| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet vaartijden en
bemanningssterkte binnenvaart
REGELING
VAARTIJDEN EN BEMANNINGSSTERKTE BINNENVAART
Tekst zoals deze geldt op
17 april 2009
Vervallen
m.i.v. 1 juli 2009
|
|
|
REGELING van de Minister van Verkeer en Waterstaat,
houdende regels met betrekking tot de vaartijden en bemanningssterkte
binnenvaart (Regeling vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart)
De Minister
van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 6, eerste lid, en 9 van
de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart en de artikelen 1,
onderdeel u, 19, derde lid, 21, derde lid, 23, eerste lid, 24,
tweede en negende lid, en 26, eerste en achtste lid, van het Besluit
vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart;
Besluit:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder besluit: Besluit vaartijden en
bemanningssterkte binnenvaart.
Artikel 2
Ten aanzien van de procedure voor de afgifte van een geneeskundige
verklaring geldt de Regeling medische keuringen binnenvaart 2008 en is
het Reglement Rijnpatenten 1998 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3
Ten aanzien van de kosten voor de afgifte van een geneeskundige
verklaring is artikel 1 van het Besluit, houdende vaststelling tarief
kosten geneeskundig onderzoek van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
1. Het dienstboekje, het vaartijdenboek en de verklaring
uitgifte vaartijdenboek worden afgegeven door de inspecteur-generaal
van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
2. Indien een dienstboekje of een vaartijdenboek geheel of
gedeeltelijk onleesbaar is dan wel verloren is geraakt of teniet gegaan,
wordt met inachtneming van het derde en vierde lid en tegen betaling van
de door de Minister van Verkeer en Waterstaat vastgestelde tarieven een
vervangend exemplaar afgegeven.
3. Het vervangende exemplaar treedt in de plaats van het eerder
afgegeven document en wordt niet eerder afgegeven dan nadat het geheel
of ten dele onleesbaar geworden exemplaar, waarvoor het wordt afgegeven,
is ingeleverd bij de instelling die dit document uitgeeft.
4. In het geval dat een document verloren is geraakt of teniet is
gegaan, wordt aan de instelling die dit document uitgeeft een bewijs
overgelegd dat daarvan aangifte is gedaan bij een ambtenaar, aangesteld
voor de uitvoering van de politietaak, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel a, van de Politiewet 1993. Op bladzijde 1 van het vervangende
exemplaar van het dienstboekje en het vaartijdenboek wordt aangetekend
dat het hiervoor bedoelde bewijs is overgelegd.
5. In het geval dat bij de verkoop van een schip de verkoper in
gebreke blijft het bij het schip behorende vaartijdenboek aan de koper
te leveren, kan dit bewijs van aangifte worden vervangen door een door
de koper en de instelling die dit document uitgeeft te ondertekenen
verklaring.
6. Indien het volgnummer van het te vervangen vaartijdenboek
onbekend is bij de instelling die dit document uitgeeft wordt het nieuwe
vaartijdenboek voorzien van het volgnummer 1.
Artikel 5
Ten aanzien van de tachograaf, bedoeld in artikel 1, onderdeel u, van
het besluit is de Regeling typegoedkeuring en installatie tachografen
Rijnvaart 1995 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2005]
§ 2. Vrijstellingen
Artikel 7
1. Ten aanzien van motorschepen met een
lengte van minder dan 55 meter wordt vrijstelling verleend van de
ingevolge artikel 12, eerste lid, van het besluit voorgeschreven
minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
a. hetzij:
1º. de minimumbemanning bestaat uit een schipper;
2º. de maximale vaartijd van het schip bedraagt 12 uur per dag
en 50 uur per kalenderweek;
3º. de minimale dagelijkse ononderbroken rusttijd van de
schipper bedraagt ten minste 12 uur in elke periode van 24 uur, te
rekenen vanaf het einde van iedere rustperiode van ten minste 12
uur;
4º. het schip onderbreekt de vaart gedurende een periode van 12
uur waarin de periode van 22.00 uur tot 6.00 uur is gelegen;
5º. er is een vanuit het stuurhuis bedienbaar reserve-toplicht
aanwezig;
6º. het schip is uitgerust met een goed functionerende
tachograaf die in werking is gesteld vanaf het begin van de
voorafgaande ten minste 8 aaneengesloten uren durende onderbreking
van de vaart en waarvan de gegevens gedurende ten minste zes maanden
na de laatste aantekening daarop in chronologische volgorde aan
boord worden bewaard;
7º. vervoer van stoffen waarvoor op grond van het ADNR een
