| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet rijonderricht
motorrijtuigen 1993 (WRM)
REGELING
RIJONDERRICHT MOTORRIJTUIGEN 2009
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
De Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 2, eerste en vierde lid,
3, zesde lid, 7, derde lid, 9, vijfde lid, 12a, derde lid, 12b,
derde lid, en 12c, tweede lid, van de Wet rijonderricht
motorrijtuigen 1993 en artikel 33, eerste en tweede lid, van de Algemene
wet erkenning EG-beroepskwalificaties;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
besluit: Besluit rijonderricht motorrijtuigen 2009;
certificaat rijinstructeur: certificaat bedoeld in artikel 7 van
de wet;
certificaat docent scholing educatieve maatregel: certificaat
bedoeld in artikel 16 van de wet;
Minister: Minister van Verkeer en Waterstaat;
wet: Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993.
Hoofdstuk 2. Aanwijzing van het instituut
Artikel 2
Als instituut bedoeld in artikel 2 van de wet wordt aangewezen de
Stichting VAM (IBKI) te Nieuwegein.
Hoofdstuk 3. Geschiktheidstest
Artikel 3
Degene die de geschiktheidstest als bedoeld in artikel 9, vierde lid,
van de wet niet met goed gevolg heeft afgelegd, kan deze test opnieuw
afleggen. Het is niet mogelijk alleen delen van de test af te leggen.
Hoofdstuk 4. Examen
Artikel 4
1.De examens voor rijinstructeurs voor de categorie B als bedoeld
in artikel 2 van het besluit bestaan uit drie fases. De kandidaat is
vrij in de volgorde waarin hij de onderdelen van de fases 1 en 2
aflegt.
2.Fase 1 (Competent in verkeersdeelname) bestaat uit een
theorietoets en een praktijkrit. Fase 2 (Didactische voorwaarden)
bestaat uit een theorietoets Lesvoorbereiding en een theorietoets
Lesuitvoering en beoordelen.
3.De kandidaat sluit elk onderdeel van fase 1 en fase 2 met het
oordeel ‘voldoende’ af. Elk oordeel ‘voldoende’ is twaalf
aaneengesloten maanden geldig. Binnen de periode dat een oordeel ‘voldoende’
geldig is, kan de kandidaat de onderdelen die niet met het oordeel ‘voldoende’
zijn afgesloten opnieuw afleggen. De kandidaat die elk onderdeel van
fase 1 en fase 2 met een voldoende heeft afgesloten, mag deelnemen aan
fase 3 (Stage).
4.Met inachtneming van artikel 5 van het besluit omvat de
theorietoets in fase 1 de in bijlage 1, onderdeel I, genoemde
onderdelen.
5.Met inachtneming van artikel 5 van het besluit omvat de
praktijkrit in fase 1 naast de onderdelen, bedoeld in het vierde lid,
de in bijlage 1, onderdeel II, genoemde onderdelen.
6.Met inachtneming van artikel 5 van het besluit omvat de
theorietoets Lesvoorbereiding in fase 2 de in bijlage 1, onderdeel
III, genoemde onderdelen.
7.Met inachtneming van artikel 5 van het besluit omvat de
theorietoets Lesuitvoering en beoordelen in fase 2 de in bijlage 1,
onderdeel IV genoemde onderdelen.
8.De examens voor rijinstructeurs voor de categorie A, C, D en E
bij C of D als bedoeld in artikel 2 van het besluit bestaan uit fase 1
(Competent in verkeersdeelname). De kandidaat is vrij in de volgorde
waarin hij de onderdelen van deze fase aflegt.
9.Het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor de examens
voor de rijinstructeur voor de categorie A, C, D en E bij C of D.
Hoofdstuk 5. Stage
Artikel 5
1.De kandidaat die deelneemt aan de stage voor de categorie B rijdt
in de stageperiode minimaal vijf klokuren mee tijdens de rijlessen van
zijn stagebegeleider en geeft daarna zelf minimaal vijfendertig
klokuren volledige praktische rijlessen aan een leerling die wordt
opgeleid voor het praktijkexamen in de categorie B. De stage wordt
uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van het instituut.
2.De kandidaat die deelneemt aan de stage voor de categorieën A, C
of D geeft zelf minimaal twintig klokuren volledige praktische
rijlessen aan een leerling die wordt opgeleid voor het praktijkexamen
in de categorie die overeenkomt met de categorie voor het geven van
rijonderricht waarvoor de stagebegeleider het certificaat, bedoeld in
artikel 13, aanhef en onderdeel b, van de wet, heeft. De stage wordt
uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van het instituut.
