| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren (Wrra)
KOSTUUM-
EN TITULATUURBESLUIT RECHTERLIJKE ORGANISATIE
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 22 december 1997, betreffende de
titulatuur en het kostuum der rechterlijke ambtenaren alsmede het
kostuum van de advocaten en van de procureurs (Reglement II)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 september 1997,
Directie Wetgeving, nr. 653157/97/6;
Gelet op artikel 19 van de Wet op de
rechterlijke organisatie;
De Raad van State gehoord (advies van 6
november 1997, nr. W03.79.0609);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 17 december 1997, Directie Wetgeving, nr. 671101/97/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Eerste hoofdstuk. De titulatuur
Artikel 1
De rechterlijke ambtenaren voeren de volgende titulatuur:
a. de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, die
werkzaam zijn bij een rechtbank, alsmede de officieren van justitie,
de plaatsvervangende senior officieren van justitie A, de senior
officieren en de officieren van justitie, de officieren enkelvoudige
zittingen en de plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen
bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel
parket en het parket-generaal: die van edelachtbare heer of vrouwe;
b. de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, die
werkzaam zijn bij een gerechtshof, alsmede de senior
advocaten-generaal, de advocaten-generaal en de plaatsvervangende
senior advocaten-generaal, de advocaten-generaal bij een
ressortsparket of het parket-generaal: die van edelgrootachtbare
heer of vrouwe;
c. de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, die
werkzaam zijn bij de Hoge Raad, de procureur-generaal, de
plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal en de
advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, alsmede
de griffier en de substituut-griffier van de Hoge Raad: die van
edelhoogachtbare heer of vrouwe;
d. de procureurs-generaal die het College van procureurs-generaal
vormen: die van edelgrootachtbare heer of vrouwe.
Tweede hoofdstuk. Het ambtskostuum
Artikel 2
1. De in artikel 1 genoemde rechterlijke ambtenaren, en degenen die
door het bestuur zijn aangewezen of benoemd voor het verrichten van
griffierswerkzaamheden en de waarnemend griffiers bij de Hoge Raad
zijn gekleed in het voor ambt voorgeschreven kostuum, bestaande uit
een toga en een bef en, met inachtneming van de volgende artikelen,
een baret, wanneer zij binnen een gebouw, dat als gerechtsgebouw
dienst doet, in de uitoefening van ambt aanwezig zijn op een
terechtzitting of wanneer zij in een gebouw als vorenbedoeld anders
dan ter terechtzitting een ambtsverrichting vervullen, waarbij het
dragen van het kostuum gepast is.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de procureurs-generaal
die het College van procureurs-generaal vormen.
Artikel 3
1.De toga is een lange wijde mantel met een staande kraag ter
hoogte van ongeveer 4 cm, welke kraag aan de voorzijde in het midden
een opening heeft van 8 cm. De toga is geheel gemaakt van zwarte stof,
neerhangende tot ongeveer 10 cm boven de grond, in het midden van de
achterzijde onder de kraag, evenals zijwaarts aan de bovenkant van de
wijde mouwen, geplooid ingenomen, met aan de onderkant der mouwen
omslagen ter breedte van ongeveer 20 cm en aan de voorzijde in het
midden van boven tot onder om de 5 cm voorzien van een niet glimmende
kleine zwarte knoop, een en ander in overeenstemming met de bij dit
Reglement gevoegde afbeeldingen.
2.De toga wordt gesloten gedragen. Aan de onderkant der mouwen
behoort een voorziening te zijn getroffen, welke het terugvallen der
mouwen verhindert.
Artikel 4
Voor zover de toga is voorzien van banen, zijn deze ter breedte van
ongeveer 18 cm evenwijdig aan elkander met een tussenruimte van ongeveer
8 cm verticaal aan de voorzijde aangebracht en wel van de bovenkant van
elke schouder af tot aan de onderkant der toga.
Artikel 5
1. De toga van de de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak
belast, werkzaam bij de Hoge Raad, van de procureur-generaal, van de
