St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS)

 

BESLUIT  TEGEMOETKOMING  ONDERWIJSBIJDRAGE  EN  SCHOOLKOSTEN

Tekst zoals deze geldt op 22 januari 2012

 

  
 

 

 
BESLUIT van 5 juli 2001, houdende regels over de tegemoetkoming in onderwijsbijdrage en schoolkosten (Besluit  tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 2 mei 2001, nr. WJZ/2001/15896 (1713), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
     Gelet op de artikelen 2.2, eerste lid, 9.5, 9.6 en 11.1, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
     De Raad van State gehoord (advies van 22 juni 2001, nr. W05.01.0211/III);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 3 juli 2001, nr. WJZ/2001/27402 (1713), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemeen

 

Artikel 1. Begripsbepaling

In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

 

Artikel 2. Nationaliteit voor hoofdstuk 3 van de wet

De vreemdeling die tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3 van de wet aanvraagt, wordt met een Nederlander gelijkgesteld indien die vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijf heeft:

a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000,

b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van die wet,

c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet,

d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van die wet, of

e. bedoeld in artikel 8, onderdelen g of h, van die wet, voor zover er aan hem of ten behoeve van hem reeds tegemoetkoming is verstrekt.

 

Artikel 3. Nationaliteit voor hoofdstukken 4 en 5 van de wet

1.Artikel 2 is van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling die tegemoetkoming op grond van de hoofdstukken 4 of 5 van de wet aanvraagt, met dien verstande dat de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, verleend is onder de beperking:

a. verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming als bedoeld in artikel 15 van de Vreemdelingenwet 2000 met een Nederlander of met een vreemdeling als bedoeld in artikel 2, onderdelen a, b, c of d, of hiermee verband houdend voortgezet verblijf,

b. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling of hiermee verband houdend voortgezet verblijf,

c. verblijf ter adoptie of als pleegkind of hiermee verband houdend voortgezet verblijf,

d. verband houdende met de vervolging van mensenhandel of hiermee verband houdend voortgezet verblijf,

e. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken of hiermee verband houdend voortgezet verblijf,

f. verblijf op grond van een andere beperking dan genoemd in artikel 3.4, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000, als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 of hiermee verband houdend voortgezet verblijf, of

g. verband houdende met afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet als bedoeld in artikel 3.17a, onderdeel b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 of hiermee verband houdend voortgezet verblijf.

2.Met een Nederlander wordt mede gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland verblijft en die aanspraak maakt op tegemoetkoming ingevolge:

a. hoofdstuk 4 van de wet en ten behoeve van wie of aan wie een tegemoetkoming is verstrekt op grond van hoofdstuk 3 van de wet,

b. hoofdstuk 5 van de wet en ten behoeve van wie of aan wie een tegemoetkoming is verstrekt op grond van hoofdstuk 3 of 4 van de wet of aan wie studiefinanciering is verstrekt ingevolge de Wet studiefinanciering 2000, of

c. hoofdstuk 5 van de wet en houder is van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, die verleend is onder de beperking verrichten van arbeid.

 

Artikel 3a. Nationaliteit voor hoofdstuk 4 van de wet: gedeeltelijke gelijksteling

1. Voor personen met de nationaliteit van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en hun familieleden, anders dan

a. werknemers,

b. zelfstandigen, of

c. personen die de status van werknemer of zelfstandige hebben behouden, en

d. familieleden van de personen bedoeld in onderdeel a tot en met c,

die niet het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG, hebben verworven, betreft de gelijkstelling, op grond van artikel 2.2, derde lid, van de wet, een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs.

2. De tegemoetkoming op grond van het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een gift en bestaat uit het bedrag genoemd in artikel 4.6, eerste lid, en voorzover het een leerling betreft als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, een bedrag ter grootte van eentwaalfde deel van het bedrag, bedoeld in artikel 5, tweede lid van de Les- en cursusgeldwet. Onze Minister verrekent het laatstgenoemde bedrag met de verschuldigde onderwijsbijdrage. Voorzover blijkt dat de onderwijsbijdrage reeds aan Onze Minister is betaald, wordt het bedrag door Onze Minister terugbetaald binnen 6 weken na het besluit, bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, van de wet.

3. In afwijking van artikel 4.10, tweede lid, van de wet, kan een aanvraag op grond van artikel 2.2, derde lid, van de wet, betrekking hebben op een periode die uiterlijk aanvangt op de eerste dag van de vierde maand voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag wordt ingediend.

4. De tegemoetkoming wordt toegekend in één bedrag per schooljaar. Indien de aanspraak gedurende een schooljaar ontstaat bestaat de aanspraak uit ééntwaalfde van het bedrag per schooljaar maal het aantal resterende maanden van dat schooljaar.

 

Artikel 4. Verstrekken van inlichtingen

Artikel 16 van het Besluit studiefinanciering 2000 is van overeenkomstige toepassing op de verplichting, bedoeld in artikel 9.5 van de wet.

 

Artikel 5. Aanpassing van bedragen

1.Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 2.23, tweede lid, en 10.5, tweede lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.

2.Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.5, 4.3, 4.6, 5.4, 5.10 en 10.7, derde lid, van de wet per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.

3.Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder de consumentenprijsindex en het indexcijfer van de CAO-lonen wordt verstaan.

 

Hoofdstuk 2. Overgangsrecht

 

Artikel 6. Overgangsbepaling artikelen 2 en 3

Degenen die op 31 juli 2001 op grond van het Besluit tegemoetkoming studiekosten rechtmatig tegemoetkoming ontvingen, voldoen aan de nationaliteitseis, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet.

 

Artikel 6a. Tijdelijke afwijking artikel 5

Artikel 5, tweede lid, is niet van toepassing in de kalenderjaren 2011 en 2012.

 

Hoofdstuk 3. Wijzigingen in andere besluiten

 

Artikel 7. Besluit geneeskundige verzorging politie 1994

[Wijzigt het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994]

 

Artikel 8. Besluit studiefinanciering 2000

[Wijzigt het Besluit studiefinanciering 2000]

 

Artikel 9. Bijdragebesluit Zorg

[Wijzigt het Bijdragebesluit Zorg]

 

Artikel 10. Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000

[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000]

 

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

 

Artikel 11. Uitvoeringsbesluit WEB

[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WEB]

 

Artikel 12. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op 1 augustus 2001.

 

Artikel 13. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 5 juli 2001

 

BEATRIX

 

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
L.M.L.H.A. Hermans

 

Uitgegeven de negentiende juli 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals

 

 

 

 

    
 

x

   

home | WTOS | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x