|
BESLUIT van 15 december 1994, houdende regeling inzake
de rusttijden van bemanningsleden, de samenstelling van de bemanning en
de vaartijden van schepen op binnenwateren
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8
juli 1994, Directoraat-Generaal van de Arbeid, Afdeling Wetgeving en
Juridische Zaken, nr. DGA/AIB/WJZ/94/06022, gedaan mede namens Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 1, onderdeel d, en
5, eerste lid, van de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart;
Mede gelet op de Herziene Rijnvaartakte van 17
oktober 1868 (Trb. 1955, 161, en 1964, 83);
Gezien de adviezen van de Sociaal-Economische
Raad (adviezen van 28 juni 1985 en 20 januari 1989) en van de
Emancipatieraad (advies van 21 juni 1984);
De Raad van State gehoord (advies van 13
september 1994, nr. W12.94.0452);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 december 1994,
Directoraat-Generaal van de Arbeid, Afdeling Wetgeving en Juridische
Zaken, nr. DGA/AIB/WJZ/94/09337A, uitgebracht mede namens Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. Voor de toepassing van het bij of
krachtens dit besluit en de daarbij behorende bijlage bepaalde wordt
verstaan onder:
a. wet: Wet vaartijden en
bemanningssterkte binnenvaart;
b. motorschip: een schip dat is
bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd om door middel
van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen zelfstandig te varen;
c. duwboot: een schip dat is
gebouwd om te duwen en niet is bestemd voor het zelfstandig
vervoeren van goederen;
d. sleepschip: een schip dat is
bestemd voor het vervoer van goederen, gebouwd om te worden
gesleept en dat
1°. niet is voorzien van eigen
mechanische voortstuwingsmiddelen,
2°. wel is voorzien van eigen
mechanische voortstuwingsmiddelen, die slechts voor
verplaatsing van het schip over kleine afstanden geschikt
zijn;
e. duwbak: een schip dat is bestemd
voor het vervoer van goederen, gebouwd of geschikt gemaakt om te
worden geduwd en dat
1°. niet is voorzien van eigen
mechanische voortstuwingsmiddelen,
2°. wel is voorzien van eigen
mechanische voortstuwingsmiddelen, die slechts voor
verplaatsing van het schip over kleine afstanden geschikt
zijn;
f. hecht samenstel: een duwstel of
een gekoppeld samenstel;
g. duwstel: een hecht samenstel van
schepen, waarvan ten minste één is geplaatst voor het schip met
motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het
samenstel, dan wel voor de beide schepen met motoraandrijving die
dienen voor het voortbewegen van het samenstel. Hieronder wordt
ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een
geduwd schip waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk
maken;
h. gekoppeld samenstel: een
samenstelling van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen,
waarvan er geen is geplaatst vóór het schip met motoraandrijving
dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;
i. zeeschipbak: een duwbak die is
gebouwd om aan boord van een zeeschip te worden vervoerd en om de
binnenwateren te bevaren;
j. passagiersschip: een schip dat
is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan
12 personen buiten de bemanning, niet zijnde een veerboot of een
veerpont;
k. hotelschip: een passagiersschip
waarop zich hutten bevinden voor overnachting van passagiers;
l. bunkerschip: een schip dat
langszij andere schepen gaat in havens of gedurende de vaart, met
als doel deze schepen te bevoorraden;
m. veerboot: een schip dat is
gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12
personen buiten de bemanning, alsook van voertuigen op meer dan
twee wielen, dat een veerdienst onderhoudt tussen plaatsen gelegen
aan de Dollard, de Eems, de Waddenzee met inbegrip van de
verbindingen met de Noordzee, of de Westerschelde en de zeemonding
daarvan met inbegrip van de overige waterwegen tussen
Zeeuwsch-Vlaanderen enerzijds en Walcheren en Zuid-Beveland
anderzijds;
n. veerpont: een schip dat is
gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van één of
meer personen buiten de bemanning, dat een veerdienst onderhoudt
tussen plaatsen gelegen aan de binnenwateren, bedoeld in artikel
1, onderdeel d, van de wet, niet zijnde een veerboot;
o. lengte: de grootste lengte van
de scheepsromp, het roer en de boegspriet niet inbegrepen;
p. breedte: de grootste breedte
gemeten op de buitenkant van de huidbeplating, schoepraderen niet
inbegrepen;
q. rusttijd: de tijd waarin een
bemanningslid geen taak verricht noch daartoe verplicht is. De
bewaking en het toezicht op een stilliggend schip worden niet
beschouwd als taak in de zin van deze definitie;
r. exploitatiewijze A1:
exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur,
blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het
vaartijdenboek, bedoeld in artikel 25, onderdeel a, ten hoogste 14
uur dan wel overeenkomstig artikel 9, 16 uur bedraagt;
s. exploitatiewijze A2:
exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur,
blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het
vaartijdenboek, bedoeld in artikel 25, onderdeel a, ten hoogste 18
uur bedraagt;
t. exploitatiewijze B:
exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur,
blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het
vaartijdenboek, bedoeld in artikel 25, onderdeel a, meer dan 18
uur bedraagt;
u. tachograaf: een
registratie-apparaat ter controle van de naleving van bij of
krachtens de wet gegeven voorschriften, van een door Onze Minister
goedgekeurd model;
v. divisie Scheepvaart: divisie
Scheepvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
2. Waar in dit besluit de aanduiding
«jaar» wordt gebruikt in relatie tot vaartijd, wordt hieronder
verstaan hetgeen als zodanig geldt op grond van artikel 23.01, vierde
lid, van het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995.
Artikel 2
Als lijn, bedoeld in artikel 1, onderdeel
d, van de wet, wordt aangewezen de lijn, vastgesteld bij koninklijk
besluit van 2 juni 1982 (Stb. 363).
Hoofdstuk II. Rusttijden en vaartijden
§ 1. Algemeen
Artikel 3
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk
wordt rekening gehouden met de rust- en vaartijden, vervuld gedurende
een tijdvak van 48 uur, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip
waarop het schip de binnenwateren, bedoeld in artikel 1, onderdeel d,
van de wet is binnengevaren.
2. Een schip dat de in het eerste lid
bedoelde binnenwateren binnenvaart is voorzien van:
a. hetzij een vaartijdenboek als
bedoeld in artikel 25, onderdeel a, waaruit blijkt op welke wijze
de rusttijden van elk der bemanningsleden alsmede de vaartijden
van het schip, gedurende de in het eerste lid bedoelde periode
zijn vervuld;
b. hetzij een ander document
waaruit de in onderdeel a bedoelde gegevens blijken.
Artikel 4
1. Het is een bemanningslid verboden
arbeid te verrichten in een toestand van oververmoeidheid.
2. Het is de gezagvoerend schipper
verboden een bemanningslid in een zodanige toestand arbeid te laten
verrichten.
§ 2. Rusttijden van bemanningsleden
Artikel 5
1. De gezagvoerend schipper en diens
werkgever organiseren de arbeid zodanig dat een bemanningslid geen
arbeid verricht in strijd met de artikelen 5.5:2, 5.5:3, 5.5:4, 5.5:5
en 5.5:7 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer.
2. De gezagvoerend schipper en diens
werkgever organiseren de arbeid van een bemanningslid aan boord van
een havensleepboot gedurende de tijd dat dit schip dienst doet in
havensleepdienst zodanig dat hij geen arbeid verricht in strijd met
paragraaf 6.6 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer.
