| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet toelating
zorginstellingen (WTZi)
UITVOERINGSBESLUIT
WTZi
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 3 november 2005, houdende uitvoering van
enige bepalingen van de Wet toelating zorginstellingen (Uitvoeringsbesluit
WTZi)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van
27 september 2004, kenmerk Z/PB-2519449;
Gelet op de artikelen 1, tweede en derde lid,
5, eerste, tweede en derde lid, 6, 7, derde lid, onderdeel c, 9,
eerste lid, onderdeel b, 16 en 17, vierde lid, van de Wet
toelating zorginstellingen;
De Raad van State gehoord (advies van
23 november 2004, nr. W13.04.0473/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 oktober 2005, kenmerk
MC/MO-2625487;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Aanwijzing instellingen
Artikel 1.1
In dit besluit wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
a. de wet: de Wet toelating zorginstellingen;
b. AWBZ-verblijf: het verblijf, omschreven in artikel 9 van het
Besluit zorgaanspraken AWBZ;
c. Zvw-verblijf: het verblijf, omschreven in artikel 2.10 van het
Besluit zorgverzekering.
Artikel 1.2
Voor de toepassing van artikel 5, eerste lid, van de wet worden de
volgende categorieën van instellingen aangewezen:
1. instellingen voor medisch-specialistische zorg;
2. audiologische centra;
3. trombosediensten;
alsmede instellingen voor:
4. [vervallen;]
5. huisartsenzorg;
6. verloskundige zorg;
7. kraamzorg;
8. mondzorg;
9. paramedische zorg;
10. het verstrekken van hulpmiddelen;
11. het verlenen van farmaceutische zorg;
12. ziekenvervoer;
13. erfelijkheidsadvisering;
14. behandeling van gedragswetenschappelijke aard in verband met
een psychiatrische aandoening;
15. [vervallen;]
16. [vervallen;]
17. persoonlijke verzorging;
18. verpleging;
19. begeleiding;
20. [vervallen;]
21. behandeling, anders dan bedoeld onder nummer 14;
22. [vervallen;]
23. [vervallen;]
24. de uitleen van verpleegartikelen.
Hoofdstuk II. Uitzonderingen
Artikel 2.1
1.Niet tot de in artikel 1.2 genoemde instellingen behoren
militaire instellingen als ziekenboegen, gezondheidscentra en
operationeel geneeskundige instellingen.
2.Op de instellingen, genoemd in artikel 1.2, onder nummer 1, voor
zover het betreft militaire ziekenhuizen en militaire
revalidatiecentra, zijn de artikelen 7, derde lid, onder c, 9, eerste
lid, onder b, en 13, eerste lid, eerste volzin, van de wet niet van
toepassing.
3.Op de instellingen, genoemd in artikel 1.2, onder nummer 1, voor
zover het betreft academische ziekenhuizen, zijn de artikelen 6.1 en
6.2 van dit besluit niet van toepassing.
4.Artikel 6.1 is uitsluitend van toepassing op:
a. de instellingen, bedoeld in het vijfde lid, met uitzondering
van academische ziekenhuizen, en
b. op overige instellingen wanneer daarop artikel 2, eerste
lid, van de Wet op de ondernemingsraden van toepassing is.
5.De artikelen 15 en 16 van de wet zijn uitsluitend van toepassing
op de instellingen, bedoeld in artikel 1.2, onder de nummers 1, 17,
18, 19, en 21.
6.Artikel 18 van de wet is uitsluitend van toepassing op:
a. de instellingen, bedoeld in artikel 1.2, nummer 1,
– die zorg verlenen in combinatie met Zvw-verblijf;
– voor welke zorg op grond van de Wet marktordening
gezondheidszorg een tarief is vastgesteld; en
– welke zorg behoort tot de ingevolge de
Zorgverzekeringswet te verzekeren prestaties,
een en ander met uitzondering van militaire instellingen;
b. AWBZ-instellingen die een of meer vormen van zorg verlenen
als bedoeld in artikel 1.2, nummers 17 tot en met 21, in
combinatie met AWBZ-verblijf, in verband met:
1°. een somatische aandoening of beperking;
2°. een psychogeriatrische aandoening of beperking;
3°. een verstandelijke handicap;
4°. een lichamelijke handicap;
5°. een zintuigelijke handicap;
c. AWBZ-instellingen die zorg verlenen als bedoeld in artikel
1.2, nummer 17 of 19, in combinatie met AWBZ-verblijf, in verband
met een psychiatrische aandoening.
