| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet rijonderricht
motorrijtuigen 1993 (WRM)
BESLUIT
RIJONDERRICHT MOTORRIJTUIGEN
Tekst zoals deze geldt op
16 april 2009
Vervallen
m.i.v. 1 juni 2009
|
|
|
BESLUIT van 17 november 1994, houdende vaststelling
Besluit rijonderricht motorrijtuigen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni 1994,
nr. R 175817, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling
Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 5, 8, 9, 10, 17, 21, 22
en 23 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993;
De Raad van State gehoord (advies van 5
september 1994, nr. W09.94.0408);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 11 november 1994, nr. R 184777, Hoofddirectie
van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
wet: Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993.
Hoofdstuk II. Categorieën certificaten
Artikel 2
Certificaten worden afgegeven voor het geven van rijonderricht voor
de volgende categorieën motorrijtuigen:
a. motorrijtuigen voor het besturen waarvan rijbewijs A als
bedoeld in het Reglement rijbewijzen is vereist (categorie A);
b. motorrijtuigen voor het besturen waarvan rijbewijs B als
bedoeld in het Reglement rijbewijzen is vereist (categorie B);
c. motorrijtuigen voor het besturen waarvan rijbewijs C als
bedoeld in het Reglement rijbewijzen is vereist (categorie C);
d. motorrijtuigen voor het besturen waarvan rijbewijs D als
bedoeld in het Reglement rijbewijzen is vereist (categorie D);
e. samenstellen van motorrijtuig en getrokken voertuig, voor het
besturen waarvan rijbewijs E in combinatie met rijbewijs B als
bedoeld in het Reglement rijbewijzen is vereist (categorie E bij B);
f. samenstellen van motorrijtuig en getrokken voertuig, voor het
besturen waarvan rijbewijs E in combinatie met rijbewijs C of D als
bedoeld in het Reglement rijbewijzen is vereist (categorie E bij B,
C en D);
g. motorrijtuigen voor het besturen waarvan rijbewijs AM als
bedoeld in het Reglement rijbewijzen is vereist (categorie AM).
Artikel 3
De in artikel 5, eerste lid, van de wet bedoelde ambtenaren doen aan
het instituut ten behoeve van het bijhouden van het register mededeling
omtrent onbevoegd in certificaten aangebrachte wijzigingen als bedoeld
in de artikelen 14 en 19 van de wet.
Hoofdstuk III. Rijonderricht
§ 1. Vooropleiding
Artikel 4
1. Bij de aanvraag voor het afleggen van het examen rijinstructeur
dient de aanvrager een bewijsstuk aan het instituut over te leggen
waaruit blijkt dat de aanvrager met goed gevolg een opleiding heeft
gevolgd op het niveau van ten minste middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs, lager danwel voorbereidend beroepsonderwijs of individueel
beroepsonderwijs.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet ten aanzien van de
aanvrager die reeds beschikt over een certificaat voor het geven van
rijonderricht.
§ 2. Uitzondering certificaatplicht
Artikel 5
1. Artikel 7 van de wet is niet van toepassing op degene die in
verband met het verkrijgen van de bekwaamheid tot het geven van
rijonderricht, in het bezit is van een door het instituut afgegeven
ontheffing.
2. Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld omtrent de
personen die in aanmerking komen voor een ontheffing, alsmede omtrent
de aanvraag van een ontheffing.
3. Een ontheffing is geldig gedurende 6 maanden, gerekend vanaf de
dag van afgifte, en wordt slechts eenmaal verstrekt. De
geldigheidsduur van een ontheffing ten behoeve van de opleiding tot
politierijinstructeur wordt bij elke ontheffing afzonderlijk
vastgesteld en bedraagt ten hoogste 12 maanden.
4. Een ontheffing is slechts geldig voor het geven van
rijonderricht in de op het bewijs van ontheffing vermelde categorie of
categorieën van motorrijtuigen.
5. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij
ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld omtrent deze
voorschriften.
6. De ontheffing kan door het instituut worden ingetrokken indien
de voorschriften niet worden nageleefd.
7. Het ontheffingsbewijs dient te voldoen aan de bij ministeriële
regeling vastgestelde eisen inzake inrichting en uitvoering en dient
behoorlijk leesbaar te zijn.
8. Artikel 12 van de wet is van overeenkomstige toepassing.
9. Van de afgifte en de intrekking van een ontheffing wordt door
het instituut aantekening gemaakt in het in artikel 4 van de wet
bedoelde register.
