| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren (Wrra)
BESLUIT
RECHTSPOSITIE RECHTERLIJKE AMBTENAREN
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 21 maart 1994, houdende enkele
rechtspositionele voorschriften ten aanzien van de rechterlijke
ambtenaren
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie a.i. van 19 november 1992,
Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 263321/92/6;
Gelet op de artikelen 12, vijfde lid, 14, derde
lid, 15, vijfde lid, en 16, tweede lid, van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren;
De Raad van State gehoord (advies van 26
januari 1993, nr. W03.92.0584);
Gezien het nader rapport van de Minister van
Justitie van 14 maart 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr.
428976/94/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. AAOP-uitkering: ABP
ArbeidsongeschiktheidsPensioen als bedoeld in hoofdstuk 11 van het
Pensioenreglement;
b. arbeidsduur: het aantal uren
gedurende welke een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar
in opleiding zijn ambt gemiddeld per week vervult op basis van een
aanstelling of aanwijzing als bedoeld in artikel 5f van de wet;
c. arbeidsduurfactor: een breuk
waarvan de teller bestaat uit de voor de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding vastgestelde arbeidsduur en de
noemer bestaat uit het getal 36;
d. arbeidsongeschikt:
arbeidsongeschikt als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO
of volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als bedoeld in artikel 4
van de WIA of gedeeltelijk arbeidsgeschikt als bedoeld in artikel 5
van de WIA;
e. arbodienst: een arbodienst als
bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;
f. beroepsziekte: een ziekte, die
overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de werkzaamheden
van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding
dan wel in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten
worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te
wijten;
g. bovenwettelijke WW-uitkering: een
uitkering als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van het
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van
rechterlijke ambtenaren;
h. deskundige persoon: een deskundige
persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in
artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet;
i. dienstongeval: een ongeval, dat in
overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de werkzaamheden
van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding
dan wel in de omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht,
en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
j. gewezen rechterlijk ambtenaar: de
rechterlijk ambtenaar aan wie ontslag is verleend, met ingang van de
dag waarop het ontslag is ingetreden;
k. gewezen rechterlijk ambtenaar in
opleiding: de rechterlijk ambtenaar in opleiding aan wie ontslag is
verleend, met ingang van de dag waarop het ontslag is ingetreden;
l. herplaatsen: het opdragen van een
ander ambt of een andere functie, bedoeld in artikel 35d van dit
besluit onderscheidenlijk artikel 46k van de wet;
m. herplaatsingstoelage: een
herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 9 van het
pensioenreglement;
n. invaliditeitspensioen: een
invaliditeitspensioen als bedoeld in hoofdstuk 8 van het
pensioenreglement;
o. medisch advies: een advies van de
deskundige persoon of arbodienst dat ten aanzien van de rechterlijk
ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding is uitgebracht na
een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van
de Arbeidsomstandighedenwet of artikel 13 van dit besluit;
p. passende arbeid: alle arbeid die
voor de krachten en bekwaamheden van de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding is berekend, tenzij aanvaarding
daarvan om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard
niet van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in
opleiding kan worden gevergd;
q. pensioenreglement: het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
r. salaris per uur: 1/156 deel van
het salaris bij een volledige arbeidsduur;
s. Stichting Pensioenfonds ABP: de
Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet
privatisering ABP;
t. UWV: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet Suwi;
u. volledige arbeidsduur: een
arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week;
v. WAO: de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
w. wet: de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren;
x. Wet Suwi: de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
y. WIA: Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
z. WW: de Werkloosheidswet;
aa. ZW: de Ziektewet;
Artikel 1a [Vervallen per 01-07-2010]
Hoofdstuk 2. Benoeming, plaatsing en
beëdiging
§ 2.1. Benoeming en plaatsing
Artikel 2
1. Om benoemd te kunnen worden als
rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1°
tot en met 4°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, dient het
afsluitend examen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, te
voldoen aan de eisen van het tweede en derde lid.
2. Het afsluitend examen is zodanig
samengesteld dat ten minste grondige kennis van en inzicht in drie van
de vijf volgende rechtsgebieden is verkregen:
a. burgerlijk recht, met inbegrip
van burgerlijk procesrecht;
b. strafrecht, met inbegrip van
strafprocesrecht;
c. bestuursrecht, met inbegrip van
bestuursprocesrecht;
d. staatsrecht;
e. belastingrecht.
3. Tot de drie rechtsgebieden, bedoeld
in het tweede lid, behoren in ieder geval twee van de rechtsgebieden,
genoemd in de onderdelen a tot en met c.
4. De eisen, bedoeld in het tweede en
derde lid, zijn niet van toepassing op degene die ten minste zes jaar
voor de beoogde datum van benoeming het afsluitend examen heeft
afgelegd en die tot aan die beoogde datum een ruime praktijkervaring
heeft opgedaan in een van de in het tweede lid genoemde
rechtsgebieden.
Artikel 2a
1. Om benoemd te kunnen worden als
rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 5°
tot en met 7°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, dient het
afsluitend examen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, te
voldoen aan de eisen van het tweede en derde lid.
2. Het afsluitend examen is zodanig
samengesteld dat ten minste grondige kennis van en inzicht in het
rechtsgebied strafrecht, met inbegrip van strafprocesrecht, is
verkregen.
3. Naast het in het tweede lid genoemde
rechtsgebied is ten minste grondige kennis van en inzicht in twee van
de vier volgende rechtsgebieden verkregen:
a. burgerlijk recht, met inbegrip
van burgerlijk procesrecht;
b. bestuursrecht, met inbegrip van
bestuursprocesrecht;
c. staatsrecht;
d. belastingrecht.
4. De eisen, bedoeld in het eerste en
tweede lid, zijn niet van toepassing op degene die ten minste zes jaar
voor de beoogde datum van benoeming het afsluitend examen heeft
afgelegd en die tot aan de beoogde datum van benoeming een ruime
praktijkervaring heeft opgedaan in een van de rechtsgebieden, genoemd
in het tweede en derde lid.
5. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld omtrent de eisen met betrekking tot de kennis van en
het inzicht in het strafrecht, met inbegrip van het strafprocesrecht,
waaraan, in geval van toepasselijkheid van het vierde lid, moet worden
voldaan om benoemd te kunnen worden.
Artikel 2b
1. Voor de toepassing van artikel 5,
eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt met de in dat onderdeel
bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht gelijkgesteld de
graad Bachelor, verleend op grond van het met goed gevolg afleggen van
een afsluitend examen van de opleiding HBO-Rechten aan een hogeschool
als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, indien blijkens hierop betrekking hebbende bewijsstukken
tevens met goed gevolg zijn afgelegd de tentamens van de tot een
schakelprogramma behorende onderwijseenheden.
2. Het schakelprogramma, bedoeld in het
eerste lid, omvat onderwijseenheden op het gebied van het recht, die
worden aangeboden door een universiteit of de Open Universiteit als
bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, met een totale studielast van ten minste 60 studiepunten
als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
3. Voor de toepassing van de artikelen
2 en 2a wordt onder afsluitend examen als bedoeld in die artikelen
tevens begrepen het schakelprogramma, bedoeld in het eerste en tweede
lid.
Artikel 2c
1. De benoeming in een ambt als bedoeld
in de artikel 2, tweede tot en met zevende lid, van de wet geschiedt
in vaste dienst, tenzij er grond bestaat voor een benoeming in
tijdelijke dienst.
2. Een benoeming in tijdelijke dienst
als bedoeld in het eerste lid kan plaatsvinden voor een proeftijd of
om een andere reden.
3. Een benoeming in tijdelijke dienst
als bedoeld in het eerste lid wordt verleend voor een kalenderperiode
of een andere objectief bepaalbare periode.
4. De periode, waarvoor een benoeming
in tijdelijke dienst voor een proeftijd als bedoeld in het tweede lid
wordt verleend, bedraagt ten hoogste 24 maanden, met de mogelijkheid
van verlenging hiervan met de periode of perioden waarin in de
proeftijd geheel of gedeeltelijk geen werkzaamheden zijn verricht.
5. Indien een benoeming in tijdelijke
dienst voor een proeftijd als bedoeld in het tweede lid is
voorafgegaan door een benoeming in tijdelijke dienst om een andere
reden als bedoeld in het tweede lid, wordt de maximale duur van 24
maanden, bedoeld in het vierde lid, verminderd met de duur van die
benoeming in tijdelijke dienst om een andere reden, indien:
a. beide benoemingen zijn verleend
door hetzelfde gezag;
b. zij elkaar met een onderbreking
van ten hoogste drie maanden opvolgen; en
c. het eenzelfde ambt betreft.
6. Artikel 2, tweede tot en met zevende
lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
de uitoefening van de in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde
bevoegdheden.
Artikel 2d
1. De rechterlijk ambtenaar, die in een
ambt als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, in tijdelijke dienst is
benoemd voor een proeftijd, wordt van rechtswege benoemd in vaste
dienst in datzelfde ambt, indien en met ingang van de dag waarop de
benoeming in tijdelijke dienst stilzwijgend wordt voortgezet na het
verstrijken van de periode waarvoor die is verleend.
2. De rechterlijk ambtenaar, die in een
ambt als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, in tijdelijke dienst is
benoemd om een andere reden dan voor een proeftijd, wordt van
rechtswege benoemd in tijdelijke dienst in datzelfde ambt voor een
zelfde periode als waarvoor de voorafgaande benoeming in tijdelijke
dienst is verleend, indien en met ingang van de dag waarop de
voorafgaande benoeming in tijdelijke dienst stilzwijgend wordt
voortgezet na het verstrijken van de periode waarvoor die is verleend,
met dien verstande dat de periode van de benoeming van rechtswege
telkens ten hoogste twaalf maanden bedraagt.
3. De rechterlijk ambtenaar, die in een
ambt als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, in tijdelijke dienst is
benoemd, wordt van rechtswege benoemd in vaste dienst in datzelfde
ambt, indien en met ingang van de dag waarop:
a. hem door hetzelfde bevoegd
gezag, zonder tussenliggende onderbrekingen van meer dan drie
maanden, verschillende benoemingen in tijdelijke dienst in een
ambt als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, zijn verleend en de
totale duur van die benoemingen in tijdelijke dienst, met inbegrip
van de tussenliggende onderbrekingen, een periode van 36 maanden
heeft overschreden; of
b. hem door hetzelfde bevoegd
gezag, zonder tussenliggende onderbrekingen van meer dan drie
maanden, meer dan drie benoemingen in tijdelijke dienst in een
ambt als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, zijn verleend.
4. Het derde lid, aanhef en onderdeel
a, is niet van toepassing in geval van een benoeming in tijdelijke
dienst voor maximaal drie maanden die onmiddellijk volgt op een
benoeming in tijdelijke dienst voor 36 maanden of langer.
Artikel 2e
1. Om vast te stellen of een betrokkene
geschikt is om benoemd te worden in een ambt wordt een onderzoek
verricht, waaronder begrepen het verifiëren van en zo nodig aanvullen
van de gegevens die door de betrokkene zijn verstrekt.
2. Het onderzoek, bedoeld in het eerste
lid, kan tevens omvatten:
a. een psychologisch onderzoek,
indien dit naar het oordeel van Onze Minister dan wel, voor zover
het een benoeming in een bij een gerechtshof of rechtbank te
vervullen ambt betreft, Onze Minister of de Raad voor de
rechtspraak wenselijk is; en
b. een geneeskundig onderzoek,
indien dit op basis van een wettelijk voorschrift verplicht is
gesteld dan wel naar het oordeel van Onze Minister dan wel, voor
zover het een benoeming in een bij een gerechtshof of rechtbank te
vervullen ambt betreft, Onze Minister of de Raad voor de
rechtspraak wenselijk is.
3. Het geneeskundig onderzoek, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel b, vindt niet plaats dan nadat de
betrokkene naar het oordeel van het in het tweede lid bedoelde gezag
op basis van het overige onderzoek, bedoeld in het eerste lid,
eventueel met inbegrip van het psychologisch onderzoek, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a, geschikt is om te worden benoemd in het
desbetreffende ambt.
4. In geval van wijziging van een
benoeming in tijdelijke dienst in een benoeming in vaste dienst in
hetzelfde ambt kan slechts opnieuw een geneeskundig onderzoek als
bedoeld in het tweede lid plaatsvinden, indien ten aanzien van de
geschiktheid van de betrokkene ernstige twijfel is gerezen.
5. In geval van een opvolgende
benoeming in een ander ambt kan slechts opnieuw een geneeskundig
onderzoek als bedoeld in het tweede lid plaatsvinden, indien voor het
vervullen van dat ambt moet worden voldaan aan andere medische eisen
dan aan het vervullen van het door betrokkene daaraan voorafgaand
vervulde ambt worden gesteld.
6. Onze Minister stelt nadere regels
vast over het in het tweede lid bedoelde geneeskundig onderzoek en
psychologisch onderzoek, waaronder in elk geval regels betreffende de
mogelijkheid van een hernieuwd geneeskundig onderzoek op verzoek van
de betrokkene.
Artikel 2f
1. Voorafgaand aan de benoeming van een
betrokkene in een ambt, niet zijnde een ambt als bedoeld in het tweede
of derde lid, kan Onze Minister van de betrokkene een verklaring
omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens verlangen.
2. Benoeming van een betrokkene in een
ambt, dat niet is aangewezen als een vertrouwensfunctie als bedoeld in
het derde lid en naar het oordeel van Onze Minister bijzondere eisen
stelt aan de integriteit en verantwoordelijkheid van degene die dat
ambt vervult, is slechts mogelijk, indien hiertegen naar het oordeel
van Onze Minister op grond van een onderzoek naar de betrouwbaarheid
van de betrokkene geen bezwaar bestaat. Onverminderd het bepaalde in
artikel 24 van het Besluit justitiële gegevens kunnen aan Onze
Minister ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in de eerste volzin,
justitiële gegevens worden verstrekt, indien een zwaarwegend algemeen
belang dat vordert. Onze Minister kan nadere regels vaststellen over
het verrichten van het in de eerste en tweede volzin bedoelde
onderzoek.
3. Benoeming van een betrokkene in een
ambt, dat is aangewezen als een vertrouwensfunctie als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken,
is slechts mogelijk, indien ten aanzien van de betrokkene een
verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van die
wet is afgegeven.
4. Ten aanzien van een betrokkene vindt
een onderzoek als bedoeld in het tweede lid of een
veiligheidsonderzoek dat voorafgaat aan de beslissing omtrent het
afgeven van een verklaring als bedoeld in het derde lid niet plaats
dan nadat op grond van een onderzoek als bedoeld in artikel 2e, eerste
en tweede lid, is vastgesteld dat hij geschikt is om in het
desbetreffende ambt te worden benoemd.
5. In geval van wijziging van een
benoeming in tijdelijke dienst in een benoeming in vaste dienst in
hetzelfde ambt of een opvolgende benoeming in een ander ambt, dat niet
is aangewezen als een in het derde lid bedoelde vertrouwensfunctie,
wordt geen verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in het eerste lid
verlangd of een onderzoek als bedoeld in het tweede lid verricht,
tenzij dit naar het oordeel van Onze Minister op grond van gewijzigde
omstandigheden nodig is.
6. Het eerste tot en met vijfde lid
zijn niet van toepassing in geval van benoeming in een ambt als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet.
Artikel 2g
1. In een besluit tot benoeming in een
ambt worden vermeld:
a. de naam, voornamen en
geboortedatum van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk
ambtenaar in opleiding;
b. het ambt waarin hij wordt
benoemd;
c. de datum met ingang waarvan hij
in dat ambt wordt benoemd;
d. of de benoeming in vaste of
tijdelijke dienst geschiedt; en
e. in geval van een benoeming in
tijdelijke dienst, de periode waarvoor en de reden waarom de
benoeming in tijdelijke dienst wordt verleend.
2. Het eerste lid, onderdelen d en e,
is niet toepasselijk in geval van een benoeming als bedoeld in artikel
2, eerste lid, van de wet.
3. In een besluit tot vaststelling van
het gerecht of parket waarbij een ambt wordt vervuld, worden vermeld:
a. de naam, voornamen en
geboortedatum van de rechterlijk ambtenaar;
b. het gerechtshof, de rechtbank of
het tot het openbaar ministerie behorend parket waarbij hij zijn
ambt vervult; en
c. de datum met ingang waarvan hij
zijn ambt bij het gerecht of parket, bedoeld in onderdeel b,
vervult.
§ 2.2. Beëdiging
Artikel 2h
1. De eed of belofte, bedoeld in
artikel 5g, eerste lid,van de wet, wordt afgelegd:
a. ten overstaan van een
enkelvoudige of meervoudige kamer van de rechtbank, in geval van
benoeming tot:
1°. senior rechter A in,
senior rechter in, rechter in of rechter-plaatsvervanger in
die rechtbank;
2°. senior-gerechtsauditeur of
gerechtsauditeur bij die rechtbank;
3°. hoofdofficier, fungerend
hoofdofficier, plaatsvervangend hoofdofficier, senior officier
van justitie A, senior officier van justitie, officier van
justitie, substituut-officier van justitie, plaatsvervangend
officier van justitie, officier enkelvoudige zittingen of
plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen bij een
arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel
parket of het parket-generaal, indien dat is gevestigd in de
plaats van vestiging van die rechtbank.
b. ten overstaan van een
enkelvoudige of meervoudige kamer van het gerechtshof, in geval
van benoeming tot:
1°. senior raadsheer in,
raadsheer in in of raadsheer-plaatsvervanger in dat
gerechtshof;
2°. senior-gerechtsauditeur of
gerechtsauditeur bij dat gerechtshof;
3°. hoofdadvocaat-generaal,
plaatsvervangend hoofdadvocaat-generaal, senior
advocaat-generaal, advocaat-generaal of plaatsvervangend
advocaat-generaal bij een ressortsparket of het
parket-generaal, indien dat is gevestigd in de plaats van
vestiging van dat gerechtshof.
c. ten overstaan van de president
van de Hoge Raad, in geval van benoeming tot:
1°. procureur-generaal, deel
uitmakend van het College van procureurs-generaal;
2°. substituut-griffier van de
Hoge Raad;
3°. senior-gerechtsauditeur of
gerechtsauditeur bij de Hoge Raad.
d. ten overstaan van de Koning of
ten overstaan van Onze Minister, daartoe door de Koning
gemachtigd, in geval van benoeming tot:
1°. president van,
vice-president van of raadsheer in de Hoge Raad;
2°. procureur-generaal,
plaatsvervangend procureur-generaal of advocaat-generaal bij
de Hoge Raad;
3°. griffier van de Hoge Raad.
2. De eed of belofte, bedoeld in het
eerste lid, onderdelen a en b, wordt afgenomen op requisitoir van het
openbaar ministerie. De eed of belofte, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, wordt afgenomen op requisitoir van de procureur-generaal
bij de Hoge Raad.
3. Het formulier, bedoeld in artikel
5g, eerste lid, van de wet, wordt na het afleggen van de eed of
belofte ondertekend door de rechterlijk ambtenaar alsmede door:
a. de rechterlijk ambtenaar met
rechtspraak belast die zitting heeft in de in het eerste lid,
onderdeel a of b, bedoelde enkelvoudige kamer dan wel voorzitter
is van de in het eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde
meervoudige kamer;
b. de president van de Hoge Raad;
onderscheidenlijk
c. de Koning of Onze Minister.
Artikel 2i
1. Het bestuur van een gerechtshof of
een rechtbank houdt een register bij, waarin de besluiten betreffende
de benoeming van de daar beëdigde rechterlijke ambtenaren en de
formulieren betreffende de door die rechterlijke ambtenaren afgelegde
eed of belofte worden bewaard.
2. Een uittreksel uit dat register,
inclusief het formulier betreffende de eed of belofte, wordt aan de
rechterlijk ambtenaar uitgereikt.
3. De griffier van de Hoge Raad houdt
een afzonderlijk register bij, waarin de benoeming van rechterlijke
ambtenaren bij de Hoge Raad en het parket bij de Hoge Raad wordt
ingeschreven. Tevens houdt hij een register bij, waarin de besluiten
betreffende de benoeming van de ten overstaan van de president van de
Hoge Raad beëdigde rechterlijke ambtenaren en de formulieren
betreffende de door die rechterlijke ambtenaren afgelegde eed of
belofte worden bewaard.
