering op grond van de in artikel 19 van
de Werkloosheidswet genoemde wetten is geëindigd; of
c. niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden in verband met
een situatie als bedoeld in onderdeel a of b.
4. In afwijking van het tweede lid zijn de artikelen 19, eerste
lid, onderdeel h, en 20, eerste lid, onderdeel e, van de
Werkloosheidswet niet van overeenkomstige toepassing op de
aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste lid.
5. Het recht op een aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van
de duur van de aansluitende uitkering, doch uiterlijk op de eerste dag
van de kalendermaand volgend op die waarin de betrokkene de leeftijd
van 65 jaar heeft bereikt.
Artikel 9. Duur van de aansluitende uitkering
De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van ontslag
berekende uitkeringsduur op basis van artikel 2, verminderd met de ter
zake van dat ontslag berekende uitkeringsduur krachtens de
Werkloosheidswet.
Artikel 10. Hoogte van de aansluitende uitkering
1.De aansluitende uitkering bedraagt voor de betrokkene gedurende
de eerste twaalf maanden 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden
75%, en vervolgens 70% van het voor hem geldende dagloon. Gedurende de
verlenging, bedoeld in artikel 2, derde lid, is de uitkering gelijk
aan 70% van het dagloon.
2.Bij de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met
de termijn waarin betrokkene eerst recht heeft gehad op een
aanvullende uitkering.
3.Ten aanzien van de hoogte van de aansluitende uitkering zijn de
artikelen 45 en 47, tweede en derde lid, van de Werkloosheidswet van
toepassing.
Artikel 11. Overlijdensuitkering
1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt
onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 dan wel artikel 36 van
de Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande
dat de uitkering 100% van het dagloon bedraagt.
2.Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
betrekkingen van betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak
kunnen maken uit hoofde van een of meer werkloosheidsuitkeringen,
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de
Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen
met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht had.
Hoofdstuk 4. Overige bepalingen
Artikel 12 [Vervallen per 11-02-2011]
Artikel 13. Uitkering na afschatting
1. De betrokkene, die recht heeft op een uitkering krachtens de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer dan wel een uitkering ingevolge
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, of ingevolge hoofdstuk 6 of
7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, heeft recht op een
bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit op het moment dat de
mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
vastgesteld dan 80% waardoor recht ontstaat op een uitkering krachtens
de Werkloosheidswet. Indien de in de eerste volzin bedoelde
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan uit twee of meer
dienstbetrekkingen wordt het recht op een bovenwettelijke uitkering
krachtens dit besluit toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
waarvan hij betrokkene is in de zin van dit besluit, naar rato van de
feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
dienstbetrekkingen.
2. Ter bepaling van de duur van de bovenwettelijke uitkering
krachtens artikel 2 wordt uitgegaan van de datum van het ontslag,
bedoeld in het eerste lid.
3. De hoogte van de bovenwettelijke uitkering wordt vastgesteld te
rekenen vanaf de datum van het ontslag, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 14. Herleving van het recht op een bovenwettelijke uitkering
1.Indien het recht op een bovenwettelijke uitkering geheel of
gedeeltelijk is geëindigd en betrokkene is, na het gaan verrichten
van arbeid als werknemer, wederom werkloos is geworden in de zin van
de Werkloosheidswet, herleeft op zijn aanvraag het recht op een
bovenwettelijke uitkering voor zover er een nieuw recht op een
uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ontstaan of het oude recht
is herleefd. De duur en de hoogte van de bovenwettelijke uitkering
zijn gelijk aan de duur en de hoogte van de uitkering waarop
betrokkene op grond van dit besluit nog recht zou hebben gehad indien
hij onafgebroken werkloos zou zijn geweest.
2.De betrokkene aan wie een ontslag is verleend en die onmiddellijk
aansluitend aan dat ontslag arbeid als werknemer gaat verrichten en
die werkloos wordt in de zin van de Werkloosheidswet, heeft op zijn
aanvraag recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit
voor zover er een recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
bestaat op het moment van werkloos worden, met ingang van de eerste
dag waarop recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is
ontstaan. De duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering zijn
gelijk aan de duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering, waarop
betrokkene op het moment van ontslag recht zou hebben gehad, met dien
verstande dat het recht op bovenwettelijke uitkering ingaat met ingang
van de dag waarop het ontslag is verleend.
3.Een recht op een bovenwettelijke uitkering als bedoeld in het
eerste en tweede lid, kan slechts ontstaan gedurende de termijn welke
betrokkene in het geval dat hij onafgebroken werkloos zou zijn
geweest, een bovenwettelijke uitkering ter zake van dat ontslag zou
hebben genoten.
Artikel 15. Loonaanvulling
1.De betrokkene, wiens recht op uitkering geheel of gedeeltelijk is
beëindigd wegens het gaan verrichten van arbeid als werknemer,
ontvangt op zijn aanvraag, gedurende de voor hem op de datum van
ontslag vastgestelde uitkeringsduur, voor zover deze nog niet is
verstreken, een loonaanvulling, indien het dagloon in de nieuwe
betrekking minder bedraagt dan het dagloon uit de betrekking waaruit
hij werkloos werd.