7.In afwijking van het zesde lid geldt artikel 18 van de wet niet
voor kleinschalige woonvoorzieningen, zijnde instellingen of delen
daarvan waar de desbetreffende zorg wordt verleend:
1°. uitsluitend aan personen in verband met een psychiatrische
aandoening, gepaard gaande met een beschermende woonomgeving, en
– die bestaan uit zelfstandige woningen, dat wil zeggen
woningen die naast één of meer privé-vertrekken een eigen
voordeur, een eigen keuken, een eigen toilet en een eigen
badkamer hebben,
– die een beperkte omvang hebben, dat wil zeggen dat zij
huisvesting bieden aan ten hoogste acht personen,
– die samen met andere in de directe omgeving gelegen
zodanige woonvoorzieningen aan niet meer dan 35 personen
huisvesting bieden;
2°. aan een of meer van de overige in het zesde lid, onder b,
genoemde categorieën van doelgroepen, al dan niet in combinatie
met de onder 1° van dit lid genoemde doelgroepen, en
– die bestaan uit zelfstandige woningen, dat wil zeggen
woningen die naast één of meer privé-vertrekken een eigen
voordeur, een eigen keuken, een eigen toilet en een eigen
badkamer hebben,
– die een beperkte omvang hebben, dat wil zeggen dat zij
huisvesting bieden aan ten hoogste zes personen,
– die samen met andere in de directe omgeving gelegen
zodanige voorzieningen aan niet meer dan voor zover het gaat
om zwaar verblijf 24 personen en voor zover het gaat om licht
verblijf 50 personen huisvesting bieden, met dien verstande
dat het totaal van licht en zwaar verblijf tezamen ten hoogste
50 personen bedraagt.
Artikel 2.2
De instellingen, genoemd in artikel 1.2, onder de nummers 5 tot en
met 14 en 24 worden voor de toepassing van artikel 5, eerste lid, van de
wet aangemerkt als in het bezit van een toelating.
Artikel 2.3
Artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen is niet van
toepassing voor zover een instelling forensische zorg verleent als
bedoeld in artikel 2 van het Interimbesluit forensische zorg.
Hoofdstuk III. Winstoogmerk
Artikel 3.1
Als instellingen waarvoor winstoogmerk is toegestaan, worden
aangewezen:
a. de instellingen, behorend tot de categorie, genoemd in artikel
1.2, onder nummer 1, die uitsluitend de daar genoemde zorg verlenen
in verband met een psychiatrische aandoening, niet in combinatie met
Zvw-verblijf;
b. de instellingen, behorend tot de categorieën, genoemd in
artikel 1.2, onder de nummers 2, 3, 5 tot en met 12, 14 en 24;
c. de instellingen, behorend tot de categorieën, genoemd in
artikel 1.2, onder de nummers 17, 18, 19 en 21, die de
desbetreffende zorg niet verlenen in combinatie met AWBZ-verblijf;
d. de instellingen, bedoeld in artikel 2.1, zevende lid.
Hoofdstuk IV. Aanvraag toelating
Artikel 4.1
De aanvraag aan Onze Minister om een toelating wordt ingediend onder
gebruikmaking van een door Onze Minister beschikbaar te stellen
formulier.
Artikel 4.2
Een aanvraag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, waarop
Onze Minister beslist met toepassing van artikel 9 van de wet, gaat
vergezeld van de zienswijze van de zorgverzekeraars als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder b, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten, voor zover deze verplicht zijn met de desbetreffende
instelling een overeenkomst te sluiten.
Hoofdstuk V [Vervallen per 22-04-2009]
Artikel 5.1 [Vervallen per 22-04-2009]
Artikel 5.2 [Vervallen per 22-04-2009]
Artikel 5.3 [Vervallen per 22-04-2009]
Artikel 5.4 [Vervallen per 22-04-2009]
Hoofdstuk VI. Transparantie-eisen
§ 1. Bestuursstructuur
Artikel 6.1
1.Met betrekking tot de bestuursstructuur van instellingen gelden
de volgende eisen:
a. er is een orgaan dat toezicht houdt op het beleid van de
dagelijkse of algemene leiding van de instelling en deze met raad
ter zijde staat; geen persoon kan tegelijk deel uitmaken van het
toezichthoudend orgaan en de dagelijkse of algemene leiding;
b. het toezichthoudend orgaan is zodanig samengesteld dat de
leden ten opzichte van elkaar, de dagelijkse en algemene leiding
van de instelling en welk deelbelang dan ook onafhankelijk en
kritisch kunnen opereren;
c. de instelling legt inzichtelijk de
verantwoordelijkheidsverdeling tussen het toezichthoudend orgaan
en de dagelijkse of algemene leiding vast, alsmede de wijze waarop
interne conflicten tussen beide organen worden geregeld.