Hoofdstuk 2a. Aanstelling en aanwijzing
Artikel 3
1. Een rechterlijk ambtenaar wordt bij
een eerste benoeming in een ambt door Onze Minister onderscheidenlijk,
indien het een benoeming bij een gerechtshof of rechtbank betreft,
door het bestuur van het betrokken gerecht voor een al dan niet
volledige arbeidsduur aangesteld.
2. Op zijn eigen verzoek kan de
arbeidsduur waarvoor een rechterlijk ambtenaar is aangesteld door Onze
Minister onderscheidenlijk, indien het een benoeming bij een
gerechtshof of rechtbank betreft, het gerechtsbestuur worden
gewijzigd.
3. Onze Minister neemt een besluit als
bedoeld in het eerste of tweede lid niet dan nadat hij hierover het
advies heeft ingewonnen van de functionele autoriteit.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn
niet van toepassing ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren,
bedoeld in artikel 5f, tweede lid, van de wet.
Artikel 3a
1. Een rechterlijk ambtenaar in
opleiding wordt bij zijn benoeming door de Raad voor de rechtspraak
voor een volledige arbeidsduur aangesteld.
2. Op zijn eigen verzoek kan de
arbeidsduur waarvoor een rechterlijk ambtenaar in opleiding is
aangesteld door de Raad voor de rechtspraak worden gewijzigd.
3. De Raad voor de rechtspraak neemt
een besluit als bedoeld in het tweede lid niet dan nadat hij hierover
het advies heeft ingewonnen van de rector en, voor zover de opleiding
wordt doorgebracht bij een rechtbank onderscheidenlijk een
arrondissementsparket, het bestuur van die rechtbank onderscheidenlijk
het hoofd van dat parket.
Artikel 3b
1. Een raadsheer-plaatsvervanger, een
rechter-plaatsvervanger, een plaatsvervangend advocaat-generaal bij
een tot het openbaar ministerie behorend parket, een plaatsvervangend
officier van justitie of een plaatsvervangend officier enkelvoudige
zittingen kan op zijn eigen verzoek tijdelijk worden aangewezen voor
een al dan niet volledige arbeidsduur.
2. De aanwijzing geschiedt voor een
bepaalde tijd en kan worden verlengd. De tijdsduur van aanwijzing en
verlenging tezamen kan niet meer dan drie jaar bedragen. Een volgende
aanwijzing is slechts mogelijk indien na beëindiging van de vorige
aanwijzing ten minste zes maanden zijn verstreken. De aanwijzing wordt
op eigen verzoek van de rechterlijk ambtenaar beëindigd.
3. De aanwijzing, verlenging van de
aanwijzing of tussentijdse beëindiging van de aanwijzing geschiedt
door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een
raadsheer-plaatsvervanger of een rechter-plaatsvervanger betreft, door
de Raad voor de rechtspraak. Onze Minister onderscheidenlijk de Raad
voor de rechtspraak neemt over de aanwijzing of de verlenging van de
aanwijzing niet een besluit dan op voorstel van de functionele
autoriteit.
4. De arbeidsduur waarvoor een
rechterlijk ambtenaar is aangewezen kan op zijn eigen verzoek worden
gewijzigd.
5. Op een verzoek als bedoeld in het
vierde lid beslist Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een
raadsheer-plaatsvervanger of rechter-plaatsvervanger betreft, het
bestuur van het betrokken gerecht. Onze Minister beslist niet dan
nadat het advies van de functionele autoriteit is ingewonnen.
Hoofdstuk 2b. Salaris en andere
financiële arbeidsvoorwaarden
Artikel 4
Tenzij anders is bepaald, worden de in
dit hoofdstuk genoemde bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk
ambtenaar uitgeoefend door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het
een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar
betreft, het gerechtsbestuur, en ten aanzien van een rechterlijk
ambtenaar in opleiding uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak.
Artikel 5
1. In de bij dit besluit behorende
bijlage zijn, overeenkomstig de in artikel 7, tweede lid, van de wet
bedoelde indeling, de hoogten van de salarissen van de rechterlijke
ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding, die zijn
aangesteld voor een volledige arbeidsduur, vermeld.
2. De rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding, die is aangesteld voor een minder
dan volledige arbeidsduur of voor wie de arbeidsduur op basis van
artikel 8b, eerste lid, is vastgesteld op meer dan gemiddeld 36 uren
per week, ontvangt een salaris overeenkomstig het eerste lid,
vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor.
Artikel 6
1. Een rechterlijk ambtenaar, die is
aangesteld voor een bepaalde arbeidsduur en de leeftijd van 57 jaar
heeft bereikt, kan in geval van een opvolgende benoeming in een ambt,
waaraan overeenkomstig het bij en krachtens artikel 7 van de wet
bepaalde een lager maximum salaris is verbonden, aan Onze Minister
onderscheidenlijk, indien de opvolgende benoeming een ambt betreft dat
bij een gerecht anders dan de Hoge Raad wordt vervuld, het
gerechtsbestuur verzoeken om in plaats van het salaris behorende bij
het vervullen van dat ambt, het salaris behorende bij het voorafgaand
aan de benoeming door hem vervulde ambt te genieten.
2. Een verzoek als bedoeld in het
eerste lid wordt ingewilligd, tenzij:
a. het ambt, waarin de rechterlijk
ambtenaar wordt benoemd, door rechtstreekse of overeenkomstige
toepassing behoort tot een van de in artikel 7, tweede lid, van de
wet bedoelde categorieën 10 tot en met 12; of
b. de rechterlijk ambtenaar op het
tijdstip van de benoeming, bedoeld in het eerste lid, niet ten
minste vijf aaneengesloten jaren als rechterlijk ambtenaar
werkzaam is.
3. Op het salaris van de rechterlijk
ambtenaar wordt in geval van inwilliging van een verzoek als bedoeld
in het eerste lid een korting toegepast.
4. Deze korting bedraagt:
a. 5% van het salaris, indien het
maximum salaris verbonden aan het ambt waarin hij wordt benoemd
het naast lagere maximum salaris is van dat van het ambt dat hij
voorafgaand aan de benoeming heeft vervuld dan wel het naast
lagere maximum salaris is van het vorenbedoelde naast lagere
maximum salaris;
b. 10% van het salaris, indien het
maximum salaris verbonden aan het ambt waarin hij wordt benoemd
lager is dan de in het vierde lid, onderdeel a, bedoelde naast
lagere maximum salarissen.
5. Indien na 52 weken ongeschiktheid
tot het verrichten van arbeid wegens ziekte de doorbetaling van het
salaris van de rechterlijk ambtenaar op grond vanartikel 17, tweede
lid, wordt teruggebracht tot 70%, wordt de korting, bedoeld in het
vierde lid, teruggebracht tot 70% van 5% onderscheidenlijk 10% van het
salaris.
6. Onze Minister kan ter zake van de
uitvoering van dit artikel regels stellen.
Artikel 6a
1. De vergoedingen, bedoeld in artikel
9, tweede lid, van de wet, bedragen per zitting:
a. voor een raadsheer in
buitengewone dienst of een advocaat-generaal in buitengewone
dienst bij de Hoge Raad:€ 480;
b. voor een
raadsheer-plaatsvervanger of een plaatsvervangend
advocaat-generaal bij een tot het openbaar ministerie behorend
parket: €367; en
c. voor een rechter-plaatsvervanger
of een plaatsvervangend officier van justitie:€279.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid worden zittingen die op één dag worden gehouden samen als één
zitting beschouwd.
3. Voor de toepassing van het eerste
lid, aanhef en onderdeel a, wordt:
a. een bijeenkomst in raadkamer met
een of meer zittingen gelijkgesteld, indien het een raadsheer in
buitengewone dienst bij de Hoge Raad betreft; en
b. een schriftelijke conclusie met
een of meer zittingen gelijkgesteld, indien het een
advocaat-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad of een
op de voet van artikel 119, vijfde lid, van de Wet op de
rechterlijke organisatie als waarnemend advocaat-generaal bij de
Hoge Raad aangewezen lid in buitengewone dienst van de Hoge Raad
betreft.
4. Aan een raadsheer-plaatsvervanger of
rechter-plaatsvervanger kan een vergoeding overeenkomstig het eerste
lid worden toegekend voor het concipiëren van een of meer
schriftelijke uitspraken in een of meer zaken waarin geen zitting
heeft plaatsgevonden.
Artikel 6b
1. Aan de rechterlijk ambtenaar die is
belast met de waarneming van een ander ambt waarop de wet van
toepassing is en waaraan een hoger maximum salaris is verbonden,
wordt, indien de waarneming ten minste 30 dagen duurt, voor de duur
van de waarneming een toelage toegekend.
2. Het bedrag van de in het eerste lid
genoemde toelage is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de
rechterlijk ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten als
hij met ingang van de dag waarop de waarneming is ingegaan in het door
hem waargenomen ambt zou zijn benoemd.
3. De in het eerste lid genoemde
toelage behoort tot de bezoldiging van een rechterlijk ambtenaar.
Artikel 6c
Aan de niet voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar, die naar het oordeel van het in artikel 4
bedoelde gezag zijn ambt uitstekend vervult, kan een eenmalige toeslag
worden toegekend. Artikel 16, derde lid, van de wet is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 6d
1. De rechterlijk ambtenaar, die is
aangesteld of aangewezen voor een bepaalde arbeidsduur, of rechterlijk
ambtenaar in opleiding heeft, overeenkomstig de bepalingen die gelden
voor burgerlijke rijksambtenaren, aanspraak op een vakantieuitkering,
een vergoeding van reis- en verblijfkosten, een vergoeding van
verplaatsingskosten, alsmede een gratificatie terzake van veeljarige
dienst.
2. Artikel 4 is van toepassing ten
aanzien van de uitoefening van de bevoegdheden in de ingevolge het
eerste lid overeenkomstige bepalingen, met dien verstande dat de
daarin aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
toegekende bevoegdheden en de daarin aan een bepaald gezag toegekende
regelgevende bevoegdheden door die minister respectievelijk dat gezag
worden uitgeoefend.
Artikel 6e
1. De rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding heeft recht op een
eindejaarsuitkering ter hoogte van 8,3% van het over de periode van
twaalf maanden, bedoeld in het derde lid, genoten salaris.
2. Indien de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding aanspraak heeft op een
WAO-uitkering, WIA-uitkering, een ZW-uitkering of een uitkering op
grond van de Wet arbeid en zorg, wordt voor de toepassing van het
eerste lid het salaris in acht genomen dat de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding zou hebben genoten indien hij geen
aanspraak op een WAO-uitkering, WIA-uitkering, een ZW-uitkering of een
uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg zou hebben gehad.
3. De eindejaarsuitkering wordt
jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de
periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december
van het voorafgaande kalenderjaar.
4. In geval van ontslag of overlijden
wordt de eindejaarsuitkering zo veel mogelijk uitbetaald in de maand
na het ontslag of overlijden.
Artikel 6f
1. De rechterlijk ambtenaar die
werkzaamheden verricht als rechter-commissaris in strafzaken of
piketofficier, ontvangt een toelage.
2. Onze Minister stelt regels ten
aanzien van de hoogte van de in het eerste lid genoemde toelage.
3. De in het eerste lid genoemde
toelage behoort tot de bezoldiging van de rechterlijk ambtenaar.
Artikel 6g
1. De rechterlijk ambtenaar met
rechtspraak belast die een ambt uitoefent dat in artikel 7, tweede
lid, van de wet in categorie 8 is ingedeeld, en die als rechterlijk
ambtenaar met rechtspraak belast wordt benoemd in een ander, in
artikel 7, tweede lid, van de wet, in categorie 8, genoemd ambt, of
van wie de vaststelling bij welk gerechtshof of welke rechtbank hij
dat ambt vervult, wijzigt, heeft aanspraak op een toeslag.
2. De toeslag, bedoeld in het eerste
lid, bedraagt 3,2% van het maximum van het bij en krachtens artikel 7,
tweede lid, van de wet, in categorie 8 bepaalde salaris.
Artikel 7
1. Aan de rechterlijk ambtenaar, die is
aangesteld of aangewezen voor een al dan niet volledige arbeidsduur,
of rechterlijk ambtenaar in opleiding wordt, als tegemoetkoming in de
algemene kosten die aan de vervulling van het ambt zijn verbonden, een
algemene onkostenvergoeding toegekend.
2. De rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding heeft, wanneer aan hem buitengewoon
verlof, al dan niet met behoud van bezoldiging, voor zijn volledige
arbeidsduur is verleend voor de periode van ten minste een maand, in
afwijking van het eerste lid, gedurende de periode van het
buitengewoon verlof geen aanspraak op een algemene onkostenvergoeding.
3. De algemene onkostenvergoeding wordt
per kalendermaand berekend en uitbetaald.
4. Indien een aanspraak op een algemene
onkostenvergoeding ontstaat op een andere dag dan de eerste dag van
een kalendermaand, wordt zij gelijkgesteld met een aanspraak die is
ontstaan op de eerste dag van die kalendermaand.
5. Onze Minister stelt regels ten
aanzien van de hoogte van de algemene onkostenvergoeding.
Hoofdstuk 2c. Arbeidsduur en werktijd
Artikel 8
Tenzij anders is bepaald, worden de in
dit hoofdstuk genoemde bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk
ambtenaar uitgeoefend door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het
een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar
betreft, het gerechtsbestuur, en ten aanzien van een rechterlijk
ambtenaar in opleiding uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak.
Artikel 8a
1. Onverminderd het bepaalde in artikel
8b bedraagt de arbeidsduur van een rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding gemiddeld ten hoogste 36 uren per
week.
2. Het aantal te werken uren per jaar
bedraagt voor een in het eerste lid genoemde rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding: het aantal kalenderdagen,
verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen alsmede de niet op
zaterdag of zondag vallende feestdagen, bedoeld in artikel 40 van de
wet, in dat jaar, vermenigvuldigd met 7,2, en vervolgens
vermenigvuldigd met de voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk
ambtenaar in opleiding geldende arbeidsduurfactor.
3. Het aantal te werken uren, bedoeld
in het tweede lid, wordt rekenkundig op hele uren afgerond.
Artikel 8b
1. Op verzoek van de rechterlijk
ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding kan de arbeidsduur in
hele uren worden vastgesteld op meer dan gemiddeld 36 uren per week,
waarbij een maximum geldt van gemiddeld 40 uren per week.
2. Het verzoek wordt toegewezen, tenzij
het dienstbelang zich hiertegen verzet.
3. Het verzoek wordt niet toegewezen
aan:
a. de rechterlijk ambtenaar van wie
het gemiddelde aantal per week te werken uren op basis van artikel
8d is teruggebracht;
b. de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding die betaald ouderschapsverlof
geniet;
c. de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding die op basis van artikel 33p
buitengewoon verlof geniet;
d. de rechterlijk ambtenaar aan wie
op zijn verzoek gedeeltelijk ontslag is verleend met het oog op
een uitkering op grond van de regeling van flexibel pensioen en
uittreden, zoals vastgelegd in het FPU-Reglement basisuitkering en
aanvullende uitkering; of
e. de rechterlijk ambtenaar bij wie
een verminderde arbeidsprestatie is vastgesteld en aan wie een
uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de WAO, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen of de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten is toegekend, recht heeft op
arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, of op wie artikel 2.3 van
de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen van toepassing is.
4. Op een verzoek als bedoeld in het
eerste lid beslist Onze Minister onderscheidenlijk de Raad voor de
rechtspraak niet dan nadat hij hierover het advies heeft ingewonnen
van de functionele autoriteit.
5. Artikel 8a, tweede en derde lid, is
van toepassing.
Artikel 8c
1. De functionele autoriteit stelt in
overeenstemming met de rechterlijk ambtenaar, die zijn ambt op basis
van een aanstelling of aanwijzing voor een bepaalde arbeidsduur
vervult, of rechterlijk ambtenaar in opleiding voor hem een
werktijdregeling vast.
2. Onder werktijdregeling wordt
verstaan: een voor een periode langer dan een week opgesteld en van
tevoren bekend gemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse
werktijden. In de werktijdregeling wordt het aantal te werken uren,
bedoeld in artikel 8a, tweede en derde lid, of8b, vijfde lid, vermeld.
3. Op verzoek van de rechterlijk
ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding, voor wie de
arbeidsduur niet ingevolge artikel 8b is vastgesteld op meer dan
gemiddeld 36 uren per week, kan de functionele autoriteit, indien het
dienstbelang zich hiertegen niet verzet, een werktijdregeling
vaststellen waarbij het aantal te werken uren gelijk is aan het aantal
kalenderdagen per jaar, verminderd met het aantal zaterdagen en
zondagen en niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen, bedoeld in
artikel 40 van de wet, in dat jaar, vermenigvuldigd met acht. De
bepalingen die terzake gelden voor burgerlijke rijksambtenaren zijn
van overeenkomstige toepassing.
4. Van de werktijdregeling kan slechts
worden afgeweken voor een beperkte duur en indien het dienstbelang dit
naar het oordeel van de functionele autoriteit onvermijdelijk maakt.
5. Op zaterdagen kunnen werkzaamheden
worden opgedragen, mits het dienstbelang daartoe naar het oordeel van
de functionele autoriteit aanleiding geeft.
6. In bijzondere gevallen kan door de
functionele autoriteit van het vaststellen van een werktijdregeling
worden afgezien. Het vijfde lid is in dit geval van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 8d
1. De gemiddelde wekelijkse werktijd
van een rechterlijk ambtenaar van 57 jaar en ouder wordt op zijn
verzoek, met behoud van zijn arbeidsduur, teruggebracht met 11,1%,
tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
2. De gemiddelde wekelijkse werktijd
van een rechterlijk ambtenaar van 61 jaar en ouder wordt op zijn
verzoek, met behoud van zijn arbeidsduur, teruggebracht met 33,3%,
tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
3. Een verzoek als bedoeld in het
eerste of tweede lid wordt niet toegewezen aan:
a. de rechterlijk ambtenaar die op
het door hem voorgenomen tijdstip van het terugbrengen van de
gemiddelde wekelijkse werktijd niet ten minste vijf aaneengesloten
jaren als rechterlijk ambtenaar werkzaam is; of
b. de rechterlijk ambtenaar van wie
de arbeidsduur op basis van artikel 8b, eerste lid, op meer dan
gemiddeld 36 uren per week is vastgesteld.
4. Het terugbrengen van de gemiddelde
wekelijkse werktijd overeenkomstig het eerste of tweede lid heeft in
totaal gedurende een periode van ten hoogste tien aaneengesloten jaren
plaats, met dien verstande dat het terugbrengen van de gemiddelde
wekelijkse werktijd overeenkomstig het tweede lid gedurende een
periode van ten hoogste zes aaneengesloten jaren plaatsheeft.
5. Voor de uren die het wekelijkse
verschil vormen tussen de in het eerste of tweede lid bedoelde
arbeidsduur en de overeenkomstig het eerste of tweede lid
teruggebrachte werktijd wordt de rechterlijk ambtenaar geacht met
verlof te zijn.
6. Op het salaris van de rechterlijk
ambtenaar, van wie de gemiddelde wekelijkse werktijd overeenkomstig
het eerste onderscheidenlijk tweede lid is teruggebracht, wordt een
korting toegepast ter grootte van 5% onderscheidenlijk 10% van het
salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond
van dit artikel.
7. De korting, bedoeld in het zesde
lid, wordt teruggebracht tot 70% van 5% onderscheidenlijk 10% van het
salaris voor zover op grond van artikel 17, tweede lid, 70% van de
bezoldiging wordt doorbetaald.
8. Met ingang van het tijdstip waarop
de gemiddelde wekelijkse werktijd overeenkomstig het eerste of tweede
lid wordt teruggebracht, vervalt ten aanzien van de rechterlijk
ambtenaar de verhoging van vakantieaanspraak, bedoeld in artikel 33b,
vijfde lid, en wordt de vakantieaanspraak overigens door de
functionele autoriteit vastgesteld op een evenredig deel van de
vakantieaanspraak bij een volledige arbeidsduur.
9. Op een verzoek als bedoeld in het
eerste of tweede lid beslist Onze Minister niet dan nadat hij hierover
het advies heeft ingewonnen van de functionele autoriteit.
10. Onze Minister stelt regels vast met
betrekking tot de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of
bedrijf met het salaris van de in het eerste of tweede lid bedoelde
rechterlijk ambtenaar.