plaatsvervangend procureur-generaal, van de advocaten-generaal en van
de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad en van
de griffier van de Hoge Raad is van zijde met banen en mouwomslagen
van zwart fluweel.
2. De toga van de president van en de procureur-generaal bij de
Hoge Raad is aan de buitenwaartse randen van de banen en aan de
bovenzijde van de mouwomslagen voorzien van een hermelijnen boordsel.
3. De toga van de substituut-griffier en van de waarnemende
griffiers van de Hoge Raad is van zijde zonder banen met mouwomslagen
van zwart fluweel.
Artikel 6
1. De toga van de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, is van dof grein of van een hierop gelijkende stof met
banen en mouwomslagen van zwarte zijde. Het gedeelte tussen de banen
is van zwart moiré.
2. De toga van degenen die door het bestuur van het gerechtshof
zijn aangewezen of benoemd voor het verrichten van
griffierswerkzaamheden bij een gerechtshof is van dof grein of van een
hierop gelijkende stof zonder banen en mouwomslagen van zwarte zijde.
Artikel 7
1. De toga van de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1,
onderdeel a, is van dof grein of van een hierop gelijkende stof met
banen en mouwomslagen van zwarte zijde.
2. De toga van degenen die door het bestuur van de rechtbank zijn
aangewezen of benoemd voor het verrichten van griffierswerkzaamheden
bij een rechtbank is van dof grein of van een hierop gelijkende stof
zonder banen en mouwomslagen van zwarte zijde.
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 10
1.De bef bestaat uit twee aan de bovenzijde aan elkander bevestigde
stukken geplooid wit batist of een hierop gelijkende stof, beide
stukken tezamen in geplooide toestand aan de bovenzijde 8 cm breed.
2.De bef heeft een lengte van 30 cm en mag aan de onderzijde niet
breder zijn dan 15 cm.
3.De bef wordt zodanig bevestigd, dat hetgeen zonder van de toga
deel uit te maken om de hals wordt gedragen niet zichtbaar is.
4.Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing indien en
voor zover een gesteven witte boord met witte strik wordt gedragen.
Artikel 11
De baret is rond en heeft een staande rand ter hoogte van 5 cm en een
5 cm buiten die rand uitstekend plat geplooid bovenstuk, dat in het
midden is voorzien van een platte knoop, bekleed met de stof, waarvan de
baret is vervaardigd, een en ander in overeenstemming met de bij dit
besluit gevoegde afbeeldingen.
Artikel 12
1. De baret van de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast,
werkzaam bij de Hoge Raad, van de procureur-generaal, de
plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal en de
advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad en van de
griffier van de Hoge Raad is van zwart fluweel met om de rand een
hermelijnen boordsel.
2. De baret van de substituut-griffier en van de waarnemende
griffiers van de Hoge Raad is van zwarte zijde zonder boordsel.
Artikel 13
1. De baret van de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, is van zwart fluweel, die van de advocaten-generaal en de
plaatsvervangend advocaten-generaal met de rand in zwarte zijde
geborduurd met eiken-en oranjetakken als aangegeven in de bij dit
besluit gevoegde afbeelding.
2. De rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens
president is van een gerechtshof kan een baret dragen met de rand in
zwarte zijde geborduurd met eiken- en oranjetakken als aangegeven in
de bij dit besluit gevoegde afbeelding.
3. De baret van degenen die door het bestuur van het gerechtshof
zijn aangewezen of benoemd voor het verrichten van
griffierswerkzaamheden bij een gerechtshof is van zwarte zijde of van
dezelfde stof als waarvan de daarbij gedragen toga is vervaardigd.
Artikel 14
1. De baret van de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1,
onderdeel a, is van zwarte zijde, die van de hoofdofficier van
justitie met de rand van zwart fluweel.
2. De rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens
president is van een rechtbank kan een baret dragen met de rand van
zwart fluweel.
3. De baret van degenen die door het bestuur van de rechtbank zijn
aangewezen of benoemd voor het verrichten van griffierswerkzaamheden
