Artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) bepaalt dat
alle instellingen die zorg verlenen waarop aanspraak bestaat ingevolge
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Zorgverzekeringswet,
moeten beschikken over een toelating. Vooropgesteld dat een verzoek om
een toelating op de juiste wijze is ingediend, voorzien van het juiste
formulier en van de correcte bijlagen, dient te worden beoordeeld of de
aanvraag kan worden gehonoreerd. Daartoe zal de toelatingsaanvraag
worden getoetst aan de eisen zoals gesteld in de wet, het
Uitvoeringsbesluit WTZi en onderhavige beleidsregels vastgelegd op grond
van artikel 4 van de WTZi.
Daarnaast zijn er beleidsregels die (ook) van kracht zijn na het
verlenen van de toelating. In dat verband wijs ik op artikel 13 van de
WTZi, dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) de
bevoegdheid geeft aan – al dan niet reeds afgegeven – toelatingen
voorschriften te verbinden. Het niet voldoen aan beleidsregels die te
allen tijde van kracht zijn, kan aanleiding zijn zo’n voorschrift te
stellen. In veel gevallen zijn deze algemeen geldende beleidsregels ook
relevant bij de beoordeling van de toelatingsaanvraag, maar dit is niet
altijd het geval.
Volgens artikel 4 WTZi bevatten de beleidsregels in ieder geval
criteria over de spreiding van die vormen van zorg waarbij aan de
bereikbaarheid een bijzonder belang moet worden gehecht. Voor zover een
toelatingsaanvraag gepaard gaat met een in het Uitvoeringsbesluit WTZi
aangewezen vorm van bouw, dient tevens getoetst te worden of de
toelating niet leidt tot een overschrijding van het beschikbare
financiële kader zoals bedoeld in artikel 3 van de WTZi. Daarom zijn er
criteria opgesteld om de aanvragen om een toelating waarmee bouw gepaard
gaat, prioriteit te kunnen geven. Deze prioriteitscriteria zijn van
belang voor de periodieke vaststelling van het bouwprogramma. Met behulp
van deze criteria wordt bepaald of een bouwinitiatief in aanmerking komt
voor plaatsing op de bouwprioriteitenlijst, en of het betreffende
initiatief sneller gerealiseerd moet worden dan andere initiatieven.
Door op deze wijze prioriteiten te stellen ontstaat een rangorde van
bouwinitiatieven waarin, in het geval van budgettaire schaarste, wordt
aangegeven waar het meeste behoefte aan is. Het beschikbare financiële
kader is vervolgens bepalend voor het totaal aan initiatieven dat in de
betreffende periode daadwerkelijk voor realisatie in aanmerking komt.
In het navolgende zullen, naast een aantal sectoroverstijgende
beleidsregels (§ 2), aparte beleidsregels regels worden verwoord
voor de acute zorgketen (§3), ziekenhuiszorg (§ 4), geestelijke
gezondheidszorg (§ 5), verpleging en verzorging (§ 6) en
gehandicaptenzorg (§ 7).
2. Sectoroverstijgende beleidsregels
2.1. Beleidsregels alleen ter toetsing bij een toelatingsaanvraag
2.1.1. Vermelden capaciteit.
Een aanvraag om (wijziging van) een toelating als bedoeld in artikel
7, eerste lid, of artikel 9, eerste lid, van de wet bevat een opgave van
de (wijziging van de) capaciteit(en) die met de aanvraag is gemoeid voor
zover er sprake is van AWBZ-verblijf of Zvw-verblijf, uitsluitend in
verband met een psychiatrische aandoening, of als er sprake is van een
kinderdagcentrum als bedoeld in artikel 5.2 onder d van het
Uitvoeringsbesluit WTZi. Tevens dient te worden aangegeven of er sprake
is van groot- of kleinschalige woonvoorzieningen als bedoeld in artikel
5.4 van het Uitvoeringsbesluit WTZi en of er sprake is van licht of
zwaar verblijf als bedoeld in artikel 5.1 van het Uitvoeringsbesluit
WTZi of van beveiligd verblijf als bedoeld in de prestatie-eisen van het
College bouw zorginstellingen. De aanvraag omvat eveneens een opgave van
de uiteindelijke (verblijf)capaciteit(en) van de voorziening als de
aanvraag wordt gehonoreerd. Tevens moet worden gemotiveerd op basis van
welke afweging voor de gevraagde omvang is gekozen.
