| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet scheepsuitrusting
REGELING
KEURINGSINSTANTIES WET SCHEEPSUITRUSTING
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
De Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 4, derde lid, 13, tweede
lid, 16, tweede lid, en 28 van de Wet scheepsuitrusting;
Besluit:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. modules B, D, E, F, G en H:
de overeenstemmingsbeoordelingsmodules B, D, E, F, G en H, bedoeld
in bijlage B van de richtlijn;
b. NEN-EN 45001, NEN-EN 45004, NEN-EN 45011 of NEN-EN 45012:
de met de desbetreffende aanduiding overeenkomende norm, uitgegeven
door het Nederlands Normalisatie-instituut te Delft;
c. Raad voor Accreditatie:
de Stichting Raad voor Accreditatie, gevestigd te Utrecht.
§ 2. Aanvragen
Artikel 2
1. Een aanvraag om te worden aangewezen
als keuringsinstantie op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet
scheepsuitrusting vermeldt voor welke van de in artikel 1, onderdeel a,
genoemde modules en voor welke van de in bijlage A.1 van de richtlijn
genoemde categorieën van scheepsuitrusting de aanwijzing wordt
gevraagd.
2. Aanwijzing kan uitsluitend worden gevraagd voor alle
keuringstaken uit een bepaalde module en voor alle tot een bepaalde
categorie van scheepsuitrusting behorende uitrustingsonderdelen.
Artikel 3
1. Een aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens en
bescheiden:
a. een uittreksel van het ter zake van de aanvrager in het
handelsregister ingeschrevene;
b. afschriften van polissen van tegen wettelijke aansprakelijkheid
afgesloten verzekeringen;
c. indien de aanvrager geaccrediteerd is door de Raad: het
certificaat van accreditatie, alsmede een schriftelijke verklaring
waarin de aanvrager de Raad machtigt om alle door de Minister van
Verkeer en Waterstaat gewenste gegevens en inlichtingen met betrekking
tot zijn accreditatie te verstrekken;
d. indien de aanvrager niet geaccrediteerd is door de Raad: een
door de Raad opgesteld beoordelingsrapport dat de uitkomsten bevat van
een door de Raad met inachtneming van de artikelen 5 en 6 verricht
onderzoek naar het vermogen van de aanvrager om de taken te verrichten
waarvoor aanwijzing is gevraagd.
2. Een niet door de Raad geaccrediteerde aanvrager verschaft de
Raad alle gegevens en bescheiden die de Raad voor het opstellen van het
in het eerste lid, onderdeel d, genoemde beoordelingsrapport nodig
heeft.
3. Een door de Raad voor de Accreditatie onderzochte aanvrager
vergoedt de Raad de aan dat onderzoek verbonden kosten.
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2005]
§ 3. Beoordelingscriteria
Artikel 5
De aan te wijzen instantie voldoet aan de met het oog op de te
verrichten taken relevante eisen van:
a. voor de modules B en G: NEN-EN 45004 of NEN-EN 45011;
b. voor de modules D, E en H: NEN-EN 45012;
c. voor module F: NEN-EN 45001, NEN-EN 45004 of NEN-EN 45011.
Artikel 6
De aan te wijzen instantie beschikt of kan beschikken over personeel
met:
a. voorzover de te verrichten taken betrekking hebben op
reddingsmiddelen, middelen ter voorkoming van verontreiniging van de
zee of brandbeschermingsmiddelen: scheepsbouwkundige,
werktuigbouwkundige of scheepswerktuigkundige kennis op HBO-niveau
of een daaraan gelijkwaardige combinatie van scheepsbouwkundige,
werktuigbouwkundige of scheepswerktuigkundige kennis op MBO-niveau
en relevante praktische ervaring;
b. voorzover de te verrichten taken betrekking hebben op
navigatieapparatuur of radiocommunicatieapparatuur: nautische kennis
op HBO-niveau en elektrotechnische kennis op MBO-niveau in
combinatie met relevante praktische ervaring op beide
kennisgebieden.