§ 3. Bekwaamheidseisen
Artikel 6
De eisen van bekwaamheid tot het geven van rijonderricht, bedoeld in
artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de wet, luiden als volgt:
A. Kennis van verkeer, verkeerswetgeving en vakbekwaamheidseisen:
1. kennis van de voorschriften van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990, van de Wegenverkeerswet
1994, van het Voertuigreglement, van het Reglement rijbewijzen,
van het Kentekenreglement en van de Wet rijonderricht
motorrijtuigen 1993, inzicht in de achtergrond van het RVV 1990
en de Wegenverkeerswet 1994, alsmede enige kennis omtrent het
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, de Wet op de
motorrijtuigenbelasting 1994, de Wet administratiefrechtelijke
handhaving verkeersvoorschriften en het Wetboek van
strafvordering voor zover van belang voor het wegverkeer;
1a. kennis van de vakbekwaamheidseisen als bedoeld in de
ingevolge hoofdstuk VIIA van de Wegenverkeerswet 1994 aangewezen
richtlijn vakbekwaamheid bestuurders;
2. inzicht in het oplossen van verkeersopgaven;
3. kennis van en inzicht in verkeersrisico's en adequaat
handelen indien zodanige omstandigheden zich voordoen;
4. kennis van en inzicht in het gedrag en te verwachten
gedrag van andere weggebruikers;
5. kennis van en inzicht in de problematiek van de mobiliteit
en verkeersdoorstroming;
6. kennis van en inzicht in de invloed van het gemotoriseerd
verkeer op het milieu;
7. kennis van en inzicht in de werking van het motorrijtuig
voor zover rechtstreeks van belang voor de instructie van de
bediening van het voertuig, alsmede kennis van en inzicht in het
belang van voertuigonderhoud voor de veiligheid en het milieu;
8. kennis van en inzicht inzake adequaat optreden bij
verkeersongevallen;
B. Rijvaardigheid en voertuigbeheersing:
9. vaardigheid in het onder alle omstandigheden bedienen van
het voertuig, met inbegrip van handelen bij storing van het
voertuig;
10. vaardigheid in het onder alle omstandigheden goed en
bewust aan het verkeer deelnemen, met inbegrip van het oplossen
van verkeersopgaven alsmede het tijdig onderkennen van risico's
en het verantwoord reageren daarop;
C. Onderwijsdeskundigheid:
11. kennis en beheersing van algemene instructie- en
begeleidingsprincipes;
12. kennis van en inzicht in voor de rijopleiding relevante
verschillen tussen leerlingen, alsmede de wijze waarop de
opleiding daarop moet worden gericht;
13. kennis en inzicht inzake de beoordeling van de
vaardigheid van leerlingen;
14. kennis van onderwijskundige hulpmiddelen en inzicht in de
juiste toepassing daarvan;
15. vaardigheid in het geven van theorieles;
16. vaardigheid in het geven van praktijkles;
17. vaardigheid in het corrigerend optreden tijdens de
praktijkles;
18. vaardigheid in het aanpassen van de opleiding aan
individuele leerlingen;
19. vaardigheid in het beoordelen van leerlingen;
20. vaardigheid in het toepassen van onderwijskundige
hulpmiddelen.
Artikel 7
1. Voor de eerste afgifte van een certificaat voor het geven van
rijonderricht met betrekking tot motorrijtuigen van de
rijbewijscategorie A of B moet door de aanvrager worden voldaan aan de
in artikel 6 genoemde eisen, met uitzondering van onderdeel 1a.
2. Voor de eerste afgifte van een certificaat voor het geven van
rijonderricht met betrekking tot motorrijtuigen van de
rijbewijscategorie A of B aan een aanvrager die reeds beschikt over
een geldig certificaat voor de categorie B of A, dan wel over een
geldig certificaat voor het geven van rijonderricht met betrekking tot
bromfietsen, moet door de aanvrager worden voldaan aan de in artikel 6
genoemde eisen, met uitzondering van de onderdelen 1a, 8, 15, 18, 19
en 20.
3. Voor de eerste afgifte van een certificaat voor het geven van
rijonderricht met betrekking tot motorrijtuigen van de
rijbewijscategorie C of D moet de aanvrager beschikken over een geldig
certificaat voor de categorie B en moet door de aanvrager worden
voldaan aan de in artikel 6 genoemde eisen, met uitzondering van de
onderdelen 8, 15, 18, 19 en 20.