2.1.2. Prestatie-eisen.
Een aanvraag om (wijziging van) een toelating als bedoeld in artikel
7, eerste lid, van de wet moet worden opgesteld met in achtneming van de
door het College bouw zorginstellingen vastgestelde prestatie-eisen en
kostenkengetallen.
2.1.3. Indientermijnen aanvraag vergunning.
In een toelating als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet,
wordt in beginsel opgenomen dat de instelling binnen twee jaar na
afgifte van de toelating een vergunning als bedoeld in artikel 11,
eerste lid, van de WTZi dient aan te vragen. Als voor die datum geen
vergunning is aangevraagd komt de afgegeven toelating te vervallen. Een
verzoek van de instelling tot verlenging van deze termijn zal worden
gehonoreerd indien de complexiteit van het betreffende initiatief
verlenging van de termijn naar het oordeel van de Minister
rechtvaardigt.
2.1.4. Ingangsdatum toelating
1. Een (wijziging van een) toelating als bedoeld in artikel 7, eerste
lid, of artikel 9, eerste lid, van de wet, gaat in beginsel in op de
datum van de beschikking. Bij het indienen van de aanvraag dient de
instelling er dus rekening mee te houden dat de wettelijke beslistermijn
voor aanvragen maximaal 8 weken bedraagt, eventueel verlengd met
nogmaals 8 weken. Indien de aanvrager aannemelijk kan maken dat de
aanvraag door redenen waarop de aanvrager geen invloed kan uitoefenen,
niet eerder kon worden ingediend, kan de toelatingswijziging bij wijze
van uitzondering ingaan op een moment vóór de datum waarop de
beschikking wordt afgegeven. De ingangsdatum ligt echter niet voor de
datum van de aanvraag. Een belangrijk toetsingscriterium voor het
bepalen van een ingangsdatum die ligt voor de datum van de beschikking
is ook de mate waarin de aanvraag bij indiening compleet is.
2. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, wordt de
toelating als instelling voor verblijf van instellingen die
kleinschalige woonvoorzieningen exploiteren maximaal twee maal per jaar
gewijzigd. Instellingen die een wijziging in hun toelating als
instelling voor verblijf ten behoeve van een kleinschalige woonvorm
beogen, dienen hun aanvraag met betrekking tot de wijzigingen over de
maanden januari tot en met juni van enig jaar in vóór 1 september
van datzelfde jaar. Een aanvraag die betrekking heeft op wijzigingen
over de maanden juli tot en met december wordt ingediend vóór
1 maart van het eerstvolgende jaar. Een wijziging van de toelating
als instelling voor verblijf gaat niet eerder in dan 1 januari van
hetzelfde jaar, resp. 1 juli van het direct aan de aanvraag
voorafgaande jaar.
2.2. Beleidsregels die te allen tijde van kracht zijn
2.2.1. Behoud van waarde van onroerende zaken voor de zorg
1. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a. College sanering: College sanering zorginstellingen, bedoeld
in artikel 32 van de Wet toelating zorginstellingen;
b. instelling: instelling als bedoeld in artikel 5.2 van het
Uitvoeringsbesluit WTZi, zoals dat luidde op 1 januari 2007;
c. onroerende zaken:
1°. aan een instelling, al dan niet in economische zin,
toebehorende registergoederen als bedoeld in artikel 3:10 van het
Burgerlijk Wetboek, niet zijnde schepen of luchtvaartuigen;
2°. door een instelling direct of indirect gehouden aandelen
of certificaten van aandelen in naamloze of besloten
vennootschappen aan wie de hiervoor bedoelde registergoederen, al
dan niet in economische zin, toebehoren;
3°. aan de instelling, al dan niet in economische zin,
toebehorende rechten van lidmaatschap van verenigingen of
coöperaties, indien in die rechten is begrepen het recht op het
uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik van een gebouw of een
gedeelte daarvan, dat blijkens zijn inrichting is bestemd om als
afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d. waarde van onroerende zaken: de marktwaarde of, indien het
aandelen of certificaten van aandelen betreft zoals bedoeld onder c,
2°, de marktwaarde van de registergoederen als bedoeld in artikel
3:10 van het Burgerlijk Wetboek voor zover die door de aandelen of
certificaten van aandelen wordt belichaamd;
e. zorg: zorg als omschreven bij of krachtens de
Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voor
zover in Nederland toelating nodig is op grond van de Wet toelating
zorginstellingen.