Artikel 7
De aan te wijzen instantie is als in Nederland gevestigde onderneming
of als in Nederland gevestigde nevenvestiging van een buitenlandse
onderneming ingeschreven in het handelsregister.
Artikel 8
De aan te wijzen instantie is verzekerd tegen wettelijke
aansprakelijkheid, voortvloeiend uit werkzaamheden die verband houden
met de taken waarvoor aanwijzing is gevraagd, met een verzekerd bedrag
van ten minste € 2.268.901 per gebeurtenis.
Artikel 9
Een aan te wijzen instantie wordt vermoed te voldoen aan de artikelen
5 en 6, indien zij voor de taken waarvoor aanwijzing wordt gevraagd is
geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie.
§ 4. Uitbesteding
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2005]
§ 5. Toezicht
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 12
Een keuringsinstantie verstrekt de Minister van Verkeer en Waterstaat
jaarlijks voor 1 maart een schriftelijke rapportage over de in het
voorgaande kalenderjaar door haar uitgevoerde keuringen en procedures
van overeenstemmingsbeoordeling in het kader van de Wet
scheepsuitrusting.
Artikel 13
De keuringsinstantie stelt de Minister van Verkeer en Waterstaat
onverwijld in kennis van:
a. wijzigingen van het ter zake van de keuringsinstantie in het
handelsregister ingeschrevene, met betrekking tot haar naam en
adresgegevens;
b. indien zij voor de taken waarvoor zij is aangewezen, door de
Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd: wijziging, schorsing of
beëindiging van haar accreditatie;
c. indien zij niet over een accreditatie als bedoeld in onderdeel
b beschikt: wijzigingen in de organisatie, de bedrijfsinterne
procedures of de personele bezetting van de keuringsinstantie,
voorzover die wijzigingen relevant zijn voor de wijze waarop of de
mate waarin de keuringsinstantie voldoet aan de artikelen 5 en 6.
Artikel 14
1. Een keuringsinstantie die niet over een accreditatie als
bedoeld in artikel 13, onderdeel b, beschikt, wordt jaarlijks
onderworpen aan een controleonderzoek en vierjaarlijks aan een
hernieuwd onderzoek, uit te voeren door de Raad voor Accreditatie, die
over de uitkomsten van het onderzoek rapporteert aan de Minister van
Verkeer en Waterstaat.
2. Bij een controleonderzoek wordt globaal getoetst of de
keuringsinstantie nog steeds voldoet aan de artikelen 5, 6 en 8. Bij een
hernieuwd onderzoek vindt een volledige herbeoordeling plaats van het
vermogen van de keuringsinstantie om, gelet op haar organisatie,
personeel en materieel, de taken te verrichten waarvoor zij is
aangewezen.
3. De periode tussen het onderzoek, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, onderdeel d, en het eerstvolgende controleonderzoek of tussen twee
onderzoeken als bedoeld in het eerste lid bedraagt ten minste acht en
ten hoogste zestien maanden. Indien bij twee opeenvolgende onderzoeken
als bedoeld in het eerste lid geen non-conformiteiten zijn geconstateerd
en de keuringsinstantie tevens naar behoren heeft voldaan aan de
artikelen 12 en 13, mag de keuringsinstantie in afwijking van het eerste
lid de maximale termijn tot het eerstvolgende onderzoek verlengen tot
ten hoogste vierentwintig maanden.
4. Bij samenloop van een hernieuwd onderzoek met een
controleonderzoek treedt het hernieuwde onderzoek in de plaats van dat
controleonderzoek.
5. Een door de Raad voor Accreditatie onderzochte
keuringsinstantie vergoedt de Raad de aan het desbetreffende onderzoek
verbonden kosten.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 15
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
scheepsuitrusting in werking treedt.
Artikel 16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling keuringsinstanties Wet
scheepsuitrusting.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos.
|
|
|