3.Tijdens de stage wordt de stagiair begeleid door een
stagebegeleider van de rijschool waar de stage wordt doorlopen. De
begeleider is tenminste drie jaar in het bezit van een certificaat,
bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel b, van de wet, van dezelfde
categorie als waarvoor de kandidaat aan de stage deelneemt. De door de
stagiair gegeven praktische rijlessen staan steeds onder direct
toezicht van de stagebegeleider.
4.De kandidaat deelt het instituut tijdig schriftelijk mee in welke
periode en waar hij de stagelessen meerijdt en geeft.
5.Met inachtneming van artikel 8 van het besluit omvat de stage de
in bijlage 1, onderdeel V, genoemde onderdelen.
6.De beoordeling van de stage vindt plaats overeenkomstig de in
bijlage 1, onderdeel VI, genoemde eisen.
7.Bij een beoordeling met een resultaat ‘onvoldoende’ kan de
stagiair tijdens de termijn dat zijn certificaat, bedoeld in artikel
13, onderdeel a, van de wet, geldig is maximaal twee keer een nieuwe
beoordeling vragen. Op de rijlessen van zijn stagebegeleider waarbij
de kandidaat in die periode van de stage meerijdt en de volledige
praktische rijlessen die de kandidaat zelf geeft aan een leerling die
wordt opgeleid voor het praktijkexamen in de betrokken
rijbewijscategorie zijn het derde en het vierde lid van
overeenkomstige toepassing.
8.Het instituut voert onaangekondigd steekproefsgewijs inspecties
uit bij de in het derde lid bedoelde rijschool ten aanzien van de
authenticiteit van de door de stagiair en diens begeleider geleverde
prestatie en de uitvoering van de stage. Als de inspectie leidt tot
een oordeel ‘onvoldoende’, vindt een onaangekondigde nieuwe
inspectie plaats. Leidt ook de nieuwe inspectie tot het oordeel ‘onvoldoende’,
dan komen de tot dan toe door de stagiair en zijn begeleider geleverde
prestaties niet meer in aanmerking voor de in het zesde lid bedoelde
beoordeling en is de begeleider voortaan niet meer bevoegd tot
begeleiding van stagiaires.
9.Het instituut kan de maximale duur dat het certificaat, bedoeld
in artikel 13, onderdeel a, van de wet, geldig is en de maximale duur
van de stage éénmalig verlengen. Aan de verlenging van de maximale
duur van de stage kunnen voorschriften worden verbonden. De verlenging
kan alleen worden verleend indien de stagiair wegens verschoonbare
redenen de stage niet heeft kunnen afmaken. De verlenging is beperkt
tot maximaal vier aaneengesloten maanden, afhankelijk van de ernst van
de reden. Indien verlenging op medische gronden wordt verzocht, gaat
het verzoek om verlenging vergezeld van een medische verklaring met
betrekking tot de gronden. Het eerste tot en met het achtste lid zijn
van overeenkomstige toepassing. Het instituut houdt de verleende
verlengingen bij in het register.
Hoofdstuk 6. Bijscholing
Artikel 6
Degene die gecertificeerde theoretische bijscholing geeft als bedoeld
in artikel 12b van de wet, meldt de cursusnaam, de locatie, de datum en
de cursisten die zich hebben opgegeven tenminste twee weken voor de
aanvang daarvan aan bij het instituut. Na afloop van de bijscholing
meldt hij uiterlijk twee weken na het aflopen daarvan de namen van
degenen die aan de bijscholing hebben deelgenomen aan het instituut. Het
instituut houdt deze gegevens bij in het register.
Artikel 7
1.Het instituut toetst de aanvragen voor certificering van de
theoretische bijscholing aan de volgende criteria:
a. de cursusdoelstelling;
b. het lesplan;
c. de leerstof of het lesmateriaal;
d. bewijzen van professionaliteit van docenten;
e. informatie met betrekking tot het voldoen aan bedrijfsmatige
criteria.
Het instituut stelt een formulier op voor de aanvraag.
2.De aanvraag om te worden gecertificeerd gaat vergezeld van alle
gegevens en bescheiden met betrekking tot de in het eerste lid
genoemde criteria die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn,
overeenkomstig het in het eerste lid genoemde formulier.
3.Het toezicht door het instituut wordt steekproefsgewijs verricht.
Artikel 8
1.De rijinstructeur die praktische bijscholing wil volgen als
bedoeld in artikel 12b van de wet, dient bij het instituut een
aanvraag in om voor de betrokken praktijkbegeleiding te worden
ingepland.
2.Het instituut houdt de resultaten van de praktijkbegeleiding bij
in het register.