Artikel 6 [Vervallen per 01-12-1998]
Artikel 7
1. Een wisseling van exploitatiewijze
is slechts toegestaan met inachtneming van de volgende voorschriften:
van de exploitatiewijze A1 mag
slechts dan naar de exploitatiewijze A2 worden gewisseld indien:
de bemanning in zijn geheel is
afgelost, of
bij controle kan worden
aangetoond dat de voor de exploitatiewijze A2 bestemde
bemanningsleden onmiddellijk voor de wisseling een rusttijd
van 8 uur, waarvan 6 uur buiten de vaartijd, in acht hebben
genomen en de voor de exploitatiewijze A2 voorgeschreven
minimumbemanning zich aan boord bevindt;
van de exploitatiewijze A2 mag
slechts naar de exploitatiewijze A1 worden gewisseld indien:
de bemanning in zijn geheel is
afgelost, of
bij controle kan worden
aangetoond dat de voor de exploitatiewijze A1 bestemde
bemanningsleden onmiddellijk voor de wisseling een
onafgebroken rusttijd van 8 uur buiten de vaartijd in acht
hebben genomen;
van de exploitatiewijze B mag
slechts dan naar de exploitatiewijze A1 of A2 worden gewisseld
indien:
de bemanning in zijn geheel is
afgelost, of
bij controle kan worden
aangetoond dat de voor de exploitatiewijze A1 respectievelijk
A2 bestemde bemanningsleden onmiddellijk voor de wisseling een
onafgebroken rusttijd van 8 respectievelijk 6 uur in acht
hebben genomen;
van de exploitatiewijze A1 of A2
mag slechts naar de exploitatiewijze B worden gewisseld indien:
de bemanning in zijn geheel is
afgelost, of
bij controle kan worden
aangetoond dat de voor de exploitatiewijze B bestemde
bemanningsleden onmiddellijk voor de wisseling een
onafgebroken rusttijd van 8 respectievelijk 6 uur buiten de
vaartijd in acht hebben genomen, en de voor de
exploitatiewijze B voorgeschreven minimumbemanning zich aan
boord bevindt.
2. Een schip kan onmiddellijk in
aansluiting op de exploitatiewijze A1 of A2 voor een verdere
exploitatiewijze A1 of A2 worden ingezet, indien een voltallige
uitwisseling van de bemanning heeft plaatsgevonden en kan worden
aangetoond dat de nieuwe bemanningsleden onmiddellijk voorafgaand aan
de voortzetting van de exploitatiewijze A1 of A2 een ononderbroken
rusttijd van 8, respectievelijk 6 uur buiten de vaartijd in acht
genomen hebben.
3. Het aantonen van de rusttijd,
bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt door middel van hetzij
een verklaring als bedoeld in bijlage K van het Besluit Reglement
onderzoek schepen op de Rijn 1995, hetzij door een kopie van de pagina
met aantekeningen van de vaar- respectievelijk rusttijden uit het
vaartijdenboek van het schip, waarop de laatste reis van het
bemanningslid heeft plaatsgevonden.
Artikel 8 [Vervallen per 01-12-1998]
§ 3. Bepalingen inzake de vaartijden van
schepen
Artikel 9
1. Bij exploitatiewijze A1 mag de
vaartijd van een schip ten hoogste eenmaal per kalenderweek tot ten
hoogste 16 uur worden verlengd indien:
het schip is uitgerust met een goed
functionerende tachograaf die te allen tijde bereikbaar is voor de
in de artikelen 11, eerste lid, en 18, eerste lid, van de wet
bedoelde ambtenaren en in werking is gesteld vanaf het begin van
de voorgaande ten minste 8 aaneengesloten uren durende
onderbreking van de vaart; en
de bemanning uit ten minste een
schipper en een stuurman bestaat.
2. Een sleepschip dat niet zelfstandig
vaart, en een schip waarvan de voortstuwing in een hecht samenstel
door een schip of meer andere schepen wordt verzorgd, mag worden
geëxploiteerd overeenkomstig het eerste lid, aanhef, indien het schip
of de schepen die zorgdragen voor de voortstuwing van het hecht
samenstel of het sleepschip, voldoen aan het eerste lid.
Artikel 10
1. Bij exploitatiewijze A1 onderbreekt
een schip de vaart van 22.00 uur tot 6.00 uur, tenzij het schip is
uitgerust met een goed functionerende tachograaf die te allen tijde
bereikbaar is voor de in de artikelen 11, eerste lid, en 18, eerste
lid, van de wet bedoelde ambtenaren en in werking is gesteld vanaf het
begin van de voorgaande ten minste 8 aaneengesloten uren durende
onderbreking van de vaart. In dat geval wordt de vaart onderbroken
gedurende ten minste 8 aaneengesloten uren in elke periode van 24 uur,
te rekenen vanaf het einde van iedere onderbreking van ten minste 8
uur.
2. Bij exploitatiewijze A2 onderbreekt
een schip de vaart van 23.00 uur tot 5.00 uur, tenzij het schip is
uitgerust met een goed functionerende tachograaf die te allen tijde
bereikbaar is voor de in de artikelen 11, eerste lid, en 18, eerste
lid, van de wet bedoelde ambtenaren en in werking is gesteld vanaf het
begin van de voorgaande ten minste 6 aaneengesloten uren durende
onderbreking van de vaart. In dat geval wordt de vaart onderbroken
gedurende ten minste 6 aaneengesloten uren in elke periode van 24 uur,
te rekenen vanaf het einde van iedere onderbreking van ten minste 6
uur.
3. Het eerste en het tweede lid zijn
van toepassing op een sleepschip dat niet zelfstandig vaart, of een
schip waarvan de voortstuwing in een hecht samenstel door een schip of
meer andere schepen wordt verzorgd, indien het schip of de schepen die
zorgdragen voor de voortstuwing van het samenstel, zijn uitgerust met
een goed functionerende tachograaf die te allen tijde bereikbaar is
voor de in de artikelen 11, eerste lid, en 18, eerste lid, van de wet
bedoelde ambtenaren en inwerking is gesteld vanaf het begin van de
voorgaande ten minste 8 respectievelijk 6 aaneengesloten uren durende
onderbreking van de vaart.
Artikel 11
Indien gebruik wordt gemaakt van een
tachograaf in de gevallen, bedoeld in de artikelen 9 en 10, bewaart de
gezagvoerend schipper de registraties van de tachograaf gedurende ten
minste zes maanden na de laatste aantekening daarop in chronologische
volgorde aan boord.
Hoofdstuk III. Bemanning
§ 1. Bepalingen inzake de samenstelling
van de minimumbemanning
Artikel 12
1. De minimumbemanning van motorschepen
en duwboten bestaat uit:
| |
Groep |
Bemanningsleden |
Aantal
bemanningsleden |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Bij de
exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1,
S2 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
A1 |
|
|
|
A2 |
|
B |
|
|
|
| |
|
|
S1 |
|
|
S2 |
S1 |
S2 |
S1 |
|
|
S2 |
|
1 |
L ≤70 m |
schipper |
1 |
|
|
|
2 |
|
2 |
|
|
2 |
| |
|
stuurman |
– |
|
|
|
– |
|
– |
|
|
– |
| |
|
volmatroos |
– |
|
|
|
– |
|
– |
|
|
– |
| |
|
matroos |
1 |
|
|
|
– |
|
1 |
|
|
– |
| |
|
lichtmatroos |
– |
|
|
|
– |
|
11 |
|
|
213 |
|
2 |
70 m < L ≤ 86 m |
schipper |
1 |
of |
1 |
1 |
2 |
|
2 |
|
|
2 |
| |
|
stuurman |
– |
|
– |
– |
– |
|
– |
|
|
– |
| |
|
volmatroos |
1 |
|
– |
– |
– |
|
– |
|
|
– |
| |
|
matroos |
– |
|
1 |
1 |
– |
|
2 |
|
|
1 |
| |
|
lichtmatroos |
– |
|
1 |
1 |
11 |
|
– |
|
|
1 |
|
3 |
L > 86 m |
schipper |
1 |
of |
1 |
1 |
2 |
2 |
2 |
of |
2 |
2 |
| |
|
stuurman |
1 |
|
1 |
1 |
– |
– |
1 |
|
12 |
1 |
| |
|
volmatroos |
– |
|
– |
– |
– |
– |
– |
|
– |
– |
| |
|
matroos |
1 |
|
– |
– |
1 |
– |
2 |
|
1 |
1 |
| |
|
lichtmatroos |
– |
|
2 |
1 |
11 |
21 |
– |
|
– |
1 |
1 De lichtmatroos of een van de
lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.
2 De stuurman bezit de bekwaamheid
van schipper als bedoeld in artikel 18 , eerste lid, onderdeel a.