2.De loonaanvulling vervalt met ingang van de dag, waarop de
betrokkene opnieuw volledig werkloos wordt of niet meer voldoet aan de
voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, of de duur van de uitkering is
verstreken.
3.De hoogte van de loonaanvulling is gelijk aan het verschil tussen
het dagloon in zijn nieuwe betrekking en het dagloon van de betrekking
waaruit betrokkene werkloos is geworden.
4.De loonaanvulling wordt proportioneel toegekend, indien de omvang
van de nieuwe betrekking minder bedraagt dan de betrekking waaruit de
betrokkene is ontslagen. Indien de omvang van de nieuwe betrekking
groter is dan de omvang van de betrekking waaruit de betrokkene is
ontslagen, bedraagt de hoogte van de loonaanvulling het feitelijke
verschil in dagloon tussen de oude en de nieuwe betrekking.
5.De aanvraag om loonaanvulling wordt binnen drie maanden na het
aanvaarden van de nieuwe betrekking ingediend. De loonaanvulling wordt
door middel van een beschikbaar gesteld formulier aangevraagd. Bij
overschrijding van deze termijn wordt de loonaanvulling toegekend
vanaf het moment dat de aanvraag werd ingediend.
6.De loonaanvulling telt niet mee voor de berekening van het
pensioen.
Artikel 16. Tegemoetkoming verhuiskosten
Aan de betrokkene, die buiten de rijksdienst arbeid of bedrijf ter
hand gaat nemen, kan op zijn aanvraag ter zake van de kosten, die voor
hem aan een daartoe nodige verhuizing zijn verbonden, een eenmalige
tegemoetkoming worden toegekend van € 1 361 onder verrekening van een
tegemoetkoming in verhuiskosten uit anderen hoofde.
Artikel 17. Afkoop recht op aanvullende en aansluitende uitkering
Op aanvraag van de betrokkene kan het recht op de bovenwettelijke
uitkering voor 30% van de nominale waarde daarvan worden afgekocht
indien de bestemming van het afkoopbedrag kansen biedt op een blijvende
opheffing van de bestaande werkloosheid.
Artikel 18. Afwijkende percentages
In afwijking van de artikelen 4 en 10 bedraagt het percentage 77% in
plaats van 80%, 72% in plaats van 75%, 67% in plaats van 70% van het
dagloon, zolang de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van
uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en
arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel,
onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel (Stb. 657) op
de betrokkene van toepassing is.
Artikel 19. Neerwaartse wijzigingen
1. Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
een algemeen neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse
wijziging, behoudens indien na overleg met de Sectorcommissie
rechterlijke macht, genoemd in artikel 50, tweede lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren anders wordt overeengekomen,
binnen zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
de maatregel is geplaatst, op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten
aanzien van het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke aanspraken
van betrokkene, vanaf de datum van inwerkingtreding van bedoelde
maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst.
2. Indien in het overleg, bedoeld in het eerste lid, een geschil
ontstaat, wordt de doorvoering van de neerwaartse wijziging, in
afwijking van het eerste lid, opgeschort met ingang van de dag waarop
het geschil voor advies dan wel arbitrale uitspraak is voorgelegd aan
de commissie, bedoeld in artikel 51, derde lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
3. Indien de in het tweede lid bedoelde commissie blijkens zijn
advies of arbitrale uitspraak geen bedenkingen heeft tegen doorvoering
van de neerwaartse wijziging, wordt de maatregel op overeenkomstige
wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en
bovenwettelijke aanspraken van betrokkene vanaf de datum van
inwerkingtreding daarvan, doch niet eerder dan zes maanden na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst.
Indien de datum van inwerkingtreding van de bedoelde maatregel is
gelegen op een tijdstip vóór het uitbrengen van het advies dan wel
vóór de arbitrale uitspraak, vindt de doorvoering plaats vanaf de
eerste dag na de maand waarin het advies is uitgebracht dan wel de
arbitrale uitspraak is gedaan, doch niet eerder dan zes maanden na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is
geplaatst.
Artikel 20. Indexering
Het dagloon wordt steeds aangepast overeenkomstig een algemene
wijziging van het salaris, van de vakantieuitkering en van de
eindejaarsuitkering van rechterlijke ambtenaren, met ingang van de dag
waarop die wijziging van het salaris, de vakantieuitkering
respectievelijk de eindejaarsuitkering van kracht wordt.
Artikel 21
[Wijzigt het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren]
Artikel 22. Overgangsrecht
1.Ontslaguitkeringen die aan de betrokkene zijn toegekend krachtens
artikel 39, tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke
ambtenaren zoals dat luidde vóór het tijdstip van aanvang van fase
2, bedoeld in artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, blijven gehandhaafd voor de duur van de
uitkering.
2.De rechterlijk ambtenaar die voor of op 31 december 1999 in
tijdelijke dienst is aangesteld en die tot de datum van ontslag, die
ligt op of na 1 januari 2001, onafgebroken in tijdelijke dienst is
geweest, heeft recht op een aanvullende uitkering overeenkomstig de
bepalingen van hoofdstuk 2.
Artikel 23
Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2001.
Artikel 24
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bovenwettelijke uitkeringen
bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 23 november 2000
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de zevende december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|