3.Het instituut kan de maximale duur dat het certificaat, bedoeld
in artikel 13, aanhef en onderdeel b, van de wet geldig is éénmalig
verlengen in het geval dat de rijinstructeur wegens verschoonbare
redenen niet aan zijn verplichting tot praktische bijscholing, bedoeld
in artikel 12b van de wet, heeft kunnen voldoen. Aan de verlenging
kunnen voorschriften worden verbonden. De verlenging is beperkt tot
maximaal twaalf aaneengesloten maanden, afhankelijk van de ernst van
de reden. Indien verlenging op medische gronden wordt verzocht, gaat
het verzoek om verlenging vergezeld van een medische verklaring met
betrekking tot de gronden.
4.Het instituut houdt de verleende verlengingen bij in het
register.
Hoofdstuk 7. Herintreding
Artikel 9
Artikel 4 is van overeenkomstige toepassing in het geval de
rijinstructeur de fasen 1 of 2 uit het examen, of de praktijkrit uit het
examen in het kader van het herintrederstraject, bedoeld in artikel 12c
van de wet, doet.
Hoofdstuk 8. Toezicht door rijksgecommitteerden
Artikel 10
Het toezicht, bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de wet, zal in
het algemeen steekproefsgewijs worden verricht.
Artikel 11
De rijksgecommitteerden zijn bevoegd alle gebeurtenissen en
beraadslagingen met betrekking tot de uitvoering door het instituut van
de taken, bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de wet, bij te wonen en
kennis te nemen van alle daarop betrekking hebbende stukken.
Artikel 12
De rijksgecommitteerden brengen telkenmale onverwijld van het door
hen verrichte toezicht rapport uit aan de Minister.
Hoofdstuk 9. Commissie van beroep
Artikel 13
De commissie van beroep doet de Minister een voorstel voor een
reglement van orde. Het secretariaat wordt gevoerd door een door de
Minister aangewezen ambtenaar.
Hoofdstuk 10. Militaire rijinstructeur en politierijinstructeur
Artikel 14
Als diploma van een militaire rijinstructeur als bedoeld in artikel 8
van de wet wordt aangewezen het Diploma militair rijinstructeur.
Artikel 15
Als diploma van een politierijinstructeur als bedoeld in artikel 8
van de wet wordt aangewezen:
– het Diploma voor het examen Politie Rij-instructeur van het
Politie Verkeersinstituut te Apeldoorn;
– het Diploma Hulpinstructeur Politierijopleidingen van het
Politie Verkeersinstituut te Apeldoorn.
Hoofdstuk 11. Vaststelling van documenten
Artikel 16
Het certificaat rijinstructeur is overeenkomstig de modellen in
bijlage 2 van deze regeling.
Artikel 17
De certificaten scholing educatieve maatregel ten behoeve van
respectievelijk de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer, de
educatieve maatregel alcohol en verkeer en de educatieve maatregel
gedrag en verkeer, alsmede het certificaat scholing alcoholslotprogramma
zijn overeenkomstig de modellen in bijlage 2 bij deze regeling.
Hoofdstuk 12. Migrerende beroepsbeoefenaars
Artikel 18
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
aanvraag: aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat als
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel f, van de wet;
aanvrager: migrerende beroepsbeoefenaar die de aanvraag indient;
Aw: Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.
Artikel 19
1.Een aanvraag wordt ingediend bij het instituut.
2.Bij de aanvraag overlegt de aanvrager de documenten, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, van de Aw.
Artikel 20
Indien het door toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, b
of c, van de Aw, noodzakelijk is dat een aanpassingsstage wordt
doorlopen of proeve van bekwaamheid wordt afgelegd, maakt de aanvrager
zijn keuze tussen de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid
kenbaar, tenzij artikel 11, vijfde lid, van de Aw van toepassing is.
Artikel 21
Het instituut stelt vast op welk terrein en binnen welke termijn de
aanvrager de aanpassingsstage doorloopt.
Artikel 22
Het instituut stelt vast binnen welke termijn en in welke
examenonderdelen, genoemd in de artikelen 5 tot en met 7 van het
besluit, de aanvrager de proeve van bekwaamheid aflegt.
Artikel 23
De aanvraag wordt afgewezen, indien de aanvrager de aanpassingsstage
of de proeve van bekwaamheid niet met goed gevolg heeft volbracht.
Artikel 24
Het certificaat, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel f, van
de wet kan alleen bevoegdheden verlenen die overeenkomen met die welke
de aanvrager had in de betrokken staat van oorsprong of herkomst.
Hoofdstuk 13. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 25
1.In afwijking van artikel 3:6 van de Regeling rijonderricht
motorrijtuigen zoals deze gold voor de inwerkingtreding van deze
regeling, hoeft de aanvrager voor het tweede deel van een examen aan
wie niet eerder een instructeursbewijs of een certificaat
rijinstructeur is afgegeven bij de aanvraag niet in het bezit te zijn
van de in dat artikel genoemde documenten.