4. Voor de eerste afgifte van een certificaat voor het geven van
rijonderricht met betrekking tot voertuigen van de rijbewijscategorie
E bij B moet de aanvrager beschikken over een geldig certificaat voor
de categorie B en moet door de aanvrager worden voldaan aan de in
artikel 6, onderdelen 9, 10 en 16, genoemde eisen.
5. Voor de eerste afgifte van een certificaat voor het geven van
rijonderricht met betrekking tot voertuigen van de
rijbewijscategorieën E bij C en E bij D moet de aanvrager beschikken
over een geldig certificaat voor de categorie C en moet door de
aanvrager worden voldaan aan de in artikel 6, onderdelen 9, 10 en 16,
genoemde eisen.
6. Voor de eerste afgifte van een certificaat voor het geven van
rijonderricht met betrekking tot voertuigen van de categorie AM, moet
door de aanvrager worden voldaan aan de in artikel 6 genoemde eisen,
met uitzondering van de onderdelen 1a, 9, 10, 16 en 17.
7. Voor de eerste afgifte van een certificaat voor het geven van
rijonderricht met betrekking tot voertuigen van de categorie AM, aan
een aanvrager die reeds beschikt over een geldig certificaat voor de
categorie B of A, moet door de aanvrager worden voldaan aan de in
artikel 6 genoemde eisen, met uitzondering van de onderdelen 1a, 8 tot
en met 10 en 15 tot en met 20.
8. Voor de toepassing van het eerste, tweede, derde, zesde en
zevende lid moet de aanvrager voor wat betreft de eisen, genoemd onder
1, 2, 3, 4 en 7, in het bijzonder voldoen aan de eisen voor zover die
eisen betrekking hebben op de categorie motorrijtuigen waarvoor
afgifte van een certificaat wordt gevraagd.
Artikel 8
1. Voor de afgifte van een certificaat in verband met het
verstrijken van de geldigheidsduur van een eerder aan de aanvrager
afgegeven certificaat, moet door de aanvrager worden voldaan aan de
volgende eisen inzake het behoud van bekwaamheid als bedoeld in
artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de wet:
A. Kennis van verkeer en verkeerswetgeving:
1. kennis van en inzicht in de achtergrond van de
voorschriften van de Wegenverkeerswet 1994, het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990 en het Reglement
rijbewijzen, alsmede globale kennis van het Voertuigreglement;
2. inzicht in het oplossen van verkeersopgaven in relatie
tot onderdeel 1;
3. kennis van en inzicht in ontwikkelingen op het gebied
van de verkeersveiligheid alsmede op het gebied van de
mobiliteit en verkeersdoorstroming;
4. kennis van en inzicht in ontwikkelingen inzake de
invloed van het gemotoriseerd verkeer op het milieu;
B. Onderwijsdeskundigheid:
5. kennis en beheersing van algemene instructie- en
begeleidingsprincipes;
6. kennis van en inzicht in voor de rijopleiding relevante
verschillen tussen leerlingen, alsmede de wijze waarop de
opleiding daaraan moet worden aangepast;
7. kennis en inzicht inzake de beoordeling van de
vaardigheid van leerlingen;
8. kennis van onderwijskundige hulpmiddelen en inzicht in
de juiste toepassing daarvan.
2. Indien een afgifte bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op
een certificaat voor het geven van rijonderricht met betrekking tot
voertuigen van de rijbewijscategorieën C, D, E bij C of E bij D,
beschikt de aanvrager over een ingevolge hoofdstuk VIIA van de
Wegenverkeerswet 1994 voor deze rijbewijscategorieën vereist geldig
getuigschrift.
Artikel 9
1. Bij ministeriële regeling kunnen instructeursbewijzen die door
het bevoegde gezag in het buitenland zijn afgegeven, worden
aangewezen, op basis waarvan certificaten voor het geven van
rijonderricht kunnen worden afgegeven.
2. Onze Minister wijst slechts instructeursbewijzen aan die door
hem als gelijkwaardig worden beoordeeld aan certificaten die zijn
afgegeven nadat aan de in artikel 6 bedoelde eisen is voldaan.
3. Onze Minister kan bij de aanwijzing van een buitenlands
instructeursbewijs aanvullende eisen stellen waaraan de aanvrager voor
afgifte van een certificaat dient te voldoen, alsmede bepalen op welke
wijze daarvan blijk dient te worden gegeven.
