| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv)
BESCHIKKING
VASTSTELLING GRONDSLAGEN VOOR UITKERINGEN
AAN VERVOLGDEN
Tekst zoals deze geldt op
20 januari 2012
|
|
|
De
Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk;
Gelet op artikel 8, zesde lid, van de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1972, 669);
Gezien de adviezen van de Uitkeringsraad, de
Stichting Joods Maatschappelijk Werk, de Stichting Pelita en de
Stichting 1940-1945;
Besluit:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Stb.
1972, 669);
b. grondslag: de grondslag, bedoeld in artikel 8, zesde lid, van de
wet.
Artikel 2
Indien de vervolgde geen onderwijs heeft kunnen volgen of het
onderwijs beperkt is gebleven tot basisonderwijs, wordt de grondslag
vastgesteld op de bedragen onderscheidenlijk genoemd in artikel 8,
zevende lid, onder a, en in artikel 8, achtste lid, onder a, van de wet,
tenzij de leeftijd van de vervolgde, zijn verworven bekwaamheid en zijn
persoonlijke instelling ten tijde van de aanvraag duidelijke redenen
vormen om daarvan af te wijken.
Artikel 3
De grondslag wordt, indien sprake is van lager of middelbaar
beroepsonderwijs dan wel van algemeen voortgezet of voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, vastgesteld naar het inkomen dat de
vervolgde bij voltooiing van vorenvermeld onderwijs uit arbeid in een
met de opleiding overeenstemmend beroep en/of functie zou hebben
verdiend.
Artikel 4
1. Indien de vervolgde hoger
beroepsonderwijs dan wet wetenschappelijk onderwijs heeft voltooid,
wordt op de grondslag vastgesteld naar het inkomen dat deze, gezien de
aard van het onderwijs en de gekozen studierichting, uit arbeid in
beroep en/of functie zou hebben verdiend.
2. Indien de vervolgde het in het eerste lid bedoelde onderwijs
niet heeft kunnen voltooien, kan de grondslag, gezien de aard en de duur
van het onderwijs en de gekozen studierichting, en mede gezien zijn
leeftijd, verworven bekwaamheid en persoonlijke instelling ten tijde van
de aanvraag, worden vastgesteld als ware dit voltooid.
Artikel 5
Indien de vervolgde, na beλindiging van het al dan niet voltooide
onderwijs, arbeid heeft aanvaard, welke niet in overeenstemming is met
het niveau van het gevolgde onderwijs en de vervolgde uit die arbeid een
inkomen geniet of heeft genoten dat ten tijde van de aanvraag minder
bedraagt of zou hebben bedragen dan het inkomen dat hij op grond van dat
onderwijs redelijkerwijs ten tijde van de aanvraag had kunnen verdienen,
kan de grondslag worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 2-4.
Deze beschikking treedt in werking met ingang van de dag na die van
plaatsing in de
Nederlandse Staatscourant en werkt terug tot 1
januari 1973.
Rijswijk, 2 juni 1975.
De Staatssecretaris voornoemd,
W. Meijer.
|
|
|