2.In afwijking van artikel 3:7 van de Regeling rijonderricht
motorrijtuigen zoals deze gold voor de inwerkingtreding van deze
regeling, hoeft de aanvrager voor het tweede deel van een examen voor
de categorie A, B, C en D bij die aanvraag niet in het bezit te zijn
van het in dat artikel genoemde certificaat.
Artikel 26
De tarieven in artikel 10:1 van de Regeling rijonderricht
motorrijtuigen zoals deze gold tot de inwerkingtreding van deze regeling
zijn van toepassing voor degene die op het moment van inwerkingtreding
van de Wet van 24 oktober 2008 tot wijziging van de Wet rijonderricht
motorrijtuigen 1993 naar aanleiding van de evaluatie van de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk (Stb. 432)
deelneemt aan een examen rijinstructeur.
Artikel 27
Certificaten en bewijzen van ontheffing, afgegeven overeenkomstig de
modellen in de bijlage bij de Regeling rijonderricht motorrijtuigen,
zoals deze gold voor de inwerkingtreding van deze regeling, behouden hun
geldigheid voor de duur waarvoor zij zijn verleend.
Artikel 28
De Regeling rijonderricht motorrijtuigen wordt ingetrokken.
Artikel 29
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling rijonderricht
motorrijtuigen 2009.
Artikel 30
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2009 met
uitzondering van artikel 25, dat in werking treedt op 1 juni 2009 en
terug werkt tot en met 3 februari 2009.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
C.M.P.S. Eurlings.
Bijlage 1
I. Onderdelen, bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Regeling
rijonderricht motorrijtuigen 2009
A. Competentie: Verantwoord rijden als eerste bestuurder
1. De kandidaat laat in reële verkeerssituaties zien dat hij als
eerste bestuurder van een personenauto veilig, vlot en milieubewust
kan autorijden, doordat hij:
a. vooraf de noodzakelijke voorbereidings- en
controlehandelingen kan uitvoeren.
b. in zijn keuze en planning van de verkeersdeelname rekening
houdt met zowel persoonlijke risicovolle kenmerken en
omstandigheden als externe risicovolle factoren en omstandigheden;
c. op een soepele wijze met de bedieningsorganen van de
personenauto omgaat.
d. onder alle omstandigheden het voertuig beheerst, zijn
rijtaak voortdurend afstemt op de eigen gedragsmogelijkheden en
tevens afstemt op externe risico’s;
e. zorgt dat het gekozen rijgedrag voortdurend in
overeenstemming is met de voorschriften van de verkeerswetgeving
en de Rijprocedure B en hij de handelingen op een correcte en
verantwoorde wijze uitvoert conform de inhoud van de Rijprocedure
B. Dit betekent dat hij op een aangepaste, sociale en
verkeersinzichtelijke wijze en met een zodanige besluitvaardigheid
aan het verkeer deelneemt, zodat hij zoveel mogelijk bijdraagt aan
de verkeersveiligheid en de verkeersdoorstroming en het milieu
zoveel mogelijk ontziet.
2. De kandidaat beschikt over kennis van en inzicht in onderwerpen
die voor een veilige, vlotte en milieubewuste verkeersdeelname
relevant zijn, doordat hij:
a. relevante wet- en regelgeving kent en deze kan toepassen in
concrete verkeerssituaties;
b. in verkeerssituaties, waarbij geen specifieke wet of regel
geldt, zijn beslissing laat afhangen van de dan geldende
maatschappelijke criteria (veiligheid, doorstroming en milieu);
c. beschikt over het gewenste rij- en weginzicht:
– hij kan de risico’s in het verkeer inschatten;
– hij kan de risico’s van de weg- en de
weersomstandigheden inschatten;
– hij kent zwakke en sterke punten van het andere verkeer
en weet hoe hij daarmee rekening moet houden;
d. beschikt over het gewenste inzicht in eigen risicovolle
neigingen:
– hij heeft kennis van en inzicht in persoonlijke
factoren en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op zijn
gedragskeuzen in het verkeer;
– hij kent zwakke en sterke punten van zijn eigen
rijvaardigheid en weet hoe hij daarmee rekening moet houden;
e. beschikt over kennis van de personenauto met betrekking tot
de bediening, de werking, de defectenbehandeling en het onderhoud
voor zover die relevant zijn voor een veilige, verantwoorde,
vlotte en milieubewuste verkeersdeelname;
f. beschikt over kennis van en inzicht in de afhandeling van
aanrijdingen en ongevallen en over toepassing van EHBO in deze
situaties.