Artikel 8e
1. Op het salaris van de rechterlijk
ambtenaar, van wie zowel een verzoek als bedoeld in artikel 6, eerste
lid, als een verzoek als bedoeld inartikel 8d, eerste of tweede lid,
is ingewilligd, wordt een korting toegepast ter grootte van het voor
hem geldende percentage, bedoeld in artikel 6, vierde lid, opgeteld
met het voor hem geldende percentage, bedoeld in artikel 8d, zesde
lid.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde
korting wordt een korting van 5% opgeteld, indien het maximum salaris,
dat verbonden is aan het ambt waarin de rechterlijk ambtenaar wordt
benoemd, lager is dan het naast lagere maximum salaris van dat van het
ambt waarin hij daaraan voorafgaand was benoemd.
3. De korting, bedoeld in het eerste en
tweede lid, wordt teruggebracht tot 70% van 5% onderscheidenlijk 10%
van de het salaris voor zover op grond van artikel 17, tweede lid, 70%
van de bezoldiging wordt doorbetaald.
Hoofdstuk 3. Arbeidsgezondheidskundige
begeleiding en voorzieningen in verband met ziekte en
arbeidsongeschiktheid
§ 1. Algemeen
Artikel 9
Tenzij anders is bepaald, worden de in
dit hoofdstuk genoemde bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk
ambtenaar of een gewezen rechterlijk ambtenaar uitgeoefend door Onze
Minister onderscheidenlijk, indien het een rechterlijk ambtenaar betreft
die werkzaam is bij een gerechtshof of rechtbank of een gewezen
rechterlijk ambtenaar die laatstelijk werkzaam is geweest bij een
gerechtshof of rechtbank, het gerechtsbestuur, en ten aanzien van een
rechterlijk ambtenaar in opleiding of een gewezen rechterlijk ambtenaar
in opleiding uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak.
Artikel 10
In dit hoofdstuk wordt onder rechterlijk
ambtenaar mede verstaan: rechterlijk ambtenaar in opleiding.
§ 2. Arbeidsgezondheidskundige
begeleiding en medisch advies
Artikel 11
1.Onverminderd hetgeen terzake is
bepaald in de Arbeidsomstandighedenwet geniet de rechterlijk ambtenaar
arbeidsgezondheidskundige begeleiding op basis van dit hoofdstuk.
2.De functionele autoriteit is
verantwoordelijk voor de begeleiding van verzuim en de
arbeidsgezondheidskundige begeleiding van de rechterlijk ambtenaar.
3.Onze Minister kan regels vaststellen
met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
begeleiding van verzuim, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en
de daarbij in acht te nemen procedures. Van het vaststellen van deze
regels kan Onze Minister mandaat verlenen.
Artikel 12
1.De rechterlijk ambtenaar geeft in
geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte hiervan zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op de tweede dag
van die ongeschiktheid, kennis aan de functionele autoriteit.
2.Ten aanzien van de rechterlijk
ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is geweest om zijn arbeid te
verrichten, kan de functionele autoriteit bepalen dat de rechterlijk
ambtenaar zijn arbeid slechts mag hervatten nadat hiervoor door hem
toestemming is verleend.
3.De rechterlijk ambtenaar die wegens
ziekte gedurende een jaar of langer volledig ongeschikt is geweest om
zijn arbeid te verrichten, mag zijn arbeid slechts hervatten nadat de
functionele autoriteit hiervoor toestemming heeft verleend.
4.De functionele autoriteit verleent de
in het tweede en het derde lid bedoelde toestemming eerst nadat er een
medisch advies is.
Artikel 13
1. De rechterlijk ambtenaar kan door de
functionele autoriteit worden verplicht om een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan:
a. indien de functionele autoriteit
gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de goede
gezondheidstoestand van de rechterlijk ambtenaar;
b. indien de rechterlijk ambtenaar
niet meer volledig geschikt is gebleken voor het verrichten van
zijn arbeid, teneinde na te gaan of hiervoor medische oorzaken
aanwezig zijn, en zo ja, of de rechterlijk ambtenaar geschikt kan
worden geacht voor het verrichten van andere arbeid;
c. ter beantwoording van de vraag
of de rechterlijk ambtenaar tijdens het tijdvak waarin hij wegens
ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in het belang
van zijn genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen
welke arbeid wenselijk wordt geacht;
d. ter beantwoording van de vraag
of, in welke mate en tot welk tijdstip de rechterlijk ambtenaar
ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
e. om te beoordelen of de
rechterlijk ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is geweest om
zijn arbeid te verrichten zijn arbeid mag hervatten; of
f. voorzover dit voortvloeit uit
enige wettelijke verplichting.
2. De functionele autoriteit verleent
de rechterlijk ambtenaar, gehoord deze laatste, ziekteverlof indien na
een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid,
blijkt dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke
toestand dat de belangen van de rechterlijk ambtenaar, van de arbeid
of van bij het verrichten van de arbeid betrokken derden zich er tegen
verzetten dat de rechterlijk ambtenaar zijn arbeid blijft verrichten.
3. Ziekteverlof als bedoeld in het
tweede lid wordt door de functionele autoriteit niet verleend indien
de rechterlijk ambtenaar andere passende arbeid kan worden opgedragen.
4. Indien ziekteverlof als bedoeld in
het tweede lid wordt verleend, wordt de rechterlijk ambtenaar geacht
wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het verrichten van zijn arbeid en
zijn de overige bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing. De
functionele autoriteit kan ter effectuering van bedoeld ziekteverlof
maatregelen treffen.
Artikel 14
1. Het medisch advies dat wordt
uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek
als bedoeld in artikel 13, wordt zo spoedig mogelijk aan de
rechterlijk ambtenaar en de functionele autoriteit schriftelijk
medegedeeld. De rechterlijk ambtenaar wordt daarbij gewezen op de in
het tweede lid bedoelde mogelijkheid om een hernieuwd onderzoek te
verzoeken.
2. De rechterlijk ambtenaar kan de
deskundige persoon of de arbodienst binnen drie dagen na ontvangst van
het medisch advies schriftelijk om een hernieuwd onderzoek verzoeken
indien hij het niet eens is met het medisch advies. De deskundige
persoon of de arbodienst stelt de functionele autoriteit in kennis van
een ingediend verzoek als bedoeld in de vorige volzin.
3. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van
het schriftelijke verzoek als bedoeld in het tweede lid, doch
uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek door een
commissie van drie artsen plaats. De rechterlijk ambtenaar kan worden
verplicht om in het kader hiervan een onderzoek te ondergaan.
4. Op verzoek van de rechterlijk
ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid gesteld
mondeling of schriftelijk zijn mening aan de commissie van drie artsen
kenbaar te maken.
5. De kosten van het hernieuwd
onderzoek komen voor rekening van het in artikel 9 bedoelde gezag.
Eventuele reis- en verblijfkosten van de rechterlijk ambtenaar worden
hem vergoed overeenkomstig de regels die gelden voor burgerlijke
rijksambtenaren.
Artikel 14a
1. Indien een geschil bestaat tussen de
rechterlijk ambtenaar en diens functionele autoriteit over het al dan
niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, kan de
rechterlijk ambtenaar of diens functionele autoriteit het UWV
verzoeken een onderzoek in te stellen en een oordeel te geven als
bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet Suwi.
2. De kosten van het onderzoek, bedoeld
in het eerste lid, komen voor rekening van het in artikel 9 bedoelde
gezag. Eventuele reis- en verblijfkosten van de rechterlijk ambtenaar
worden hem vergoed overeenkomstig de regels die gelden voor
burgerlijke rijksambtenaren.
Artikel 15
1. De leden van de commissie, bedoeld
in artikel 14, derde en vierde lid, worden per verzoek om een
hernieuwd onderzoek aangewezen door de functionele autoriteit.
2. De arts die betrokken is geweest bij
het opstellen van het medisch advies naar aanleiding waarvan om een
hernieuwd onderzoek wordt gevraagd, heeft in de commissie geen
zitting.
3. De commissie deelt haar oordeel
schriftelijk mede aan de rechterlijk ambtenaar, de functionele
autoriteit en de behandelend arts, bedoeld in artikel 14, vierde lid.
Artikel 16
De artikelen 13 tot en met 15 zijn van
overeenkomstige toepassing op de gewezen rechterlijk ambtenaar voorzover
het zijn aanspraken op basis van dit hoofdstuk betreft.
§ 3. Aanspraken tijdens ziekte en
arbeidsongeschiktheid
Artikel 17
1.De rechterlijk ambtenaar heeft bij
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte
gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van zijn
bezoldiging.
2.De rechterlijk ambtenaar die na
afloop van het in het eerste lid bedoelde tijdvak nog ongeschikt is
wegens ziekte tot het verrichten van zijn arbeid, heeft aanspraak op
de doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging.
3.In afwijking van het tweede lid heeft
de rechterlijk ambtenaar na afloop van het in het eerste lid bedoelde
tijdvak aanspraak op de doorbetaling van zijn bezoldiging over de uren
dat hij passende arbeid verricht of zou hebben verricht indien die
arbeid hem zou zijn aangeboden.
4.Aan de rechterlijk ambtenaar wordt op
zijn aanvraag na afloop van het in het eerste lid bedoelde tijdvak, in
afwijking van het tweede lid, zijn bezoldiging doorbetaald, indien de
ziekte uit hoofde waarvan hij ongeschikt is om zijn arbeid te
verrichten wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een door het
verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte.
Artikel 18
1. De gewezen rechterlijk ambtenaar die
wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag,
na zijn ontslag anders dan op grond van artikel 35b of artikel 35e van
dit besluit onderscheidenlijk artikel 46i of artikel 46ka van de wet,
nog ongeschikt is om een naar aard en omvang soortgelijke functie te
vervullen, heeft:
a. zolang hij ongeschikt is tot het
verrichten van arbeid wegens ziekte en voor ten hoogste het met
ingang van zijn ontslag nog resterende gedeelte van het tijdvak
van 52 weken, aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk
genoten bezoldiging; en
b. zolang hij na het tijdvak van 52
weken nog ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte en voor ten hoogste een tijdvak van 26 weken, aanspraak op
de doorbetaling van 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging.
2. De gewezen rechterlijk ambtenaar die
binnen een maand na het tijdstip van zijn ontslag ongeschikt wordt
wegens ziekte om een naar aard en omvang soortgelijke functie te
vervullen, heeft, zolang hij wegens ziekte ongeschikt is en voor een
tijdvak van ten hoogste 52 weken, aanspraak op de doorbetaling van
zijn laatstelijk genoten bezoldiging, indien hij gedurende ten minste
twee maanden onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag als rechterlijk
ambtenaar op basis van een aanstelling werkzaam is geweest.
3. Aan de gewezen rechterlijk ambtenaar
wordt op zijn aanvraag, in afwijking van het eerste onderscheidenlijk
tweede lid, zolang hij ongeschikt is tot het verrichten van arbeid
wegens ziekte en voor ten hoogste het met ingang van zijn ontslag nog
resterende deel van een tijdvak van 104 weken onderscheidenlijk een
tijdvak van ten hoogste 104 weken, zijn laatstelijk genoten
bezoldiging doorbetaald, indien de ziekte uit hoofde waarvan hij
ongeschikt is om arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een
dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen
beroepsziekte.
4. Aan de gewezen rechterlijk
ambtenaar, die aanspraak heeft op een WAO-uitkering of een
WIA-uitkering op grond van het ambt dat hij voorafgaand aan zijn
ontslag op basis van een aanstelling vervulde, wordt op zijn aanvraag
een aanvullende uitkering toegekend, indien de arbeidsongeschiktheid
is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van
zijn arbeid opgelopen beroepsziekte.
5. De in het vierde lid bedoelde
aanvullende uitkering is gelijk aan het verschil tussen:
a. een percentage van de
bezoldiging die de gewezen rechterlijk ambtenaar in het jaar
voorafgaand aan zijn ontslag heeft genoten; en
b. de aan hem toegekende
WAO-uitkering of WIA-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd
met een hem toegekend invaliditeitspensoen, een hem toegekende
herplaatsingstoelage dan wel een aan hem toegekende AAOP-uitkering.
6. Het percentage, bedoeld in het
vijfde lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van
arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
80% of meer: 90,02%;
65 tot 80%: 65,26%;
55 tot 65%: 54,01%;
45 tot 55%: 45,01%;
35 tot 45%: 36,01%.
7. De gewezen rechterlijk ambtenaar aan
wie op eigen verzoek ontslag is verleend met het oog op een uitkering
op grond van de regeling van flexibel pensioen en uittreden, zoals
vastgelegd in het FPU-Reglement basisuitkering en aanvullende
uitkering, heeft slechts aanspraak op de doorbetaling van zijn
laatstelijk genoten bezoldiging onderscheidenlijk 70% van de
laatstelijk genoten bezoldiging, voorzover deze tezamen met de
aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 4 van het FPU-reglement
basis- en aanvullende uitkering, de laatstgenoten bezoldiging
onderscheidenlijk 70% van de laatstgenoten bezoldiging niet
overschrijdt.
Artikel 19
1. De rechterlijk ambtenaar, die op
grond vanartikel 35d van dit besluit onderscheidenlijk artikel 46k van
de wet is herplaatst voordat de termijn van twee jaar, bedoeld in
artikel 35b, tweede lid, onderdeel a, van dit besluit
onderscheidenlijk artikel 46i, eerste lid, onderdeel a, van de wet is
verstreken, heeft tot het einde van die termijn aanspraak op een
aanvullende uitkering, indien zijn bezoldiging als gevolg van die
herplaatsing vermindering ondergaat, ter grootte van het verschil
tussen:
a. het bedrag waarop de rechterlijk
ambtenaar op grond van artikel 17 recht zou hebben gehad indien
hem geen ander ambt of andere functie zou zijn opgedragen, maar in
plaats daarvan zijn eigen ambt met dezelfde arbeidsduur; en
b. zijn bezoldiging na
herplaatsing.
2. Aan de rechterlijk ambtenaar, die is
herplaatst op grond van artikel 35d van dit besluit onderscheidenlijk
artikel 46k van de wet, wordt op zijn aanvraag na afloop van de
termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, een aanvullende
uitkering toegekend, indien de ziekte uit hoofde waarvan hij
ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, wordt veroorzaakt door een
dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen
beroepsziekte, ter grootte van het verschil tussen:
a. een percentage van zijn
bezoldiging, zoals die zou zijn op de dag voorafgaand aan zijn
herplaatsing indien hij op die dag niet ongeschikt zou zijn
geweest om zijn arbeid te verrichten; en
b. zijn bezoldiging na
herplaatsing, in voorkomend geval vermeerderd met een uit het
oorspronkelijke ambt voortvloeiend recht op een WAO-uitkering, een
WIA-uitkering, een invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage, of
een AAOP-uitkering.
3. Het percentage, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van
arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
80% of meer: 90,02%;
65 tot 80%: 65,26%;
55 tot 65%: 54,01%;
45 tot 55%: 45,01%;
35 tot 45%: 36,01%.
Artikel 19a
Een vrouwelijke rechterlijk ambtenaar of
vrouwelijke gewezen rechterlijk ambtenaar heeft geen recht op
doorbetaling van bezoldiging krachtens artikel 17 of 18 gedurende de
periode dat zij zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in
artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg geniet of op basis van artikel
33m, eerste tot en met derde lid, haar laatstelijk genoten bezoldiging
geniet.
Artikel 20
1. De rechterlijk ambtenaar en de
gewezen rechterlijk ambtenaar hebben geen aanspraak op de doorbetaling
van bezoldiging:
a. indien de ziekte is voorgewend,
althans zodanig overdreven wordt voorgesteld, dat ongeschiktheid
tot het verrichten van arbeid wegens ziekte niet kan worden
aangenomen;
b. indien hij de ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte opzettelijk heeft
veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van psychische toestand
geen verwijt kan worden gemaakt; of
c. indien de ongeschiktheid tot het
verrichten van arbeid wegens ziekte zich voordoet binnen een half
jaar na een geneeskundig onderzoek – indien dat heeft
plaatsgehad in verband met zijn benoeming – en blijkt dat hij
hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft
verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de
verklaring van geschiktheid om het desbetreffende ambt te
vervullen, ten onrechte heeft plaatsgevonden, tenzij de
rechterlijk ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw
heeft gehandeld.
2. De gewezen rechterlijk ambtenaar
heeft geen aanspraak op de doorbetaling van laatstelijk genoten
bezoldiging, indien hij op grond van een aanvaarde andere betrekking
van gelijke omvang aanspraak kan maken op loon of bezoldiging dan wel
een ZW-uitkering.
Artikel 21
1. Het tijdvak gedurende welke de
rechterlijk ambtenaar en de gewezen rechterlijk ambtenaar aanspraak
hebben op de doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in de artikelen
17, eerste lid, en 18, eerste lid, onderdeel a, tweede en derde lid,
vangt aan op de eerste dag waarop:
a. wegens ziekte geheel of
gedeeltelijk niet is gewerkt;
b. het werken wegens ziekte geheel
of gedeeltelijk is gestaakt;
c. wegens ziekte geheel of
gedeeltelijk niet zou zijn gewerkt; of
d. het werken wegens ziekte geheel
of gedeeltelijk zou zijn gestaakt.
2. Voor het bepalen van het einde van
het in het eerste lid bedoelde tijdvak worden perioden van
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte
samengeteld, indien:
a. zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen; of
b. de ene periode van
ongeschiktheid direct voorafgaat aan en de andere periode van
ongeschiktheid direct aansluit op het tijdvak gedurende welke
zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 3:1 van
de Wet arbeid en zorg wordt genoten dan wel bezoldiging op basis
vanartikel 33m, eerste tot en met derde lid, van dit besluit wordt
ontvangen, en de ongeschiktheid in deze perioden redelijkerwijs
geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
3. Het tijdvak van 26 weken gedurende
welke de gewezen rechterlijk ambtenaar aanspraak heeft op de
doorbetaling van bezoldiging, bedoeld in artikel 18, eerste lid,
onderdeel b, vangt aan op de dag nadat het tijdvak, bedoeld in artikel
18, eerste lid, onderdeel a, is geëindigd.
4. Voor het bepalen van het einde van
het in het derde lid bedoelde tijdvak van 26 weken worden perioden van
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte
samengeteld, indien:
a. zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen; of
b. de ene periode van
ongeschiktheid direct voorafgaat aan en de andere periode van
ongeschiktheid direct aansluit op het tijdvak gedurende welke
zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 3:1 van
de Wet arbeid en zorg wordt genoten dan wel bezoldiging op basis
vanartikel 33m, eerste tot en met derde lid, van dit besluit wordt
ontvangen, en de ongeschiktheid in deze perioden redelijkerwijs
geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
5. Bij buitengewoon verlof zonder
behoud van bezoldiging vangt het tijdvak, bedoeld in het eerste lid,
aan op de dag volgende op die waarop het buitengewoon verlof is
beëindigd.
Artikel 22
1. De doorbetaling van bezoldiging,
bedoeld in artikel 17, eerste tot en met vierde lid, eindigt na
ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de
rechterlijk ambtenaar op grond van artikel 35d van dit besluit
onderscheidenlijk artikel 46k van de wet is herplaatst;
b. met ingang van de dag waarop de
rechterlijk ambtenaar ontslag is verleend; of
c. met ingang van de dag volgende
op die waarop de rechterlijk ambtenaar is overleden.
2. De aanvullende uitkering, bedoeld in
artikel 19, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder
geval:
a. met ingang van de dag waarop de
rechterlijk ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoeld artikel
genoemde voorwaarden;
b. met ingang van de dag waarop de
rechterlijk ambtenaar ontslag is verleend; of
c. met ingang van de dag volgende
op die waarop de rechterlijk ambtenaar is overleden.
3. De doorbetaling van bezoldiging,
bedoeld in artikel 18, eerste tot en met derde lid, eindigt na
ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de
gewezen rechterlijk ambtenaar op grond van een aanvaarde andere
betrekking van gelijke omvang aanspraak maakt op loon of
bezoldiging;
b. met ingang van de eerste dag van
de maand volgende op die waarin de gewezen rechterlijk ambtenaar
de leeftijd van 65 jaar onderscheidenlijk, indien het een gewezen
voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft, 70 jaar
heeft bereikt; of
c. met ingang van de dag volgende
op die waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar is overleden.
4. De aanvullende uitkering, bedoeld in
artikel 18, vierde tot en met zesde lid, eindigt:
a. met ingang van de dag waarop de
gewezen rechterlijk ambtenaar niet meer voldoet aan de in artikel
18, vierde lid, genoemde voorwaarden;
b. met ingang van de eerste dag van
de maand waarin de gewezen rechterlijk ambtenaar de leeftijd van
65 jaar heeft bereikt; of
c. met ingang van de dag volgende
op die waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar is overleden.
