| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet rijonderricht
motorrijtuigen 1993 (WRM)
BESLUIT
RIJONDERRICHT MOTORRIJTUIGEN 2009
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 4 mei 2009, houdende vaststelling
van regels met betrekking tot het geven van rijonderricht in het
besturen van motorvoertuigen (Besluit rijonderricht motorrijtuigen
2009)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 16 december 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1726
sector AWW;
Gelet op de artikelen 5, 9, eerste lid, onderdeel
a en b, en vijfde lid, 10, eerste lid, 12a, derde
lid, 12b, derde lid, 12c, tweede lid, 17, tweede lid, 21,
eerste en derde lid, 22, eerste lid, en 23, vierde lid, van de Wet
rijonderricht motorrijtuigen 1993 en artikel 3, eerste lid, van het
Vacatiegeldenbesluit 1988;
De Raad van State gehoord (advies van 12
februari 2009, nr. W09.08.0588/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 27 april 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/411 sector
AWW;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder
wet: Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993.
Hoofdstuk II. Categorieën certificaten
Artikel 2
1. Certificaten worden afgegeven voor het geven van rijonderricht
voor de volgende categorieën motorrijtuigen:
a. motorrijtuigen voor het besturen waarvan rijbewijs A als
bedoeld in het Reglement rijbewijzen is vereist (categorie A);
b. motorrijtuigen voor het besturen waarvan rijbewijs B als
bedoeld in het Reglement rijbewijzen is vereist (categorie B);
c. motorrijtuigen voor het besturen waarvan rijbewijs C als
bedoeld in het Reglement rijbewijzen is vereist (categorie C);
d. motorrijtuigen voor het besturen waarvan rijbewijs D als
bedoeld in het Reglement rijbewijzen is vereist (categorie D);
e. samenstellen van motorrijtuig en getrokken voertuig, voor
het besturen waarvan rijbewijs E in combinatie met rijbewijs B als
bedoeld in het Reglement rijbewijzen is vereist (categorie E bij
B);
f. samenstellen van motorrijtuig en getrokken voertuig, voor
het besturen waarvan rijbewijs E in combinatie met rijbewijs C of
D als bedoeld in het Reglement rijbewijzen is vereist (categorie E
bij C of D).
2. Certificaten afgegeven voor het geven van rijonderricht voor het
besturen van motorrijtuigen van de categorie A geven tevens de
bevoegdheid tot het geven van rijonderricht voor het besturen van
motorrijtuigen van de categorie AM, bromfietsen, en het geven van
theoretisch rijonderricht voor het besturen van motorrijtuigen van de
categorie AM.
3. Certificaten afgegeven voor het geven van rijonderricht voor het
besturen van motorrijtuigen van de categorie B geven tevens de
bevoegdheid tot het geven van rijonderricht voor het besturen van
motorrijtuigen van de categorie AM, brommobielen, en het geven van
theoretisch rijonderricht voor het besturen van motorrijtuigen van de
categorie AM.
Artikel 3
De in artikel 5, eerste lid, van de wet bedoelde ambtenaren doen aan
het instituut ten behoeve van het bijhouden van het register mededeling
omtrent onbevoegd in certificaten aangebrachte wijzigingen als bedoeld
in de artikelen 14 en 19 van de wet.
Hoofdstuk III. Rijonderricht
Paragraaf 1. Vooropleiding
Artikel 4
1. Bij de aanvraag voor het afleggen van het examen rijinstructeur
overlegt de aanvrager een bewijsstuk aan het instituut waaruit blijkt
dat deze met goed gevolg:
a. een opleiding heeft gevolgd op het niveau van ten minste
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, lager dan wel
voorbereidend beroepsonderwijs of individueel beroepsonderwijs, of
b. de geschiktheidstest als bedoeld in artikel 9, vierde lid,
van de wet heeft afgelegd.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet ten aanzien van de
aanvrager die reeds beschikt over een geldig certificaat voor het
geven van rijonderricht.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot:
a. de inrichting en de inhoud van de geschiktheidstest, en
b. de beoordeling van de competenties van de betrokkene en de
wijze waarop die beoordeling plaatsvindt.
