| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet
studiefinanciering 2000 (WSF 2000)
BESLUIT
STUDIEFINANCIERING 2000
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 5 augustus 2000, houdende intrekking van
het Besluit studiefinanciering en vervanging door het Besluit
studiefinanciering 2000 ter uitvoering van de Wet studiefinanciering
2000 (Besluit studiefinanciering 2000)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van
16 juni 2000, nr. 2000/23 732 (1707), directie Wetgeving en Juridische
Zaken;
Gelet op de artikelen 1.1, eerste lid, 2.2,
onderdeel c, 2.11, 3.3, tweede lid, 3.14, derde lid, 8.1, eerste
lid, 8.2, tweede lid, 9.6, 10.6, zevende lid, 11.1, 11.6 en 11.7 van de
Wet studiefinanciering 2000;
De Raad van State gehoord (advies va n 13 juli
2000, nr. W05.00.0236/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 27 juli 2000, nr. 2000/27 634
(1707), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
1.In dit besluit wordt verstaan onder:
aflosfase: aflosfase, bedoeld in artikel 6.7 van de wet,
familielid: familielid als bedoeld in richtlijn 2004/38/EG,
richtlijn 2004/38/EG: richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van
vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de
burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van
Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen
64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG,
90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158), en
wet: Wet studiefinanciering 2000.
2.In hoofdstuk 3a van dit besluit wordt verstaan onder
aanvullende beurs: toegekende en uitbetaalde aanvullende beurs als
bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de wet.
3.Een wijziging van richtlijn 2004/38/EG gaat voor de toepassing
van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 2
Onder «belastbaar minimumloon», bedoeld in artikel 1.1, eerste
lid, van de wet, wordt verstaan:
108% van het twaalfvoud van het voor de maand januari van het
berekeningsjaar geldende in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag per maand,
verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge artikel
25, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen en
vermeerderd met de vergoeding ingevolge artikel 46, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet over dat loon.
Hoofdstuk 2. Reikwijdte
Artikel 3. Nationaliteit: gehele gelijkstelling
1.Met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die in
Nederland rechtmatig verblijf heeft:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
als bedoeld in artikel 14, van de Vreemdelingenwet 2000, onder
de beperking:
1°. verband houdende met gezinshereniging of
gezinsvorming als bedoeld in artikel 15 van de
Vreemdelingenwet 2000 met een Nederlander of met een
vreemdeling als bedoeld in de onderdelen a of b van dit
artikel of hiermee verband houdend voortgezet verblijf,
2°. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling
of hiermee verband houdend voortgezet verblijf,
3°. verblijf ter adoptie of als pleegkind of hiermee
verband houdend voortgezet verblijf,
4°. verband houdende met de vervolging van mensenhandel
of hiermee verband houdend voortgezet verblijf,
5°. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet
uit Nederland kan vertrekken of hiermee verband houdend
voortgezet verblijf,
6°. anders dan genoemd in artikel 3.4, eerste lid,
Vreemdelingenbesluit 2000, als bedoeld in artikel 3.4, derde
lid, Vreemdelingenbesluit 2000 of hiermee verband houdend
voortgezet verblijf, of
7°. verband houdende met afwikkeling nalatenschap oude
Vreemdelingenwet als bedoeld in artikel 3.17a, onderdeel b,
van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 of hiermee verband
houdend voortgezet verblijf,
b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
als bedoeld in artikel 20 van die wet,
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
als bedoeld in artikel 28 van die wet,
d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
als bedoeld in artikel 33 van die wet,
e. bedoeld in artikel 8, onderdelen g of h van die wet, voor
zover hij reeds studiefinancieringsgenietende is, of
f. ten behoeve van wie of aan wie een tegemoetkoming is
verstrekt als bedoeld in de hoofdstukken 3 of 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Artikel 3a. Nationaliteit: gedeeltelijke gelijkstelling deelnemer
1.Voor personen met de nationaliteit van een staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan
wel van Zwitserland, en hun familieleden, anders dan
a. werknemers,
b. zelfstandigen, of
c. personen die de status van werknemer of zelfstandige
hebben behouden, en
d. familieleden van de personen bedoeld in onderdeel a tot en
met c,
die niet het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 16 van
richtlijn 2004/38/EG, hebben verworven, betreft de gelijkstelling,
op grond van artikel 2.2, tweede lid, van de wet, een tegemoetkoming
in de kosten van de toegang tot het onderwijs.