§ 4. Verplichtingen en sancties
Artikel 23
1. De aanspraak van de rechterlijk
ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar op de doorbetaling van
bezoldiging, bedoeld in de artikelen 17 en 18, eerste tot en met derde
lid, vervalt indien de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk
ambtenaar:
a. niet binnen een redelijke
termijn gezondheidskundige hulp inroept;
b. zich niet gedurende het gehele
verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft
stellen;
c. de voorschriften van de
behandelend arts niet opvolgt;
d. zich schuldig maakt aan
gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;
e. verzuimt de deskundige persoon
of de arbodienst op eerste aanvraag mede te delen om welke reden
hij ongeschikt is tot het verrichten van arbeid;
f. zonder deugdelijke grond nalaat
gevolg te geven aan een verzoek van de deskundige persoon of de
arbodienst om te verschijnen;
g. er de oorzaak van is dat het
arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de deskundige
persoon of de arbodienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;
h. niet binnen twee dagen na de
aanvang van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens
ziekte dit heeft gemeld bij de functionele autoriteit;
i. weigert passende arbeid, waartoe
de deskundige persoon of de arbodienst hem in staat acht, te
verkrijgen of te aanvaarden, dan wel, indien hij hiertoe in de
gelegenheid wordt gesteld, te verrichten;
j. zich niet houdt aan de ten
aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop
invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding, de
arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te
nemen procedures;
k. weigert inzage te geven in een
op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld
in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voorzover dit
redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten;
l. tijdens de ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf
of voor derden verricht, tenzij dit door de deskundige persoon of
de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt
geacht;
m. voorafgaand aan de betaling van
bezoldiging weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid
die hij heeft in verband met het verrichten van door de deskundige
persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk
geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;
n. niet onverwijld op verzoek of
uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mededeelt,
waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed
kunnen zijn op het recht of op de hoogte van de betaling van
bezoldiging;
o. zijn arbeid verzuimt te
hervatten op het door de deskundige persoon of de arbodienst
bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien
zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de
deskundige persoon of de arbodienst als geldig erkende reden heeft
opgegeven;
p. zonder deugdelijke grond weigert
gevolg te geven onderscheidenlijk mee te werken aan door de
functionele autoriteit of een door de functionele autoriteit
aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften
onderscheidenlijk getroffen maatregelen die erop gericht zijn om
de betrokkene in staat te stellen passende arbeid te verrichten;
q. zonder deugdelijke grond weigert
mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een
plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO
dan wel artikel 25, tweede lid, van de WIA; of
r. zijn medewerking weigert bij de
doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.
2. De ingevolge het eerste lid
vervallen aanspraak herleeft met ingang van het tijdstip waarop de
rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar alsnog
gevolg geeft aan de desbetreffende verplichting op grond van dat lid.
3. Op grond van bijzondere
omstandigheden kan worden bepaald dat de in het eerste lid bedoelde
aanspraak niet vervalt, maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de
rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar zal worden
uitbetaald.
4. Voorzover van de bevoegdheid,
bedoeld in het derde lid, geen gebruik is gemaakt, wordt de niet
uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de rechterlijk ambtenaar of de
gewezen rechterlijk ambtenaar uitbetaald, indien het oordeel, bedoeld
in artikel 32, eerste lid, van de Wet Suwi, ten gunste van de
rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar uitvalt of
indien de in artikel 14, derde lid, bedoelde commissie van drie artsen
ten gunste van de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk
ambtenaar heeft geoordeeld.
Artikel 24 [Vervallen per 01-04-2006]
Artikel 24a
1. De functionele autoriteit treft zo
tijdig mogelijk zodanige maatregelen en geeft zo tijdig mogelijk
zodanige voorschriften als redelijkerwijs nodig is om de rechterlijk
ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid wegens ziekte verhinderd
is zijn arbeid te verrichten, in staat te stellen de eigen of andere
passende arbeid te verrichten.
2. De maatregelen en voorschriften,
bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op duurzame reïntegratie in
de eigen arbeid of andere passende arbeid bij een gerecht of binnen
het gezagsbereik van Onze Minister waarbij de resterende mogelijkheden
van de ambtenaar volledig worden benut. Indien na overleg tussen de
functionele autoriteit en de rechterlijk ambtenaar vaststaat dat de in
het eerste lid bedoelde arbeid niet bij een gerecht of binnen het
gezagsbereik van Onze Minister voorhanden is, richten de maatregelen
en voorschriften zich op duurzame reïntegratie in passende arbeid
buiten dat gezagsbereik.
3. Zolang duurzame reïntegratie als
bedoeld in het tweede lid niet mogelijk is, stelt de functionele
autoriteit de rechterlijk ambtenaar in de gelegenheid andere passende
arbeid te verrichten.
4. Uit hoofde van zijn verplichting,
bedoeld in het eerste lid, stelt de functionele autoriteit in
overeenstemming met de rechterlijk ambtenaar een plan van aanpak op
als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO dan wel artikel 25,
tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van
de rechterlijk ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig
bijgesteld.
5. De rechterlijk ambtenaar, die van
mening is dat de functionele autoriteit de in het eerste lid bedoelde
verplichting niet of onvoldoende nakomt, legt bij zijn verzoek tot
nakoming aan de functionele autoriteit een oordeel van het UWV als
bedoeld in artikel 32, derde lid, onderdeel b, van de Wet Suwi over.
De functionele autoriteit beslist op het verzoek binnen zes weken na
ontvangst hiervan en deelt daarbij mee tot welke aanpassingen ten
aanzien van de reïntegratieinspanningen het verzoek hem aanleiding
geeft.
§ 5. Bijzondere situaties
Artikel 25
1. Bij samenloop van een aanspraak
krachtens dit hoofdstuk met een WAO-uitkering, een WIA-uitkering, een
AAOP-uitkering, een ZW-uitkering, een WW-uitkering of een
bovenwettelijke WW-uitkering, wordt deze aanspraak verminderd met het
bedrag van deze uitkeringen, tenzij het een tegemoetkoming op grond
van artikel 27 betreft.
2. Indien als gevolg van handelingen of
het nalaten van handelingen door de rechterlijk ambtenaar of de
gewezen rechterlijk ambtenaar de WAO-uitkering, de WIA-uitkering, de
AAOP-uitkering, de ZW-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke
WW-uitkering vermindering ondergaat dan wel de aanspraak daarop geheel
of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de WAO-uitkering, de
WIA-uitkering, de AAOP-uitkering, de ZW-uitkering, de WW-uitkering of
de bovenwettelijke WW-uitkering voor het vaststellen van de
vermindering, bedoeld in het eerste lid, steeds geacht onverminderd te
zijn genoten.
3. Indien ten aanzien van de
WAO-uitkering, de WIA-uitkering of de ZW-uitkering, die de rechterlijk
ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar geniet, een verplichting
wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt zoveel mogelijk
dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie
toegepast op de aanspraken op grond van dit hoofdstuk waarop de
WAO-uitkering, de WIA-uitkering of de ZW-uitkering in mindering is
gebracht.
4. Indien de rechterlijk ambtenaar of
de gewezen rechterlijk ambtenaar zowel op grond van de benoeming
terzake waarvan hij aanspraken op grond van dit hoofdstuk heeft als op
grond van een of meer andere betrekkingen een WAO-uitkering,
WIA-uitkering of een ZW-uitkering geniet, wordt voor de toepassing van
dit hoofdstuk onder WAO-uitkering, WIA-uitkering onderscheidenlijk
ZW-uitkering verstaan, de WAO-uitkering, WIA-uitkering
onderscheidenlijk de ZW-uitkering voorzover deze, naar rato van de
bezoldiging uit hoofde van die benoeming en die andere betrekking of
betrekkingen, wordt toegerekend aan die benoeming.
Artikel 25a
1.De inkomsten die de rechterlijk
ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar geniet in verband met
het verrichten van arbeid, die in het belang van zijn genezing door de
deskundige persoon of de arbodienst wenselijk wordt geacht, worden op
de aanspraak op doorbetaling van bezoldiging krachtens dit hoofdstuk
in mindering gebracht, voorzover deze inkomsten tezamen met die
aanspraak de bezoldiging te boven gaan.
2.Inkomsten uit of in verband met
arbeid of bedrijf worden in mindering gebracht op het bedrag waarop de
gewezen rechterlijk ambtenaar ingevolge artikel 18, eerste lid, of,
indien de ongeschiktheid wegens ziekte voor het tijdstip van ontslag
is ontstaan,artikel 18, derde lid, aanspraak heeft, tenzij deze
inkomsten reeds voorafgaand aan het intreden van de ongeschiktheid tot
het verrichten van arbeid werden genoten en de omvang van die arbeid
niet is toegenomen.
3.Op het bedrag waarop de gewezen
rechterlijk ambtenaar ingevolge artikel 18, tweede lid,artikel 26 of,
indien de ongeschiktheid wegens ziekte na het tijdstip van ontslag is
ontstaan, artikel 18, derde lid, recht heeft, worden inkomsten uit of
in verband met arbeid of bedrijf in mindering gebracht, tenzij deze
inkomsten reeds voorafgaand aan de datum van ontslag werden genoten en
de omvang van die arbeid niet is toegenomen.
Artikel 26
1. Voor zolang de vrouwelijke gewezen
rechterlijk ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge artikel
33m, eerste tot en met derde lid, toekomende uitkering nog wegens
ziekte ongeschikt is tot het verrichten van arbeid dan wel binnen een
maand na deze beëindiging daartoe ongeschikt wordt, heeft zij
gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de
laatstelijk genoten bezoldiging overeenkomstig artikel 18.
2. Het in het eerste lid bedoelde
tijdvak van 52 weken vangt aan met ingang van de eerste dag na
beëindiging van de ingevolge artikel 33m, eerste tot en met derde
lid, aan de vrouwelijke gewezen rechterlijk ambtenaar toekomende
uitkering onderscheidenlijk de eerste dag waarop zij binnen een maand
na die beëindiging ongeschikt is geworden tot het verrichten van
arbeid.
3. Ongeschikt tot het verrichten van
arbeid, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het eerste lid, is de
vrouwelijke gewezen rechterlijk ambtenaar die als rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel
of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang
soortgelijke functie te vervullen.
Artikel 27
1.In bijzondere gevallen kan aan de
rechterlijk ambtenaar een tegemoetkoming worden toegekend in
noodzakelijk gemaakte kosten die verband houden met ziekte, welke de
rechterlijk ambtenaar voor zichzelf en voor zijn medebelanghebbenden
heeft gemaakt, indien hierin niet ingevolge een andere regeling kan
worden voorzien en deze kosten redelijkerwijs niet voor zijn rekening
kunnen blijven.
2.Onze Minister kan omtrent het
bepaalde in het eerste lid nadere regels vaststellen.
Artikel 27a [Vervallen per 11-02-2011]
Artikel 27b
1. De rechterlijk ambtenaar of de
gewezen rechterlijk ambtenaar, die een dienstongeval heeft gehad of
een beroepsziekte heeft opgelopen, heeft recht op volledige vergoeding
van de schade die hij ten gevolge van dat dienstongeval of die
beroepsziekte lijdt, indien het dienstongeval of de beroepsziekte
voortvloeit uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband
houdt met het vervullen van zijn ambt waaraan hij zich vanwege zijn
specifieke werkzaamheden niet heeft kunnen onttrekken.
2. In overeenstemming met de gewezen
rechterlijk ambtenaar kan de vergoeding, bedoeld in het eerste lid,
mede strekken ter vervanging van de aanvullende uitkering, bedoeld in
artikel 18, vierde lid.
3. Toekenning van de schadevergoeding,
bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt door het in artikel 9
bedoelde gezag, met dien verstande dat artikel 46, tweede en derde
lid, van de wet van overeenkomstige toepassing is.
§ 6. Overige bepalingen
Artikel 28
Het bedrag van de laatstelijk genoten
bezoldiging, bedoeld in de artikelen 18 en 26, wordt in voorkomende
gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene salariswijziging.
Artikel 29
De gewezen rechterlijk ambtenaar die
krachtens dit hoofdstuk aanspraak heeft op de doorbetaling van
bezoldiging, heeft eveneens aanspraak op een vakantie-uitkering
overeenkomstig artikel 6d, eerste lid.
Artikel 29a
Indien de rechterlijk ambtenaar
onderscheidenlijk gewezen rechterlijk ambtenaar voorafgaand aan de
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte werkzaamheden
verrichtte in verband waarmee hij aanspraak had op een toelage als
bedoeld in artikel 6f, wordt het bedrag van die toelage dat behoort tot
de bezoldiging onderscheidenlijk laatstelijk genoten bezoldiging die
krachtens dit hoofdstuk aan hem wordt doorbetaald, vastgesteld op het
bedrag dat hij gemiddeld per maand aan die toelage heeft genoten over de
drie kalendermaanden voorafgaand aan de kalendermaand waarin hij wegens
ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid
onderscheidenlijk het vervullen van een naar aard en omvang soortgelijke
functie.
Artikel 30
1. Indien de rechterlijk ambtenaar op
de dag van het overlijden of de vermissing aanspraak had op een
WAO-uitkering, een WIA-uitkering, een ZW-uitkering of een
WW-uitkering, wordt voor de toepassing dan wel overeenkomstige
toepassing van artikel 18 van de wet onder bezoldiging verstaan het
bedrag waarop de rechterlijk ambtenaar op de dag van het overlijden of
de vermissing op basis van dit hoofdstuk aanspraak zou hebben gehad
indien hij geen aanspraak op een WAO-uitkering, een WIA-uitkering, een
ZW-uitkering of een WW-uitkering zou hebben gehad.
2. Indien de rechterlijk ambtenaar op
de dag van het overlijden of de vermissing meer dan 52 weken wegens
ziekte ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid en geen
aanspraak had op een WAO-uitkering, een WIA-uitkering, wordt voor de
toepassing dan wel overeenkomstige toepassing van artikel 18 van de
wet onder bezoldiging verstaan het bedrag waarop de rechterlijk
ambtenaar op de dag van het overlijden of de vermissing op basis van
dit hoofdstuk aanspraak had.
Artikel 31
1. Na het overlijden of de vermissing
van de gewezen rechterlijk ambtenaar, die op de dag van zijn
overlijden of vermissing op grond van artikel 18 of artikel 26 in het
genot was van de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging
onderscheidenlijk 70% daarvan, wordt aan de in artikel 18 of 18a van
de wet bedoelde personen en met overeenkomstige toepassing van die
artikelen uitgekeerd een bedrag, gelijk aan de bezoldiging die de
gewezen rechterlijk ambtenaar op de dag van zijn overlijden of
vermissing genoot onderscheidenlijk 70% daarvan, berekend over een
tijdvak van drie maanden.
2. Op de in het eerste lid bedoelde
uitkering wordt in mindering gebracht een uitkering op grond van
artikel 35 van de ZW, artikel 53 van de WAO, artikel 74 van de WIA,
artikel 11.17 van het pensioenreglement of de artikelen 6 of 11 van
het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van
rechterlijke ambtenaren en naar aard en strekking daarmee
overeenkomende uitkeringen, indien deze uitkeringen worden uitgekeerd.
Artikel 25, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op deze
uitkeringen.
Artikel 32
1. Indien het overlijden of de
vermissing van de rechterlijk ambtenaar is veroorzaakt door een
dienstongeval of een door het verrichten van arbeid opgelopen
beroepsziekte, wordt aan degene die in verband met dit overlijden of
deze vermissing krachtens het pensioenreglement een
nabestaandenpensioen geniet, een uitkering toegekend ten bedrage van
18% van het resultaat van de vermenigvuldiging van:
a. vijf zevende deel van 1,75% van
de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
pensioenreglement, en de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in
hoofdstuk 5 van het pensioenreglement, indien het gaat om de
partner, bedoeld in artikel 7.1 van het pensioenreglement;
b. een zevende deel van 1,75% van
de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
pensioenreglement, en de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in
hoofdstuk 5 van het pensioenreglement, indien het gaat om de wees,
bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, onderdeel a, van het
pensioenreglement;
c. twee zevende deel van 1,75% van
de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
pensioenreglement, en de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in
hoofdstuk 5 van het pensioenreglement, indien het gaat om de wees,
bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, onderdeel b, van het
pensioenreglement.
2. De in het eerste lid bedoelde
uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overleden of
vermiste rechterlijk ambtenaar de leeftijd van 65 jaar zou hebben
bereikt, dan wel, indien de partner, bedoeld in artikel 7.1 van het
pensioenreglement, aan wie een pensioen werd toegekend, hertrouwt, een
samenlevingscontract sluit onderscheidenlijk een geregistreerd
partnerschap aangaat, met ingang van de maand volgende op de datum van
het hertrouwen, het sluiten van het samenlevingscontract
onderscheidenlijk het aangaan van het geregistreerd partnerschap.
3. Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing op de gewezen rechterlijk ambtenaar aan wie
een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 18, vierde tot en met
zesde lid, is toegekend, indien zijn overlijden of vermissing het
rechtstreekse gevolg is van de in dat artikel bedoelde
arbeidsongeschiktheid.
§ 7. Suppletieregeling
Artikel 33 [Vervallen per 11-02-2011]
Hoofdstuk 3a. Vakantie en verlof
§ 3a.1. Vakantie
Artikel 33a
Tenzij anders is bepaald, worden de in
deze paragraaf genoemde bevoegdheden uitgeoefend door de functionele
autoriteit.
Artikel 33b
1. De rechterlijk ambtenaar, die zijn
ambt op basis van een aanstelling of aanwijzing voor een bepaalde
arbeidsduur vervult, of rechterlijk ambtenaar in opleiding heeft
aanspraak op vakantie, met behoud van zijn volle bezoldiging.
2. De aanspraak op vakantie wordt
uitgedrukt in uren per kalenderjaar. Zo nodig vindt afronding naar
boven plaats.
3. De omvang van de aanspraak op
vakantie is afhankelijk van de leeftijd en van de arbeidsduur van de
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding.
4. De aanspraak op vakantie bedraagt
165,6 uren per kalenderjaar bij een volledige arbeidsduur.
5. De ingevolge het vierde lid geldende
aanspraak op vakantie wordt, afhankelijk van de leeftijd die de
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding in het
desbetreffende kalenderjaar bereikt, verhoogd volgens onderstaande
tabel:
|
leeftijd: |
verhoging: |
|
van 45 tot en met 49 jaar |
7,2 uren |
|
van 50 tot en met 54 jaar |
14,4 uren |
|
van 55 tot en met 59 jaar |
21,6 uren |
|
van 60 tot en met 64 jaar |
28,8 uren |
|
van 65 tot en met 70 jaar |
36 uren |
6. De ingevolge het vierde en vijfde
lid geldende aanspraak op vakantie wordt vermenigvuldigd met de voor
de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding
geldende arbeidsduurfactor.
7. Indien de arbeidsduur van de
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding wijzigt,
wordt de aanspraak op vakantie over een eventueel resterend gedeelte
van het desbetreffende kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening
houdend met de nieuwe arbeidsduur. De tot aan de datum van ingang
van de wijziging verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd
gehandhaafd.
8. Bij indiensttreding, ontslag of
beëindiging van de aanwijzing in de loop van een kalenderjaar wordt
de aanspraak op vakantie naar evenredigheid vastgesteld.
Artikel 33c
1. Over kalendermaanden gedurende welke
de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding, in
afwijking van de voor hem geldende werktijdregeling, in het geheel
geen werkzaamheden onderscheidenlijk gedeeltelijk werkzaamheden
verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantie onderscheidenlijk
slechts aanspraak op vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van
de werktijd waarop hij volgens de werktijdregeling zijn werkzaamheden
verricht. De eerste volzin is eerst van toepassing nadat de
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding gedurende
een periode van 30 aaneengesloten kalenderdagen geheel of gedeeltelijk
geen werkzaamheden verricht.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing:
a. indien de rechterlijk ambtenaar
of rechterlijk ambtenaar in opleiding als gevolg van ziekte zijn
werkzaamheden niet of gedeeltelijk verricht en de verhindering tot
het verrichten van die werkzaamheden korter duurt dan 26 weken,
waarbij tijdvakken worden samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van ten hoogste 30 kalenderdagen opvolgen;
b. in geval van genoten
zwangerschaps- en bevallingsverlof;
c. in geval van genoten vakantie;
of
d. in geval van genoten adoptie- of
pleegverlof.