Paragraaf 2. Bekwaamheidseisen
Artikel 5
De eisen van bekwaamheid tot het geven van rijonderricht, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de wet, zijn:
1. Fase 1 Bekwaam in verkeersdeelname:
a. de rijinstructeur kan met een motorrijtuig veilig, vlot en
milieubewust aan het verkeer deelnemen volgens de rijprocedure;
b. de rijinstructeur is zich bewust van de taakprocessen die
hij doorloopt tijdens uitvoering van de rijtaken en kan deze
processen verwoorden na afloop van de taakuitvoering in
verschillende lessituaties;
c. de rijinstructeur heeft als tweede bestuurder beheersing
over het lesvoertuig.
2. Fase 2 Didactische voorwaarden:
a. de rijinstructeur kan een individueel aansluitend
lesprogramma voor de leergang en voor het lesplan vaststellen en
verantwoorden;
b. de rijinstructeur kan de lessen inhoudelijk en didactisch
voorbereiden zodanig dat voor de leerlingen een krachtige
leeromgeving wordt gerealiseerd;
c. de rijinstructeur kan lessituaties zodanig organisatorisch
plannen en inrichten dat:
– de lesactiviteiten een vloeiend verloop kennen;
– verstoringen kunnen worden voorkomen of opgelost;
– de beschikbare les- en leertijd taakgericht wordt
besteed;
d. de rijinstructeur kan zodanig instructie geven dat de
leerling in aansluiting op zijn actuele beheersingsniveau de
verschillende deeltaken stapsgewijs steeds zelfstandiger leert
uitvoeren;
e. de rijinstructeur kan ontwikkelingen in het leerproces van
de leerling signaleren en hem ondersteunen en begeleiden in het
zelfstandig en met vertrouwen leren aanpakken van de rijtaken,
en oplossen van problemen;
f. de rijinstructeur kan de ontwikkeling in de rijvaardigheid
van de leerling beoordelen door zelf het beoordelingsniveau van
de leerling te toetsen of door gebruik te maken van het oordeel
van andere rijinstructeurs of-examinatoren.
Artikel 6
1. Voor de afgifte van een certificaat voor het geven van
rijonderricht, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van
de wet voor de categorie B voldoet de aanvrager aan de in artikel 5
genoemde eisen.
2. Voor de afgifte van een certificaat voor het geven van
rijonderricht, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van
de wet met betrekking tot motorrijtuigen van de overige
rijbewijscategorieën, voldoet de aanvrager aan de in artikel 5,
aanhef en onderdeel 1.genoemde eisen.
3. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid voldoet de
aanvrager wat de daar bedoelde eisen betreft in het bijzonder aan de
eisen voor zover die eisen betrekking hebben op de categorie
motorrijtuigen waarvoor afgifte van een certificaat wordt gevraagd.
Paragraaf 3. Stage
Artikel 7
De eisen van bekwaamheid tot het geven van rijonderricht, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de wet zijn:
Bekwaam handelen als rijinstructeur in authentieke lessituaties:
a. de rijinstructeur kan instructie geven, waarbij de leerling in
aansluiting op zijn actuele beheersingsniveau de verschillende
deeltaken stapsgewijs steeds zelfstandiger leert uitvoeren;
b. de rijinstructeur kan ontwikkelingen in het leerproces van de
leerling signaleren en hem ondersteunen en begeleiden in het
zelfstandig en met vertrouwen leren aanpakken van de rijtaken, en
oplossen van problemen;
c. de rijinstructeur kan de ontwikkeling in de rijvaardigheid van
de leerling beoordelen door zelf het beoordelingsniveau van de
leerling te toetsen of door gebruik te maken van het oordeel van
andere rijinstructeurs of-examinatoren.
d. de rijinstructeur kan reflecteren op zijn handelen als
opleider en zodanig evalueren dat de resultaten daarvan aanwijzingen
geven voor bijstelling van dat handelen.