2.De tegemoetkoming op grond van het eerste lid wordt verstrekt
in de vorm van een gift en bestaat uit het bedrag van de basisbeurs,
bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de wet, voor een
thuiswonende deelnemer. De reisvoorziening en de toeslag, bedoeld in
artikel 3.6, tweede en derde lid, van de wet, maken daarvan geen
deel uit.
3.In afwijking van artikel 3.21, tweede lid, van de wet, kan een
aanvraag op grond van artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, van de
wet, betrekking hebben op een periode die uiterlijk aanvangt op de
eerste dag van de vierde maand voorafgaand aan de maand waarin de
aanvraag wordt ingediend.
4.De tegemoetkoming wordt toegekend in één bedrag per
studiejaar. Indien de aanspraak gedurende een studiejaar ontstaat
bestaat de aanspraak uit ééntwaalfde van het bedrag per studiejaar
maal het aantal resterende maanden van dat studiejaar.
Artikel 3b. Nationaliteit: gedeeltelijke gelijkstelling student
1.Voor personen met de nationaliteit van een staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan
wel van Zwitserland, en hun familieleden, anders dan
a. werknemers,
b. zelfstandigen, of
c. personen die de status van werknemer of zelfstandige
hebben behouden, en
d. familieleden van de personen bedoeld in onderdeel a tot en
met c,
die niet het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 16 van
richtlijn 2004/38/EG, hebben verworven, betreft de gelijkstelling,
op grond van artikel 2.2, tweede lid, van de wet, een tegemoetkoming
in de kosten van de toegang tot het onderwijs.
2.De tegemoetkoming op grond van het eerste lid wordt verstrekt
in de vorm van aanspraak op het collegegeldkrediet, bedoeld in
artikel 3.16a, van de wet.
3.In afwijking van artikel 3.21, tweede lid, van de wet, kan een
aanvraag op grond van artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, van de
wet, betrekking hebben op een periode die uiterlijk aanvangt op de
eerste dag van de vierde maand voorafgaand aan de maand waarin de
aanvraag wordt ingediend.
Artikel 4. Aangewezen onderwijs
Het onderwijs, bedoeld in artikel 2.11 van de wet, is het onderwijs
aan:
a. Stichting Kweekschool voor Vroedvrouwen te Amsterdam,
b. Vroedvrouwenschool Kerkrade uitgaande van de RK Stichting
Moederschapszorg te Kerkrade,
c. Stichting Rotterdamse Opleiding tot Verloskundige te
Rotterdam,
d. Stichting Rijksakademie van beeldende kunsten te Amsterdam,
e. Stichting Jan van Eyk-Akademie te Maastricht, en
f. Opleiding Restauratoren, onderdeel van het Instituut
Collectie Nederland te Amsterdam.
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2006]
Hoofdstuk 3. Weigerachtige of onvindbare ouders
Artikel 6. Algemeen
1.Aanspraak op aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.14,
eerste lid, van de wet, voor wat betreft de aanvullende lening die
voortvloeit uit de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de
weigerachtige of onvindbare ouder, bestaat in ieder geval, indien:
a. sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen
ouder en studerende,
b. de ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet of ontheven,
c. de studerende geen contact met de ouder heeft,
d. sprake is van voor de studerende niet inbare alimentatie
als bedoeld in titel 17 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
of
e. gegevens over de verblijfplaats van de ouder niet kunnen
worden achterhaald.
2.Een aanvraag als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de
wet wordt niet in behandeling genomen indien deze betrekking heeft
op
a. een periode die meer dan twee jaar voor het moment van
aanvragen ligt, of
b. een periode waarover geen aanvullende beurs is
aangevraagd.
Artikel 7. Conflicteis
1. Van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en
studerende als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, is
sprake, indien de ouder om ernstige redenen structureel weigert de
veronderstelde ouderlijke bijdrage te verstrekken.