bij een rechtbank is van zwarte zijde of van dezelfde stof als waarvan
de daarbij gedragen toga is vervaardigd.
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 17
Tenzij het bestuur van een gerecht of de president van de Hoge Raad
voor plechtige terechtzittingen anders bepaalt, kan de baret tijdens de
terechtzitting of de ambtsverrichting ter zijde worden gelegd.
Artikel 18
De raadsheer-plaatsvervanger in een gerechtshof, de
rechter-plaatsvervanger in een rechtbank, de plaatsvervangend
advocaat-generaal, de plaatsvervangend officier van justitie en de
plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen zijn, wanneer zij
tijdens de vervulling van hun ambt ingevolge het bepaalde in artikel 2
een ambtskostuum dragen, gekleed hetzij in het kostuum, behorende bij
het door hen waargenomen ambt, hetzij in het kostuum van de advocaat.
Artikel 19
De rechterlijk ambtenaar, werkzaam bij het openbaar ministerie, die
wordt belast met de waarneming van een ander rechterlijk ambt bij het
openbaar ministerie, is, wanneer hij tijdens het vervullen van de
werkzaamheden behorende bij dat andere ambt het in artikel 2 bedoelde
kostuum moet dragen, gekleed in het voor zijn eigen ambt voorgeschreven
kostuum.
Artikel 20
1.Tijdens plechtige terechtzittingen en eveneens wanneer zij in het
bij artikel 2 bedoelde kostuum een buiten een gerechtsgebouw plaats
vindende openbare plechtigheid bijwonen, dragen de aldaar genoemde
personen onder de toga donkere kleding en zwarte schoenen.
2.Het bestuur van een gerecht of de president van de Hoge Raad is
bevoegd ter gelegenheid van een terechtzitting of plechtigheid als in
het eerste lid bedoeld, het dragen van ridderorden en eretekenen voor
te schrijven. Deze dienen alsdan door hen, die daartoe gerechtigd
zijn, gedragen te worden in modelformaat overeenkomstig het gebruik en
overeenkomstig de desbetreffende statuten en reglementen.
Derde hoofdstuk. Het galakostuum
Artikel 21
Individueel ten Hove verschijnende of openbare plechtigheden
bijwonende, kunnen de in artikel 1 genoemde rechterlijke ambtenaren een
kostuum dragen, bestaande uit:
a. een geklede zwarte lakense rok, met zwarte zijde gevoerd en
voorzien van zakken met kleppen, van mouwen met omslagen en van de
navolgende knopen met rijkswapen: 9 stuks aan de voorzijde, 2 stuks
in de taille, 2 stuks op de onderzijde van de rokpanden en 3 stuks
onder elke zakklep;
b. een zwarte lakense broek met op de buitennaden een galon ter
breedte van 4 cm;
c. een tweebladige steek met zwarte liggende struisveren, oranje
cocarde, een lis van zes strengen en een knoop als op de rok;
bij welk kostuum wordt gedragen een degen met verguld gevest in
een zwarte schede; een en ander met inachtneming van het bepaalde
bij de artikelen 22 tot en met 26 en in overeenstemming met de
afbeeldingen, welke door Onze Minister van Justitie zullen worden
bewaard.
Artikel 22
1. De rok, gedragen door de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak
belast, werkzaam bij de Hoge Raad, de procureur-generaal, de
plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal en de
advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, zomede de
griffier van de Hoge Raad is in goud geborduurd met eiken- en
oranjetakken op de kraag, op de zakkleppen, op het rugstuk tussen deze
kleppen en op de omslagen der mouwen, het borduursel ter breedte van 6
cm, de knopen verguld.
2. De broek, gedragen door de in het eerste lid genoemde
rechterlijke ambtenaren, is voorzien van goudgalon.
3. De steek, gedragen door de in het eerste lid genoemde
rechterlijke ambtenaren, heeft een lis van goud.
Artikel 23
1. De rok, gedragen door de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in
artikel 1, onderdeel b, alsmede degenen die door het bestuur zijn
aangewezen of benoemd voor het verrichten van griffierswerkzaamheden
bij een gerechtshof is in zilver geborduurd met eiken- en oranjetakken
op de kraag, op de zakkleppen, op het rugstuk tussen deze kleppen en
op de omslagen der mouwen, het borduursel ter breedte van 6 cm, de
knopen verzilverd.
2. De broek, gedragen door de in het eerste lid genoemde
rechterlijke ambtenaren, is voorzien van zilvergalon.