Artikel 8
1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot:
a. de inhoud, de duur en de mogelijke verlenging van de stage
in verband met bijzondere omstandigheden, en de wijze waarop die
wordt doorlopen,
b. de beoordeling van de stagiair en de wijze waarop de
beoordeling plaatsvindt, en
c. de aanwijzing van stagebegeleiders.
2. Het instituut kan, indien de stagiair niet handelt
overeenkomstig de in artikel 12a, derde lid, van de wet bedoelde
eisen, het deel van de stage dat tot het constateren van dat handelen
is gevolgd ongeldig verklaren.
Paragraaf 4. Bijscholing
Artikel 9
Degene die bijscholing volgt als bedoeld in artikel 12b van de wet,
neemt in de periode dat zijn certificaat als bedoeld in artikel 13,
aanhef en onderdeel b, van de wet, geldig is, deel aan zes dagdelen
theoretische bijscholing in een van de categorieën waarvoor hij het
certificaat heeft. Elk dagdeel theoretische bijscholing is uniek van
inhoud.
Artikel 10
1. Degene die bijscholing volgt als bedoeld in artikel 12b van de
wet, neemt in de periode dat zijn certificaat als bedoeld in artikel
13, aanhef en onderdeel b, van de wet, geldig is, twee maal deel aan
een dagdeel praktijkbegeleiding. De praktijkbegeleiding wordt telkens
door het instituut beoordeeld.
2. Degene wiens tweede dagdeel praktijkbegeleiding niet als
voldoende is beoordeeld, volgt in de in het eerste lid bedoelde
periode een derde dagdeel praktijkbegeleiding.
Artikel 11
Onverminderd artikel 12b, eerste lid, tweede volzin, van de wet,
voldoet de aanvrager voor de afgifte van een certificaat in verband met
het verstrijken van de geldigheidsduur van een eerder aan de aanvrager
afgegeven certificaat aan de eisen, bedoeld in de artikelen 9 en 10.
Artikel 12
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot:
a. de omvang, de inhoud en de verplichtingen van degene die de
gecertificeerde cursussen verzorgen,
b. de omvang, de inhoud, de duur en de mogelijke verlenging van
de praktische bijscholing in verband met bijzondere omstandigheden,
en
c. de beoordeling van de competenties van degene die
rijonderricht geeft en de wijze waarop die beoordeling plaatsvindt.
Paragraaf 5. Herintreding
Artikel 13
1. Het herintrederstraject, bedoeld in artikel 12c, eerste lid, van
de wet, bestaat voor het verkrijgen van een certificaat, bedoeld in
artikel 13, aanhef en onderdeel b, van de wet:
a. voor het rijonderricht in de rijbewijscategorie B uit de
fasen 1 en 2 voor de categorie B, bedoeld in artikel 5;
b. voor het rijonderricht in de rijbewijscategorie A uit fase 1
voor de categorie A en fase 2 voor de categorie B, bedoeld in
artikel 5, als de rijinstructeur uitsluitend in het bezit is van
een niet langer dan vijf jaar verlopen certificaat voor het
rijonderricht in de rijbewijscategorie A;
c. voor het rijonderricht in de overige rijbewijscategorieën
uit de praktische toets uit fase 1 voor de betrokken categorie,
bedoeld in artikel 5, en het bezit van een geldig certificaat voor
de rijbewijscategorie B.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot:
a. de omvang en de inhoud van het herintrederstraject, en
b. de beoordeling van de competenties van de herintreder en de
wijze waarop die beoordeling plaatsvindt.
Hoofdstuk IV. Scholing educatieve maatregel en scholing
alcoholslotprogramma
Artikel 14
De hoofdopleiding, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel a,
van de wet, waarvan het bezit van een geldig diploma is vereist voor de
afgifte van een certificaat voor het geven van scholing educatieve
maatregel en scholing alcoholslotprogramma is een opleiding op het
niveau van het wetenschappelijk onderwijs of het hoger beroepsonderwijs,
waarbij is geëxamineerd in psychologie, pedagogiek, andragogiek,
voorlichtingskunde, onderwijskunde of een gelijksoortig vak.