B. Competentie: voertuigbeheersing als tweede bestuurder
De kandidaat laat zien dat hij als tweede bestuurder van een lesauto
beschikt over voertuigbeheersing, doordat hij:
1. voorbereidingen treft om tijdig en adequaat verkeerssituaties
te kunnen waarnemen en in te kunnen grijpen vanaf de bijrijderstoel.
Hiervoor is het belangrijk dat hij:
– vooraf de stand van de extra spiegels controleert;
– vooraf de werking van de dubbele bediening controleert.
2. vanaf de bijrijderstoel tijdens het rijden verkeerssituaties
goed kan overzien en tijdig in kan grijpen zonder de beheersing over
het lesvoertuig te verliezen. Hiervoor is het belangrijk dat hij:
– de extra spiegels tijdens het rijden op een juiste wijze
gebruikt;
– tijdig en adequaat gebruik kan maken van de dubbele
bediening;
– tijdig en adequaat een stuuringreep kan maken.
II. Onderdelen, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Regeling
rijonderricht motorrijtuigen 2009
Competentie: verwoorden van de taakprocessen
De kandidaat kan na afloop van een zelfstandig gereden verkeersopgave
in een personenauto in reële verkeerssituaties verwoorden hoe de
taakprocessen, die nodig zijn om concrete verkeersopgaven op te lossen,
doorlopen moeten worden. Hij beschikt daartoe over kennis van en inzicht
in de verkeerstaak van de bestuurder en in de taakprocessen die
doorlopen moeten worden om te kunnen komen tot een veilige, vlotte en
milieubewuste uitvoering van de verkeerstaak.
III. Onderdelen, bedoeld in artikel 4, zesde lid, van de Regeling
rijonderricht motorrijtuigen 2009.
A. Competentie: lesplanning op maat maken
De kandidaat bepaalt vooraf een rijvaardigheids-didactische structuur
waarin de rijopleiding aangeboden wordt, maar gaat hier tegelijkertijd
tijdens de opleiding flexibel mee om als de situatie van de cursist dat
vereist. Hij is bereid de opleiding af te stemmen op de specifieke
kenmerken en de vorderingen van de cursist. Hij geeft in principe les
volgens een vooraf bepaalde rijvaardigheids-didactische structuur, maar
weet wanneer hij hiervan moet afwijken.
Hij beschikt hiertoe over kennis en inzicht in:
1. de principes waarlangs een structuur in de opleiding kan
worden opgebouwd (eenvoudig-complex naar type rijtaak,
verkeersomgeving);
2. wat de inhoud en functie van een leergang (lesprogramma) en
een lesplan in het leer- en instructieproces is;
3. de fasen die in het instructieproces bij het lesgeven aan
rijschoolleerlingen te onderscheiden zijn;
4. de methoden waarmee leerlingen een groeiende bekwaamheid
verwerven in het vlot, veilig en milieubewust uitvoeren van rijtaken;
5. de kenmerken en eigenschappen van leerlingen die van invloed
kunnen zijn op het instructie- en begeleidingsproces, en de wijze
waarop met die kenmerken en eigenschappen in de verschillende fasen
van de opleiding moet worden omgegaan;
6. de didactische en communicatieve vaardigheden die bij de
begeleiding van leerlingen een belangrijke rol spelen.
B. Competentie: uitwerken van rijvaardigheidsdidactiek
1. De kandidaat kan de lesplannen vertalen in concrete
lesactiviteiten en didactische werkvormen om stapsgewijs bepaalde
leerdoelen te bereiken, doordat hij:
a. lesactiviteiten en daarbij passende werkvormen, inhouden,
routes en mate van ondersteuning voorbereidt;
b. bereid is de opleiding af te stemmen op de specifieke
kenmerken van de cursist.
2. De rijinstructeur beschikt hiertoe over kennis van en inzicht
in:
a. de belangrijkste didactische werkvormen die ten aanzien van
de rijopleiding kunnen worden onderscheiden en bij welke gewenste
leeractiviteiten een bepaalde werkvorm is geïndiceerd;
b. de verschillende lesactiviteiten die hij kan toepassen om
verschillende soorten leerdoelen te bereiken, de fasering die hij
moet aanbrengen bij instructie over een nieuw onderdeel van
rijvaardigheid en de daarbij passende instructiemethoden en mate
van ondersteuning;
c. de instructiemethoden die hij kan hanteren om ervoor te
zorgen dat nieuw aangeleerd gedrag ook wordt toegepast in
verschillende nieuwe verkeerssituaties;
d. de verschillende media die hij tijdens de rijopleiding kan
toepassen, hoe hij ze kan toepassen en wanneer toepassing
geïndiceerd is.