3. De steek, gedragen door de in het eerste lid genoemde
rechterlijke ambtenaren, heeft een lis van zilver.
Artikel 24
1. De rok, gedragen door de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in
artikel 1, onderdeel a, en degenen die door het bestuur zijn
aangewezen of benoemd voor het verrichten van griffierswerkzaamheden
bij een rechtbank, is in zilver geborduurd met eiken- en oranjetakken
op de kraag, op de zakkleppen, op het rugstuk tussen deze kleppen en
op de omslagen der mouwen, het borduursel ter breedte van 4 cm, de
knopen verzilverd.
2. De broek, gedragen door de in het eerste lid genoemde
rechterlijke ambtenaren, is voorzien van zilvergalon.
3. De steek, gedragen door de in het eerste lid genoemde
rechterlijke ambtenaren, heeft een lis van zilver.
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 26
Het in artikel 21 bedoelde kostuum voor de substituut-griffier van de
Hoge Raad is gelijk aan het kostuum dat in artikel 22 is voorgeschreven
voor de griffier van de Hoge Raad, met dien verstande dat het borduursel
op de omslagen van de mouwen de halve breedte heeft.
Vierde hoofdstuk. Het kostuum van de advocaten
Artikel 27
1.De advocaten, in hun hoedanigheid binnen een gebouw, dat als
gerechtsgebouw dienst doet, optredende ter terechtzitting van een in
artikel 1 genoemd college of ter gelegenheid van een ambtsverrichting
bij de vervulling waarvan het college of de hiervan lid zijnde
rechterlijke ambtenaar het kostuum draagt, zomede tijdens hun
beëdiging zijn gekleed in toga met bef.
2.De advocaten mogen de toga met bef eveneens dragen, wanneer zij
in hun hoedanigheid binnen een gebouw, dat als gerechtsgebouw dienst
doet, optreden ter terechtzitting van een kantonrechter of ter
gelegenheid van een ambtsverrichting, bij de vervulling waarvan de
kantonrechter het kostuum draagt.
3.Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing,
indien een advocaat in zijn hoedanigheid optreedt voor een niet in
artikel 1 genoemd rechtscollege, waarvan de leden of een lid ter
terechtzitting een ambtskostuum dragen of draagt.
4.Indien het bestuur van een gerecht of de president van de Hoge
Raad ter gelegenheid van een terechtzitting of plechtigheid als
bedoeld in artikel 20 het dragen van ridderorden en eretekenen heeft
voorgeschreven, geldt zijn voorschrift ook voor de advocaten, die de
zitting of plechtigheid bijwonen.
Artikel 28
De toga van de advocaten is gelijk aan die, welke is omschreven in
artikel 3, met dien verstande, dat de toga is van dof grein of van een
hierop gelijkende stof zonder banen met aan de mouwen omslagen van
dezelfde stof.
Artikel 29
1.De door de advocaten te dragen bef is gelijk aan die, welke is
omschreven in het eerste en tweede lid van artikel 10.
2.De bef wordt door de advocaten zodanig bevestigd, dat hetgeen
zonder van de toga deel uit te maken om de hals wordt gedragen niet
zichtbaar is.
3.Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing, indien en
voor zover een gesteven witte boord met witte strik wordt gedragen.
Artikel 30
1.De advocaten mogen in de gevallen, waarin zij een toga met bef
dragen, desverkiezende gedekt zijn met een baret.
2.De door de advocaten gedragen baret is gelijk aan die, welke is
omschreven in artikel 11, met dien verstande, dat de baret moet zijn
van dezelfde stof als waarvan de daarbij gedragen toga is vervaardigd.
Vijfde hoofdstuk. Slotbepalingen
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 33
Dit besluit wordt aangehaald als: Kostuum- en titulatuurbesluit
rechterlijke organisatie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 22 december 1997
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de dertigste december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage bij het Reglement II
Afbeeldingen als bedoeld in artikel 3

Toga met banen (vooraanzicht)

Toga met banen (zijaanzicht)

Toga met banen (achteraanzicht)

Toga zonder banen (vooraanzicht)

Toga zonder banen (zijaanzicht)

Toga zonder banen (achteraanzicht)
Afbeeldingen als bedoeld in artikel 11

Baret (zonder boordsel) (zijaanzicht)

Baret (bovenaanzicht)
Afbeelding als bedoeld in artikel 13

|
|
|