3 Een van de lichtmatrozen is ouder
dan 18 jaar.
2. De in de tabel in het eerste lid
voorgeschreven matrozen mogen door lichtmatrozen worden vervangen,
die een minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste
in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de
binnenvaart kunnen aantonen.
3. De in de tabel in het eerste lid
voorgeschreven minimumbemanning
a) in groep 2, exploitatiewijze A
1, Standaard S2; en
b) in groep 3, exploitatiewijze
A1, Standaard S1 kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste
drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een
schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende
periodes met een verminderde bemanning worden met een periode
van minimaal één maand onderbroken. Het bezoek aan de
schippersschool wordt aangetoond met een verklaring van de
schippersschool die zich aan boord bevindt, waarin de tijden van
het schoolbezoek zijn aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van
toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 12a
1. De minimumbemanning van hechte
samenstellen bestaat uit:
| |
Groep |
Bemanningsleden |
Aantal
bemanningsleden |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
bij de
exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1,
S2 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
A1 |
|
|
|
A2 |
|
B |
|
|
|
|
|
| |
|
|
S1 |
|
|
S2 |
S1 |
S2 |
S1 |
|
|
S2 |
|
|
|
1 |
Afmeting van het samenstel L
≤ 37 m B ≤ 15 m |
schipper |
1 |
|
|
|
2 |
|
2 |
|
|
2 |
|
|
| |
|
stuurman |
– |
|
|
|
– |
|
– |
|
|
– |
|
|
| |
|
volmatroos |
– |
|
|
|
– |
|
– |
|
|
– |
|
|
| |
|
matroos |
1 |
|
|
|
– |
|
1 |
|
|
– |
|
|
| |
|
lichtmatroos |
– |
|
|
|
– |
|
11 |
|
|
213 |
|
|
| |
|
machinist of matroos-motordrijver |
– |
|
|
|
– |
|
– |
|
|
– |
|
|
|
2 |
Afmeting van het samenstel 37 m
< L ≤ 86m B ≤ 15 m |
schipper |
1 |
of |
1 |
1 |
2 |
|
2 |
|
|
2 |
|
|
| |
|
stuurman |
– |
|
– |
– |
– |
|
– |
|
|
– |
|
|
| |
|
volmatroos |
1 |
|
– |
– |
– |
|
– |
|
|
– |
|
|
| |
|
matroos |
– |
|
1 |
1 |
– |
|
2 |
|
|
1 |
|
|
| |
|
lichtmatroos |
– |
|
1 |
1 |
11 |
|
– |
|
|
1 |
|
|
| |
|
machinist of matroos-motordrijver |
– |
|
– |
– |
– |
|
– |
|
|
– |
|
|
|
3 |
Duwboot + 1 duwbak met L > 86 m
of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B
≤ 15 m |
schipper |
1 |
of |
1 |
1 |
2 |
2 |
2 |
of |
2 |
2 |
|
|
| |
|
stuurman |
1 |
|
1 |
1 |
– |
– |
1 |
|
1 |
1 |
|
|
| |
|
volmatroos |
– |
|
– |
– |
– |
– |
– |
|
– |
– |
|
|
| |
|
matroos |
1 |
|
– |
– |
1 |
– |
2 |
|
1 |
1 |
|
|
| |
|
lichtmatroos |
– |
|
2 |
1 |
11 |
21 |
– |
|
– |
1 |
|
|
| |
|
machinist of matroos-motordrijver |
– |
|
– |
– |
– |
– |
– |
|
– |
– |
|
|
|
4 |
duwboot + 2 duwbakken* |
schipper |
1 |
|
|
1 |
2 |
2 |
2 |
of |
2 |
2 |
of |
2 |
|
motorschip + 1 duwbak* |
|
|
| |
|
stuurman |
1 |
|
|
1 |
– |
– |
1 |
|
12 |
1 |
|
12 |
| |
|
volmatroos |
– |
|
|
– |
– |
– |
– |
|
– |
– |
|
– |
| |
|
matroos |
1 |
|
|
– |
2 |
1 |
2 |
|
2 |
1 |
|
1 |
| |
|
lichtmatroos |
11 |
|
|
21 |
11 |
21 |
– |
|
– |
1 |
|
1 |
| |
|
machinist of matroos-motordrijver |
– |
|
|
– |
– |
– |
1 |
|
– |
1 |
|
– |
|
5 |
duwboot + 3 of 4 duwbakken* |
schipper |
1 |
of |
1 |
1 |
2 |
2 |
2 |
of |
2 |
2 |
of |
2 |
|
motorschip + 2 of 3 duwbakken* |
| |
|
stuurman |
1 |
|
1 |
1 |
– |
– |
1 |
|
12 |
1 |
|
12 |
| |
|
volmatroos |
– |
|
– |
– |
– |
– |
– |
|
– |
– |
|
– |
| |
|
matroos |
2 |
|
1 |
1 |
2 |
1 |
2 |
|
2 |
1 |
|
1 |
| |
|
lichtmatroos |
– |
|
2 |
1 |
11 |
21 |
11 |
|
– |
21 |
|
– |
| |
|
machinist of matroos-motordrijver |
1 |
|
1 |
1 |
1 |
1 |
1 |
|
1 |
1 |
|
1 |
|
6 |
duwboot + meer dan 4 duwbakken* |
schipper |
1 |
of |
1 |
1 |
2 |
2 |
2 |
of |
2 |
2 |
of |
2 |
| |
|
stuurman |
1 |
|
1 |
1 |
– |
– |
1 |
|
12 |
1 |
|
12 |
| |
|
volmatroos |
– |
|
– |
– |
– |
– |
– |
|
– |
– |
|
– |
| |
|
matroos |
3 |
|
2 |
2 |
3 |
2 |
3 |
|
3 |
2 |
|
2 |
| |
|
lichtmatroos |
– |
|
2 |
1 |
11 |
21 |
11 |
|
– |
21 |
|
1 |
| |
|
machinist of matroos-motordrijver |
1 |
|
1 |
1 |
1 |
1 |
1 |
|
1 |
1 |
|
1 |
1 De lichtmatroos of een van de
lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.
2 De stuurman bezit de bekwaamheid
van schipper als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a.
3 Een van de lichtmatrozen is ouder
dan 18 jaar.
* In dit artikel omvat het begrip
duwbak ook motorschepen zonder eigen in werking gestelde
voortstuwingwerktuigen en sleepschepen. Bovendien is de volgende
gelijkwaardigheid van toepassing:
1 duwbak = meerdere duwbakken met een
totale lengte tot en met 76,50 m en een totale breedte tot en met 15
m.
2. De in de tabel in het eerste lid
voorgeschreven matrozen mogen door lichtmatrozen worden vervangen,
die een minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste
in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de
binnenvaart kunnen aantonen.
3. De in de tabel in het eerste lid
voorgeschreven minimumbemanning
a) in de groep 2,
exploitatiewijze A 1, Standaard S2; en
b) in de groep 3, 5 en 6
exploitatiewijze A1, Standaard S1 kan voor de ononderbroken duur
van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een
lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden
verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning
worden met een periode van minimaal één maand onderbroken. Het
bezoek aan de schippersschool wordt aangetoond met een
verklaring van de schippersschool die zich aan boord bevindt,
waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. Deze
bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld
in het tweede lid.