Artikel 33d
1. Indien het belang van de dienst zich
er niet tegen verzet, kan op verzoek van de rechterlijk ambtenaar
onderscheidenlijk rechterlijk ambtenaar in opleiding door Onze
Minister of, indien het een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame
rechterlijk ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur onderscheidenlijk
de Raad voor de rechtspraak eenmaal per kalenderjaar de voor die
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding ingevolge
artikel 33b, vierde tot en met zesde lid, geldende aanspraak op
vakantie worden verlaagd.
2. Het aantal uren vakantie waarmee de
aanspraak kan worden verlaagd bedraagt ten hoogste het aantal uren
vakantie waarop de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in
opleiding over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft,
verminderd met 144 uren, en vervolgens vermenigvuldigd met de voor de
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding geldende
arbeidsduurfactor.
3. Het in het eerste lid bedoelde gezag
stelt vast voor welke datum verzoeken als bedoeld in het eerste lid
kunnen worden ingediend en beslist op of na die datum gelijktijdig op
de voor die datum ingediende verzoeken.
4. De rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding ontvangt voor elk uur vakantie
waarmee zijn aanspraak op vakantie overeenkomstig het eerste en tweede
lid wordt verlaagd, een vergoeding ten bedrage van het salaris per uur
dat hij geniet op de in het derde lid bedoelde datum.
5. Op een verzoek als bedoeld in het
eerste lid beslist Onze Minister onderscheidenlijk de Raad voor de
rechtspraak niet dan nadat hij hierover het advies heeft ingewonnen
van de functionele autoriteit.
Artikel 33e
1. De rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding is vrij om vast te stellen wanneer
hij vakantie opneemt, voor zover het belang van de dienst zich
daartegen naar het oordeel van de functionele autoriteit niet verzet.
2. De rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding dient in elk kalenderjaar ten
minste 108 uren, vermenigvuldigd met de voor hem geldende
arbeidsduurfactor, op te nemen, waarvan ten minste 72 uren,
vermenigvuldigd met diezelfde arbeidsduurfactor, over een
aaneengesloten periode.
3. De rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding gedurende de in artikel 3, eerste
lid, van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren bedoelde
binnenstage meldt het voornemen om vakantie op te nemen tijdig aan de
functionele autoriteit.
4. Het derde lid is niet van toepassing
op de president van en de procureur-generaal bij de Hoge Raad, de
leden van het College van procureurs-generaal en de hoofden van de
parketten.
5. Indien het belang van de dienst dit
dringend noodzakelijk maakt, kan de functionele autoriteit aan de
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding opdragen
reeds opgenomen vakantie in te trekken, zowel voorafgaand als tijdens
de vakantie. De eventuele geldelijke schade ten gevolge van het
intrekken van vakantie wordt door het inartikel 33d, eerste lid,
bedoelde gezag aan de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar
in opleiding vergoed.
6. Niet opgenomen vakantie, waaronder
eventueel van vorige jaren overgeboekte vakantie, wordt naar het
volgende kalenderjaar overgeboekt tot een maximum van de aanspraak van
de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding over
een vol kalenderjaar berekend op grond van de artikelen 33b en 33c,
verminderd met de in het tweede lid van dit artikel bedoelde vakantie.
7. Een rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding kan worden toegestaan in enig
kalenderjaar meer uren vakantie op te nemen dan zijn aanspraak op
vakantie ingevolge de artikelen 33b, vierde tot en met zesde lid, 33c
en het zesde lid van dit artikel, tot en met het lopende jaar
bedraagt, met dien verstande dat de op te nemen vakantie de aanspraak
tot en met het lopende kalenderjaar niet met meer dan 57,6 uren mag
overschrijden. Het in de vorige volzin bedoelde aantal uren van de
maximaal toegestane overschrijding wordt vermenigvuldigd met de voor
de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding
geldende arbeidsduurfactor.
De in een kalenderjaar op grond van de
artikelen 33b, vierde tot en met zesde lid, 33c en het zesde lid van
dit artikel teveel genoten vakantie wordt in mindering gebracht op
zijn aanspraak op vakantie over het eerstvolgende kalenderjaar.
8. Op verzoek van de rechterlijk
ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding kan in bijzondere
gevallen worden afgeweken van de op grond van het zesde lid berekende
vakantie-aanspraak die maximaal naar een volgend kalenderjaar
overgeboekt kan worden.
Artikel 33f
1. Indien de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding op de datum van zijn ontslag nog
aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij
niet heeft opgenomen, door het in artikel 33d, eerste lid, bedoelde
gezag een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat
hij direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot.
2. De in het eerste lid bedoelde
vergoeding wordt berekend met inachtneming van artikel 33e, zesde lid,
alsmede uitgaande van het salaris en de arbeidsduur, zoals die direct
voorafgaand aan zijn ontslag voor de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding golden, en de leeftijd die hij
bereikt in het kalenderjaar waarin hem ontslag wordt verleend.
3. Indien op de dag van zijn ontslag
blijkt dat de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in
opleiding te veel vakantie heeft genoten, is hij aan het in artikel
33d, eerste lid, bedoelde gezag voor ieder uur te veel genoten
vakantie een bedrag verschuldigd ten bedrage van het salaris per uur.
4. In geval van overgang zonder
onderbreking naar een andere functie binnen de rijksoverheid in de
loop van een kalenderjaar kan de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk
ambtenaar in opleiding, in afwijking van het eerste lid, ervoor kiezen
om het niet genoten gedeelte van zijn vakantieaanspraken van het
lopende kalenderjaar te behouden. Daarbij wordt de vakantie die in het
lopende kalenderjaar is genoten in mindering gebracht op de aanspraken
in dat jaar.
5. Het eerste tot en met derde lid zijn
van overeenkomstige toepassing in geval van overlijden of vermissing
van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding,
met dien verstande dat:
a. de in het eerste en tweede lid
bedoelde vergoeding wordt aangemerkt als een vermeerdering van de
uitkering krachtens artikel 18 of 18a van de wet; en
b. het krachtens het derde lid
verschuldigde bedrag in mindering wordt gebracht op het eventueel
aan de nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden van de
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding wegens
nog niet vergolden aanspraken verschuldigde bedrag, of, indien en
voor zover laatstbedoeld bedrag hiervoor niet toereikend is, op de
uitkering krachtens artikel 18 of 18a van de wet.
§ 3a.2. Verlof
Artikel 33g
Tenzij anders is bepaald, worden de in
deze paragraaf genoemde bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk
ambtenaar uitgeoefend door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het
een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar
betreft, het gerechtsbestuur, en ten aanzien van een rechterlijk
ambtenaar in opleiding uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak.
Artikel 33h
De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk
ambtenaar in opleiding geniet verlof indien hij uit hoofde van ziekte
verhinderd is zijn arbeid te verrichten. Hij behoudt gedurende dit
verlof aanspraak op doorbetaling van bezoldiging overeenkomstig het bij
of krachtens dit besluit bepaalde.
Artikel 33i
Indien een gerecht of parket op een
daartoe aangewezen kerkelijke of nationale, landelijk, regionaal of
plaatselijk erkende feest- of gedenkdag is gesloten, geniet de
rechterlijk ambtenaar onderscheidenlijk rechterlijk ambtenaar in
opleiding die bij het desbetreffende gerecht of parket werkzaam is
onderscheidenlijk de opleiding doorbrengt, verlof met behoud van
bezoldiging, voor zover het belang van de dienst zich daartegen naar het
oordeel van de functionele autoriteit niet verzet.
Artikel 33j
1. Het calamiteiten- en ander kort
verzuimverlof, bedoeld in artikel 4:1 van de Wet arbeid en zorg, wordt
door de functionele autoriteit verleend voor een daarbij te bepalen
periode.
2. Voor de toepasselijkheid van de
artikelen 4:3, eerste lid, en 4:4 van de Wet arbeid en zorg wordt
onder «werkgever» verstaan: functionele autoriteit.
3. Voor de toepasselijkheid van de
artikelen 4:1, eerste lid, 4:2 en 4:5 van de Wet arbeid en zorg wordt
onder «loon» verstaan: bezoldiging.
4. Ten aanzien van een rechterlijk
ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding worden de in artikel
4:5 van de Wet arbeid en zorg genoemde bevoegdheden uitgeoefend door
het in artikel 33g bedoelde gezag. Voor de toepasselijkheid van
artikel 4:5, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder
«werkgever» verstaan: het in artikel 33g bedoelde gezag.
5. Ten aanzien van een rechterlijk
ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding worden de in artikel
4:6 van de Wet arbeid en zorg genoemde bevoegdheden uitgeoefend door
de functionele autoriteit.
Artikel 33k
1. De rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding behoudt gedurende het kortdurend
zorgverlof, bedoeld in artikel 5:1 van de Wet arbeid en zorg,
aanspraak op doorbetaling van de volledige bezoldiging.
2. Voor de toepasselijkheid van de
artikelen 5:3 tot en met 5:5 en 5:10 tot en met 5:12 van de Wet arbeid
en zorg wordt onder «werkgever»verstaan: functionele autoriteit.
3. Voor de toepasselijkheid van de
artikelen 5:7 en 5:9 van de Wet arbeid en zorg wordt onder «loon»
verstaan: bezoldiging.
4. Voor de toepasselijkheid van artikel
5:7 van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever» verstaan: het
in artikel 33g bedoelde gezag.
5. Ten aanzien van een rechterlijk
ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding worden de in de
artikelen 5:14 en 5:15 van de Wet arbeid en zorg genoemde bevoegdheden
uitgeoefend door de functionele autoriteit.
Artikel 33l
1. De vrouwelijke rechterlijk ambtenaar
of rechterlijk ambtenaar in opleiding behoudt gedurende het
zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1 van de Wet
arbeid en zorg, aanspraak op doorbetaling van de volledige
bezoldiging.
2. Indien de vrouwelijke rechterlijk
ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding gedurende haar
zwangerschaps- en bevallingsverlof of gedurende een bepaalde periode
van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op
basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin de
financiële tegemoetkoming wordt genoten een inhouding toegepast op de
doorbetaling van de bezoldiging ter grootte van die financiële
tegemoetkoming.
3. Indien de vrouwelijke rechterlijk
ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding aan de voorwaarden
voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in
het tweede lid voldoet, maar geen financiële tegemoetkoming is
toegekend omdat zij daarvoor geen aanvraag heeft ingediend, wordt de
financiële tegemoetkoming geacht onverminderd te zijn genoten en
wordt het tweede lid overeenkomstig toegepast.
4. Voor de toepasselijkheid van de
artikelen 3:1, tweede lid, en 3:3, eerste lid, van de Wet arbeid en
zorg wordt onder «werkgever»verstaan: het in artikel 33g bedoelde
gezag alsmede, tenzij het het zwangerschaps- en bevallingsverlof van
een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar
betreft, de functionele autoriteit.
5. Voor de toepasselijkheid van artikel
3:11, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever»
verstaan: het in artikel 33gbedoelde gezag.
Artikel 33m
1. De vrouwelijke rechterlijk ambtenaar
of rechterlijk ambtenaar in opleiding, die wordt ontslagen in het
tijdvak waarin zij zwangerschaps-en bevallingsverlof als bedoeld in
artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg geniet, ontvangt met ingang van
de datum van haar ontslag de laatstelijk genoten bezoldiging gedurende
een periode die gelijk is aan de op de datum van ontslag nog
resterende duur van haar zwangerschaps-en bevallingsverlof.
2. De vrouwelijke gewezen rechterlijk
ambtenaar of gewezen rechterlijk ambtenaar in opleiding wier bevalling
waarschijnlijk is binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van
haar ontslag, ontvangt de laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de
periode die aanvangt op de 41e dag voorafgaand aan de vermoedelijke
datum van bevalling en eindigt op de 70e dag na de datum waarop de
bevalling heeft plaatsgevonden. De in de eerste volzin bedoelde
periode wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een
voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.
3. De vrouwelijke gewezen rechterlijk
ambtenaar of gewezen rechterlijk ambtenaar in opleiding wier bevalling
niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van
haar ontslag, maar niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt de
laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die aanvangt op
de datum van bevalling en eindigt op de 70e dag na de datum waarop de
bevalling heeft plaatsgevonden.
4. Deartikelen 20, tweede lid, 25, 25a,
eerste en derde lid, 28, 29, 29a, 31 en 33l, tweede en derde lid, zijn
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de doorbetaling van de
laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste tot en met
derde lid, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing
van artikel 33l, tweede en derde lid, in plaats van «gedurende haar
zwangerschaps- en bevallingsverlof of gedurende een bepaalde periode
van dat verlof» wordt gelezen: gedurende de periode dat zij op basis
van artikel 33m, eerste tot en met derde lid, de laatstelijk genoten
bezoldiging ontvangt.
Artikel 33n
1. De rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding behoudt over de uren dat hij
ouderschapsverlof, bedoeld in artikel 6:1 van de Wet arbeid en zorg,
geniet, 75 procent van zijn bezoldiging, verminderd met de
ouderschapsverlofkorting waarop over die uren op grond van artikel
8.14b van de Wet inkomstenbelasting 2001 maximaal recht kan bestaan.
Indien hem een ouderschapsverlofkorting is toegekend, wordt aan de
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding op zijn
aanvraag tevens een bedrag toegekend ter grootte van het verschil
tussen de maximale ouderschapsverlofkorting, bedoeld in de eerste
volzin, en de hem toegekende ouderschapsverlofkorting. De rechterlijk
ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding dient de aanvraag,
bedoeld in de tweede volzin, in binnen zes maanden nadat de
ouderschapsverlofkorting is toegekend.
2. Voor de toepasselijkheid van artikel
6:2, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «arbeidsduur
per week» verstaan: arbeidsduur per week, uitgaande van de
arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof ingaat.
3. Indien de arbeidsduur van de
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding gedurende
het ouderschapsverlof wijzigt, wordt de aanspraak op verlof opnieuw
vastgesteld, rekening houdend met de mate waarin de arbeidsduur is
gewijzigd en de mate waarin de periode gedurende welke het verlof
wordt genoten is verstreken.
4. Indien het verlof op basis van
artikel 6:2, vierde lid, onderdeel b, van de Wet arbeid en zorg is
opgedeeld in perioden en de arbeidsduur van de rechterlijk ambtenaar
of rechterlijk ambtenaar in opleiding tussen twee van die perioden
wijzigt, is het derde lid van overeenkomstige toepassing.
5. Voor de toepasselijkheid van de
artikelen 6:2, vierde en vijfde lid, en 6:6 van de Wet arbeid en zorg
wordt onder «werkgever» verstaan: het in artikel 33g bedoelde gezag.
Op een verzoek als bedoeld in die artikelen wordt door Onze Minister
onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak niet beslist dan nadat
hij hierover het advies heeft ingewonnen van de functionele
autoriteit.
6. Voor de toepasselijkheid van artikel
6:5, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever»
verstaan: het in artikel 33gbedoelde gezag alsmede, tenzij het het
ouderschapsverlof van een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame
rechterlijk ambtenaar betreft, de functionele autoriteit.
7. Voor de toepasselijkheid van artikel
6:5, derde lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever»
verstaan: functionele autoriteit.
8. De rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding is verplicht tot terugbetaling van
de bezoldiging over de genoten uren ouderschapsverlof wanneer hij
tijdens de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van het verlof
wordt ontslagen op eigen verzoek of anderszins op grond van aan hem te
wijten feiten of omstandigheden. De eerste volzin is niet van
toepassing in geval van ontslag op eigen verzoek gevolgd door een
overgang binnen een maand naar een andere functie binnen de
rijksoverheid. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in
opleiding kan van de in de eerste volzin bedoelde verplichting worden
ontheven, indien er bijzondere omstandigheden zijn die dat naar het
oordeel van het in artikel 33gbedoelde gezag rechtvaardigen. Onze
Minister onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak beslist over de
in de derde volzin bedoelde ontheffing niet dan nadat hij hierover het
advies van de functionele autoriteit heeft ingewonnen.
Artikel 33o
1. De rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding behoudt gedurende het
adoptieverlof, bedoeld in artikel 3:2 van de Wet arbeid en zorg,
aanspraak op doorbetaling van de volledige bezoldiging.
2. Indien de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding gedurende het adoptieverlof of
gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op
een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg,
wordt gedurende de periode waarin de financiële tegemoetkoming wordt
genoten een inhouding toegepast op de doorbetaling van de bezoldiging
ter grootte van de financiële tegemoetkoming.
3. Indien de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding aan de voorwaarden voor het
toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het tweede
lid voldoet, maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat
hij daarvoor geen aanvraag heeft ingediend, wordt de financiële
tegemoetkoming geacht onverminderd te zijn genoten en wordt het tweede
lid overeenkomstig toegepast.
4. Voor de toepasselijkheid van de
artikelen 3:2, tweede lid, en 3:3, tweede lid, van de Wet arbeid en
zorg wordt onder «werkgever»verstaan: het in artikel 33g bedoelde
gezag alsmede, tenzij het het adoptieverlof van een bij een
gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, de
functionele autoriteit.
5. Voor de toepasselijkheid van artikel
3:11, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg wordt onder «werkgever»
verstaan: het in artikel 33gbedoelde gezag.
6. De voorgaande leden zijn van
overeenkomstige toepassing op de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk
ambtenaar in opleiding die een pleegkind opneemt als bedoeld in
artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d, van de Wet arbeid en zorg.
Artikel 33oa
Onverminderd het bepaalde in artikel 33p
wordt, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, door de
functionele autoriteit aan de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk
ambtenaar in opleiding buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging
verleend:
a. voor het zoeken van een woning in
geval van herplaatsing in de zin vanartikel 35d en artikel 46k, van
de weten artikel 36c, eerste lid, onderdeel b, onder 2° en 3°: ten
hoogste twee dagen.
b. bij verhuizing in geval van
herplaatsing in de zin van artikel 35d enartikel 36c, eerste lid,
onderdeel b, onder 2° en 3°: indien hij een eigen huishouding
heeft: twee dagen, zo nodig te verlengen tot drie en in zeer
bijzondere gevallen vier dagen en indien hij niet een eigen
huishouding heeft: ten hoogste twee dagen.
Artikel 33ob
1. Onverminderd het bepaalde in artikel
33p wordt, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, door de
functionele autoriteit aan de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk
ambtenaar in opleiding buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging
verleend:
a. bij zijn huwelijk: twee dagen;
b. tot het bijwonen van een
huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en de tweede
graad: één dag;
c. bij het overlijden van:
1°. de echtgenote, echtgenoot,
ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen,
stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen: vier
dagen;
2°. bloed-of aanverwanten in
de tweede graad: twee dagen of, indien hij is belast met de
regeling van de lijkbezorging of van de nalatenschap dan wel
van beide, ten hoogste vier dagen;
d. bij bevalling van zijn
echtgenote: ten hoogste twee dagen.
2. Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder huwelijk mede begrepen het aangaan van een geregistreerd
partnerschap of het met de levenspartner met wie de niet-gehuwde
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding samenwoont
en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een
gemeenschappelijke huishouding voert, notarieel verlijden van een
samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en
verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke
huishouding.
3. Buitengewoon verlof dat aan de
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding op grond
van het eerste lid wordt verleend in verband met aanverwantschap die
door zijn huwelijk is ontstaan met bloedverwanten van zijn echtgenote
wordt op gelijke wijze verleend aan de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding die samenwoont en, met het oogmerk
duurzaam samen te leven, een gemeenschappelijke huishouding voert op
basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de
wederzijdse rechten en verplichtingen terzake van die samenwoning en
gemeenschappelijke huishouding of aan de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding die een geregistreerd partnerschap
is aangegaan, met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn
levenspartner of geregistreerd partner.
Artikel 33p
1. Aan een rechterlijk ambtenaar, die
is aangesteld of aangewezen voor een bepaalde arbeidsduur, of
rechterlijk ambtenaar in opleiding kan op zijn eigen verzoek
buitengewoon verlof, al dan niet met behoud van bezoldiging, worden
verleend. De verlening hiervan geschiedt voor een daarbij te bepalen
periode. Aan de verlening kunnen voorschriften worden verbonden.
2. Onze Minister onderscheidenlijk de
Raad voor de rechtspraak beslist op een verzoek om buitengewoon verlof
als bedoeld in het eerste lid niet dan nadat hierover het advies van
de functionele autoriteit is ingewonnen.