C. Competentie: organiseren
1. De kandidaat weet een vloeiend verloop van de lessen te
realiseren, doordat hij:
a. duidelijke afspraken maakt en regels stelt;
b. realistisch en flexibel kan plannen en de tijd bewaken;
c. de te rijden routes goed voorbereidt;
d. de lesruimte (lesvoertuig en leslokaal) zorgvuldig en
adequaat heeft ingericht.
e. lesonderbrekingen voorkomt en zonodig opvangt met behoud van
maximale leertijd voor de leerling;
f. adequate informatie verstrekt over procedures, inhoud en
exameneisen voor het theorie- en praktijkexamen van het CBR en
hierop tijdens het instructieproces anticipeert.
2. Hiertoe beschikt de rijinstructeur over kennis en inzicht in:
a. de organisatorische en tijdsconsequenties van het gebruik
van verschillende lesactiviteiten en didactische werkvormen;
b. de technische problemen die zich voor kunnen doen bij het
gebruik van het lesvoertuig;
c. de procedures, inhoud en exameneisen voor het theorie- en
praktijkexamen van het CBR en de manier waarop hij hierop moet
anticiperen tijdens het instructieproces.
IV. Onderdelen, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Regeling
rijonderricht motorrijtuigen 2009
A. Competentie: instructie geven
1. De kandidaat kan zijn deskundigheid overbrengen en kan de
cursist opleiden tot een veilige, vlotte en milieubewuste bestuurder,
doordat hij doelgerichte instructie geeft die bijdraagt aan de
verwerving van kennis en vaardigheden, waarbij de cursist leert:
a. op een geautomatiseerd niveau te rijden volgens de
rijprocedure en ervan af te wijken als de situatie dat vraagt;
b. gevaarlijke (nood)situaties te herkennen, de risico’s
ervan in te schatten en adequaat te handelen;
c. de regels op een juiste manier toe te passen in concrete
situaties;
d. volgens een milieubewuste rijstijl te rijden;
e. bereid is de instructiewijze af te stemmen op het verloop en
de voortgang in het leerproces, en op het welbevinden van de
cursist;
f. anticipeert op voor de cursist risicovolle, maar mogelijk
ook leerzame situaties door een tijdige en adequate waarneming, de
cursist adequaat en tijdig informeert over mogelijk gevaarlijke
situaties en op die manier zoveel mogelijk voorkomt dat de cursist
verkeersovertredingen maakt of dat hij die verkeersovertredingen
zo kort mogelijk laat duren.
2. Hiertoe beschikt de kandidaat over kennis van en inzicht in:
a. de kenmerken en eigenschappen van leerlingen die van invloed
kunnen zijn op het instructieproces, en de wijze waarop met die
kenmerken en eigenschappen moet worden omgegaan;
b. de principes waarlangs een lesstructuur en uitleg worden
opgebouwd;
c. de verschillende lesactiviteiten die hij kan toepassen om
verschillende soorten leerdoelen te bereiken, de fasering die hij
moet aanbrengen bij instructie over een nieuw onderdeel van
rijvaardigheid en de daarbij passende instructiemethoden en mate
van ondersteuning;
d. de instructiemethoden die hij kan hanteren om ervoor te
zorgen dat nieuw aangeleerd gedrag ook wordt toegepast in
verschillende nieuwe verkeerssituaties;
e. de verschillende media die hij tijdens de rijopleiding kan
toepassen, hoe hij ze kan toepassen en wanneer toepassing
geïndiceerd is.
B. Competentie: coachen van leerprocessen
1. De kandidaat begeleidt of coacht de cursist bij zijn leerproces
en draagt er mede zorg voor dat de cursist met plezier, inzet en
zelfvertrouwen deelneemt aan de opleiding. De cursist wordt
ondersteund in zijn leren doordat de rij-instructeur een positief
leerklimaat weet te creëren, waarbij de cursist in toenemende mate
van zelfstandigheid de relevante competenties en een positieve
taakhouding verwerft. Dat doet de rijinstructeur doordat hij:
a. waarde hecht aan het scheppen van een veilige sfeer tijdens
de opleidingsactiviteiten;
b. vertrouwen heeft in het feit dat alle cursisten kunnen leren
in de loop van het opleidingstraject (hij heeft geduld en schrijft
niet te snel af);
c. steeds een goed beeld heeft van het leerproces van de
cursist en van mogelijke knelpunten die zich voordoen;
d. waarde hecht aan kennis van de achtergrond en eigenschappen
van de cursist en daarop inspeelt tijdens de opleiding en bij de
begeleiding;
e. bij het verzorgen van de opleiding waarde hecht aan het
persoonlijk welbevinden van cursisten naast het bereiken van de
inhoudelijke leerdoelen;
f. bereid is de opleiding te verzorgen vanuit een rol die
ondersteunend is aan het leerproces van de cursist (en niet
uitsluitend als inhoudsdeskundige die kennis overdraagt);
g. de cursist ondersteunt in zijn taakaanpak, in het
zelfstandig oplossen van situaties en in zijn reflectie op eigen
ontwikkeling en handelen;
h. begeleidingsvaardigheden in de interactie met leerlingen
beheerst.