Artikel 12b
1. De minimumbemanning voor schepen
voor dagtochten bestaat uit:
| |
Groep |
Bemanningsleden |
Aantal
bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de
uitrustingsstandaard S1, S2 |
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
A1 |
|
|
|
A2 |
|
B |
|
| |
|
|
S1 |
|
|
S2 |
S1 |
S2 |
S1 |
S2 |
|
1 |
Toegestaan aantal passagiers: tot
en met 75 |
schipper |
1 |
|
|
|
2 |
|
2 |
2 |
|
stuurman |
– |
|
|
– |
– |
– |
|
volmatroos |
– |
|
|
– |
– |
– |
|
matroos |
1 |
|
|
1 |
2 |
1 |
|
lichtmatroos |
– |
|
|
– |
– |
1 |
|
machinist of matroos-motordrijver |
– |
|
|
– |
– |
– |
|
2 |
Toegestaan aantal passagiers: van
76 tot en met 250 |
schipper |
1 |
of |
1 |
1 |
2 |
|
2 |
|
|
stuurman |
– |
|
– |
– |
– |
– |
|
volmatroos |
– |
|
– |
– |
– |
– |
|
matroos |
1 |
|
– |
1 |
– |
11 |
|
lichtmatroos |
1 |
|
– |
1 |
11 |
1 |
|
machinist of matroos-motordrijver |
– |
|
1 |
– |
1 |
1 |
|
3 |
Toegestaan aantal passagiers: van
251 tot en met 600 |
schipper |
1 |
of |
1 |
1 |
2 |
2 |
3 |
3 |
|
stuurman |
– |
|
– |
– |
– |
– |
– |
– |
|
volmatroos |
1 |
|
1 |
1 |
– |
– |
– |
– |
|
matroos |
– |
|
– |
– |
1 |
– |
1 |
– |
|
lichtmatroos |
– |
|
2 |
1 |
– |
1 |
– |
1 |
|
machinist of matroos-motordrijver |
1 |
|
– |
– |
1 |
1 |
1 |
1 |
|
4 |
Toegestaan aantal passagiers: van
601 tot en met 1000 |
schipper |
1 |
|
|
1 |
2 |
2 |
3 |
3 |
|
stuurman |
1 |
|
|
1 |
– |
– |
– |
– |
|
volmatroos |
– |
|
|
– |
– |
– |
– |
– |
|
matroos |
1 |
|
|
– |
2 |
1 |
2 |
1 |
|
lichtmatroos |
11 |
|
|
21 |
– |
1 |
– |
1 |
|
machinist of matroos-motordrijver |
– |
|
|
1 |
1 |
1 |
1 |
1 |
|
5 |
Toegestaan aantal passagiers: van
1001 tot en met 2000 |
schipper |
2 |
of |
2 |
2 |
2 |
2 |
3 |
3 |
|
stuurman |
– |
|
– |
– |
– |
– |
– |
– |
|
volmatroos |
– |
|
– |
– |
– |
– |
– |
– |
|
matroos |
3 |
|
2 |
2 |
3 |
2 |
3 |
2 |
|
lichtmatroos |
– |
|
2 |
1 |
11 |
21 |
11 |
21 |
|
machinist of matroos-motordrijver |
1 |
|
1 |
1 |
1 |
1 |
1 |
1 |
|
6 |
Toegestaan aantal passagiers: meer
dan 2000 |
schipper |
2 |
|
|
2 |
2 |
2 |
3 |
3 |
|
stuurman |
– |
|
|
– |
– |
– |
– |
– |
|
volmatroos |
– |
|
|
– |
– |
– |
– |
– |
|
matroos |
3 |
|
|
2 |
4 |
3 |
4 |
3 |
|
lichtmatroos |
11 |
|
|
21 |
– |
1 |
11 |
21 |
|
machinist of matroos-motordrijver |
1 |
|
|
1 |
1 |
1 |
1 |
1 |
1 De lichtmatroos of een van de
lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.
2. De minimumbemanning voor
stoomschepen voor dagtochten bestaat uit:
| |
Groep |
Bemanningsleden |
Aantal
bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de
uitrustingsstandaard S1, S2 |
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
A1 |
|
|
|
A2 |
|
B |
|
| |
|
|
S1 |
|
|
S2 |
S1 |
S2 |
S1 |
S2 |
|
1 |
Toegestaan aantal passagiers: van
501 tot en met 1000 |
schipper |
1 |
|
|
1 |
2 |
2 |
3 |
3 |
|
stuurman |
1 |
|
|
1 |
– |
– |
– |
– |
|
volmatroos |
– |
|
|
– |
– |
– |
– |
– |
|
matroos |
2 |
|
|
1 |
2 |
1 |
2 |
1 |
|
lichtmatroos |
– |
|
|
1 |
– |
1 |
– |
1 |
|
machinist of matroos-motordrijver2 |
2 |
|
|
2 |
2 |
2 |
3 |
3 |
|
2 |
Toegestaan aantal passagiers: van
1001 tot en met 2000 |
schipper |
2 |
of |
2 |
2 |
2 |
2 |
3 |
3 |
|
stuurman |
– |
|
– |
– |
– |
– |
– |
– |
|
volmatroos |
– |
|
– |
– |
– |
– |
– |
– |
|
matroos |
3 |
|
2 |
2 |
3 |
2 |
3 |
2 |
|
lichtmatroos |
– |
|
2 |
1 |
11 |
21 |
11 |
21 |
|
machinist of matroos-motordrijver2 |
3 |
|
3 |
3 |
3 |
3 |
3 |
3 |
1 De lichtmatroos of een van de
lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.
2 Het hoofd van de
Scheepvaartinspectie bepaalt of machinisten en/of
matrozen-motordrijvers vereist zijn en vult dat in het Certificaat
van Onderzoek in onder nummer 52.
3. De minimumbemanning voor
hotelschepen bestaat uit:
| |
Groep |
Bemanningsleden |
Aantal
bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de
uitrustingsstandaard S1, S2 |
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
A1 |
|
|
|
A2 |
|
B |
|
| |
|
|
S1 |
|
|
S2 |
S1 |
S2 |
S1 |
S2 |
|
1 |
Toegestaan aantal bedden: tot en
met 50 |
schipper |
1 |
|
|
1 |
2 |
2 |
3 |
3 |
|
stuurman |
– |
|
|
– |
– |
– |
– |
– |
|
volmatroos |
1 |
|
|
– |
– |
– |
– |
– |
|
matroos |
– |
|
|
– |
1 |
– |
1 |
– |
|
lichtmatroos |
– |
|
|
2 |
– |
1 |
– |
1 |
|
machinist of matroos-motordrijver |
1 |
|
|
1 |
1 |
1 |
1 |
1 |
|
2 |
Toegestaan aantal bedden: van 51
tot en met 100 |
schipper |
1 |
|
|
1 |
2 |
2 |
3 |
3 |
|
stuurman |
1 |
|
|
1 |
– |
– |
– |
– |
|
volmatroos |
– |
|
|
– |
– |
– |
– |
– |
|
matroos |
1 |
|
|
– |
1 |
– |
1 |
– |
|
lichtmatroos |
– |
|
|
1 |
– |
1 |
– |
1 |
|
machinist of matroos-motordrijver |
1 |
|
|
1 |
1 |
1 |
1 |
1 |
|
3 |
Toegestaan aantal bedden: meer dan
100 |
schipper |
1 |
of |
1 |
1 |
2 |
2 |
3 |
3 |
|
stuurman |
1 |
|
1 |
1 |
– |
– |
– |
– |
|
volmatroos |
– |
|
– |
– |
– |
– |
– |
– |
|
matroos |
2 |
|
1 |
1 |
3 |
2 |
3 |
2 |
|
lichtmatroos |
– |
|
2 |
1 |
– |
1 |
– |
1 |
|
machinist of matroos-motordrijver |
1 |
|
1 |
1 |
1 |
1 |
1 |
1 |
4. Voor passagiersschepen, bedoeld in
het eerste en het derde lid, die zonder passagiers aan boord varen,
geldt de minimumbemanning volgens artikel 12.
5. De in de tabellen in het eerste en
tweede lid voorgeschreven matrozen mogen door lichtmatrozen worden
vervangen, die een minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich
ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de
binnenvaart kunnen aantonen.
6. De in de tabel in het eerste lid
voorgeschreven minimumbemanning
in groep 2, exploitatiewijze A 1,
Standaard S2; en
in de groepen 3 en 5,
exploitatiewijze A1, Standaard S1
kan voor de ononderbroken duur van
ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos,
die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende
periodes met een verminderde bemanning worden met een periode van
minimaal één maand onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool
wordt aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich
aan boord bevindt, waarin de tijden van het schoolbezoek zijn
aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de
lichtmatroos, bedoeld in het vijfde lid.
