BESLUIT van 18 augustus 1982, houdende nadere regels
betreffende de opgave van de hoeveelheid bijdragende olie als bedoeld in
artikel 5 van de Wet schadefonds olietankschepen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, in overeenstemming
met Onze Minister van Justitie, van 21 april 1982, nr. 682/367 W.J.A.;
Gelet op de artikelen 5 en 12 van de Wet
schadefonds olietankschepen (Stb. 1981, 294);
De Raad van State gehoord (advies van 30 juni
1982, nr. 2235/14/8224);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Economische Zaken van 11 augustus 1982, nr. 682/733 W.J.A.;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. In dit besluit wordt onder wet verstaan: de Wet schadefonds
olietankschepen (Stb. 1981, 294).
2. Bijdragende olie wordt aangemerkt als te zijn ontvangen in de
zin van artikel 5 van de wet zodra deze, na een aanvoer over zee als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a of b, van het
Verdrag, in Nederland wordt opgeslagen.
3. Voor de toepassing van het bij en krachtens artikel 5, eerste
lid, van de wet bepaalde wordt als degene, die in een kalenderjaar
bijdragende olie heeft ontvangen, aangemerkt een in Nederland gevestigde
persoon, die in dat kalenderjaar
a. bijdragende olie in Nederland voor zichzelf heeft bewerkt of
verwerkt, dan wel heeft doen bewerken of verwerken, dan wel
b. bijdragende olie op de binnenlandse markt heeft verhandeld, voor
zover de in dat jaar ontvangen bijdragende olie door hem of te zijnen
behoeve door een ander bij de ontvangst in opslag is genomen.
4. Voor zover niet ingevolge het derde lid een persoon wordt
aangemerkt als degene die in een kalenderjaar bijdragende olie heeft
ontvangen, wordt voor de toepassing van het bij en krachtens artikel 5,
eerste lid, van de wet bepaalde als zodanig aangemerkt degene, die de in
dat jaar ontvangen bijdragende olie al dan niet ten behoeve van een
ander bij de ontvangst in opslag heeft genomen.
Artikel 2
1. Degene, die in Nederland in een kalenderjaar in totaal 100
000 ton of minder bijdragende olie heeft ontvangen, is voor wat
betreft dat kalenderjaar vrijgesteld van de verplichting tot het doen
van de opgave, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing, indien het totaal van de
door de betrokkene en door een of meer met hem geassocieerde personen
als bedoeld in artikel 6 van de wet in Nederland ontvangen hoeveelheden
bijdragende olie in het betreffende kalenderjaar meer dan 100 000 ton
bedraagt.
Artikel 3
1. Ter voldoening aan de verplichting, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, van de wet, dient opgave te worden gedaan van:
a. de hoeveelheden bijdragende olie, ontvangen op de wijze, bedoeld
in artikel 10, eerste lid, onder a, van het Verdrag,
onderverdeeld naar herkomst vanuit andere staten enerzijds en andere
herkomst anderzijds;
b. de hoeveelheden bijdragende olie, ontvangen op de wijze, bedoeld
in artikel 10, eerste lid, onder b, van het Verdrag, alsmede de
onderscheiden staten van herkomst van die hoeveelheden en de
onderscheiden wijzen van vervoer naar Nederland;
c. de naam en het adres van de ontvanger en van de met hem
geassocieerde personen, alsmede de naam, het adres en de functie van
degene, die het in het derde lid bedoelde formulier ondertekent.
2. De hoeveelheden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b,
dienen te worden uitgedrukt in tonnen, op de in Nederland gebruikelijke
wijze afgerond tot hele tonnen.
3. De opgave geschiedt met gebruikmaking van een formulier
overeenkomstig het door Onze Minister vastgestelde model, in te vullen
op de in dat formulier en in de toelichting daarop aangegeven wijze.
4. Onze Minister stelt exemplaren van het formulier kosteloos
verkrijgbaar.
5. De beschikking, houdende vaststelling van het model van het
formulier en de toelichting daarop, wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 4
1. De opgave over een kalenderjaar geschiedt vσσr 15 februari
van het daaropvolgende kalenderjaar.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geschiedt de
opgave over het jaar 1981 vσσr de dertigste dag na de datum van
inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 5
1. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit opgave
bijdragende olie.
2. Het treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 18 augustus 1982
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
J.C. Terlouw
Uitgegeven de zevende september 1982
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter