| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet toezicht
trustkantoren
REGELING
BEKOSTIGING WET TOEZICHT TRUSTKANTOREN
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Financiën van 26
februari 2004, FM 2004-00275, houdende regels voor de bekostiging van
het toezicht op grond van de Wet toezicht trustkantoren (Regeling
bekostiging Wet toezicht trustkantoren)
De Minister
van Financiën;
Gelet op artikel 8 van de Wet toezicht
trustkantoren;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: de Minister van Financiën;
b. wet: de Wet toezicht trustkantoren;
c. register: het register, bedoeld in artikel 7 van de wet.
Artikel 2
1. De toezichthouder stelt jaarlijks een
begroting op van de in het daaropvolgende jaar te verwachten baten en
lasten, investeringsuitgaven alsmede inkomsten en uitgaven met
betrekking tot de uitvoering van de bij of krachtens de wet aan hem
opgedragen taak en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden.
2. De begroting wordt op een zodanige wijze opgesteld dat de
lasten en uitgaven structureel worden gedekt door de baten en inkomsten.
3. De begrotingsposten worden van een toelichting voorzien.
4. Tenzij de werkzaamheden waarop de begroting betrekking heeft
nog niet eerder werden verricht, bevat de begroting een vergelijking met
de begroting van het lopende jaar en de laatste verantwoording waarmee
de minister heeft ingestemd.
5. De toezichthouder zendt de begroting voor 1 december van het
aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar ter instemming aan de minister.
6. De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht
of het algemeen belang.
7. De toezichthouder doet na instemming onverwijld mededeling van
de begroting in de Staatscourant en houdt deze gedurende een jaar na
instemming op elektronische wijze ter inzage.
Artikel 3
Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of
dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en begrote baten en lasten dan
wel inkomsten en uitgaven, doet de toezichthouder daarvan onverwijld
mededeling aan de minister onder vermelding van de oorzaak van de
verschillen.
Artikel 4
1. De toezichthouder stelt jaarlijks een
verantwoording op van de bij of krachtens de wet aan hem opgedragen taak
en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden.
2. De verantwoording gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een door de toezichthouder aangewezen
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
3. De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede
lid, een verslag van zijn bevindingen omtrent de rechtmatige inning en
besteding van de middelen door de toezichthouder uit hoofde van de wet.
4. De toezichthouder zendt de verantwoording voor 1 mei van het
op het boekjaar volgende jaar ter instemming aan de minister.
5. De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht
of het algemeen belang.
6. De toezichthouder doet na instemming onverwijld mededeling van
de verantwoording in de Staatscourant en houdt deze gedurende een jaar
na instemming op elektronische wijze ter inzage.
Artikel 5
1. Het verschil tussen de aan het eind
van een begrotingsjaar gerealiseerde baten van de toezichthouder en de
gerealiseerde lasten van de toezichthouder vormt het exploitatiesaldo.
2. Indien in het voorafgaande jaar een exploitatiesaldo is
ontstaan en de toezichthouder het exploitatiesaldo wil betrekken bij de
in het lopende jaar in rekening te brengen kosten, bedoeld in artikel 7,
doet de toezichthouder daaromtrent een voorstel in de verantwoording
over het voorafgaande jaar.
Artikel 6
1. De minister stelt jaarlijks voor 15
januari, op voorstel van de toezichthouder, tarieven vast voor het
bedrag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet dat verschuldigd is
ter zake van een aanvraag van een vergunning. Voor ieder van de volgende
categorieën van aanvragers wordt een tarief vastgesteld:
a. aanvragers, niet van een groep deel uitmakend dan wel deel
uitmakend van een groep welke uit minder dan drie rechtspersonen,
vennootschappen of natuurlijke personen bestaat;
b. aanvragers, deel uitmakend van een groep die uit meer dan twee
en minder dan zes rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke
personen bestaat;
c. aanvragers, deel uitmakend van een groep die uit meer dan vijf
en minder dan negen rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke
personen bestaat;
d. aanvragers, deel uitmakend van een groep die uit meer dan acht
en minder dan twaalf rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke
personen bestaat;
e. aanvragers, deel uitmakend van een groep die uit meer dan elf
rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen bestaat.
2. De minister stelt jaarlijks voor 15 januari,
op voorstel van de toezichthouder, een tarief vast voor het bedrag,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet dat verschuldigd is ter
zake van een aanvraag van een ontheffing.
Artikel 7
1. De toezichthouder brengt met ingang
van het jaar 2005 jaarlijks aan een trustkantoor dat is ingeschreven in
het register het bedrag, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet in
rekening dat is verschuldigd ter dekking van de kosten verbonden aan het
toezicht. Aan een houder van een ontheffing wordt geen bedrag in
rekening gebracht.
2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden op basis van de
begroting waarmee is ingestemd geraamd voor het jaar waarop het in
rekening te brengen bedrag betrekking heeft, met dien verstande dat op
die kosten in mindering worden gebracht de kosten die voor dat jaar ten
laste komen van de rijksbegroting.
3. Op de geraamde kosten worden in mindering gebracht:
a. een uit het voorafgaande jaar resulterend positief
exploitatiesaldo, indien een daartoe strekkend voorstel als bedoeld in
artikel 5 is opgenomen in de verantwoording waarmee is ingestemd;
b. de opbrengsten uit bestuurlijke boetes en verbeurde dwangsommen
die niet reeds zijn opgenomen in het exploitatiesaldo, voor zover de
hieraan ten grondslag liggende besluiten van de toezichthouder in het
voorafgaande jaar onherroepelijk zijn geworden.
4. De geraamde kosten worden vermeerderd met een uit het
voorafgaande jaar resulterend negatief exploitatiesaldo, indien een
daartoe strekkend voorstel als bedoeld in artikel 5 is opgenomen in de
verantwoording waarmee is ingestemd.
Artikel 8
1. Als maatstaf voor het in rekening te
brengen bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, geldt de jaarlijkse
omzet en overige opbrengsten uit diensten als bedoeld in artikel 1,
onderdeel d, van de wet.
2. Op basis van de maatstaf, bedoeld in het eerste lid, stelt de
minister met ingang van 2005 jaarlijks voor 1 juli, op voorstel van de
toezichthouder, tarieven vast. Voor ieder van de volgende bandbreedtes
met betrekking tot de jaarlijkse omzet en overige opbrengsten als
bedoeld in het eerste lid wordt een tarief vastgesteld:
a. minder dan € 100.000;
b. ten minste € 100.000 en minder dan € 200.000;
c. ten minste € 200.000 en minder dan € 500.000;
d. ten minste € 500.000 en minder dan € 1.000.000;
e. ten minste € 1.000.000 en minder dan € 2.000.000;
f. ten minste € 2.000.000 en minder dan € 5.000.000;
g. ten minste € 5.000.000.
3. De toezichthouder baseert zijn voorstel voor de tarieven op
gegevens met betrekking tot de maatstaf van het voorafgaande jaar.
4. De minister doet onverwijld mededeling in de Staatscourant van
de vastgestelde tarieven.
Artikel 9
1. De hoogte van het bedrag, bedoeld in
artikel 7, eerste lid, is gelijk aan het tarief, bedoeld artikel 8,
tweede lid, dat is vastgesteld voor de bandbreedte die betrekking heeft
op de door het trustkantoor in het voorafgaande jaar behaalde omzet en
overige opbrengsten uit diensten als bedoeld in artikel 1, onderdeel d,
van de wet.
2. Met betrekking tot een trustkantoor, niet zijnde een
trustkantoor als bedoeld in artikel 50 van de wet, dat in het
voorafgaande jaar nog niet stond ingeschreven in het register, gelden de
omzet en overige opbrengsten uit diensten als bedoeld in artikel 1,
onderdeel d, van de wet uit het lopende jaar als basis voor het bepalen
van de bandbreedte.
3. Voor een trustkantoor dat niet eerder dan 1 februari van het
lopende jaar staat ingeschreven in het register wordt het bedrag,
bedoeld in artikel 7, eerste lid, in rekening gebracht naar
evenredigheid van het aantal maanden in het jaar dat het trustkantoor
ingeschreven staat, waarbij een gedeelte van een maand geldt als
volledige maand.
Artikel 10
Indien het trustkantoor na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld
geen opgave heeft gedaan van zijn omzet en overige opbrengsten als
bedoeld in artikel 8, eerste lid, dan wel een kennelijk onjuiste of
onvolledige opgave heeft gedaan, kan de toezichthouder een schatting
doen van die gegevens.
Artikel 11
Aan een trustkantoor dat niet langer in het register staat
ingeschreven, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid,
terugbetaald naar evenredigheid van het aantal maanden in het jaar dat
het trustkantoor niet langer staat ingeschreven, waarbij een gedeelte
van een maand geldt als volledige maand.
Artikel 12
Indien een trustkantoor het vermogen heeft verkregen van een
trustkantoor dat in het lopende jaar heeft opgehouden te bestaan, wordt
het bedrag ter vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 7, eerste
lid, die door de toezichthouder ten aanzien van het laatstbedoelde
trustkantoor zijn gemaakt, in rekening gebracht bij het verkrijgende
trustkantoor, voor zover deze kosten niet reeds bij het laatstbedoelde
trustkantoor in rekening zijn gebracht.
Artikel 13
Artikel 9, derde lid, is niet van toepassing op trustkantoren als
bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de wet.
Artikel 14
In 2004 worden de tarieven, bedoeld in artikel 6, voor 15 maart
vastgesteld.
Artikel 15
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2004.
Artikel 16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bekostiging Wet toezicht
trustkantoren.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Financiën,
G. Zalm.
|
|
|