2. Onze Minister stelt bij de ouder vast dat er sprake is van
weigering. Indien die ouder geen medewerking voor die vaststelling
verleent, kan de verklaring van een onafhankelijke derde voor de
betreffende ouderverklaring in de plaats treden.
3. De ernst van het conflict wordt aangetoond aan de hand van een
verklaring afgegeven door een ter zake deskundige.
Artikel 8. Uit ouderlijk gezag ontzet of ontheven
Als bewijs dat de ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet of
ontheven, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, dient een
afschrift van de beschikking van de rechtbank.
Artikel 9. Geen contact sinds 12e jaar
Van geen contact met de ouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
onderdeel c, is sprake, indien de studerende vanaf de maand waarin hij
de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt geen wezenlijk contact met de
ouder had. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake
deskundige.
Artikel 10. Niet inbare alimentatie
Van voor de studerende niet inbare alimentatie als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onderdeel d, is sprake, indien de alimentatie
oninbaar is gedurende ten minste 12 maanden voorafgaande aan de maand
waarin de studerende voor het eerst studiefinanciering ontvangt. Als
bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige.
Artikel 11. Onbekende verblijfplaats ouder
Indien de studerende de verblijfplaats van de ouder niet kent,
onderzoekt Onze Minister in een geval als bedoeld in artikel 6, eerste
lid, onderdeel e, de verblijfplaats van die ouder gedurende ten
hoogste 3 maanden onderscheidenlijk ten hoogste 6 maanden in geval van
onderzoek in het buitenland. Indien de verblijfplaats van die ouder
niet wordt achterhaald, wordt geen rekening gehouden met de
veronderstelde ouderlijke bijdrage.
Artikel 12. Draagkracht uit alimentatie
1.Indien een studerende van zijn ouder alimentatie als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onderdeel d, ontvangt, komt het door de
rechter vastgestelde bedrag aan alimentatie van de studerende in de
plaats van de veronderstelde ouderlijk bijdrage. Als bewijs van de
hoogte van de alimentatie dient in ieder geval de beschikking van de
rechtbank of een notariële akte. Het bedrag dat in het bewijsstuk
wordt genoemd, wordt vermeerderd met de wettelijke indexering.
2.Indien nog geen beschikking is afgegeven, wordt de door de
rechter vastgestelde alimentatie van de studerende in de plaats van
de veronderstelde ouderlijke bijdrage gesteld vanaf de ingangsdatum
van de alimentatie zoals die datum door de rechter is vastgesteld.
Hoofdstuk 3a. Kwijtschelding aanvullende beurs
Artikel 12a. Reikwijdte partnerbegrip
In aanvulling op het begrip partner, genoemd in artikel 1.1, eerste
lid, van de wet, is in dit hoofdstuk slechts sprake van partner van de
debiteur indien in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het
laatste studiefinancieringstijdvak het partnerschap een tijdvak van
meer dan 6 maanden omvat.
Artikel 12b. Gehele kwijtschelding voor debiteur zonder partner
Gehele kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden
indien het toetsingsinkomen van de debiteur zonder partner in het
derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste
studiefinancieringstijdvak gelijk is aan of lager is dan 1,5 maal het
belastbaar minimumloon.
Artikel 12c. Gedeeltelijke kwijtschelding voor debiteur zonder
partner
1.Gedeeltelijke kwijtschelding van de aanvullende beurs kan
plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur zonder
partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het
laatste studiefinancieringstijdvak hoger is dan 1,5 maal het
belastbaar minimumloon en lager is dan 2 maal het belastbaar
minimumloon.
2.De hoogte van de kwijtschelding tussen 1,5 en 2 maal het
belastbaar minimumloon neemt in evenredigheid af tot nihil naarmate
het toetsingsinkomen hoger is.
Artikel 12d. Gehele kwijtschelding voor debiteur met partner
Gehele kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden
indien het toetsingsinkomen van de debiteur en diens partner in het
derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste
studiefinancieringstijdvak gelijk is aan of lager is dan 2 maal het
belastbaar minimumloon.