7. De in de tabel in het tweede lid
voorgeschreven minimumbemanning (stoomschepen voor dagtochten) in de
groep 2, exploitatiewijze A1, standaard S1 kan voor de ononderbroken
duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een
lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd.
Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning worden met een
periode van minimaal één maand onderbroken. Het bezoek aan de
schippersschool wordt worden aangetoond met een verklaring van de
schippersschool die zich aan boord bevindt, waarin de tijden van het
schoolbezoek zijn aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van
toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in het vijfde lid.
8. De in de tabel in het derde lid
voorgeschreven minimumbemanning (hotelschepen) in de groep 3,
exploitatiewijze A1, standaard S1 kan voor de ononderbroken duur van
ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos,
die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende
periodes met een verminderde bemanning worden met een periode van
minimaal één maand onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool
wordt aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich
aan boord bevindt, waarin de tijden van het schoolbezoek zijn
aangegeven.
9. Op schepen die zijn bedoeld om
voornamelijk zeilend te varen, kan de matroos-motordrijver worden
vervangen door een matroos.
Artikel 12c
1. De minimumbemanning voor veerboten
bestaat uit:
|
Groep |
Toegestane aantal
passagiers |
Bemanningsleden |
Aantal
bemanningsleden |
|
1 |
max. 300 passagiers |
schipper |
1 |
|
stuurman |
1 |
|
1e machinist |
1 |
|
2e machinist |
1 |
|
matroos |
1 |
|
lichtmatroos |
- |
|
2 |
max. 600 passagiers |
schipper |
1 |
|
stuurman |
1 |
|
1e machinist |
1 |
|
2e machinist |
1 |
|
matroos |
1 |
|
lichtmatroos |
1 |
|
3 |
max. 900 passagiers |
schipper |
1 |
|
stuurman |
1 |
|
1e machinist |
1 |
|
2e machinist |
1 |
|
matroos |
1 |
|
lichtmatroos |
2 |
|
4 |
max. 1200 passagiers |
schipper |
1 |
|
stuurman |
1 |
|
1e machinist |
1 |
|
2e machinist |
1 |
|
matroos |
1 |
|
lichtmatroos |
3 |
|
5 |
max. 1500 passagiers |
schipper |
1 |
|
stuurman |
1 |
|
1e machinist |
1 |
|
2e machinist |
1 |
|
matroos |
1 |
|
lichtmatroos |
4 |
|
6 |
max. 1750 passagiers |
schipper |
1 |
|
stuurman |
1 |
|
1e machinist |
1 |
|
2e machinist |
1 |
|
matroos |
1 |
|
lichtmatroos |
5 |
2. Indien zonder passagiers gevaren
wordt, kan volstaan worden met een schipper, een stuurman, een 1e
machinist en een 2e machinist.
Artikel 13
1. Motorschepen, duwboten, duwstellen
en passagiersschepen, die met een minimumbemanning worden
geëxploiteerd, voldoen aan de volgende voorschriften:
Standaard S1
De voortstuwingsinstallaties
zijn zodanig ingericht, dat de verandering van de vaarsnelheid
en de omkering van de richting van de stuwkracht van de
schroef vanaf de stuurstelling kunnen geschieden. De
hulpmotoren nodig bij het varen met het schip kunnen vanaf de
stuurstelling worden aan – en afgezet, tenzij dit
automatisch geschiedt, dan wel deze motoren gedurende elke
reis ononderbroken in bedrijf zijn.
Het kritieke peil van de
temperatuur van het koelwater van de hoofdmotoren, van de druk
van de smeerolie van de hoofdmotoren en de transmissie, van de
oliedruk en de luchtdruk van de omkeerinrichting van de
hoofdmotoren, de keerkoppeling of de schroeven en van het
bilgewater in de hoofdmachinekamer wordt aangegeven door
installaties die in het stuurhuis akoestische en optische
alarmsignalen in werking stellen. De akoestische alarmsignalen
mogen in één akoestisch apparaat verenigd zijn. Zij mogen
worden uitgeschakeld zodra de storing is vastgesteld. De
optische alarmsignalen mogen pas worden uitgeschakeld, nadat
de desbetreffende storingen zijn verholpen.
De brandstoftoevoer en de
koeling van de hoofdmotoren geschieden automatisch
De bediening van de
stuurinrichting kan, zelfs bij de grootste toegelaten
inzinking door één persoon zonder bijzondere
krachtsinspanning worden verricht.
De door het ter plaatse
geldende scheepvaartreglement voorgeschreven optische tekens
en geluidsseinen van varende schepen kunnen vanaf de
stuurstelling worden gegeven.
Indien geen rechtstreeks
contact mogelijk is tussen de stuurstelling en het voorschip,
het achterschip, de verblijven en de machinekamer, is een
spreekverbinding aangebracht. Voor contact met de machinekamer
mogen in plaats van een spreekverbinding optische en
akoestische signalen worden gebruikt.
De voorgeschreven bijboot kan
door één bemanningslid binnen een redelijke tijd te water
worden gelaten.
Er is een vanaf de
stuurstelling te bedienen schijnwerper aan boord.
De kracht, nodig om zwengels en
soortgelijke draaibare voorzieningen van hefwerktuigen te
bedienen bedraagt niet meer dan 160 N.
De in het certificaat van
onderzoek vermelde sleeplieren worden door een motor
aangedreven.
De lenspompen en de
dekwaspompen worden door een motor aangedreven.
De voornaamste
bedieningsinrichtingen en controle-instrumenten zijn
ergonomisch aangebracht.
De inrichting nodig voor het
sturen van het schip kan vanuit het stuurhuis worden bediend.
Indien voor de goede bestuurbaarheid of het kop voor
stilhouden een boegroerinstallatie voorgeschreven is, kan deze
eveneens vanuit het stuurhuis worden bediend.
Standaard S2
voor alleen varende
motorschepen geldt Standaard S1 en bovendien een uitrusting
met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie;
voor motorschepen, die
gekoppelde vaartuigen voortbewegen, geldt Standaard S1 en
bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare
boegschroefinstallatie;
voor motorschepen, die een
duwstel, bestaande uit het motorschip en een vaartuig ervoor,
voortbewegen, geldt Standaard S1 en bovendien een uitrusting
met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze
uitrusting is echter niet vereist, als het vaartuig aan de kop
van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust,
die vanuit de stuurhut van het duwende motorschip te bedienen
is;
voor duwboten, die een duwstel
voortbewegen, geldt Standaard S1 en bovendien een uitrusting
met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze
uitrusting is echter niet vereist, als het vaartuig aan de kop
van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust,
die vanuit de stuurhut van het duwende duwboot te bedienen is;
voor passagiersschepen geldt
Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de
stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie. Deze uitrusting is
echter niet vereist, indien de voortstuwingsinstallatie en de
stuurinrichting van het passagiersschip gelijkwaardige
manoeuvreereigenschappen waarborgen.
2. Het voldoen of niet voldoen aan de
voorschriften bedoeld in het eerste lid wordt door de
inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat in een
verklaring vastgelegd. De verklaring, bedoeld in het Besluit Reglement
onderzoek schepen op de Rijn 1995, afgegeven door de Commissie van
Deskundigen, waarin is vastgelegd of een schip al dan niet voldoet aan
de voorschriften met betrekking tot de uitrusting van schepen, wordt
met de in de eerste volzin bedoelde verklaring gelijkgesteld.
3. Indien een schip als bedoeld in het
eerste lid, niet voldoet aan de voorschriften, genoemd in het eerste
lid, Standaard S 1, wordt de minimumbemanning, bedoeld in de artikel
12 tot en met 12c:
bij exploitatiewijzen A1 en A2
versterkt met één matroos;
bij exploitatiewijze B versterkt
met twee matrozen.
4. Indien een schip als bedoeld in het
eerste lid, niet voldoet aan het eerste lid onderdeel a, 9) of 11),
wordt in afwijking van het derde lid, onderdeel b, de minimumbemanning
in de exploitatiewijze B slechts versterkt met één matroos.