2.Instellingen die rechtspersoon zijn, met uitzondering van
kerkgenootschappen, leggen het in het eerste lid bepaalde vast in de
statuten; de overige instellingen leggen dat anderszins schriftelijk
vast.
Artikel 6.2
Indien de instelling de rechtsvorm van stichting of vereniging als
bedoeld in artikel 344 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek heeft, kent
zij in de statuten aan een orgaan dat de cliënten van de instelling
vertegenwoordigt, de in artikel 346, onder c, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek bedoelde bevoegdheid toe tot het indienen van een
verzoek als bedoeld in artikel 345 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek. De instelling kan die bevoegdheid daarnaast ook aan anderen
toekennen.
§ 2. Bedrijfsvoering
Artikel 6.3
De instelling heeft schriftelijk vastgelegd welk orgaan of welke
organen van de instelling welke bevoegdheden heeft onderscheidenlijk
hebben ten aanzien van welk onderdeel of aspect van de bedrijfsvoering.
Artikel 6.4
1.De instelling heeft schriftelijk en inzichtelijk vastgelegd hoe
de zorgverlening georganiseerd wordt, van welke andere
organisatorische verbanden daarbij gebruik wordt gemaakt en wat de
aard is van de relaties met die andere verbanden, waaronder begrepen
verantwoordelijkheden, taken en beslissingsbevoegdheden.
2.De activiteiten van de instelling waarvoor de toelating geldt,
worden in ieder geval financieel onderscheiden van andere activiteiten
van de instelling.
Artikel 6.5
In de financiële administratie van de instelling zijn ontvangsten en
betalingen duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming, en duidelijk
is wie op welk moment welke verplichtingen voor of namens de instelling
is aangegaan.
Hoofdstuk VII. Gegevensverstrekking
Artikel 7.1
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de in artikel 16 van de wet
bedoelde gegevens van de in artikel 2.1, vijfde lid, bedoelde
instellingen, voor zover die betreffen:
– de structuur van de instellingen;
– het gebruik van de instellingen;
– de investeringen en de exploitatiekosten van de instellingen,
in de volgende artikelen «gegevens» genoemd.
Artikel 7.2
1.Onze Minister geeft per categorie van instellingen en per
categorie van personen die bij de exploitatie van een instelling
betrokken zijn, aan, welke gegevens jaarlijks dienen te worden
verstrekt.
2.Onze Minister kan voor instellingen gelegen binnen een door hem
aan te wijzen gebied en voor personen die bij de exploitatie van die
instellingen betrokken zijn, aangeven welke gegevens op zijn
desbetreffend verzoek dienen te worden verstrekt.
3.Met betrekking tot academische en militaire ziekenhuizen geeft
Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen onderscheidenlijk in overeenstemming met Onze
Minister van Defensie aan welke gegevens dienen te worden verstrekt.
Artikel 7.3
1.De gegevens bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, dienen jaarlijks
uiterlijk vijf maanden na het verstrijken van het jaar waarop zij
betrekking hebben te worden verstrekt.
2.De gegevens, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, dienen te worden
verstrekt telkens uiterlijk zes maanden na een desbetreffend verzoek
van Onze Minister.
3.Met betrekking tot academische ziekenhuizen en militaire
ziekenhuizen geeft Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen onderscheidenlijk in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie aan, op welke termijn
de gegevens bedoeld in artikel 7.2, derde lid, dienen te worden
verstrekt.
Artikel 7.4
1.Onze Minister kan regels vaststellen over de wijze waarop en de
vorm waarin de gegevens dienen te worden verstrekt.
2.Onze Minister wijst instanties aan die de te verstrekken gegevens
verzamelen en verwerken. Hij stelt voorschriften die door die
instanties in acht worden genomen.
Artikel 7.5
De gegevens kunnen door Onze Minister op door hem te bepalen wijze
ter beschikking worden gesteld van de organen genoemd in of betrokken
bij de uitvoering van de wet.