Artikel 12e. Gedeeltelijke kwijtschelding voor debiteur met partner
1.Gedeeltelijke kwijtschelding van de aanvullende beurs kan
plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur en diens
partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het
laatste studiefinancieringstijdvak hoger is dan 2 maal het
belastbaar minimumloon en lager is dan 2,5 maal het belastbaar
minimumloon.
2.De hoogte van de kwijtschelding tussen 2 en 2,5 maal het
belastbaar minimumloon neemt in evenredigheid af tot nihil naarmate
het toetsingsinkomen hoger is.
Artikel 12f. Aanvraag en tijdstip kwijtschelding
1. Onze Minister neemt een aanvraag die wordt ingediend voor 1
november van het vierde jaar volgend op het kalenderjaar van het
laatste studiefinancieringstijdvak, niet eerder dan op die datum in
behandeling, waarbij 1 november geldt als datum van indiening.
2. Onze Minister besluit binnen 8 weken na de indiening van een
aanvraag van een debiteur om kwijtschelding van de aanvullende
beurs.
3. Onze Minister neemt slechts een aanvraag in behandeling die
wordt ingediend binnen de diplomatermijn, genoemd in de artikelen
4.9 en 5.5 van de wet, of, indien dit daarna is, binnen 5 jaren
volgend op het kalenderjaar van het laatste
studiefinancieringstijdvak.
4. Het kwijt te schelden bedrag wordt aan de aanvrager uitbetaald
indien verrekening niet mogelijk is.
Hoofdstuk 4. Uitbetaling en verrekening
Artikel 13. Uitbetaling
1. Studiefinanciering wordt uitbetaald tussen de twintigste en
dertigste dag van elke maand.
2. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1,
eerste en tweede lid, van de wet een beschikking op een
bezwaarschrift of een uitspraak op een beroep daartoe aanleiding
geeft, verrekent de IB-Groep het bedrag aan studiefinanciering dat
te weinig was toegekend met de betrokkene, of wordt dat bedrag
ineens aan de betrokkene uitbetaald.
Artikel 14 [Vervallen per 01-08-2005]
Artikel 15 [Vervallen per 01-08-2005]
Hoofdstuk 5. Verstrekken van inlichtingen
Artikel 16. Verstrekken van inlichtingen
Het verstrekken van inlichtingen, benodigd voor de uitvoering van
de wet, door organen met een publiekrechtelijke taak geschiedt binnen
8 weken na de dag van verzending van de aanvraag om inlichtingen,
indien door het college van burgemeester en wethouders te verschaffen
inlichtingen onderzoek buiten de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens noodzakelijk maken. In alle overige gevallen
geschiedt het verstrekken van inlichtingen binnen 4 weken na de dag
van verzending van de aanvraag om inlichtingen. Onze Minister kan bij
de aanvraag om inlichtingen aangeven hoe de overdracht van informatie
moet plaatsvinden.
Hoofdstuk 6. Aanpassing van bedragen
Artikel 17. Aanpassing van bedragen
1. Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.4,
tweede lid, 3.9, derde lid, en 3.17, eerste lid, van de wet, per 1
januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die
het indexcijfer van de CAO-lonen in het tweede daaraan voorafgaande
kalenderjaar heeft ondergaan.
2. Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.18,
met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 4.7, 4.18, 5.2
en 10.3 van de wet per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de
procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over het tweede
daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder de
consumentenprijsindex en het indexcijfer van de CAO-lonen wordt
verstaan.
Hoofdstuk 7. Omzetting tempobeurs
Artikel 18. Omzetting voor tempobeursstudenten van lening in gift
1. Indien over een studiejaar de tempobeurs van een student op
grond van artikel 10.7, derde lid, eerste volzin, van de wet is
omgezet in lening, en die student over dat studiejaar op de voet van
artikel 10.6, tweede lid, van de wet, ten minste 14 studiepunten
heeft behaald, zet Onze Minister op aanvraag van de student het
desbetreffende bedrag aan lening alsnog om in gift indien de student
aan de volgende voorwaarden voldoet:
a. hij heeft aan opleidingen waarop artikel 10.6 van de wet
van toepassing is, een aantal studiepunten behaald dat ten
minste gelijk is aan de voor de laatst gevolgde opleiding
geldende studielast, en
b. dit aantal studiepunten is behaald binnen het aantal
maanden, gemeten vanaf het tijdstip waarop de student voor het
eerst studiefinanciering ontving voor het volgen van hoger
onderwijs, dat de uitkomst is van de formule (studielast x 12 :
60) + 12.