5. Onverminderd het bepaalde in het
derde lid wordt, indien een schip niet voldoet aan het eerste lid,
onderdeel a, 1) tot en met 3):
bij exploitatiewijzen A1 en A2 een
matroos vervangen door een matroos-motordrijver;
bij exploitatiewijze B twee
matrozen vervangen door twee matrozen-motordrijver.
Artikel 14
1. De minimumbemanning van schepen,
waarop de artikelen 12, 12a, 12b en 12c niet van toepassing zijn, is,
rekening houdend met de afmetingen, de bouw, de inrichting en de
bestemming van deze schepen, voldoende met het oog op de veiligheid
van de vaart en van de arbeid aan boord.
2. De inspecteur-generaal van de
Inspectie Verkeer en Waterstaat kan met inachtneming van het eerste
lid, na overleg met het bevoegde districtshoofd van de
Arbeidsinspectie, ten aanzien van elk schip als bedoeld in het eerste
lid afzonderlijk dan wel voor categorieën van schepen als bedoeld in
het eerste lid de minimumbemanning vaststellen. Schepen als bedoeld in
de vorige zin zijn voorzien van een verklaring, afgegeven door de
inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, waarin de
minimumbemanning is vastgelegd.
3. De inspecteur-generaal van de
Inspectie Verkeer en Waterstaat kan na overleg met het bevoegde
districtshoofd van de Arbeidsinspectie, ten aanzien van bunkerschepen
met een lengte van minder dan 35 meter die slechts op korte trajecten
ingezet worden, een minimumbemanning voorschrijven die afwijkt van
artikel 12, eerste lid. Bunkerschepen als bedoeld in de vorige zin,
zijn voorzien van een verklaring, afgegeven door de
inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, waarin de
minimumbemanning is vastgelegd.
Artikel 15
1. De minimumbemanning, bedoeld in de
artikelen 12 tot en met 14, bevindt zich tijdens de vaart voortdurend
aan boord.
2. Indien door onvoorziene
omstandigheden, zoals ziekte, ongeval of bevel van een gezagdrager,
tijdens de vaart ten hoogste één lid van de bij of krachtens dit
besluit voorgeschreven minimumbemanning uitvalt, mag een schip, in
afwijking van het eerste lid, doorvaren tot de eerstvolgende geschikte
aanlegplaats in de richting waarin gevaren wordt, mits de bemanning
ten minste uit twee bemanningsleden bestaat, waarvan er één voldoet
aan artikel 18, eerste lid, onderdeel a. Voor een passagiersschip
geldt in plaats van de eerstvolgende geschikte aanlegplaats, het
eindpunt van de reis van die dag.
Artikel 16
Een vrouw, die krachtens
arbeidsovereenkomst dan wel publiekrechtelijke aanstelling arbeid
verricht, mag geen deel uitmaken van de minimumbemanning gedurende ten
minste 14 weken rondom de vermoedelijke datum van haar bevalling,
waarvan ten minste 6 weken vóór deze datum en ten minste 7 weken na de
feitelijke datum van de bevalling liggen.
Artikel 17
De persoon die belast is met het toezicht
op en de verzorging van één of meer zich aan boord bevindende kinderen
die de leeftijd van 6 jaar nog niet hebben bereikt, mag geen deel
uitmaken van de minimumbemanning, tenzij er maatregelen zijn getroffen
waardoor de veiligheid van het kind of de kinderen ook zonder
voortdurend toezicht is gewaarborgd.
§ 2. Eisen te stellen aan
bemanningsleden
Artikel 18
1. De bemanningsleden van schepen, niet
zijnde veerboten, voldoen aan onderscheidenlijk de volgende vereisten:
a. een schipper is
1°. hetzij in het bezit van
een groot patent als bedoeld in het Patentreglement Rijn of
een krachtens artikel 5.01 van het Patentreglement Rijn geldig
Rijnschipperspatent;
2°. hetzij in het bezit van
een vaarbewijs als bedoeld in artikel 16 van de
Binnenschepenwet;
3°. hetzij in het bezit van
een bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart als bedoeld in
artikel 17, eerste lid, onderdeel g, van de Binnenschepenwet,
voor zover dat bewijs is erkend voor de bedrijfsmatige vaart;
4°. hetzij krachtens de
Binnenschepenwet vrijgesteld of ontheven van de verplichting
in het bezit te zijn van een groot vaarbewijs als bedoeld in
artikel 16 van de Binnenschepenwet, mits de aan de
vrijstelling of ontheffing verbonden voorschriften of
beperkingen door hem worden nageleefd.
b. een stuurman voldoet aan de
vereisten die op grond van dit artikel worden gesteld aan een
matroos en heeft ten minste twee jaar als zodanig in de
binnenvaart gevaren;
c. een machinist is
1°. hetzij ten minste 18 jaar
en in het bezit van een door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat erkend getuigschrift waaruit blijkt, dat hij met
goed gevolg een opleiding op het gebied van motoren en
werktuigkunde heeft gevolgd dan wel in het bezit van een
erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene
wet erkenning EG-beroepskwalificaties;
2°. hetzij ten minste 19 jaar
en voldoet aan de vereisten die op grond van dit artikel
worden gesteld aan een matroos-motordrijver en heeft ten
minste twee jaar als zodanig op een schip met mechanische
voortstuwingsmiddelen gevaren;
d. een volmatroos voldoet aan de
vereisten die op grond van dit artikel worden gesteld aan een
matroos en heeft ten minste één jaar als zodanig in de
binnenvaart gevaren;
e. een matroos-motordrijver voldoet
1°. hetzij aan de vereisten
die op grond van dit artikel worden gesteld aan een matroos en
is in het bezit van een door Onze Minister erkend
getuigschrift waaruit blijkt, dat hij met goed gevolg een
opleiding voor matroos-motordrijver heeft gevolgd dan wel een
erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene
wet erkenning EG-beroepskwalificaties;
2°. hetzij aan de vereisten
die op grond van dit artikel worden gesteld aan een matroos en
heeft ten minste één jaar als zodanig op een schip met
mechanische voortstuwingsmiddelen gevaren, en bezit een
aantoonbare elementaire kennis op het gebied van motoren;
f. een matroos is
1°. hetzij ten minste 17 jaar
en in het bezit van een door Onze Minister erkend
getuigschrift waaruit blijkt, dat hij met goed gevolg een
opleiding voor matroos heeft gevolgd dan wel een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties;
2°. hetzij ten minste 19 jaar
en heeft ten minste drie jaar gevaren als lid van een
dekbemanning, waarvan ten minste één jaar in de binnenvaart
en twee jaar, hetzij in de binnenvaart, dan wel in de
zeevaart, kustvaart of visserij;
g. een lichtmatroos is ten minste
15 jaar en in het bezit van een leerovereenkomst die voorziet in
het bezoeken van een vakschool voor schippers, of het volgen van
een schriftelijke cursus die door Onze Minister is erkend dan wel
door een bevoegde autoriteit in het buitenland is erkend en die
opleidt tot een gelijkwaardig diploma.
h. een deksman is tenminste 16
jaar.