certificaat van goedkeuring als bedoeld in bijlage 1 bij de Regeling
vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen is vereist, is
niet toegestaan;
8º. er wordt niet gevaren op de Westerschelde;
9º. het schip voldoet aan artikel 13 van het besluit, en
10º. voor zover het motorschip een lengte heeft van meer dan 33
meter, is actieve boegbesturing bedienbaar vanuit het stuurhuis
aanwezig;
b. hetzij:
1º. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een
lichtmatroos of deksman;
2º. indien tussen 22.00 en 06.00 wordt gevaren, is de onder 1°
bedoelde lichtmatroos of deksman18 jaar of ouder; en
3º. de voorschriften, bedoeld in onderdeel a, onder 7° tot en
met 10°, worden in acht genomen
2. Een wisseling van de vaart met gebruikmaking van de
vrijstelling onder de voorschriften van het eerste lid, onderdeel a,
naar de exploitatiewijze A1, A2 of B, is slechts toegestaan indien:
a. de schipper is afgelost, of
b. bij controle kan worden aangetoond dat het voor de
exploitatiewijze A1, A2 of B bestemde bemanningslid dat niet is
afgelost, onmiddellijk voor de wisseling een onafgebroken rusttijd van
8 uur buiten de vaartijd in acht heeft genomen, en de voor deze
exploitatiewijzen voorgeschreven minimumbemanning zich aan boord
bevindt.
3. Van de exploitatiewijze A1, A2 of B mag slechts naar de vaart
met gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het
eerste lid, onderdeel a, worden overgegaan, indien de voor de vaart
onder de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vrijstelling
voorgeschreven schipper onmiddellijk voor de wisseling geen deel heeft
uitgemaakt van de bemanning van het schip, dan wel bij controle kan
worden aangetoond dat de schipper, indien deze niet is afgelost,
onmiddellijk voor de wisseling een rusttijd van 12 uur buiten de
vaartijd van het schip in acht heeft genomen.
4. Een schip kan onmiddellijk in aansluiting op de vaart met
gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het eerste
lid, onderdeel a, voor een identieke vaart worden ingezet indien de
schipper wordt vervangen door een andere schipper.
5. Het aantonen van de rusttijd, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, onder 3°, derde en vierde lid, geschiedt door middel van
het vaartijdenboek van het schip.
Artikel 8
Ten aanzien van schepen in gebruik bij het Rijk, de provincie, de
gemeente, het havenschap Havenbedrijf Rotterdam N.V. voorzover ingezet
voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak of bij een van de
regionale politiekorpsen bedoeld in artikel 21, derde lid, van de
Politiewet 1993, wordt vrijstelling verleend van de artikelen 9 tot en
met 11 en 24 tot en met 28 van het besluit.
Artikel 9
1. Ten aanzien van passagiersschepen die in de exploitatiewijze
A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12b,
eerste lid, van het besluit voorgeschreven minimumbemanning, mits
voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit:
– voor de passagiersschepen uit groep 4 die minder dan 601
passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 3 voor de
exploitatiewijze A1;
– voor de passagiersschepen uit groep 3 die minder dan 251
passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 2 voor de
exploitatiewijze A1;
– voor de passagiersschepen uit groep 2 die minder dan 76
passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 1 voor de
exploitatiewijze A1; en
b. voor het begin van de vaart en telkens na elke onderbreking van
de vaart wanneer passagiers embarkeren of debarkeren legt de schipper
het aantal passagiers dat aan boord is schriftelijk vast.
2. Ten
aanzien van passagiersschepen uit groep 1 met een lengte van maximaal 45
meter en een capaciteit van maximaal 40 personen die in de
exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge
artikel 12b, eerste en derde lid, van het besluit voorgeschreven
minimumbemanning, mits de minimumbemanning bestaat uit een schipper en
een lichtmatroos of een deksman van ten minste 18 jaar en het schip de
vaart onderbreekt gedurende een periode van ten minste 16 uur, waarin de
periode van 22.00 uur tot 06.00 uur is gelegen.
3. Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde
passagierschepen is in geval van vaart zonder passagiers artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van overeenkomstige
toepassing, onder voorwaarde dat het schip beschikt over vrij
toegankelijke gangboorden die voldoen aan de in bijlage II, artikel
11.15, derde lid, van het Binnenschepenbesluit gestelde eisen.