Artikel 15
De voor de afgifte van een certificaat voor het geven van scholing
educatieve maatregel en scholing alcoholslotprogramma vereiste
beroepservaring als bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel b, van
de wet, bedraagt ten minste twee jaren.
Artikel 16
De aanvullende eisen van bekwaamheid voor het geven van scholing
educatieve maatregel, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel c,
van de wet zijn indien de scholing de geestelijke of lichamelijke
geschiktheid van de houder van een rijbewijs betreft:
1. kennis van de hoofdlijnen van de verkeerswetgeving en van het
oplossen van verkeersopgaven;
2. kennis van probleemgedrag en verkeersongevallen in relatie tot
psychologische, sociale en medische factoren;
3. kennis van probleemgedrag en verkeersongevallen in relatie tot
de factoren voertuig en omgeving;
4. kennis van en vaardigheid in het organiseren, geven en
evalueren van scholing educatieve maatregel.
Artikel 16a
Op de aanvullende eisen van bekwaamheid voor het geven van scholing
in het kader van het alcoholslotprogramma, bedoeld in artikel 17, vierde
lid, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 is artikel 16 van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk V. Maatregelen vakbekwaamheid
Artikel 17
1. De verplichting tot het afleggen van een toets, bedoeld in
artikel 21, derde lid, en artikel 23, vierde lid, van de wet, wordt
aan een houder van een certificaat opgelegd indien:
a. bij het besluit, bedoeld in artikel 21, derde lid, van de
wet, dat geen onderzoek is vereist, blijkt dat betrokkene niet
voldoet aan de inartikel 5 gestelde eisen van bekwaamheid;
b. uit de uitslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 21 van
de wet, blijkt dat betrokkene niet voldoet aan de in artikel 5
gestelde eisen van bekwaamheid.
2. Bij het opleggen van de verplichting tot het afleggen van een
toets geeft het instituut aan op welk onderdeel of welke onderdelen
van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 5, de toets betrekking dient
te hebben.
Artikel 18
1. Tijdstip waarop en plaats waar de houder van een certificaat het
in artikel 21, tweede lid, van de wet bedoelde onderzoek ondergaat,
dan wel de in artikel 21, derde lid, van de wet bedoelde toets aflegt,
worden vastgesteld door de aangewezen deskundige of deskundigen
ingeval het een onderzoek betreft, dan wel door het instituut ingeval
het een toets betreft, en aan betrokkene bij aangetekende brief
medegedeeld.
2. Indien betrokkene niet op de vastgestelde tijd en plaats
aanwezig is terwijl van een geldige reden van verhindering blijkt,
worden tijd en plaats voor het onderzoek dan wel de toets opnieuw door
de deskundige of deskundigen dan wel door het instituut vastgesteld en
aan betrokkene bij aangetekende brief medegedeeld.
3. Indien betrokkene niet op de vastgestelde tijd en plaats
aanwezig is zonder dat van een geldige reden van verhindering blijkt,
wordt dat door de aangewezen deskundige of deskundigen dan wel door
het instituut vastgesteld en aan betrokkene bij aangetekende brief
medegedeeld.
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 19
In afwijking van artikel 7, eerste lid, van het Besluit rijonderricht
motorrijtuigen zoals dit gold voor de inwerkingtreding van dit besluit,
hoeft de aanvrager voor de eerste afgifte van het certificaat voor het
geven rijonderricht met betrekking tot motorrijtuigen van de
rijbewijscategorie A of B niet te voldoen aan de eis genoemd in
onderdeel 15 van artikel 6 van het Besluit rijonderricht motorrijtuigen
zoals dit gold voor de inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 20
Het Besluit rijonderricht motorrijtuigen wordt ingetrokken.
Artikel 21
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rijonderricht
motorrijtuigen 2009.
Artikel 22
Het besluit van 13 juli 2006, nr. 06.002554 houdende toekenning van
een vaste beloning aan de voorzitter en leden van de Commissie van
beroep ingevolge de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993, wordt
ingetrokken.
Artikel 23
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 4 mei 2009
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
C.M.P.S. Eurlings
Uitgegeven de zesentwintigste mei 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|