| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv)
BESLUIT
DRAAGKRACHT VERVOLGDEN
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 21 juni 1973, houdende nadere regelen met
betrekking tot de tegemoetkoming in bijzondere kosten en de bepaling van
de financiële draagkracht ingevolge de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk
Werk van 19 april 1973, Directie Bijstandszaken, nr. 964-Bu;
Gelet op artikel 21, vierde lid, van de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1972, 669);
Gezien de adviezen van de Uitkeringsraad,
alsmede van de Stichting Joods Maatschappelijk Werk, de Stichting Pelita
en de Stichting 1940-1945;
De Raad van State gehoord (advies van 9 mei
1973, nr. 17);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 14
juni 1973, Directie Bijstandszaken, nr. 3527;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945.
Artikel 2
1. Bij het bepalen van de financiële draagkracht van de vervolgde
ter zake van de toekenning van een tegemoetkoming in kosten van
voorzieningen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet wordt
als zijn inkomen aangemerkt:
a. de uitkering berekend op grond van hoofdstuk II, paragraaf
3, van de wet met uitzondering van de toeslagen, bedoeld in de
artikelen 10, derde lid, 15 en 16;
b. de inkomensbestanddelen welke op grond van artikel 19 van de
wet op de uitkering in mindering worden gebracht indien een
uitkering wordt genoten, dan wel in mindering zouden worden
gebracht indien een uitkering zou worden genoten met dien
verstande dat:
1. in afwijking van artikel 19, eerste lid, onder a, van de
wet voor de vaststelling van de bruto-inkomsten uit
tegenwoordige arbeid in beroep of bedrijf, na aftrek van
verwervingskosten, geen rekening wordt gehouden met een
vrijlating van 20% van de uitkeringsgrondslag;
2. in afwijking van artikel 19, eerste lid, onder b, van de
wet voor de vaststelling van de inkomsten uit
ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet van
een gehuwde gerechtigde rekening wordt gehouden met 50% van
het aan de gerechtigde en de echtgenoot toegekende
ouderdomspensioen krachtens deze wet;
3. geen rekening wordt gehouden met inkomsten uit vermogen
als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder c, van de wet.
2. Bij de vaststelling van het inkomen volgens het eerste lid,
wordt uitgegaan van het inkomen zoals dit bij de vaststelling van de
uitkering, bedoeld in artikel 59a van de wet, is of zou worden
berekend over de maand met ingang waarvan de tegemoetkoming wordt
toegekend.
3. Wanneer toepassing is gegeven aan de artikelen 14 of 20, derde
lid, van de wet wordt als inkomen aangemerkt het percentage van de
grondslag, genoemd in artikel 14, eerste lid, onder a, b of c, van de
wet.
Artikel 3
De financiële draagkracht wordt eenmalig berekend en bepaald op:
a. 10 procent van dat deel van het ingevolge artikel 2
vastgestelde inkomen dat de grondslag, genoemd in artikel 8, zevende
lid, onder b, van de wet niet overschrijdt, met dien verstande dat
van dat deel 80 procent van de grondslag, genoemd in artikel 8,
zevende lid, onder a, van de wet wordt vrijgelaten;
b. 50 procent van het ingevolge artikel 2 vastgestelde inkomen
dat de grondslag, genoemd in artikel 8, zevende lid, onder b, van de
wet overschrijdt.
Artikel 3a
1.De ingevolge artikel 3 bepaalde financiële draagkracht wordt
herzien:
a. op schriftelijk verzoek van de gerechtigde, indien de
bepaalde draagkracht meer dan 30% in zijn nadeel afwijkt van de
volgens artikel 3 bepaalde draagkracht, of
b. bij het door de gerechtigde bereiken van de 65-jarige
leeftijd.
2.Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, onder a, vindt
de herziening plaats met ingang van de maand waarin het verzoek is
gedaan. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, onder b,
vindt de herziening plaats met ingang van de maand waarin de
gerechtigde 65 jaar wordt.
Artikel 4
Indien de vervolging in het voormalige Nederlands-Indië heeft
plaatsgehad en de uitkeringsgerechtigde in Indonesië gevestigd is,
vindt het bepaalde in artikel 3 overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat in plaats van de grondslagen, genoemd in artikel 8,
zevende lid, onder a en b, wordt uitgegaan van de grondslagen, genoemd
in artikel 8, achtste lid, onder a en b, van de wet.
Artikel 5
De tegemoetkoming in de in artikel 2, eerste lid, bedoelde kosten van
voorzieningen wordt vastgesteld op het bedrag, waarmede die kosten de
ingevolge artikel 3 berekende financiële draagkracht overschrijden.
Artikel 5a [Vervallen per 27-08-2003]
Artikel 6
1.Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit draagkracht
vervolgden.
2.Het treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en
werkt terug tot 1 januari 1973.
Lasten en bevelen, dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Soestdijk, 21 juni 1973.
JULIANA
De Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk Werk,
W. Meijer
Uitgegeven de vierentwintigste juli 1973
De Minister van Justitie a.i.,
De Gaay Forman
|
|
|