3. Het buitengewoon verlof gaat niet
eerder in dan na aanvaarding van dat verlof met de daaraan verbonden
voorschriften door de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar
in opleiding.
4. In geval van buitengewoon verlof
zonder behoud van bezoldiging heeft de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding geen aanspraak op vakantie.
Hoofdstuk 4. Disciplinaire maatregelen,
schorsing en ontslag
§ 4.1. Algemeen
Artikel 34
1. In dit hoofdstuk wordt onder
rechterlijk ambtenaar mede verstaan: rechterlijk ambtenaar in
opleiding.
2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing
op de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar.
§ 4.2. Disciplinaire maatregelen
Artikel 34a
1. Ten aanzien van de rechterlijk
ambtenaar, die een hem opgelegde verplichting niet nakomt of zich
overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan een disciplinaire
maatregel worden opgelegd.
2. Plichtsverzuim als bedoeld in het
eerste lid omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het
doen of nalaten van datgene wat een goed rechterlijk ambtenaar in
gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
Artikel 34b
1. De disciplinaire maatregelen die aan
een rechterlijk ambtenaar kunnen worden opgelegd, zijn:
a. schriftelijke berisping;
b. vermindering van de aanspraak op
vakantie met ten hoogste een derde deel van het aantal uren waarop
de rechterlijk ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar
aanspraak heeft;
c. buitengewone dienst op andere
dagen dan een zondag of algemeen erkende feestdag als bedoeld in
artikel 40 van de wet, voor ten hoogste zes uren met een maximum
van drie uren per dag;
d. geldboete van ten hoogste €
22,–;
e. gedeeltelijke of gehele
inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris
over een halve maand;
f. vaststelling van het salaris op
een bedrag in de voor de rechterlijk ambtenaar geldende
salarisschaal dat maximaal twee jaarlijkse salarisverhogingen
minder bedraagt dan het salarisbedrag dat voor hem krachtens de
wet geldt, of, indien voor het door de rechterlijk ambtenaar
vervulde ambt geen salarisschaal geldt, vermindering van het
salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor ten hoogste twee
jaren;
g. het niet toekennen van een
jaarlijkse salarisverhoging gedurende een periode van ten hoogste
vier jaren;
h. indeling in een salariscategorie
die krachtens artikel 7, tweede lid, van de wet behoort bij een
ander ambt dan het ambt waarin de rechterlijk ambtenaar is
benoemd, een en ander al dan niet voor een bepaalde tijd en met of
zonder vermindering van salaris;
i. wijziging van de vaststelling
van het gerecht of parket waarbij de rechterlijk ambtenaar zijn
ambt vervult, al dan niet met verlening van een tegemoetkoming in
mogelijke verplaatsingskosten overeenkomstig het
Verplaatsingskostenbesluit 1989;
j. schorsing voor een bepaalde tijd
met gehele of gedeeltelijke inhouding van bezoldiging;
k. ontslag.
2. In geval van het opleggen van een
disciplinaire maatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g of
h, kan de positie van de rechterlijk ambtenaar met ingang van een
bepaald tijdstip geheel of gedeeltelijk in overeenstemming worden
gebracht met de positie die hij zou hebben gehad zonder het opleggen
van die disciplinaire maatregel, indien het verdere gedrag van de
rechterlijk ambtenaar daartoe aanleiding geeft.
3. Bij het opleggen van een
disciplinaire maatregel kan worden bepaald dat de maatregel niet ten
uitvoer zal worden gelegd, indien de rechterlijk ambtenaar zich
gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk
plichtsverzuim als waarvoor het opleggen van de disciplinaire
maatregel plaatsvindt of enig ander ernstig plichtsverzuim, en hij
zich houdt aan bij het opleggen van de disciplinaire maatregel
eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.
Artikel 34c
1. Een disciplinaire maatregel als
bedoeld in artikel 34b, eerste lid, onderdeel a tot en met c, wordt
opgelegd door de functionele autoriteit.
2. Een disciplinaire maatregel als
bedoeld in artikel 34b, eerste lid, onderdeel d tot en met h, wordt
ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar opgelegd door Onze Minister
onderscheidenlijk, indien het een bij een gerechtshof of rechtbank
werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur, en ten
aanzien van een rechterlijk ambtenaar in opleiding opgelegd door de
Raad voor de rechtspraak, met dien verstande dat Onze Minister of de
Raad voor de rechtspraak niet beslist dan nadat de functionele
autoriteit hierover heeft geadviseerd dan wel het voorstel hiervoor
heeft gedaan.
3. Een disciplinaire maatregel als
bedoeld in artikel 34b, eerste lid, onderdeel i of j, wordt opgelegd
door Onze Minister, met dien verstande dat hij niet beslist dan nadat
de functionele autoriteit onderscheidenlijk, indien het een
rechterlijk ambtenaar in opleiding betreft, de rector hierover heeft
geadviseerd dan wel het voorstel hiervoor heeft gedaan.
4. Een disciplinaire maatregel als
bedoeld in artikel 34b, eerste lid, onderdeel k, wordt opgelegd door
het gezag, dat krachtens de wet bevoegd is tot benoeming in het ambt
dat de betrokken rechterlijk ambtenaar vervult, met dien verstande dat
niet wordt beslist onderscheidenlijk een voordracht wordt gedaan dan
nadat de functionele autoriteit onderscheidenlijk, indien het een
rechterlijk ambtenaar in opleiding betreft, de rector hierover heeft
geadviseerd dan wel het voorstel hiervoor heeft gedaan.
5. Het eerste tot en met vierde lid
zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de uitoefening
van de in de artikelen 34b, tweede en derde lid, en 34e genoemde
bevoegdheden.
Artikel 34d
1. Een disciplinaire maatregel wordt
niet opgelegd dan nadat de rechterlijk ambtenaar in de gelegenheid is
gesteld om zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren te
brengen.
2. Van het mondeling naar voren brengen
van de zienswijze wordt een proces-verbaal opgemaakt dat wordt
ondertekend door de betrokken rechterlijk ambtenaar en door degene te
wiens overstaan de zienswijze naar voren wordt gebracht. Weigert de
rechterlijk ambtenaar het proces-verbaal te ondertekenen, dan wordt
daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt.
Aan de rechterlijk ambtenaar wordt een afschrift van het
proces-verbaal verstrekt.
3. De in het eerste en tweede lid
bedoelde bevoegdheden worden uitgeoefend door het gezag dat krachtens
artikel 34c bevoegd is tot het opleggen van de desbetreffende
disciplinaire maatregel, met dien verstande dat deze bevoegdheden
worden uitgeoefend door Onze Minister indien het opleggen van de
disciplinaire maatregel, bedoeld in artikel 34c, vierde lid, bij
koninklijk besluit geschiedt.
Artikel 34e
Een disciplinaire maatregel, anders dan
die van schriftelijke berisping, wordt niet eerder ten uitvoer gelegd
dan nadat hij onherroepelijk is geworden, tenzij bij het opleggen van de
maatregel onmiddellijke tenuitvoerlegging is bepaald.
§ 4.3. Schorsing
Artikel 34f
Een rechterlijk ambtenaar is van
rechtswege geschorst indien en voor zolang hij krachtens wettelijke
maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het
gevolg is van een maatregel in het belang van de volksgezondheid, anders
dan op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische
ziekenhuizen.
Artikel 34g
1. Onverminderd het bepaalde in artikel
34b, eerste lid, aanhef en onderdeel j, kan een rechterlijk ambtenaar
worden geschorst, indien:
a. tegen hem een strafrechtelijke
vervolging ter zake van een misdrijf is ingesteld;
b. hem het voornemen tot het
opleggen van de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk
ontslag is medegedeeld dan wel hem die disciplinaire maatregel is
opgelegd; of
c. het belang van de dienst dit
vereist.
2. Een schorsing als bedoeld in het
eerste lid wordt beëindigd zodra de grond hiervoor is vervallen.
3. Schorsing als bedoeld in het eerste
lid of beëindiging als bedoeld in het derde lid geschiedt door Onze
Minister, met dien verstande dat hij hiertoe niet besluit dan nadat de
functionele autoriteit onderscheidenlijk, indien het een rechterlijk
ambtenaar in opleiding betreft, de rector hierover heeft geadviseerd
dan wel het voorstel hiervoor heeft gedaan.
Artikel 34h
1. In geval van schorsing kan de
bezoldiging van de rechterlijk ambtenaar tijdens de duur van de
schorsing geheel of gedeeltelijk worden ingehouden.
2. Inhouding van bezoldiging als
bedoeld in het eerste lid is niet mogelijk in geval van:
a. schorsing in het belang van de
dienst, bedoeld in artikel 34g, eerste lid, onderdeel c;
b. plaatsing in een psychiatrisch
ziekenhuis als bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in
psychiatrische ziekenhuizen; of
c. politiebewaring of
inverzekeringstelling als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek
van Strafvordering, mits niet gevolgd door inbewaringstelling.
3. Indien de schorsing niet wordt
gevolgd door de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag
of ontslag op grond van artikel 36, onderdeel d, kan de ingehouden
bezoldiging alsnog geheel of gedeeltelijk aan de rechterlijk ambtenaar
worden uitbetaald. Op de alsnog uit te betalen bezoldiging worden in
mindering gebracht de inkomsten, die de rechterlijk ambtenaar heeft
genoten uit arbeid die hij tijdens de schorsing heeft verricht, tenzij
zulks onredelijk of onbillijk wordt bevonden.
4. De in het eerste tot en met derde
lid genoemde bevoegdheden worden ten aanzien van een rechterlijk
ambtenaar uitgeoefend door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het
een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar
betreft, het gerechtsbestuur, en ten aanzien van een rechterlijk
ambtenaar in opleiding uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak.
§ 4.4. Ontslag en herplaatsing
Artikel 35
Tenzij anders is bepaald, worden de in
deze paragraaf bedoelde bevoegdheden uitgeoefend door het gezag, dat
krachtens de wet bevoegd is tot benoeming in het ambt dat de betrokken
rechterlijk ambtenaar vervult, met dien verstande dat niet wordt beslist
onderscheidenlijk een voordracht wordt gedaan dan nadat de functionele
autoriteit onderscheidenlijk, indien het een rechterlijk ambtenaar in
opleiding betreft, de rector hierover heeft geadviseerd dan wel het
voorstel hiervoor heeft gedaan.
Artikel 35a
1. De rechterlijk ambtenaar wordt op
eigen verzoek ontslagen.
2. Ontslag als bedoeld in het eerste
lid wordt verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand
of later dan drie maanden na de dag waarop het verzoek om ontslag is
ontvangen.
3. Van het bepaalde in het eerste lid
kan worden afgeweken, indien:
a. een strafrechtelijke vervolging
ter zake van een misdrijf tegen de rechterlijk ambtenaar is
ingesteld; of
b. ten aanzien van de rechterlijk
ambtenaar wordt overwogen de disciplinaire maatregel van ontslag
op te leggen.
4. Van het bepaalde in het tweede lid
kan worden afgeweken, indien:
a. ten aanzien van de rechterlijk
ambtenaar wordt overwogen een disciplinaire maatregel op te
leggen;
b. de rechterlijk ambtenaar hierom
verzoekt; of
c. het belang van de dienst dit
vereist, met dien verstande dat de termijn van drie maanden,
bedoeld in het tweede lid, op deze grond tot ten hoogste zes
maanden kan worden verlengd en dat bij deze verlenging in
redelijkheid met het belang van de rechterlijk ambtenaar rekening
wordt gehouden.
Artikel 35b
1. De rechterlijk ambtenaar kan worden
ontslagen op grond van ongeschiktheid wegens ziekte tot het verrichten
van zijn arbeid.
2. Ontslag als bedoeld in het eerste
lid is slechts mogelijk, indien:
a. de ongeschiktheid van de
rechterlijk ambtenaar twee jaar onafgebroken heeft geduurd;
b. herstel van zijn ziekte binnen
een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn
van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten; en
c. naar het oordeel van de
functionele autoriteit duurzame reïntegratie als bedoeld
inartikel 24a, tweede lid, niet binnen een redelijke termijn is te
verwachten.
3. Voor het berekenen van het tijdvak
van twee jaar, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, worden niet in
aanmerking genomen:
a. perioden van ongeschiktheid tot
het verrichten van arbeid als gevolg van zwangerschap voorafgaand
aan het zwangerschapsverlof; en
b. perioden van ongeschiktheid tot
het verrichten van arbeid tijdens het zwangerschaps-en
bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en
zorg.
4. Voor de berekening van het tijdvak
van twee jaar, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, worden perioden
van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, anders dan bedoeld
in het derde lid, samengeteld:
a. indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of
b. indien de ene periode van
ongeschiktheid direct voorafgaat aan en de andere periode van
ongeschiktheid direct aansluit op het tijdvak gedurende welke
zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 3:1 van
de Wet arbeid en zorg wordt genoten, en de ongeschiktheid in deze
perioden redelijkerwijs geacht kan worden voort te vloeien uit
dezelfde oorzaak.
5. Het tijdvak van twee jaar, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel a, wordt verlengd:
a. indien de aangifte, bedoeld in
artikel 38, eerste lid, van de ZW, later is gedaan dan op grond
van dat artikel is voorgeschreven, met de duur van die vertraging;
b. indien de aanvraag, bedoeld in
artikel 64, eerste lid, van de WIA, later wordt gedaan dan in of
op grond van dat artikel is voorgeschreven, met de duur van die
vertraging;
c. indien de wachttijd, bedoeld in
artikel 19, eerste lid, van de WAO, op grond van het zevende lid
van dat artikel is verlengd, met de duur van die verlenging; en
d. indien het UWV op grond van
artikel 71a, negende lid, van de WAO een tijdvak heeft
vastgesteld, met de duur van dit tijdvak;
e. indien het UWV op grond van
artikel 24, eerste lid dan wel artikel 25, negende lid, van de
WIA, een tijdvak heeft vastgesteld: met de duur van dit tijdvak.
Artikel 35c
1. Bij de beoordeling of er sprake is
van een situatie als bedoeld in artikel 35b, tweede lid, betrekt de
functionele autoriteit de uitslag van de beoordeling door het UWV van
de aanvraag op grond van artikel 64 van de WIA.
2. Indien de beoordeling bedoeld in de
vorige volzin door het UWV niet of langer dan een jaar geleden heeft
plaatsgevonden, dan wel indien de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk
ambtenaar in opleiding en diens functionele autoriteit het oneens zijn
over het ontslag, kan aan het UWV een oordeel als bedoeld in artikel
32, eerste lid, van de Wet Suwi worden gevraagd en betrekt de
functionele autoriteit dit bij zijn beoordeling.
Artikel 35d
1. Aan de rechterlijk ambtenaar, die
ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, kan,
op voorstel van de functionele autoriteit, een ander ambt of een
andere functie worden opgedragen bij een gerecht of binnen het
gezagsbereik van Onze Minister, indien sprake is van passende arbeid.
De rechterlijk ambtenaar is verplicht het ambt dat of de functie die
hem wordt opgedragen te aanvaarden.
2. Onverminderd het bepaalde in het
eerste lid wordt de rechterlijk ambtenaar die door het UWV in het
kader van de uitvoering van de WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt is
verklaard op voorstel van de functionele autoriteit herplaatst in een
ander ambt of andere functie bij een parket of gerecht of anderszins
binnen het gezagsbereik van Onze Minister, indien sprake is van
passende arbeid, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen
verzet.
3. Indien aan de rechterlijk ambtenaar
een ambt of functie wordt opgedragen voor minder uren dan het aantal
uren dat hij zijn oorspronkelijke ambt gemiddeld per week vervulde,
wordt hij voor het meerdere aantal uren ontslagen.
Artikel 35e
1. De rechterlijk ambtenaar, die wegens
ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, kan, in
afwijking van artikel 35b, tweede lid, worden ontslagen indien hij
zonder deugdelijke grond weigert:
a. gevolg te geven aan door de
functionele autoriteit of een door de functionele autoriteit
aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te
werken aan door de functionele autoriteit of een door de
functionele autoriteit aangewezen deskundige getroffen maatregelen
om hem in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid te
verrichten;
b. passende arbeid te verrichten
waartoe hij in de gelegenheid wordt gesteld; of
c. zijn medewerking te verlenen aan
het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als
bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO dan wel artikel 25,
tweede lid, van de WIA.
2. Bij de beoordeling of er sprake is
van een situatie als bedoeld in het eerste lid, kan de functionele
autoriteit de uitslag van de beoordeling door het UWV van de aanvraag
op grond van artikel 64 van de WIA betrekken.
Artikel 35f
De rechterlijk ambtenaar wordt ontslagen
in geval van aanvaarding van een benoeming als minister of
staatssecretaris. Ontslag als bedoeld in de eerste volzin wordt verleend
met ingang van de dag van het aanvaarden van de benoeming. In afwijking
van artikel 35 kan ontslag als bedoeld in de eerste volzin worden
verleend zonder voorafgaand advies hierover of voorstel hiervoor van de
functionele autoriteit of de rector.
Artikel 36
De rechterlijk ambtenaar kan worden
ontslagen op grond van:
a. ongeschiktheid voor het vervullen
van zijn ambt, anders dan wegens ziekte;
b. het verlies van een bij wettelijk
voorschrift gesteld vereiste voor benoeming in het door hem vervulde
ambt;
c. een onherroepelijk geworden
rechterlijke uitspraak waarbij hij onder curatele is gesteld of
wegens schulden is gegijzeld;
d. een onherroepelijk geworden
rechterlijke uitspraak waarbij hij wegens misdrijf is veroordeeld
tot een vrijheidsstraf;
e. het bij of in verband met
indiensttreding of keuring verstrekken van onjuiste of onvolledige
inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indienstneming of
goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de rechterlijk ambtenaar
aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld; of
f. het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd.
Artikel 36a
1. Aan de rechterlijk ambtenaar die in
tijdelijke dienst is benoemd, wordt geacht ontslag te zijn verleend
met ingang van de dag waarop de duur van de benoeming in tijdelijke
dienst is verstreken, tenzij sprake is van een stilzwijgende
voortzetting van een benoeming als bedoeld in artikel 2d, eerste en
tweede lid.
2. De rechterlijk ambtenaar die in
tijdelijke dienst is benoemd, kan tussentijds worden ontslagen, met
dien verstande dat dit ontslag niet eerder ingaat dan na het
verstrijken van een termijn van:
a. drie maanden, indien de
rechterlijk ambtenaar op de dag van de ontslagverlening ten minste
twaalf maanden onafgebroken als rechterlijk ambtenaar werkzaam is
geweest;
b. twee maanden, indien de
rechterlijk ambtenaar op de dag van de ontslagverlening ten minste
zes maanden onafgebroken als rechterlijk ambtenaar werkzaam is
geweest; en
c. een maand, indien de rechterlijk
ambtenaar op de dag van de ontslagverlening korter dan zes maanden
onafgebroken als rechterlijk ambtenaar werkzaam is geweest.
3. De in het tweede lid bedoelde
termijn kan, al dan niet op verzoek van de rechterlijk ambtenaar,
worden verkort. Indien dit niet op verzoek van de rechterlijk
ambtenaar geschiedt, wordt aan hem een bedrag uitbetaald dat gelijk is
aan de door hem laatstelijk genoten bezoldiging, vermeerderd met de
vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering, berekend over de periode
waarmee de in het tweede lid bedoelde termijn wordt verkort. De in de
tweede volzin bedoelde bevoegdheid wordt ten aanzien van een
rechterlijk ambtenaar uitgeoefend door Onze Minister
onderscheidenlijk, indien het een bij een gerechtshof of rechtbank
werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, door het gerechtsbestuur, en
ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar in opleiding uitgeoefend
door de Raad voor de rechtspraak.
4. Ontslag als bedoeld in het tweede
lid kan niet aan een vrouwelijke rechterlijk ambtenaar worden verleend
gedurende:
a. het zwangerschaps- en
bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en
zorg;
b. de periode van zwangerschap
voorafgaand aan het in onderdeel a bedoelde verlof; en
c. een periode van zes weken
volgend op het in onderdeel a bedoelde verlof, indien zij direct
na afloop van dat verlof haar werkzaamheden heeft hervat.
5. Van de vrouwelijke rechterlijk
ambtenaar kan ter staving van haar zwangerschap, bedoeld in het vierde
lid, onderdeel b, een verklaring van een arts of verloskundige worden
gevraagd.