2. De bemanningsleden van veerboten
voldoen aan onderscheidenlijk de volgende vereisten:
a. een schipper is ten minste 21
jaar en voldoet aan de vereisten die op grond van het eerste lid,
onderdeel a, onder 1° tot en met 3°, worden gesteld aan een
schipper en is in het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt
dat hij met goed gevolg de korte opleiding schipper-machinist met
beperkt werkgebied of een andere door onze Minister erkende
opleiding alsmede te allen tijde de nautische Module Zoute Veren
heeft gevolgd dan wel is in het bezit van een door onze Minister
erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een
gelijk-waardige opleiding heeft gevolgd, dan wel is in het bezit
van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties;
b. een stuurman is ten minste 21
jaar en voldoet aan de vereisten die op grond van het eerste lid,
onderdeel a, onder 1° tot en met 3°, worden gesteld aan een
schipper en is in het bezit van een door Onze Minister erkend
getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een E.H.B.O.-opleiding
heeft gevolgd, dan wel is in het bezit van een door Onze Minister
erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een
gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd;
c. een 1e machinist is ten minste
21 jaar en is in het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt
dat hij met goed gevolg hetzij de opleiding MTS-Werktuigbouw
alsmede de opleiding Zoute Veren, technische Module, hetzij de
opleiding Machinist Binnenvaart B aangevuld met de opleiding Zoute
Veren, technische Module, hetzij een andere door Onze Minister
erkende opleiding heeft gevolgd, dan wel is in het bezit van een
door onze Minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt
dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd dan wel een
erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties;
d. een 2e machinist is ten minste
19 jaar en is in het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt
dat hij met goed gevolg de opleiding machinist binnenvaart B heeft
gevolgd, hetzij een andere door onze Minister erkende opleiding
heeft gevolgd dan wel is in het bezit van een door Onze Minister
erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een
gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd dan wel is in het bezit van
een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene
wet erkenning EG-beroepskwalificaties;
e. een matroos is ten minste 19
jaar en is in het bezit van een door Onze Minister erkend
getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een opleiding
brandbestrijding heeft gevolgd, dan wel is in het bezit van een
door onze Minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt
dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd;
f. een lichtmatroos is ten minste
18 jaar en is in het bezit van een door Onze Minister erkend
getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een opleiding
brandbestrijding heeft gevolgd, dan wel is in het bezit van een
door onze Minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt
dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd.
3. Bij ministeriële regeling kunnen
ten aanzien van bemanningsleden van veerponten en veerboten opleidings-
en ervaringseisen worden gesteld, welke afwijken van het eerste,
onderscheidenlijk tweede lid of strekken ter aanvulling daarvan.
Artikel 19
1. Een bemanningslid is in het bezit
van een geneeskundige verklaring, afgegeven door een arts die is
aangewezen door Onze Minister dan wel door een bevoegde autoriteit in
het buitenland, waaruit blijkt dat hij voldoet aan de eisen
betreffende de lichamelijke geschiktheid als voorgeschreven in het
Reglement onderzoek schepen op de Rijn.
2. Indien de afgifte van een verklaring
wordt geweigerd, kan, op verzoek van de betrokkene, een verklaring
worden afgegeven door een door Onze Minister aangewezen arts, niet
zijnde de arts die de verklaring heeft geweigerd, indien de betrokkene
voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen.
3. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld met betrekking tot het tweede lid.
Artikel 20
1. Een geneeskundige verklaring,
afgegeven vóór de 65-jarige leeftijd van een bemanningslid, is
geldig tot drie maanden na de dag waarop hij de 65-jarige leeftijd
bereikt.
2. Een geneeskundige verklaring
afgegeven nadat een bemanningslid de 65-jarige leeftijd heeft bereikt,
is geldig gedurende een tijdvak van een jaar.
Artikel 21
Geen verklaring als bedoeld in artikel
19, eerste lid, is vereist ten aanzien van de schipper, bedoeld in
artikel 18, eerste lid, onderdeel a.
Artikel 22
Een ambtenaar als bedoeld in artikel 11,
eerste lid, van de wet is bevoegd te eisen, dat binnen een door hem te
bepalen termijn een nieuwe geneeskundige verklaring wordt afgegeven,
indien hij redelijkerwijs vermoedt dat de houder daarvan niet meer
voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 19, eerste lid.
Artikel 23
1. Bij ministeriële regeling wordt de
vergoeding vastgesteld die verschuldigd is voor de kosten van afgifte
van een geneeskundige verklaring, als bedoeld in artikel 19.
2. Indien een geneeskundige verklaring
wordt afgegeven, overeenkomstig artikel 22, komen de kosten van
afgifte toe aan het bemanningslid indien de twijfels gegrond zijn
gebleken.
Hoofdstuk IV. Controlemiddelen
§ 1. Dienstboekje
Artikel 24
1. Een bemanningslid is in het bezit
van een dienstboekje als omschreven in artikel 23.04 van het Besluit
Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995, waaruit blijkt dat hij
voldoet aan de eisen, gesteld in de artikelen 12, tweede lid, 12a,
tweede lid, 12b, vijfde lid, en 18 tot en met 21.
2. Het dienstboekje, bedoeld in het
eerste lid, wordt afgegeven door een door Onze Minister aangewezen
instelling, welke verantwoordelijk is voor
de invulling van het dienstboekje
overeenkomstig de daarin gestelde instructies;
de invulling van de gegevens
betreffende de in artikel 18 gestelde eisen aan het bemanningslid;
de afstempeling ter controle.
3. De in het tweede lid bedoelde
instelling kan het overleggen van vaartijdenboeken dan wel uittreksels
daarvan of van andere relevante bescheiden verlangen. Zij mag slechts
die reizen van een afstempeling voorzien die niet ouder zijn dan 15
maanden.
4. Een bemanningslid laat het
dienstboekje, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, telkens binnen
een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de datum van afgifte, ten
minste éénmaal afstempelen door de in het tweede lid bedoelde
instelling. Een bemanningslid dat voldoet aan de in artikel 18, eerste
lid, onder b gestelde eisen is van de verplichting tot afstempeling
vrijgesteld.
5. Een bemanningslid overhandigt het
dienstboekje bij de aanvang van het dienstverband aan de gezagvoerend
schipper.
6. De gezagvoerend schipper is
verantwoordelijk voor de invulling van het dienstboekje overeenkomstig
de daarin gestelde instructies. Gegevens betreffende een eerder
afgelegde reis worden vóór het begin van de volgende reis ingevuld.
7. De gezagvoerend schipper bewaart het
dienstboekje van een bemanningslid tot de beëindiging van zijn
dienstverband, arbeidscontract dan wel andere regeling, in het
stuurhuis. Op verzoek van het betreffende bemanningslid geeft de
gezagvoerend schipper het dienstboekje te allen tijde en onverwijld
aan hem terug.
8. De in het eerste lid neergelegde
verplichting geldt niet voor:
a. het bemanningslid dat in het
bezit is van een van de documenten, bedoeld in artikel 18, eerste
lid, onderdeel a;
b. het bemanningslid van een
veerboot en veerpont dat in het bezit is van een document waaruit
blijkt dat hij voldoet aan de eisen, gesteld in de artikelen 18
tot en met 21.
9. Ten aanzien van de kosten en de
procedures voor de afgifte van dienstboekjes en vervangende exemplaren
van dienstboekjes kunnen bij ministeriële regeling nadere regels
worden gesteld.
§ 2. Vaartijdenboek
Artikel 25
De gezagvoerend schipper is verplicht
ervoor te zorgen dat aan boord van het schip de volgende documenten
aanwezig zijn:
a. een vaartijdenboek als bedoeld in
artikel 23.08 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn;
b. in geval van toepassing van
artikel 13, eerste lid, aanhef, een verklaring als bedoeld in
artikel 13, eerste lid, dan wel de beschikking tot weigering van
afgifte van deze verklaring, of een afschrift daarvan;
c. een verklaring als bedoeld in
artikel 26, derde lid;
d. in geval van toepassing van
artikel 7, derde lid, een verklaring als bedoeld in bijlage K van
het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995, of een
kopie van de pagina met de aantekeningen van de vaar-
respectievelijk rusttijden uit het in onderdeel a genoemde
vaartijdenboek, dat behoort bij het schip waarop de laatste reis van
het bemanningslid heeft plaatsgevonden.
Artikel 26
1. Het vaartijdenboek is afgegeven door
een instelling, aangewezen door Onze Minister dan wel door een
bevoegde autoriteit in het buitenland.
2. Op het eerste vaartijdenboek worden
de volgende gegevens vermeld:
a. het nummer 1;
b. de naam van het schip;
c. het merk van de teboekstelling
of het officiële scheepsnummer.
3. Bij de afgifte van het eerste
vaartijdenboek wordt een verklaring uitgereikt die de naam van het
schip, het merk van de teboekstelling of het officiële scheepsnummer,
het nummer van het vaartijdenboek en de datum van afgifte vermeldt.