2. Hiertoe beschikt de kandidaat over kennis van en inzicht in:
a. de mogelijke gevolgen van de persoonlijke achtergrond van de
cursist voor zijn leerklimaat en leerhouding;
b. de effecten van (on)veiligheid en vertrouwen, emoties,
motivatie, of sfeer op het leerproces van de cursist;
c. de inhoud van verschillende vormen van feedback geven,
bekrachtigen en motiveren en het effect daarvan op de mate van
initiatief, welbevinden en zelfvertrouwen bij de cursist.
C. Competentie: beoordelen van rijvorderingen
1. De kandidaat kan instrumenten hanteren die de vorderingen van de
cursist in kaart brengen, zodat op basis van de resultaten de
instructie en coaching kunnen worden bijgestuurd, de volgende les kan
worden voorbereid en de examengereedheid kan worden vastgesteld.
2. Hiertoe beschikt de kandidaat over kennis van en inzicht in:
a. de hoofdvormen van ‘evalueren’ van lessen in de
praktijk;
b. de te onderscheiden niveaus waarop een leerling de
uitvoering van rijtaken en verkeersmanoeuvres kan beheersen;
c. de diverse toetsmethoden die kunnen worden gehanteerd.
V. Onderdelen, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de Regeling
rijonderricht motorrijtuigen 2009
A. Competentie: instructie geven
1. De kandidaat kan zijn deskundigheid overbrengen en kan de
cursist opleiden tot een veilige, vlotte en milieubewuste bestuurder,
doordat hij:
a. Doelgerichte instructie geeft die bijdraagt aan de
verwerving van kennis en vaardigheden, waarbij de cursist leert:
1. op een geautomatiseerd niveau te rijden volgens de
rijprocedure en ervan af te wijken als de situatie dat vraagt;
2. gevaarlijke (nood)situaties te herkennen, de risico’s
ervan in te schatten en adequaat te handelen;
3. de regels op een juiste manier toe te passen in concrete
situaties;
4. volgens een milieubewuste rijstijl te rijden.
b. Bereid is de instructiewijze af te stemmen op het verloop en
de voortgang in het leerproces, en op het welbevinden van de
cursist;
c. Anticipeert op voor de cursist risicovolle, maar mogelijk
ook leerzame situaties door een tijdige en adequate waarneming, de
cursist adequaat en tijdig informeert over mogelijk gevaarlijke
situaties en op die manier zoveel mogelijk voorkomt dat de cursist
verkeersovertredingen maakt of dat hij die verkeersovertredingen
zo kort mogelijk laat duren.
2. Hiertoe beschikt de kandidaat over kennis van en inzicht in:
a. De kenmerken en eigenschappen van leerlingen die van invloed
kunnen zijn op het instructieproces, en de wijze waarop met die
kenmerken en eigenschappen moet worden omgegaan;
b. De principes waarlangs een lesstructuur en uitleg worden
opgebouwd;
c. De verschillende lesactiviteiten die hij kan toepassen om
verschillende soorten leerdoelen te bereiken, de fasering die hij
moet aanbrengen bij instructie over een nieuw onderdeel van
rijvaardigheid en de daarbij passende instructiemethoden en mate
van ondersteuning;
d. De instructiemethoden die hij kan hanteren om ervoor te
zorgen dat nieuw aangeleerd gedrag ook wordt toegepast in
verschillende nieuwe verkeerssituaties;
e. De verschillende media die hij tijdens de rijopleiding kan
toepassen, hoe hij ze kan toepassen en wanneer toepassing
geïndiceerd is.