2. Onder studielast, genoemd in het eerste lid, wordt verstaan de
studielast, bedoeld in artikel 7.4 van de WHW.
3. Het aantal maanden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
wordt verhoogd met het aantal maanden waarover de student recht
heeft gehad op een financiële voorziening als bedoeld in artikel
7.51, tweede lid, van de WHW. De in de vorige volzin bedoelde
verhoging omvat ten hoogste 12 maanden.
4. Indien de uitkomst van de berekening van het aantal maanden,
bedoeld in het tweede en derde lid, niet een geheel getal is, wordt
zij afgerond op het naastgelegen gehele, hogere getal.
5. Indien een student gelijktijdig meer dan een opleiding volgt,
geldt de studielast van de langste opleiding waarvoor
studiefinanciering is verstrekt.
6. Bij de omzetting gaat de rente die over het om te zetten
bedrag is opgebouwd, teniet.
7. Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige
toepassing, indien artikel 10.6, derde lid, van de wet is toegepast.
8. De omzetting kan jegens een student slechts eenmaal
plaatsvinden, doch niet met betrekking tot een studiejaar waarover
de student te eniger tijd aanspraak heeft gehad op een financiële
voorziening als bedoeld in artikel 7.51, tweede lid, van de WHW.
Indien er ten behoeve van meer dan een studiejaar omzetting mogelijk
is, geeft de student aan ten behoeve van welk studiejaar de
omzetting dient plaats te vinden.
9. De student zendt de aanvraag uiterlijk 3 maanden na het einde
van de termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, verhoogd met
het aantal maanden, bedoeld in het derde lid, aan Onze Minister. De
aanvraag gaat vergezeld van gewaarmerkte verklaringen van de
instelling dan wel de instellingen, waaruit de studievoortgang
blijkt.
Hoofdstuk 8 [Vervallen per 01-09-2001]
Artikel 19 [Vervallen per 01-09-2001]
Artikel 20 [Vervallen per 01-09-2001]
Artikel 21 [Vervallen per 01-09-2001]
Artikel 22 [Vervallen per 01-09-2001]
Artikel 23 [Vervallen per 01-09-2001]
Artikel 24 [Vervallen per 01-09-2001]
Artikel 25 [Vervallen per 01-09-2001]
Artikel 26 [Vervallen per 01-09-2001]
Artikel 27 [Vervallen per 01-09-2001]
Artikel 28 [Vervallen per 01-09-2001]
Artikel 29 [Vervallen per 01-09-2001]
Artikel 30 [Vervallen per 01-09-2001]
Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen
Artikel 30a. Overgangsbepaling artikel 2
1.Indien het derde jaar na het laatste
studiefinancieringstijdvak vóór 2006 is gelegen, wordt voor de
toepassing van artikel 2 onder belastbaar minimumloon verstaan:
a. de som van:
1°. het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag, zoals dat luidde op 31 december
2005, getotaliseerd over de kalendermaanden van het
kalenderjaar, en
2°. een bedrag gelijk aan de som van het volgens
artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag, zoals dat luidde op 31 december
2005, van toepassing zijnde percentage van het
minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel
a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals
dat luidde op 31 december 2005, over de 12 maanden
aanvangende in de maand juni voorafgaand aan het jaar
waarvoor het belastbare minimumloon wordt vastgesteld,
b. vermeerderd met het door de werkgever verschuldigde
gedeelte van de premie voor de verzekering ingevolge de
Ziekenfondswet, zoals die luidde op 31 december 2005, over de
som van de hiervoor in onderdeel a bedoelde bedragen, en
c. verminderd met het bedrag van de premies die, bij een
loon gelijk aan de overeenkomstig de in onderdeel a bepaalde
som, bij wijze van inhouding zouden zijn geheven ingevolge de
Werkloosheidswet, zoals die luidde op 31 december 2005.