6. Ontslag als bedoeld in het tweede
lid kan niet aan een rechterlijk ambtenaar worden verleend wegens de
omstandigheid dat hij:
a. melding heeft gemaakt van het
voornemen om ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 6:1 van de
Wet arbeid en zorg op te nemen dan wel ouderschapsverlof heeft
opgenomen;
b. in of buiten rechte een beroep
heeft gedaan op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen;
c. door een vereniging of centrale
van verenigingen als bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de wet
is aangewezen om binnen die vereniging of centrale dan wel binnen
een andere organisatie bestuurlijke of vertegenwoordigende
activiteiten te ontplooien, die ertoe strekken de doelstellingen
van die vereniging of centrale te ondersteunen; of
d. is geplaatst op een
kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de
ondernemingsraden, lid is van de ondernemingsraad of een commissie
daarvan dan wel korter dan twee jaren geleden lid is geweest van
de ondernemingsraad of een commissie daarvan.
Artikel 36b
1. De rechterlijk ambtenaar die in
vaste dienst is benoemd kan ook op andere gronden dan die bedoeld in
artikel 125e, tweede lid, van de Ambtenarenwet, de artikelen 3, zesde
lid, en 7, tweede lid, van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal
en Europees Parlement, artikel 27 van het Besluit opleiding
rechterlijke ambtenaren, en de artikelen 34b,35a, 35b, 35d tot en met
36a, 36z, 36aa en 36ab van dit besluit, worden ontslagen.
2. In geval van ontslag als bedoeld in
het eerste lid wordt een voorziening getroffen waarbij de rechterlijk
ambtenaar een uitkering ten laste van het in artikel 4 bedoelde gezag
wordt verleend die naar het oordeel van het in artikel 35 bedoelde
gezag met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten.
3. De in het tweede lid bedoelde
uitkering is ten minste gelijk aan het voor de rechterlijk ambtenaar
geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de WW en het
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke
ambtenaren, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van
verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW. Voor
zover ten gunste van de rechterlijk ambtenaar niet anders wordt
beslist, zijn op de uitkering voor het overige de WW en het Besluit
bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke
ambtenaren van overeenkomstige toepassing.
4. Indien de rechterlijk ambtenaar ter
zake van zijn ontslag ingevolge het eerste lid recht heeft op een
uitkering krachtens de WW of het Besluit bovenwettelijke uitkeringen
bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren, wordt de in het tweede
lid bedoelde uitkering door het inartikel 4 bedoelde gezag met die
uitkering verminderd.
Hoofdstuk 4a. Rechten en verplichtingen
bij reorganisaties
Artikel 36c
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan
onder:
a. functie: het samenstel van
werkzaamheden dat de rechterlijk ambtenaar verricht;
b. herplaatsen:
1°. het verplaatsen van een
rechterlijk ambtenaar;
2°. het wijzigen van de
vaststelling van het parket of gerecht waar een niet voor het
leven benoemde rechterlijk ambtenaar zijn functie vervult; of
3°. het benoemen van een niet
voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar in een passende
functie, anders dan de oorspronkelijke functie, bij een
gerecht of parket of anderszins binnen het gezagsbereik van
Onze Minister;
c. herplaatsingskandidaat: de te
herplaatsen rechterlijk ambtenaar;
d. passende functie: een functie
ten aanzien waarvan de herplaatsingskandidaat beschikt over de
kennis en kunde die noodzakelijk worden geacht voor het naar
behoren vervullen hiervan dan wel waarvoor hij binnen redelijke
termijn om-, her- of bijgeschoold kan worden, en die hem in
verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor
hem bestaande vooruitzichten redelijkerwijs kan worden opgedragen;
e. rechterlijk ambtenaar: de
rechterlijk ambtenaar die is aangesteld of aangewezen voor een al
dan niet volledige arbeidsduur;
f. reorganisatie: iedere wijziging
van de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van een
parket of een gerecht of een onderdeel daarvan, waaraan personele
consequenties zijn verbonden;
g. verplaatsen: het elders binnen
het eigen parket of eigen gerecht tewerkstellen van de rechterlijk
ambtenaar in een zelfde functie als de oorspronkelijke functie.
2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing
op de rechterlijke ambtenaren, werkzaam bij de Hoge Raad en het parket
bij de Hoge Raad.
Artikel 36d
Bij een reorganisatie zijn de bepalingen
van dit hoofdstuk van toepassing.
Artikel 36e
1.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden vastgesteld omtrent de procedure bij
reorganisaties en het herplaatsen van rechterlijke ambtenaren.
2.Voorzover de in het eerste lid
bedoelde regels van toepassing zijn op de bij een gerecht werkzame
rechterlijke ambtenaren worden deze regels vastgesteld na overleg met
de Raad voor de rechtspraak.
Artikel 36f
Tenzij anders is bepaald, worden de in
dit hoofdstuk genoemde bevoegdheden uitgeoefend door Onze Minister
onderscheidenlijk, indien het een bij een gerecht werkzame rechterlijk
ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur.
Artikel 36g
1.De vertegenwoordigers van de
Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en van de andere door Onze
Minister tot het overleg toegelaten verenigingen of centrales van
verenigingen van ambtenaren, bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de
wet, worden tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een
reorganisatie. Zij kunnen Onze Minister of het gerechtsbestuur
verzoeken om overleg over het voorgenomen besluit of onderdelen
daarvan, indien het een belangrijke reorganisatie betreft.
2.De betrokken ondernemingsraden worden
tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een
reorganisatie.
Artikel 36h
De rechterlijk ambtenaar benoemd in vaste
dienst, wiens functie in verband met een reorganisatie is opgeheven,
wordt aangewezen als herplaatsingskandidaat.
Artikel 36i
1. De rechterlijk ambtenaar benoemd in
vaste dienst, die in verband met een reorganisatie overtollig is,
wordt aangewezen als herplaatsingskandidaat, waarbij de rechterlijk
ambtenaar die het geringste aantal jaren op basis van een aanstelling
of aanwijzing als bedoeld in artikel 5f van de wet bij een parket of
gerecht werkzaam is geweest het eerst als herplaatsingskandidaat wordt
aangewezen.
2. Van overtolligheid als bedoeld in
het eerste lid is sprake indien binnen een parket of gerecht of een
onderdeel daarvan meer rechterlijke ambtenaren een vergelijkbare of
uitwisselbare functie vervullen en het totale aantal van die functies
zodanig wordt verminderd dat onvoldoende van die functies voor de
betrokken rechterlijke ambtenaren resteren.
3. Voor de berekening van het aantal
jaren, bedoeld in het eerste lid, worden voor een rechterlijk
ambtenaar mede in aanmerking genomen:
a. de tijd voorafgaand aan de
indiensttreding als rechterlijk ambtenaar bij een parket of een
gerecht als burgerlijk rijksambtenaar bij een parket of gerecht
doorgebracht, indien de indiensttreding als rechterlijk ambtenaar
bij een parket of een gerecht aansluitend hierop is geschied; en
b. de tijd gewijd aan de verzorging
van tot het huishouden van de rechterlijk ambtenaar behorende 0–4
jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een maximum van in
totaal zes jaren.
4. Van de volgorde in het eerste lid
kan worden afgeweken, indien dat naar het oordeel van Onze Minister of
het gerechtsbestuur noodzakelijk is en daarover overleg is gevoerd met
de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak of andere door Onze
Minister tot het overleg toegelaten verenigingen of centrales van
verenigingen van ambtenaren als bedoeld in artikel 50, tweede lid, van
de wet.
Artikel 36j
De rechterlijk ambtenaar wordt omtrent
zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat zo spoedig mogelijk
geïnformeerd.
Artikel 36k
1. Aan de niet voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar wordt binnen een periode van 18 maanden, te
rekenen vanaf het moment dat hij is aangewezen als
herplaatsingskandidaat, ten minste één passende functie aangeboden.
Het vorenstaande laat het gestelde in artikel 36aa, eerste lid,
onverlet.
2. De termijn, bedoeld in het eerste
lid, kan worden verkort indien:
a. de herplaatsingskandidaat heeft
geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit hoofdstuk
opgelegde verplichting, of;
b. reeds eerder in overleg met
herplaatsingskandidaat binnen de termijn kan worden vastgesteld
dat er geen mogelijkheden zijn om de herplaatsingskandidaat te
herplaatsen.
3. De termijn kan worden verlengd of
opgeschort, indien de omstandigheden naar het oordeel van Onze
Minister onderscheidenlijk, indien het een senior-gerechtsauditeur of
gerechtsauditeur betreft, het gerechtsbestuur daartoe aanleiding
geven.
4. De rechterlijk ambtenaar, bedoeld in
het eerste lid, wordt gelijktijdig met zijn aanwijzing als
herplaatsingskandidaat geïnformeerd over de aanvang en het einde van
de termijn als bedoeld in het eerste lid.
5. De herplaatsingskandidaat wordt
geïnformeerd over het verkorten, verlengen of opschorten van de
termijn, bedoeld in het tweede en het derde lid.
Artikel 36l
1. Aan de voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar wordt binnen een periode van 18 maanden, te
rekenen vanaf het moment dat hij is aangewezen als
herplaatsingskandidaat, ten minste één keer een zelfde functie als
zijn oorspronkelijke functie aangeboden binnen het eigen gerecht.
2. De rechterlijk ambtenaar, bedoeld in
het eerste lid, wordt gelijktijdig met zijn aanwijzing als
herplaatsingskandidaat geïnformeerd over de aanvang en het einde van
de termijn als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 36m
1. Ten aanzien van een
herplaatsingskandidaat, voor wie een functie als passend wordt
aangemerkt, kan in het kader van een reorganisatie worden besloten
tot:
a. verplaatsing: door Onze Minister
onderscheidenlijk, indien de herplaatsingskandidaat een bij een
gerecht werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het
gerechtsbestuur;
b. wijziging van de vaststelling
van het parket onderscheidenlijk het gerecht waar de
herplaatsingskandidaat zijn functie vervult: door Onze Minister
onderscheidenlijk, indien de herplaatsingskandidaat een bij een
gerecht werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, de Raad voor de
rechtspraak; of
c. benoeming in een passende
functie, anders dan de oorspronkelijke functie, bij een parket of
gerecht dan wel anderszins binnen het gezagsbereik van Onze
Minister: door het gezag dat krachtens de wet bevoegd is tot
benoeming in het ambt dat de betrokken rechterlijk ambtenaar
laatstelijk heeft vervuld.
2. Herplaatsing als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b of c, kan niet geschieden indien de
herplaatsingskandidaat een voor het leven benoemde rechterlijk
ambtenaar betreft.
3. Herplaatsing als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b of c, van een niet voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar geschiedt niet dan nadat de functionele
autoriteit hierover heeft geadviseerd dan wel het voorstel hiervoor
heeft gedaan.
Artikel 36n
De niet voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar die in het kader van een reorganisatie wordt
herplaatst in een functie bij een parket of gerecht of anderszins binnen
het gezagsbereik van Onze Minister waaraan een lager salaris is
verbonden dan aan zijn oorspronkelijke ambt, behoudt zijn
oorspronkelijke salaris gedurende de periode waarin hij die andere
functie vervult.
Artikel 36o
Onverminderd het bepaalde in de artikelen
36k, eerste lid, en 36l, eerste lid, is de herplaatsingskandidaat
verplicht al het mogelijke te doen om een passende functie te vinden.
Artikel 36p
1. De niet voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar die is aangewezen als herplaatsingskandidaat is
verplicht een hem aangeboden passende functie te aanvaarden.
2. De voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar die is aangewezen als herplaatsingskandidaat is
verplicht een hem aangeboden passende functie te aanvaarden binnen het
eigen gerecht.
Artikel 36q
1. De herplaatsingskandidaat die
slechts in een passende functie kan worden herplaatst na om-, her- of
bijscholing kan hiertoe worden verplicht voor zover dat redelijkerwijs
van hem kan worden gevergd.
2. Aan de rechterlijk ambtenaar die op
grond van het eerste lid verplicht is om scholing te volgen, wordt een
volledige vergoeding van de noodzakelijk te maken scholingskosten
toegekend. In bijzondere gevallen kan worden afgeweken van de vorige
volzin.
3. Aan de herplaatsingskandidaat kan
scholingsverlof met behoud van bezoldiging worden verleend.
4. De rechterlijk ambtenaar die op
grond van het eerste lid verplicht is om scholing te volgen, kan
worden verplicht tot terugbetaling van de aan hem toegekende
vergoeding van de scholingskosten:
a. bij onvoldoende resultaat in de
scholing of bij tussentijds afbreken van de scholing, indien dit
aan eigen schuld of toedoen van de rechterlijk ambtenaar is te
wijten;
b. bij ontslag tijdens het volgen
van de scholing en in bijzondere gevallen bij ontslag binnen een
termijn van maximaal drie jaren na het met voldoende resultaat
afronden van de scholing, tenzij de rechterlijk ambtenaar binnen
een maand na zijn ontslag elders dan bij een parket of gerecht, of
anderszins buiten het gezagsbereik van Onze Minister, in dienst
treedt, of aansluitend op zijn ontslag recht heeft op een
uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of
ouderdomspensioen.
5. De verplichting tot terugbetaling
wordt niet opgelegd aan de rechterlijk ambtenaar aan wie binnen 18
maanden nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat ontslag op
eigen verzoek wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie
elders dan bij een parket of gerecht, of anderszins buiten het
gezagsbereik van Onze Minister.
Artikel 36r
1.Aan de rechterlijk ambtenaar die in
verband met zijn herplaatsing in opdracht van Onze Minister of het
gerechtsbestuur is verhuisd, wordt eenmalig een bedrag toegekend
overeenkomstig artikel 49n van het Algemeen Rijksambtenarenreglement
ter tegemoetkoming in de daarmee verband houdende kosten.
2.In de gevallen waarin de rechterlijk
ambtenaar en zijn echtgenoot beiden in aanmerking komen voor een
bedrag als bedoeld in het eerste lid, ontvangt elk de helft daarvan.
Onder echtgenoot wordt mede verstaan de geregistreerde partner alsmede
de levenspartner met wie de niet gehuwde rechterlijk ambtenaar
samenwoont en, met het oogmerk duurzaam samen te leven, een
gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel
verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en
verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke
huishouding.
3.Het bedrag, bedoeld in het eerste
lid, wordt niet toegekend, indien de verhuizing niet heeft
plaatsgevonden binnen twee jaren nadat de opdracht om te verhuizen is
gegeven.
Artikel 36s
Aan de herplaatsingskandidaat kan een
premie ter grootte van maximaal drie maandsalarissen in het vooruitzicht
worden gesteld, indien aan hem binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen
als herplaatsingskandidaat ontslag op eigen verzoek als bedoeld in
artikel 35a, eerste lid, indien het een niet voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar betreft, dan wel ontslag op eigen verzoek als
bedoeld in artikel 46h, eerste lid, van de wet, indien het een voor het
leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft, is verleend.
Artikel 36t
1. Aan de herplaatsingskandidaat aan
wie ontslag op eigen verzoek is verleend wegens de aanvaarding van een
functie elders dan bij een parket of gerecht of anderszins buiten het
gezagsbereik van Onze Minister kan, onverminderd het bepaalde in
artikel 36s, een salarissuppletie worden toegekend, indien het in de
nieuwe functie genoten salaris lager is dan het salaris in de
oorspronkelijke functie.
2. De suppletie, bedoeld in het eerste
lid, wordt toegekend gedurende maximaal vijf jaar en is ten hoogste
gelijk aan het verschil tussen het in de oorspronkelijke functie
genoten salaris en het salaris in de nieuwe functie.
3. Onder door Onze Minister of het
gerechtsbestuur te stellen voorwaarden kan het recht op suppletie op
aanvraag van de herplaatsingskandidaat worden afgekocht.
Artikel 36u
Onze Minister of het gerechtsbestuur kan
de artikelen 36p, 36q, 36r en 36t toepassen op de rechterlijk ambtenaar
wiens functie binnen afzienbare tijd wordt opgeheven of de rechterlijk
ambtenaar die binnen afzienbare tijd als overtollig zal worden
aangemerkt.
Artikel 36v
1. De rechterlijk ambtenaar aan wie
ontslag op eigen verzoek wordt verleend in verband met de aanvaarding
van een functie elders dan bij een parket of gerecht, of anderszins
buiten het gezagsbereik van Onze Minister, heeft op grond van dat
ontslag aanspraak op een uitkering overeenkomstig het Besluit
bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector
Rechterlijke Macht.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt
slechts indien de rechterlijk ambtenaar is aangewezen als
herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 36h en 36i en hij
binnen twee jaar na de aanvaarding van een functie elders dan bij een
parket of gerecht, of anderszins buiten het gezagsbereik van Onze
Minister, anders dan door zijn schuld of toedoen wordt ontslagen.
3. Indien de rechterlijk ambtenaar
terzake van zijn ontslag ingevolge het tweede lid recht heeft op een
uitkering krachtens de Werkloosheidswet wordt de in het eerste lid
bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.
Artikel 36w
1.De rechterlijk ambtenaar die een
diensttijd heeft van tien jaar of meer en aan wie ontslag wordt
verleend op grond van artikel 36aa wordt een diensttijdgratificatie
toegekend ter grootte van een in verhouding tot de doorgebrachte
diensttijd evenredig gedeelte van een gratificatie bij ambtsjubileum.
Toekenning vindt niet plaats indien niet binnen een termijn van vijf
jaar na de datum van ingang van het ontslag aanspraak op een
gratificatie bij ambtsjubileum zou hebben bestaan.
2.Bij de bepaling van de diensttijd
wordt rekening gehouden met de tijd in overheidsdienst doorgebracht
overeenkomstig de bepalingen die gelden voor burgerlijke
rijksambtenaren.
Artikel 36x [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 36y [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 36z
1. Aan de niet voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar die heeft geweigerd te voldoen aan een hem op
grond van dit hoofdstuk opgelegde verplichting, kan op grond hiervan
ontslag worden verleend.
2. Ontslag als bedoeld in het eerste
lid gaat niet eerder in dan na het verstrijken van een termijn van
drie maanden, te rekenen vanaf de dag van ontslagverlening.
3. Ontslag als bedoeld in het eerste
lid wordt verleend door het gezag dat krachtens de wet bevoegd is tot
benoeming in het ambt dat de betrokken rechterlijk ambtenaar
laatstelijk heeft vervuld, met dien verstande dat niet wordt besloten
onderscheidenlijk een voordracht wordt gedaan dan nadat de functionele
autoriteit hierover heeft geadviseerd dan wel het voorstel hiervoor
heeft gedaan.
Artikel 36aa
1. Aan de niet voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar kan in het kader van een reorganisatie ontslag
worden verleend, indien het niet mogelijk is gebleken om hem te
herplaatsen in een passende functie.
2. Aan de niet voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar die in het kader van een reorganisatie is
herplaatst kan alsnog het ontslag, bedoeld in het eerste lid, worden
verleend indien binnen een periode van uiterlijk één jaar te rekenen
vanaf de datum waarop hij in een functie is herplaatst, blijkt dat de
desbetreffende functie niet passend is voor die rechterlijk ambtenaar
en het niet mogelijk is om de rechterlijk ambtenaar binnen een
redelijke termijn in een andere passende functie te plaatsen.
3. Ontslag als bedoeld in het eerste
lid gaat niet eerder in dan na het verstrijken van een termijn van
drie maanden, te rekenen vanaf de dag van ontslagverlening.
4. Artikel 36z, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot ontslag als bedoeld in
het eerste en tweede lid.
Artikel 36ab
1. Aan de niet voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar kan ontslag worden verleend, indien van hem in
redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij zich zal voegen in
overplaatsing over een aanmerkelijke afstand als gevolg van zijn
herplaatsing in het kader van een reorganisatie.
2. Aan de niet voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar kan binnen een periode van uiterlijk één jaar
nadat hij is herplaatst in het kader van een reorganisatie, met als
gevolg overplaatsing over een aanmerkelijke afstand, alsnog het
ontslag, bedoeld in het eerste lid, worden verleend indien van hem in
redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij zich hierin zal blijven
voegen.
3. Artikel 36z, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot ontslag als bedoeld in
het eerste en tweede lid.
4. Deartikelen 36n tot en met 36q, 36s,
36t en 36z zijn op de niet voor het leven benoemde rechterlijk
ambtenaar van overeenkomstige toepassing.