B. Competentie: coachen van het leerproces
1. De kandidaat begeleidt of coacht de cursist bij zijn leerproces
en draagt er mede zorg voor dat de cursist met plezier, inzet en
zelfvertrouwen deelneemt aan de opleiding. De cursist wordt
ondersteund in zijn leren doordat de rij-instructeur een positief
leerklimaat weet te creëren, waarbij de cursist in toenemende mate
van zelfstandigheid de relevante competenties en een positieve
taakhouding verwerft. Dat wil zeggen dat hij:
a. Waarde hecht aan het scheppen van een veilige sfeer tijdens
de opleidingsactiviteiten;
b. Vertrouwen heeft in het feit dat alle cursisten kunnen leren
in de loop van het opleidingstraject (hij heeft geduld en schrijft
niet te snel af);
c. Steeds een goed beeld heeft van het leerproces van de
cursist en van mogelijke knelpunten die zich voordoen;
d. Waarde hecht aan kennis van de achtergrond en eigenschappen
van de cursist en daarop inspeelt tijdens de opleiding en bij de
begeleiding;
e. Bij het verzorgen van de opleiding waarde hecht aan het
persoonlijk welbevinden van cursisten naast het bereiken van de
inhoudelijke leerdoelen;
f. Bereid is de opleiding te verzorgen vanuit een rol die
ondersteunend is aan het leerproces van de cursist (en niet
uitsluitend als inhoudsdeskundige die kennis overdraagt);
g. De cursist ondersteunt in zijn taakaanpak, in het
zelfstandig oplossen van situaties en in zijn reflectie op eigen
ontwikkeling en handelen;
h. Begeleidingsvaardigheden in de interactie met leerlingen
beheerst.
2. Hiertoe beschikt de rijinstructeur over kennis van en inzicht
in:
a. De mogelijke gevolgen van de persoonlijke achtergrond van de
cursist voor diens leerklimaat en leerhouding;
b. De effecten van (on)veiligheid en vertrouwen, emoties,
motivatie, of sfeer op het leerproces van de cursist;
c. De rij-instructeur kent de inhoud van verschillende vormen
van feedback geven, bekrachtigen en motiveren en het effect
daarvan op de mate van initiatief, welbevinden en zelfvertrouwen
bij de cursist.
C. Competentie: beoordelen van rijvorderingen:
1. De rijinstructeur kan instrumenten hanteren die de vorderingen
van de cursist in kaart brengen, zodat op basis van de resultaten de
instructie en coaching kan worden bijgestuurd, de volgende les kan
worden voorbereid en de examengereedheid kan worden vastgesteld.
2. Hiertoe beschikt de rijinstructeur over kennis van en inzicht
in:
a. De hoofdvormen van ‘evalueren’ van lessen in de
praktijk;
b. De te onderscheiden niveaus waarop een leerling de
uitvoering van rijtaken en verkeersmanoeuvres kan beheersen;
c. De diverse toetsmethoden die kunnen worden gehanteerd.
VI. Eisen ten aanzien van de beoordeling van de stage, bedoeld in
artikel 5, zesde lid, van de Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009
1. De kandidaat die deelneemt aan de stage, sluit deze voor het
einde daarvan af met een beoordeling met het oordeel ‘voldoende’.
Hij kan de stage afsluiten met een eindgesprek.
2. De beoordeling vindt plaats door een examinator. De examinator
beoordeelt twee door de stagiair zelf gegeven rijlessen of twee
videodossiers van de door de stagiair zelf gegeven rijlessen, en een
door de stagiair opgesteld reflectieverslag. Het reflectieverslag
bevat een door de stagiair en de stagebegeleider ondertekend bewijs
van de stageverrichtingen.
3. De beoordeling van praktijklessen voor de rijbewijscategorie B
bestaat uit een beoordeling van twee tijdens de stage door de stagiair
gegeven rijlessen naar keuze van de beoordelaar. Voor de overige
rijbewijscategorieën wordt één rijles naar keuze van de beoordelaar
beoordeeld. De stagiair verleent medewerking aan de beoordeling en
geeft het instituut voldoende gelegenheid binnen de geldende termijnen
een beoordeling te geven. De examinator rijdt mee in het motorvoertuig
waarin de kandidaat rijles geeft aan een leerling, behalve bij de te
beoordelen les voor rijbewijscategorie A. Bij de beoordeling voor de
rijbewijscategorie A rijdt de examinator achter de leerling op de
motorfiets in het volgvoertuig waarin de kandidaat de bestuurder is.
4. Voor de beoordeling van de videodossiers in de stage voor de
motorrijtuigcategorie B levert de stagiair zes videodossiers aan. Voor
de beoordeling van de videodossiers in de stage voor de overige
rijbewijscategorieën levert de stagiair drie videodossiers aan. De
videodossiers en het reflectieverslag worden aangeleverd
overeenkomstig de aanwijzingen van het instituut.
5. De videodossiers en het reflectieverslag worden door het
instituut op hun authenticiteit beoordeeld. De beoordeling vindt
plaats binnen zes weken na aanlevering van de dossiers en het verslag.
Bijlage 2 niet opgenomen
|
|
|