4. De volgende vaartijdenboeken worden
bij afgifte voorzien van een volgnummer. Deze afgifte wordt
aangetekend op de verklaring, bedoeld in het derde lid.
5. Een volgend vaartijdenboek wordt
slechts afgegeven tegen overlegging van het voorgaande vaartijdenboek.
6. Het voorgaande vaartijdenboek wordt,
nadat daarop de onuitwisbare aantekening "ongeldig" is
aangebracht, teruggegeven.
7. In afwijking van het vijfde lid kan
het overhandigen van het nieuwe vaartijdenboek geschieden op vertoon
van het document, bedoeld in het derde lid. De exploitant van het
schip draagt er in dat geval zorg voor dat het voorgaande
vaartijdenboek binnen 30 dagen na de afgiftedatum van het nieuwe
vaartijdenboek, die op het document , bedoeld in het vierde lid, door
de bevoegde autoriteit is geregistreerd, door dezelfde bevoegde
autoriteit onuitwisbaar ongeldig wordt verklaard. De exploitant van
het schip draagt er zorg voordat daarna het vaartijdenboek weer aan
boord wordt gebracht.
8. Ten aanzien van de kosten en
procedures voor de afgifte van vaartijdenboeken en vervangende
exemplaren van vaartijdenboeken kan Onze Minister nadere regels
stellen.
Artikel 27
1. Het vaartijdenboek wordt door de
gezagvoerend schipper bijgehouden overeenkomstig de daarin gestelde
aanwijzingen. De aantekeningen worden naar waarheid ingevuld en zijn
onuitwisbaar en duidelijk leesbaar aangebracht.
2. Indien op een dag twee of meer
vaarten worden gemaakt en de samenstelling van de bemanning
ongewijzigd blijft, kan worden volstaan met de vermelding van het
tijdstip van aanvang van de eerste vaart in plaats van het tijdstip
van aanvang van elke vaart op die dag en kan worden volstaan met het
invullen van het tijdstip van het einde van de laatste vaart in plaats
van het tijdstip van einde van elke vaart op die dag.
3. De in het vaartijdenboek vermelde
bepaling, dat per reis kan worden volstaan met één schema voor het
aantekenen van de rusttijden, is slechts van toepassing bij
exploitatiewijze B. Bij de exploitatiewijzen A1 en A2 worden het begin
en het einde van de rusttijd van elk bemanningslid iedere dag
gedurende de reis aangetekend.
4. De na een wisseling van
exploitatiewijze noodzakelijke aantekeningen worden op een nieuwe
bladzijde van het vaartijdenboek aangebracht.
5. Tijdens de vaart is het
vaartijdenboek in de stuurhut aanwezig.
6. De gezagvoerend schipper bewaart het
overeenkomstig artikel 26, zesde lid, ongeldig verklaarde
vaartijdenboek gedurende 6 maanden nadat daarin de laatste aantekening
is gesteld aan boord.
Artikel 28
1. Het vaartijdenboek is niet vereist
met betrekking tot, veerboten en veerponten.
2. De gezagvoerend schipper van een
veerboot en een veerpont is verplicht ervoor te zorgen dat aan boord
een scheepsjournaal aanwezig is, waarin de volgende gegevens worden
vermeld:
a. de naam van het schip;
b. het begin en einde van de
veerdienst van het schip;
c. het merk van de teboekstelling
of het officiële scheepsnummer;
d. de leden van de bemanning bij
het begin van de dagelijkse veerdienst van het schip met
vermelding van naam en functie, en vervolgens telkens wanneer deze
van samenstelling verandert.
Hoofdstuk V. Bepalingen inzake zeeschepen
Artikel 29
Het bij of krachtens de hoofdstukken II,
III, met uitzondering van artikel 13, en de bijlage bepaalde, is niet
van toepassing op zeeschepen die voldoen aan de bepalingen van Resolutie
A.890 (21) van de Internationale Maritieme Organisatie van 25 november
1999 en het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag
betreffende de normen van zeevarenden inzake opleiding, diplomering en
wachtdienst, met Bijlage, (Trb. 1981, 144 en 1992, 109), mits:
het aantal bemanningsleden ten minste
overeenkomt met de aantallen, opgenomen onder de exploitatiewijze B
in artikel 12;
er zich tijdens de vaart een persoon
aan boord bevindt die voldoet aan artikel 18, eerste lid, onderdeel
a, onder 1° tot en met 3°.
Artikel 30
In geval van toepassing van artikel 29
gelden de volgende voorschriften:
a. de bemanningsleden, bedoeld in
artikel 29, onderdeel a, zijn in het bezit van een verklaring als
opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage IV, waaruit blijkt
dat zij voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid, bedoeld in de in de
aanhef van artikel 29 bedoelde regelingen;
b. de in artikel 29, onderdeel b,
bedoelde persoon wordt na elke wacht van ten hoogste 14 uur
vervangen door een persoon die voldoet aan artikel 18, eerste lid,
onderdeel a, onder 1° tot en met 3°;
c. de gezagvoerend schipper is
verplicht ervoor te zorgen dat aan boord van het zeeschip een
logboek aanwezig is en, voor zover het logboek daarin niet voorziet,
een ander document waarin het aantal bemanningsleden wordt
bijgehouden;
d. in het logboek of andere document,
bedoeld in onderdeel c, worden de volgende aantekeningen gemaakt:
1°. de namen van de personen die
voldoen aan artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot
en met 3°, alsmede het begin en het einde van hun wacht;
2°. het begin, de onderbreking,
de voortzetting en het einde van de vaart van het zeeschip, met
telkens daarbij de vermelding van datum, tijdstip en plaats,
alsmede, voor zover het zeeschip zich op de Rijn, de Lek of de
Waal bevindt, van de kilometerraai.
Hoofdstuk VI. Overgangs- en
slotbepalingen
Artikel 31 [Vervallen per 25-09-2002]
Artikel 32 [Vervallen per 25-09-2002]
Artikel 33 [Vervallen per 25-09-2002]
Artikel 34 [Vervallen per 25-09-2002]
Artikel 35
Dit besluit en de Wet vaartijden en
bemanningssterkte binnenvaart treden in werking op 1 januari 1995.
Artikel 36
Dit besluit kan worden aangehaald als:
Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart.
Lasten en
bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad
van State.
's-Gravenhage, 15 december 1994
BEATRIX De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W.
Melkert
De Minister van
Verkeer en Waterstaat,
A.
Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven
de negenentwintigste december 1994
De Minister van Justitie,
W.
Sorgdrager
Bijlage I
[Vervallen per 25-09-2002]
Bijlage II
[Vervallen]
Bijlage III bij
het Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart,
bedoeld in artikel 25, onderdeel a, van dit besluit
[Vervallen]
Bijlage bij het
Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, bedoeld
in artikel 30, onderdeel a, van dit besluit
Model van een
officiële verklaring bij diploma's
OFFICIËLE
VERKLARING BIJ HET DIPLOMA
(Stempel van het
bevoegde gezag) (Land)
Afgegeven
krachtens de bepalingen van het Internationaal Verdrag
betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding,
diplomering en wachtdienst, 1978
De
Regering van (naam) verklaart *
De
ondergetekende verklaart
Dat dit
Diploma/Diploma nr. ................** is afgegeven aan:
.....................................(volledige naam van
de betrokkene), die blijk heeft gegeven de vereiste
bekwaamheid te bezitten overeenkomstig de bepalingen van
Voorschrift ........... van het Internationaal Verdrag
betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding,
diplomering en wachtdienst, 1978, als
............................... *** uitsluitend onder de
volgende beperkingen:
Hier
beperkingen, of «geen» invullen, al naar van toepassing
is.........................................................
Datum van
afgifte van deze officiële verklaring:
....................
(Stempel van het
bevoegde gezag) Ondertekening: .................................
(Naam en
handtekening van de bevoegde functionaris)
Geboortedatum
van de houder van het Diploma ....................
Handtekening van
de houder van het Diploma ....................
* Eén van deze
beide regels gebruiken.
** Doorhalen wat
niet van toepassing is.
*** Klasse of
categorie van het Diploma volgens het Verdrag invullen.
|