2. Deze beleidsregels zijn niet van toepassing op:
a. onroerende zaken die niet voor de zorg werden en worden
gebruikt;
b. onroerende zaken waarvoor geldt dat de kosten van verwerving,
onderhoud, verbouw, renovatie of vervanging ervan niet, ook niet
gedeeltelijk, zijn of waren opgenomen in tarieven, goedgekeurd of
vastgesteld op grond van de Wet ziekenhuistarieven, de Wet tarieven
gezondheidszorg of de Wet marktordening gezondheidszorg en voorts
niet, ook niet gedeeltelijk, direct of indirect, ten laste zijn
gekomen van de verzekeringen, geregeld bij of krachtens de
Ziekenfondswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de
Zorgverzekeringswet;
c. onroerende zaken die een instelling heeft verworven nadat de
toepasselijkheid van artikel 5.2 Uitvoeringsbesluit WTZi ten aanzien
van de instelling was geëindigd;
d. kleinschalige woonvoorzieningen als bedoeld in artikel 5.4,
lid 1 van het Uitvoeringsbesluit WTZi.
3. Ter zake van de aanvraag om een toelating en het handhaven daarvan
worden de volgende beleidsregels gehanteerd:
a. De instelling dient de waarde van onroerende zaken te
gebruiken of te doen gebruiken ten behoeve van zorg, te verlenen in
Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie of de
Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel voor opleiding, voor
wetenschappelijk onderzoek of voor onderwijs ten behoeve van
zodanige zorg. In geval van investeringen in het buitenland moet het
gaan om zorg die mede ten goede komt aan Nederlandse ingezetenen.
b. De onder a genoemde verplichting blijft gelden bij en na het
aangaan van overeenkomsten met derden, fusie of splitsing,
verandering van rechtsvorm en ontbinding van de rechtspersoon.
c. De instelling dient van voorgenomen rechtshandelingen die
geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een onroerende zaak,
tenminste acht weken voor het verrichten van die rechtshandeling
melding te doen aan het College sanering, tenzij op grond van
artikel 18 van de Wet toelating zorginstellingen een verplichting
tot melding bestaat. Voor zover de rechtshandeling strekt tot
overdracht van een zaak of tot vestiging van een beperkt zakelijk
recht, dient de melding tenminste acht weken voor de overdracht of
de vestiging van het beperkt zakelijk recht plaats te vinden. Het in
dit onderdeel bepaalde is niet van toepassing op vestiging van
hypotheek door de instelling als hypotheekgever.
d. Vervreemding en verhuur van onroerende zaken dienen tegen
marktwaarde plaats te vinden.
e. In geval van algehele beëindiging van de verlening van zorg
dient de instelling:
1°. vóórdat de verlening van zorg wordt beëindigd daarvan
kennis te geven aan het College sanering;
2°. binnen een jaar na de onder 1°. bedoelde kennisgeving aan
het College sanering een document te zenden dat een zodanig
inzicht geeft in de voorgenomen aanwending van waarde van
onroerende zaken, dat verzekerd is dat die waarde wordt aangewend
ten behoeve van de zorg, conform de onder a genoemde verplichting;
3°. de waarde van onroerende zaken aan te wenden ten behoeve
van de zorg overeenkomstig het onder 2°. bedoelde document.
f. De instelling dient aan het College sanering die gegevens en
bescheiden te verstrekken die het College redelijkerwijs nodig heeft
om zich een oordeel te vormen en zo nodig aan de Minister advies uit
te brengen over de vraag of de instelling handelt in overeenstemming
met het bepaalde onder a tot en met e. Hiertoe behoort, indien het
College sanering de wens daartoe te kennen geeft, het verstrekken
van een taxatierapport dat voldoet aan door het College sanering
geformuleerde vereisten voor de deugdelijkheid van het rapport.