Artikel 36ac
Op de voor het leven benoemde rechterlijk
ambtenaar, die in het kader van een reorganisatie op eigen verzoek wordt
benoemd in een andere functie bij een gerecht of elders binnen het
gezagsbereik van Onze Minister dan wel voor wie in het kader van een
reorganisatie de vaststelling van het gerecht waar hij zijn functie
vervult op eigen verzoek wordt gewijzigd, zijn de artikelen 36n, 36q, en
36r van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 5. Overige rechtspositionele
voorschriften
Artikel 37
1. De functionele autoriteit besteedt
aan de wijze waarop de niet voor het leven benoemde rechterlijk
ambtenaar zijn ambt vervult regelmatig aandacht door middel van het
houden van functioneringsgesprekken of het opmaken van beoordelingen,
dan wel van beide.
2. Een beoordeling wordt in elk geval
opgemaakt wanneer de functionele autoriteit dit wenselijk acht en de
rechterlijk ambtenaar hierom verzoekt.
3. Alvorens een beoordeling wordt
vastgesteld bespreekt de functionele autoriteit deze met de
rechterlijk ambtenaar en wordt de rechterlijk ambtenaar de gelegenheid
geboden zijn zienswijze daaromtrent kenbaar te maken. Van deze
zienswijze wordt melding gemaakt op de beoordeling.
4. Van een functioneringsgesprek maakt
de functionele autoriteit een schriftelijk verslag op. De rechterlijk
ambtenaar wordt door de functionele autoriteit in de gelegenheid
gesteld zijn zienswijze omtrent dit verslag kenbaar te maken. Van deze
zienswijze wordt melding gemaakt in het verslag.
5. Onze Minister kan nadere regels
stellen omtrent het opmaken en vaststellen van beoordelingen.
Artikel 37a
1. De rechterlijk ambtenaar die de
leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, heeft, ongeacht of er sprake is
van gezondheidsproblemen, het recht om een maal per twee jaar een
algemene medische keuring te ondergaan.
2. De keuring wordt verricht door een
andere arts dan de eigen huisarts of specialist. De functionele
autoriteit kan een arts als bedoeld in de eerste volzin aanwijzen.
3. De kosten van de keuring komen voor
rekening van Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een bij een
gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het
gerechtsbestuur.
Artikel 37b
1. De functionele autoriteit besteedt
aan de wijze waarop de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar
zijn ambt vervult regelmatig aandacht door middel van het houden van
evaluatiegesprekken.
2. Een evaluatiegesprek vindt in elk
geval plaats wanneer de functionele autoriteit dit wenselijk acht of
de rechterlijk ambtenaar hierom verzoekt.
3. Van een evaluatiegesprek maakt de
functionele autoriteit een schriftelijk verslag op. De rechterlijk
ambtenaar wordt door de functionele autoriteit in de gelegenheid
gesteld zijn zienswijze omtrent dit verslag kenbaar te maken. Van deze
zienswijze wordt melding gemaakt in het verslag.
4. Indien de voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij een gerechtshof of rechtbank,
wordt in het eerste tot en met derde lid onder functionele autoriteit
verstaan: het bestuur van dat gerechtshof of die rechtbank,
uitgezonderd het niet-rechterlijk lid van dit bestuur.
Artikel 38
1. Een rechterlijk ambtenaar, die zijn
ambt op basis van een aanstelling vervult, of rechterlijk ambtenaar in
opleiding kan door de functionele autoriteit worden verplicht te gaan
of blijven wonen in of nabij de gemeente waarin het gerecht of parket,
waarbij hij werkzaam is of zijn opleiding doorbrengt, is gevestigd,
indien dit naar het oordeel van de functionele autoriteit in verband
met de vervulling van het ambt noodzakelijk is.
2. Aan de in het eerste lid bedoelde
verplichting dient de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar
in opleiding te voldoen binnen twee jaar nadat zij is opgelegd.
Artikel 38a
1. Een niet voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar kan door de functionele autoriteit worden
verplicht tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten dan die welke
hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs
kunnen worden opgedragen.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een rechterlijk ambtenaar in opleiding,
met dien verstande dat de functionele autoriteit gedurende de
binnenstage, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit
opleiding rechterlijke ambtenaren, niet een besluit als bedoeld in het
eerste lid neemt dan nadat hij hierover het advies van de rector heeft
ingewonnen.
Artikel 38b
Indien de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding een vaste vergoeding ontvangt uit
hoofde van de functie waarvoor hem op grond van artikel 45, eerste of
tweede lid, van de wet buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging is
verleend, wordt door het in artikel 45, eerste en tweede lid, van de wet
bedoelde gezag op zijn bezoldiging met betrekking tot de uren dat hij
dit verlof geniet een inhouding toegepast. Onze Minister stelt nadere
regels ter uitvoering van het bepaalde in de eerste volzin.
Artikel 38c [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 38ca [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 38d [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 38da [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 38e [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 38f [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 38g [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 38h
Onze Minister kan regels stellen ten
aanzien van het verrichten van werkzaamheden in het kader van de
ambtsvervulling in de woning van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk
ambtenaar in opleiding.
Artikel 38i
Onze Minister kan regels stellen ten
aanzien van de vergoeding van de literatuur die voor de rechterlijk
ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding naar het oordeel van de
functionele autoriteit noodzakelijk is voor een correcte uitoefening van
het ambt.
Artikel 38j
1. In dit artikel en de daarop
berustende bepalingen wordt onder ouder, kinderopvang respectievelijk
gastouderopvang verstaan hetgeen hieronder wordt verstaan in de Wet
kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
2. De rechterlijk ambtenaar die is
aangesteld voor een al dan niet volledige arbeidsduur of rechterlijk
ambtenaar in opleiding die ouder is, heeft recht op een bijdrage in de
kosten van kinderopvang en gastouderopvang.
3. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels gesteld worden omtrent de bijdrage in de kosten voor
kinderopvang en gastouderopvang.
Artikel 38k
1. De rechterlijke ambtenaren die zijn
aangesteld of aangewezen voor een al dan niet volledige arbeidsduur en
de rechterlijke ambtenaren in opleiding kunnen gebruikmaken van de
mogelijkheid tot individuele keuzen in het arbeidsvoorwaardenpakket.
2. Onze Minister stelt regels ten
aanzien van de mogelijkheid tot individuele keuzen in het
arbeidsvoorwaardenpakket.
Artikel 38l [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 38m [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 38n [Vervallen per 23-07-2004]
Artikel 38o [Vervallen per 23-07-2004]
Artikel 38p [Vervallen per 23-07-2004]
Artikel 38q
1. De rechterlijke ambtenaren die zijn
aangesteld of aangewezen voor een al dan niet volledige arbeidsduur en
de rechterlijke ambtenaren in opleiding kunnen gebruikmaken van de
mogelijkheid van levensloopverlof.
2. Onze Minister stelt regels ten
aanzien van levensloopverlof.
Artikel 39 [Vervallen per 01-07-2010]
Hoofdstuk 5a. Overleg
Artikel 39a
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. overleg: overleg, bedoeld in
artikel 48 van de wet;
b. Sectorcommissie: Sectorcommissie
rechterlijke macht, bedoeld in artikel 50 van de wet;
c. deelnemers aan het overleg: Onze
Minister en de Sectorcommissie; en
d. Advies- en Arbitragecommissie:
Advies- en Arbitragecommissie, bedoeld in artikel 39e.
Artikel 39b
1. Het overleg wordt gevoerd op een
zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de te
nemen besluiten.
2. Onze Minister is voorzitter van het
overleg. Onze Minister kan een ambtenaar machtigen als voorzitter van
het overleg op te treden.
3. Het secretariaat van het overleg
wordt gevoerd door een secretaris, zo nodig bijgestaan door een of
meer adjunct-secretarissen. Onze Minister benoemt de secretaris en
adjunct-secretarissen na overleg met de Sectorcommissie.
4. Van het overleg worden door de
secretaris notulen gemaakt, die worden toegezonden aan de deelnemers
van het overleg.
5. Onze Minister legt aangelegenheden
als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de wet voor aan de
Sectorcommissie.
6. De Sectorcommissie kan aan de
voorzitter van het overleg onderwerpen als bedoeld in artikel 48,
eerste en derde lid, van de wet ter plaatsing op de agenda opgeven.
7. De deelnemers aan het overleg kunnen
zich, na overleg met de voorzitter, doen bijstaan door een deskundige
of adviseur.
8. De deelnemers aan het overleg kunnen
omtrent het in het overleg besprokene geheimhouding overeenkomen.
Artikel 39c
1. Indien tijdens het overleg over een
voorstel als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de wet de
voorzitter onderscheidenlijk een of meer leden van de Sectorcommissie
tot het oordeel komt dat het overleg niet tot een uitkomst zal leiden
die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben,
brengt diegene dat oordeel binnen drie dagen nadat daarvan in het
overleg blijk is gegeven, schriftelijk ter kennis aan de leden van de
Sectorcommissie onderscheidenlijk aan de voorzitter en de overige
leden van de Sectorcommissie.
2. Binnen vijf dagen na de
kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, schrijft de voorzitter een
bijzondere vergadering uit. De vergadering wordt gehouden binnen zeven
dagen nadat zij is uitgeschreven. In deze vergadering wordt nagegaan
of:
a. het overleg wordt voortgezet of
wordt beëindigd; en
b. overeenstemming bestaat over het
onderwerp en de inhoud van het geschil, en of een oplossing van
dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van
het overleg nadat het advies is ingewonnen van de Advies- en
Arbitragecommissie dan wel door middel van onderwerping van het
geschil aan een arbitrale uitspraak van diezelfde commissie.
3. Tot het inwinnen van advies, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel b, is zowel de voorzitter van het overleg
als de Sectorcommissie bevoegd.
4. Voor het onderwerpen van het geschil
aan een arbitrale uitspraak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,
is overeenstemming vereist tussen de deelnemers aan het overleg.
Artikel 39d
Indien in een overleg tussen de
deelnemers een geschil ontstaat over de vraag of bij een voorstel als
bedoeld in artikel 51, tweede lid, onderdeel c, van de wet wordt voldaan
aan de voorwaarde dat het totaal van rechten en plichten over het geheel
beoordeeld niet ongunstiger wordt, wordt dat geschil onderworpen aan een
arbitrale uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie.
Artikel 39e
1. Er is een Advies- en
Arbitragecommissie, die tot taak heeft te adviseren dan wel een
arbitrale uitspraak te doen in de geschillen die haar ingevolgeartikel
39c, tweede lid, onderdeel b, of artikel 39d worden voorgelegd.
2. De leden en de plaatsvervangende
leden van de Advies- en Arbitragecommissie, bedoeld in artikel 110g
van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zijn van rechtswege tevens
lid onderscheidenlijk plaatsvervangend lid van de Advies- en
Arbitragecommissie. De voorzitter van de Advies- en
Arbitragecommissie, bedoeld in artikel 110g van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement, is van rechtswege voorzitter van de Advies-
en Arbitragecommissie. Daarnaast bestaat de Advies- en
Arbitragecommissie uit twee leden en twee plaatsvervangende leden die
door Onze Minister voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar worden
benoemd. De leden en plaatsvervangende leden, bedoeld in de derde
volzin, kunnen twee maal telkens voor ten hoogste vier jaar worden
herbenoemd. Onze Minister benoemt een van de twee leden en een van de
twee plaatsvervangende leden, bedoeld in de derde volzin, op
voordracht van de Sectorcommissie.
3. Uitgesloten van het lidmaatschap of
plaatsvervangend lidmaatschap van de Advies- en Arbitragecommissie
zijn:
a. personen die lid zijn van de
Sectorcommissie;
b. personen die bestuurslid zijn
van dan wel werkzaam zijn bij een vereniging of centrale van
verenigingen als bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de wet; en
c. personen die werkzaam zijn bij
een ministerie of een daaronder ressorterende instelling, dienst
of bedrijf en wier onafhankelijkheid en onpartijdigheid op grond
van hun dienstverband door de deelnemers aan het overleg
onvoldoende wordt geacht.
4. De personen, bedoeld in het derde
lid, zijn eveneens uitgesloten van het lidmaatschap of
plaatsvervangend lidmaatschap van de Advies- en Arbitragecommissie
gedurende een periode van twee jaar na beëindiging van het
lidmaatschap of het bestuurslidmaatschap, bedoeld in het derde lid,
onderdelen a en b, of van de werkzaamheden, bedoeld in het derde lid,
onderdelen b tot en met c.
5. Het secretariaat van de Advies- en
Arbitragecommissie wordt gevoerd door de secretaris van de Advies- en
Arbitragecommissie, bedoeld in artikel 110g van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement.
6. Aan de leden en plaatsvervangende
leden van de Advies- en Arbitragecommissie wordt door Onze Minister
een vergoeding van reis- en verblijfkosten verleend overeenkomstig de
bepalingen die voor burgerlijke rijksambtenaren met betrekking tot
reis- en verblijfkosten wegens dienstreizen gelden.
Artikel 39f
1. De Advies- en Arbitragecommissie
treedt in geval van advies of arbitrage met betrekking tot een geschil
als bedoeld in artikel 39e, eerste lid, op in een samenstelling van
vijf leden, onder wie de voorzitter en de twee door Onze Minister
benoemde leden. Bij verhindering van een lid treedt diens
plaatsvervanger op.
2. Indien het verzoek om arbitrage naar
het oordeel van de voorzitter een zelfde geschil betreft als waarover
door de Advies- en Arbitragecommissie reeds advies is uitgebracht,
treedt voor een lid dat bij het uitbrengen van dat advies was
betrokken, diens plaatsvervanger op.
Artikel 39g
1. Indien overeenkomstig artikel 39c,
tweede lid, onderdeel b, wordt besloten over een geschil advies in te
winnen van de Advies- en Arbitragecommissie, wordt binnen drie dagen
na de vergadering, bedoeld in artikel 39c, tweede lid, het verzoek om
advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de Advies- en
Arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers
van het overleg die zich voor het inwinnen van advies hebben
uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de inhoud van het
geschil. Indien in de vergadering, bedoeld in artikel 39c, tweede lid,
geen overeenstemming is bereikt tussen de deelnemers aan het overleg
over het onderwerp en de inhoud van het geschil, brengen de overige
deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en de inhoud van
het geschil eveneens binnen drie dagen na die vergadering ter kennis
aan de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie.
2. Indien overeenkomstig artikel 39c,
tweede lid, onderdeel b, wordt besloten een geschil aan een arbitrale
uitspraak te onderwerpen van de Advies- en Arbitragecommissie, wordt
binnen drie dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 39c, tweede
lid, het verzoek om een arbitrale uitspraak ter kennis gebracht van de
voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie. Het verzoek wordt
ondertekend door de deelnemers aan het overleg en bevat ten minste het
onderwerp en de inhoud van het geschil alsmede de standpunten van de
deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp en inhoud van het
geschil.
3. Indien overeenkomstig artikel 39d
een geschil wordt onderworpen aan een arbitrale uitspraak van de
Advies- en Arbitragecommissie, wordt zo spoedig mogelijk het verzoek
om een arbitrale uitspraak ter kennis gebracht van de voorzitter van
de Advies- en Arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door
de deelnemers van het overleg en bevat hun standpunten ten aanzien van
het onderwerp en de inhoud van het geschil.
Artikel 39h
1. De leden, de plaatsvervangende leden
en de secretaris van de Advies- en Arbitragecommissie, die bij de
uitoefening van hun taak de beschikking krijgen over gegevens waarvan
zij het vertrouwelijk karakter kennen of redelijkerwijs moeten
vermoeden, zijn, voor zover voor hen niet reeds uit hoofde van ambt,
beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een
geheimhoudingsplicht geldt, verplicht tot geheimhouding daarvan,
behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking
verplicht of uit hun taak de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
2. De Advies- en Arbitragecommissie
stelt bij reglement nadere regels vast met betrekking tot haar
werkwijze.
Artikel 39i
1. De Advies- en Arbitragecommissie
besluit bij meerderheid van stemmen.
2. Het advies of de arbitrale uitspraak
houdt in:
a. de namen van de deelnemers aan
het overleg die het verzoek om advies of een arbitrale uitspraak
hebben gedaan;
b. een overzicht van de standpunten
van de deelnemers aan het overleg over het onderwerp en de inhoud
van het geschil; en
c. het advies of de arbitrale
beslissing, met vermelding van de redenen die daaraan ten
grondslag liggen.
3. Het advies of de arbitrale uitspraak
wordt gedagtekend en door ieder van de optredende leden van de Advies-
en Arbitragecommissie ondertekend.
4. De voorzitter van de Advies- en
Arbitragecommissie draagt er zorg voor dat het advies of de arbitrale
uitspraak binnen vier weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld
in artikel 39g, aan de deelnemers aan het overleg ter kennis wordt
gebracht.
Artikel 39j
1. Binnen twee weken na ontvangst van
het advies, bedoeld in artikel 39i, tweede lid, wordt het overleg
tussen Onze Minister en de Sectorcommissie voortgezet.
2. De arbitrale uitspraak, bedoeld in
artikel 39i, tweede lid, heeft bindende kracht.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 40
Dit besluit treedt in werking met ingang
van 1 april 1994.
Artikel 41
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 21 maart 1994
BEATRIX
De Minister van Justitie a.i.,
E. van Thijn
Uitgegeven de negenentwintigste maart 1994
De Minister van Justitie a.i.,
E. van Thijn
Bijlage als bedoeld in artikel 5, eerste
lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren
|
Salariscategorie |
|
|
salaris in euro’s
per maand |
|
| |
|
|
per 1 april 2009 |
|
|
1 |
|
|
10501,20 |
|
|
2 |
|
|
9857,18 |
|
|
3 |
|
|
9253,82 |
|
|
4 |
|
|
8960,48 |
|
|
5 |
|
|
8685,54 |
|
|
6 |
|
aanvang |
7912,43 |
|
| |
|
na 1 jaar |
8162,51 |
|
| |
|
na 2 jaar |
8412,44 |
|
| |
|
na 3 jaar |
8685,54 |
|
|
7 |
|
aanvang |
6777,39 |
|
| |
|
na 1 jaar |
7209,95 |
|
| |
|
na 2 jaar |
7671,48 |
|
| |
|
na 3 jaar |
7912,43 |
|
|
8 |
|
aanvang |
6777,39 |
|
| |
|
na 1 jaar |
6991,39 |
|
| |
|
na 2 jaar |
7209,95 |
|
| |
|
na 3 jaar |
7437,16 |
|
|
9 |
|
aanvang |
5254,53 |
|
| |
|
na 1 jaar |
5395,83 |
|
| |
|
na 2 jaar |
5534,60 |
|
| |
|
na 3 jaar |
5683,04 |
|
| |
|
na 4 jaar |
5835,01 |
|
| |
|
na 5 jaar |
5990,55 |
|
| |
|
na 6 jaar |
6178,12 |
|
| |
|
na 7 jaar |
6372,28 |
|
| |
|
na 8 jaar |
6572,04 |
|
| |
|
na 9 jaar |
6777,39 |
|
|
10 |
|
aanvang |
4503,78 |
|
| |
|
na 1 jaar |
4615,61 |
|
| |
|
na 2 jaar |
4722,84 |
|
| |
|
na 3 jaar |
4835,19 |
|
| |
|
na 4 jaar |
4974,47 |
|
| |
|
na 5 jaar |
5114,75 |
|
| |
|
na 6 jaar |
5254,53 |
|
| |
|
na 7 jaar |
5395,83 |
|
| |
|
na 8 jaar |
5461,91 |
|
|
11 |
|
aanvang |
3947,19 |
|
| |
|
na 1 jaar |
4059,52 |
|
| |
|
na 2 jaar |
4171,34 |
|
| |
|
na 3 jaar |
4282,17 |
|
| |
|
na 4 jaar |
4389,91 |
|
| |
|
na 5 jaar |
4503,78 |
|
| |
|
na 6 jaar |
4615,61 |
|
| |
|
na 7 jaar |
4722,84 |
|
| |
|
na 8 jaar |
4835,19 |
|
| |
|
na 9 jaar |
4974,47 |
|
| |
|
na 10 jaar |
5044,61 |
|
|
12 |
|
aanvang |
2454,83 |
|
| |
|
na 1 jaar |
2566,64 |
|
| |
|
na 2 jaar |
2917,38 |
|
| |
|
na 3 jaar |
3268,11 |
|
| |
|
na 4 jaar |
3388,57 |
|
| |
|
na 5 jaar |
3500,91 |
|
| |
|
na 6 jaar |
3602,56 |
|
| |
|
na 7 jaar |
3708,80 |
|
| |
|
na 8 jaar |
3828,24 |
|
|
|
|