Artikel 7.6 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 7.7
Onze Minister stelt regels omtrent de wijze van vergoeding van de
kosten, verbonden aan de verstrekking van de gegevens.
Artikel 7.8 [Vervallen per 01-01-2007]
Hoofdstuk VIII. Sanering
Artikel 8.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder sanering: het geheel van de
maatregelen die worden genomen:
1°. op grond van een besluit als bedoeld in artikel 17, eerste
lid, van de wet;
2°. ter uitvoering van een beslissing als bedoeld in artikel 18
van de wet, of
3°. op grond van een besluit als bedoeld in artikel 12a, onder a
en b, van de Wet ambulancevervoer.
Artikel 8.2
1.De financiële gevolgen van sanering, bedoeld in artikel 17,
eerste lid, van de wet bestaan uit het verschil tussen de door het
College sanering aanvaardbaar geachte lasten terzake van de sanering
en de door het College sanering vastgestelde opbrengsten daarvan. Het
College sanering stelt het verschil niet vast dan nadat de
liquidatiebegroting is geverifieerd door een accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Bij het vaststellen van de lasten terzake van sanering neemt het
College sanering in beschouwing:
a. onderbezettingsverliezen;
b. uitkeringen aan werknemers of gewezen werknemers;
c. uitkeringen aan personen die krachtens overeenkomst met de
instelling voor eigen rekening een medisch beroep uitoefenen of
hebben uitgeoefend;
d. boekverliezen als gevolg van de vervreemding van zaken;
e. andere uitgaven ten behoeve van de sanering.
3.Voor de toepassing van het tweede lid blijven buiten beschouwing
lasten die in aanmerking zijn genomen of kunnen worden genomen bij de
vaststelling van een tarief als bedoeld in de Wet marktordening
gezondheidszorg.
4.Bij het vaststellen van de opbrengsten van sanering neemt het
College sanering in beschouwing de opbrengsten van
vermogensbestanddelen die als gevolg van de sanering niet meer bij de
instelling in gebruik zullen zijn, met uitzondering van de
vermogensbestanddelen die naar het oordeel van het College sanering,
gelet op hun herkomst en bestemming, behoren te worden uitgezonderd,
alsmede opbrengsten die in aanmerking zijn genomen of kunnen worden
genomen bij de vaststelling van een tarief als bedoeld in de Wet
marktordening gezondheidszorg.
5.Het College sanering kan nadere regels stellen terzake van de
lasten en opbrengsten bedoeld in de voorgaande leden.
Artikel 8.3
1.Het College sanering kan ten behoeve van de sanering en het
toezicht daarop een gemachtigde aanwijzen.
2.De gemachtigde is onder verantwoordelijkheid van het College
sanering belast met het toezicht op de naleving van de bij of
krachtens artikel 17 van de wet gestelde regels.
Artikel 8.4
1.De instelling is verplicht aan het College sanering de gegevens
en bescheiden te verstrekken die het in verband met de sanering nodig
acht.
2.Het College sanering kan nadere regels stellen terzake van het
verstrekken van de gegevens en bescheiden bedoeld in het vorige lid.
3.Het College sanering kan de instelling verplichtingen opleggen
als bedoeld in artikel 4:38 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 8.5
1.Het College sanering kan de instelling aanwijzingen geven ten
behoeve van het goede verloop van de sanering.
2.De instelling is verplicht uitvoering te geven aan aanwijzingen
als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8.6 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 8.7
1. De artikelen 8.2 tot en met 8.5, met uitzondering van artikel
8.2, tweede lid, onder c, zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de financiële gevolgen van sanering als bedoeld in
artikel 12a van de Wet ambulancevervoer.
2. De subsidieverlening in het kader van het eerste lid kan worden
geweigerd indien de aanvraag wordt gedaan nadat met de sanering een
aanvang is gemaakt.
Artikel 8.8
1.Het Besluit sanering instellingen voor gezondheidszorg wordt
ingetrokken.
2.Na de inwerkingtreding van dit artikel berusten de regels ter
uitvoering van het Besluit sanering instellingen voor gezondheidszorg
op de overeenkomstige bepalingen van dit hoofdstuk.
Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Artikel 9.1
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet toelating
zorginstellingen in werking treedt.
Artikel 9.2
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WTZi.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende bijlage en nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 3 november 2005
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de tweeëntwintigste november 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlage niet opgenomen
|
|
|