Hoofdstuk IV. Bijscholing
Artikel 10
De hoofdopleiding, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel a,
van de wet, waarvan het bezit van een geldig diploma is vereist voor de
afgifte van een certificaat voor het geven van bijscholing, is een
opleiding op het niveau van het wetenschappelijk onderwijs of het
hoger-beroepsonderwijs, waarbij is geëxamineerd in een van de volgende
vakken: psychologie, pedagogiek, andragogiek, voorlichtingskunde
onderwijskunde of in een ander gelijksoortig vak.
Artikel 11
De voor de afgifte van een certificaat voor het geven van bijscholing
vereiste beroepservaring als bedoeld in artikel 17, tweede lid,
onderdeel b, van de wet, bedraagt ten minste twee jaren.
Artikel 12
De aanvullende eisen van bekwaamheid voor het geven van bijscholing
als bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel c, van de wet op het
gebied van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid of van de
rijvaardigheid van de houder van een rijbewijs luiden als volgt:
a. kennis van de hoofdlijnen van de verkeerswetgeving en van het
oplossen van verkeersopgaven;
b. kennis van probleemgedrag en verkeersongevallen in relatie tot
psychologische, sociale en medische factoren;
c. kennis van probleemgedrag en verkeersongevallen in relatie tot
de factoren voertuig en omgeving;
d. kennis van en vaardigheid in het organiseren, geven en
evalueren van bijscholing.
Hoofdstuk V. Maatregelen vakbekwaamheid
Artikel 13
1. De verplichting tot het afleggen van een toets, bedoeld in
artikel 21, derde lid, en artikel 23, vierde lid, van de wet, wordt
aan een houder van een certificaat opgelegd indien:
a. bij het besluit, bedoeld in artikel 21, derde lid, van de
wet, dat geen onderzoek is vereist, blijkt dat betrokkene niet
voldoet aan de in artikel 6, onder A, B of C, van dit besluit
gestelde eisen van bekwaamheid;
b. uit de uitslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 23 van
de wet, blijkt dat betrokkene niet voldoet aan de in artikel 6,
onder A, B of C, van dit besluit gestelde eisen van bekwaamheid.
2. Bij het opleggen van de verplichting tot het afleggen van een
toets geeft Onze Minister aan op welk onderdeel of welke onderdelen
van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 6, de toets betrekking dient
te hebben.
Artikel 14
1. Tijdstip waarop en plaats waar de houder van een certificaat het
in artikel 21, tweede lid, van de wet bedoelde onderzoek dient te
ondergaan, dan wel de in artikel 21, derde lid, van de wet bedoelde
toets moet afleggen, worden door de aangewezen deskundige of
deskundigen ingeval het een onderzoek betreft, dan wel door het
instituut ingeval het een toets betreft, vastgesteld en aan betrokkene
bij aangetekende brief medegedeeld.
2. Indien betrokkene niet op de vastgestelde tijd en plaats
aanwezig is terwijl van een geldige reden van verhindering blijkt,
worden tijd en plaats voor het onderzoek dan wel de toets opnieuw door
de deskundige of deskundigen dan wel door het instituut vastgesteld en
aan betrokkene bij aangetekende brief medegedeeld.
3. Indien betrokkene niet op de vastgestelde tijd en plaats
aanwezig is zonder dat van een geldige reden van verhindering blijkt,
wordt daarvan door de aangewezen deskundige of deskundigen dan wel
door het instituut mededeling gedaan aan Onze Minister.
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 15
Tot het tijdstip waarop hoofdstuk VI van de Wegenverkeerswet 1994 en
het Reglement rijbewijzen in werking treden, treden voor de toepassing
van artikel 6, onderdeel A, onder 1, en artikel 8, onderdeel A, onder 1,
van dit besluit de op rijbewijzen, rijvaardigheid en rijbevoegdheid
betrekking hebbende bepalingen van de Wegenverkeerswet en hoofdstuk VI
van het Wegenverkeersreglement in de plaats van hoofdstuk VI van de
Wegenverkeerswet 1994 en het Reglement rijbewijzen.
Artikel 16
Ten aanzien van onderzoeken en examens rijinstructeur, die zijn
aangevraagd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 9 van
de wet, treden tot één jaar na dat tijdstip de eisen zoals vastgesteld
in het Besluit van 11 oktober 1974 (Stb. 633), houdende vaststelling van
de eisen van bekwaamheid tot het geven van rijonderricht, in de plaats
van de in artikel 6 van het onderhavige besluit vastgestelde eisen,
tenzij de aanvrager uitdrukkelijk om toepassing van de in artikel 6
opgenomen eisen verzoekt.
Artikel 17
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 18
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rijonderricht
motorrijtuigen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 17 november 1994
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de eerste december 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|