Artikel 10
1. Ten aanzien van rondvaartboten van het Amsterdamse
grachtentype als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Regeling
rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype wordt, voor zover zij
in de exploitatiewijze A1 varen, vrijstelling verleend van de
ingevolge artikel 12b, eerste lid, van het besluit voorgeschreven
bemanning, mits de minimumbemanning bestaat uit een schipper.
2. Ten aanzien van open rondvaartboten als bedoeld in artikel 1,
tweede lid, van de Regeling open rondvaartboten wordt, voor zover zij in
de exploitatiewijze A1 varen, vrijstelling verleend van de ingevolge
artikel 12b, eerste lid, van het besluit voorgeschreven bemanning, en
van artikel 13 van het besluit, mits de minimumbemanning bestaat uit een
schipper.
Artikel 11 [Vervallen per 12-02-2003]
Artikel 12
Ten aanzien van schepen, bestemd of gebruikt voor het bedrijfsmatig
vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanning en ingericht om
hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen, wordt,
voorzover zij in exploitatiewijze A1 varen, vrijstelling verleend van
artikel 10 van het besluit en van de ingevolge artikel 12b, eerste en
derde lid, van het besluit voor groep 1 voorgeschreven
minimumbemanning, mits deze bestaat uit:
a. een schipper, en
b. een lichtmatroos of deksman, die ten minste 18 jaar is.
Artikel 13
Van de ingevolge artikel 12b, eerste lid, van het besluit
voorgeschreven bemanning en van artikel 13 van het besluit, wordt
vrijstelling verleend mits de minimumbemanning bestaat uit een schipper,
ten aanzien van schepen die:
a. zijn bestemd of worden gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer
van meer dan 12 personen buiten de bemanning;
b. zijn ingericht voor de sportvisserij;
c. varen op, dan wel op weg zijn van of naar de binnenwateren,
ingedeeld in `Nederland Zone 2', bedoeld in bijlage I van het
Binnenschepenbesluit; en
d. in exploitatiewijze A1 varen.
Artikel 14
1. Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A1
varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12, eerste
lid, van het besluit voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning,
mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman;
2º. het schip onderbreekt de vaart gedurende de periode tussen
22.00 uur en 06.00 uur;
3º. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens
de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op
het laad- of losklaar maken van het schip;
4º. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te
kunnen voldoen aan artikel 1.09, derde lid, van het
Binnenvaartpolitiereglement;
5º. het schip is uitgerust met een éénmansstuurstelling voor het
varen op radar en voldoet aan de daarop betrekking hebbende artikelen
in hoofdstuk 7 van het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn
1995 dan wel Bijlage II, artikel 9.10, van het Binnenschepenbesluit;
en
6º. het schip voldoet blijkens een verklaring van de
inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, zoals
genoemd in artikel 13, tweede lid, van het besluit, aan de eisen van
de Standaard S2.
2. Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen,
wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12, eerste lid, van
het besluit, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de
volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en één
matroos; en
2º. de voorschriften, bedoeld in het eerste lid onder 5° en 6°.
3. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1
varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolgde artikel 12a, eerste
lid, van het besluit voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits
voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman;
2º. de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder 2° tot en
met 5°; en
3º. het schip voldoet blijkens een verklaring van de
inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat als bedoeld
in artikel 13, tweede lid, van het besluit, aan de eisen van de
Standaard S2.
4. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2
varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12a, eerste
lid, van het besluit voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits
voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en een matroos;
en
2º. de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder 5°, en het
derde lid, onder 3°.
5. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1
varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12a, eerste
lid, van het besluit voor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits
voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en
een matroos; en
2º. de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder 5°, en het
derde lid, onder 3°.
6. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2
varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12a, eerste
lid, van het besluit voor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits
wordt voldaan aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en twee
matrozen; en
2º. de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder 5°, en het
derde lid, onder 3°.
§ 3. Slotbepalingen
Artikel 15
De Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en
de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 1994, houdende
regelen met betrekking tot de vaartijden en bemanningssterkte
binnenvaart (Stcrt. 1994, 248) wordt ingetrokken.
Artikel 16
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 1 juli 2002.
Artikel 17
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaartijden en
bemanningssterkte binnenvaart.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Roelf H. de Boer.
|
|
|