2.Indien ingevolge de Werkloosheidswet, zoals die luidde op 31
december 2005, een premie is ingehouden waarvan het percentage per
bedrijfstak verschilt, wordt bij toepassing van het eerste lid een
gemiddeld percentage gehanteerd.
3.Indien in de loop van het kalenderjaar de premie ingevolge de
Ziekenfondswet of de Werkloosheidswet, zoals die luidden op 31
december 2005, wijziging heeft ondergaan, wordt de hoogte van de
premie of deze bijdrage over het gehele kalenderjaar naar
evenredigheid berekend.
Artikel 31. Overgangsbepaling artikel 3 BSF 2000
[Wijzigt dit besluit.]
Artikel 32. Overgangsbepaling artikel 3 BSF
Artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, en tweede lid,
van het Besluit studiefinanciering zoals dat luidde op 31 december
1996, blijft van toepassing op degene die op dat tijdstip
studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering
genoot.
Artikel 33. Afwijking van artikel 3b
Op een student die voor 1 september 2007 op grond van artikel 3a
studiefinanciering ontving, blijft artikel 3a, zoals dat luidde op 31
augustus 2007, van toepassing zolang hij zonder onderbreking
studiefinanciering op grond van dat artikelgeniet.
Artikel 34. Overgangsbepaling artikel 14
[Wijzigt dit besluit.]
Artikel 34a. Tijdelijke afwijking artikel 17
Artikel 17, tweede lid, is niet van toepassing in de kalenderjaren
2011 en 2012.
Hoofdstuk 10. Wijzigingen in andere besluiten
Artikel 35. Bekostigingsbesluit WHW
[Wijzigt het Bekostigingsbesluit WHW]
Artikel 36. Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke
huishouding 1998
[Wijzigt het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke
huishouding 1998]
Artikel 37. Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en
vrijwillige jeugdhulpverlening
[Wijzigt het Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en
vrijwillige jeugdhulpverlening]
Artikel 38. Besluit categorieën van verzekerden Wtz 1998
[Wijzigt het Besluit categorieën van verzekerden Wtz 1998]
Artikel 39. Besluit geneeskundige verzorging politie 1994
[Wijzigt het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994]
Artikel 40. Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici
[Wijzigt het Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici]
Artikel 41. Besluit tegemoetkoming studiekosten
[Wijzigt het Besluit tegemoetkoming studiekosten]
Artikel 42. Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag
onderwijs- en onderzoekpersoneel
[Wijzigt het Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag
onderwijs- en onderzoekpersoneel]
Artikel 43. Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel
[Wijzigt het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel]
Artikel 44. Bijdragebesluit Zorg
[Wijzigt het Bijdragebesluit Zorg]
Artikel 45. Inkomens- en samenloopbesluit Anw
[Wijzigt het Inkomens- en samenloopbesluit Anw]
Artikel 46. Inkomensbesluit IOAW
[Wijzigt het Inkomensbesluit IOAW]
Artikel 47. Inkomensbesluit Toeslagenwet
[Wijzigt het Inkomensbesluit Toeslagenwet]
Artikel 48. Interimbesluit ziektekosten burgerlijke ambtenaren
defensie
[Wijzigt het Interimbesluit ziektekosten burgerlijke ambtenaren
defensie]
Artikel 49. Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
[Wijzigt het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel]
Artikel 50. Uitvoeringsbesluit WEB
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WEB]
Artikel 51. Uitvoeringsbesluit WHW
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WHW]
Artikel 52. Verplaatsingskostenbesluit militairen
[Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit militairen]
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Artikel 53. Intrekking Besluit studiefinanciering
1. Het Besluit studiefinanciering wordt ingetrokken.
2. In afwijking van het eerste lid blijven de artikelen 16m en
16n van het Besluit studiefinanciering van kracht tot het tijdstip
waarop de wet houdende Wet opheffing College van beroep
studiefinanciering (Stb. 2000, 284) in werking treedt.
Artikel 54. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op 1 september 2000.
Artikel 55. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit studiefinanciering 2000.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 5 augustus 2000
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
a.i.,
G. Zalm
Uitgegeven de tweeëntwintigste augustus 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Bijlage [Vervallen per 01-09-2001]
|
|
|