| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet verbetering
rechtspositie verzetsmilitairen
BESLUIT
PROCEDURE GENEESKUNDIG ONDERZOEK
VERZETSMILITAIREN EN ONDERGEDOKEN MILITAIREN
Tekst zoals deze geldt op
16 juli 2008
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 25 augustus 1979, houdende vaststelling
van de procedure voor het geneeskundig onderzoek ten aanzien van
verzetsmilitairen en ondergedoken militairen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Defensie, C.L.J. van Lent, van 27
februari 1979, afdeling pensioenen en wachtgelden, nr. P.130087/11-T;
Overwegende dat het wenselijk is het
geneeskundig onderzoek, waaraan de verzetsmilitair en de ondergedoken
militair in de zin van de Wet verbetering rechtspositie
verzetsmilitairen (Stb. 1976, 19) onderworpen dienen te worden in
geval van ziekten of gebreken, te doen plaatsvinden op een wijze die
nauw aansluit bij de wijze waarop het geneeskundig onderzoek bij de
uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1977,
493) geschiedt;
Gelet op de artikelen 3 en 8 van de Wet
verbetering rechtspositie verzetsmilitairen, alsmede op artikel T 1 van
de Algemene militaire pensioenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 28 maart
1979, nr. 9);
Gezien het nader rapport van de voornoemde
Staatssecretaris van Defensie van 20 augustus 1979, afdeling Pensioenen
en Wachtgelden, nr. 456.009/4 W;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. "de wet": de Wet verbetering rechtspositie
verzetsmilitairen;
b. "pensioenwet": de Algemene militaire pensioenwet;
c. "Onze Minister": Onze Minister van Defensie;
d. "betrokkene": de verzetsmilitair dan wel de
ondergedoken militair, zoals bedoeld in de Wet verbetering
rechtspositie verzetsmilitairen;
e. "geneeskundige autoriteit": de Directeur Militair
Geneeskundige Diensten;
f. "geneeskundig onderzoek": een geneeskundig onderzoek
naar het ontstaan, tot uiting komen of verergeren, de aard en de
gevolgen van verwonding, verminking, ziekten, of gebreken alsmede
zonodig naar het bestaan en de mate van arbeidsongeschiktheid in de
zin van artikel E 6, tweede lid, van de pensioenwet;
g. "de arts": de door de geneeskundige autoriteit aan
te wijzen arts, die het onderzoek leidt;
h. "de gekozen arts": de door de geneeskundige
autoriteit aan te wijzen, door de betrokkene gekozen, arts, die het
geneeskundig onderzoek bijwoont en de onder g bedoelde arts van
advies dient.
Artikel 2
1. Het geneeskundig onderzoek geschiedt door een door de
geneeskundige autoriteit aan te wijzen arts.
2. Op aanvraag van de betrokkene wijst de geneeskundige
autoriteit bovendien een andere, door de betrokkene gekozen arts aan,
die het onderzoek bijwoont en de in het vorig lid bedoelde arts
schriftelijk van advies dient.
3. Van de aanvraag kan een omschrijving van de omstandigheden,
waaronder de verwonding of verminking of de ziekten of gebreken naar
zijn mening zijn ontstaan, alsmede een omschrijving van de nadelige
gevolgen, welke hij daarvan ondervindt, worden verlangd, zo mogelijk
gestaafd door bewijsstukken.
Artikel 3
Indien de arts het voor het uitbrengen van zijn rapport nodig acht
dat inlichtingen over de betrokkene of over de omstandigheden bedoeld in
artikel 2, derde lid, worden ingewonnen en te zijner beschikking
gesteld, zorgt Onze Minister dat hieraan zoveel mogelijk wordt voldaan.
Artikel 4
1. De arts brengt zo spoedig mogelijk een met redenen omkleed
rapport uit, waarin tenminste het volgende is opgenomen:
a. een nauwkeurige omschrijving van de bij de onderzochte
waargenomen verwonding, verminking, ziekten of gebreken, alsmede van
de daardoor veroorzaakte stoornissen en bezwaren;
b. omstandige mededelingen omtrent het ontstaan van de verwonding,
verminking, ziekten of gebreken, zowel wat door of vanwege derden
dienaangaande wordt verklaard als wat de betrokkene heeft aangevoerd;
c. beschouwingen omtrent het verband, dat op medische gronden al
dan niet geacht kan worden te bestaan tussen de aangegeven oorzaken en
de waargenomen verwonding, verminking, ziekten of gebreken;
d. een beschouwing omtrent de vraag of op geneeskundige gronden een
andere wijze van het ontstaan der verwonding, verminking, ziekten of
gebreken aannemelijker is te achten dan die, welke in de overgelegde
verklaringen is aangegeven;
e. een beschouwing omtrent de vraag of de bij de onderzochte
geconstateerde verwonding, verminking, ziekten of gebreken zijn aan te
merken als verwonding, ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel E
11 van de pensioenwet, daarbij rekening houdend met het bepaalde in
artikel 3 van de wet; de beschouwing dient een zo uitvoerig mogelijke
motivering van het ingenomen medische standpunt te bevatten;
f. indien de onder e. bedoelde vraag bevestigend wordt
beantwoord, vermelding van het zo nauwkeurig mogelijk vastgestelde
tijdstip, waarop de geconstateerde verwonding, verminking, ziekten of
gebreken zijn opgelopen;
g. ingeval een verwonding, verminking, ziekten of gebreken, waarvan
de onderzochte aanvankelijk hersteld leek te zijn, zich opnieuw hebben
geopenbaard, een beschouwing omtrent de oorzaken daarvan;
h. de mate van invaliditeit, vastgesteld met inachtneming van de
artikelen T 2 en T 3 van de pensioenwet, tenzij de invaliditeit minder
bedraagt dan tien procent, in welk geval met vermelding daarvan kan
worden volstaan;
i. de termijn, binnen welke verandering van de mate van
invaliditeit niet aannemelijk wordt geacht;
j. het al dan niet aanwezig zijn van een der in artikel E 8 of E 9
van de pensioenwet aangegeven omstandigheden.
2. Bij zijn rapport legt de arts de stukken over waarvan voor het
opmaken van het rapport gebruik is gemaakt, desgewenst in gewaarmerkt
afschrift, waaronder, indien aanwezig, het schriftelijk advies van de
gekozen arts, alsmede de omschrijving van de betrokkene, zoals bedoeld
in artikel 2, derde lid.
Artikel 5
1. De arts zendt het rapport aan de geneeskundige autoriteit.
2. De geneeskundige autoriteit is bevoegd de arts op te dragen
het rapport met door hem verlangde gegevens aan te vullen, zonodig na
een op zijn last voortgezet onderzoek.
3. De geneeskundige autoriteit zendt, indien hij van oordeel is
dat het rapport voldoende gegevens bevat, aan Onze Minister een
uittreksel uit het rapport, na dit te hebben voorzien van zijn visum en
van opmerkingen die hij nodig oordeelt.
4. Onze Minister is bevoegd:
a. het uittreksel uit het rapport, indien het naar zijn oordeel
onvoldoende of onvolledige gegevens bevat, te doen aanvullen, zonodig
na een door de arts voortgezet onderzoek;
b. zich in bijzondere gevallen het rapport met de stukken genoemd
in artikel 4, tweede lid, te doen toezenden, zulks onder gehoudenheid
de functionarissen aan te wijzen, die bij uitsluiting bevoegd zijn van
een volledig rapport kennis te nemen.
5. Het uittreksel uit het rapport bevat de gegevens, als bedoeld
in artikel 4, eerste lid, een en ander met weglating van eventuele
medische gegevens.
Artikel 6
1. Onze Minister is bevoegd over het volledige rapport van de
arts, nadat dit door de geneeskundige autoriteit is voorzien van zijn
visum, een schriftelijk oordeel van één of meer andere deskundigen
te vragen. Deze is/zijn gehouden de gekozen arts, indien betrokken bij
het geneeskundig onderzoek, te horen. Wijkt het inzicht van deze
deskundige(n) af van dat van de geneeskundige autoriteit, dan wordt
van het door de deskundige(n) uitgebracht schriftelijk oordeel geen
gebruik gemaakt dan nadat de geneeskundige autoriteit tegenover Onze
Minister zijn standpunt nader schriftelijk heeft kunnen verdedigen.
2. Onze Minister is voorts bevoegd de betrokkene met diens
instemming nogmaals geneeskundig te doen onderzoeken dan wel voor de
tijd van ten hoogste drie maanden in een inrichting ter observatie te
doen opnemen.
3. Het in artikel 5, vijfde lid, bepaalde is van overeenkomstige
toepassing op het door de deskundige(n) uitgebrachte schriftelijk
oordeel, als bedoeld in artikel 6, eerste lid.
Artikel 7
1. Onze Minister van Defensie kan nadere regels vaststellen met
betrekking tot de uitvoering van dit besluit.
2. Van de bevoegdheid tot het vaststellen van ministeriële
regelingen als bedoeld in het eerste lid kan mandaat worden verleend aan
de hoofddirecteur personeel van het Ministerie van Defensie.
Artikel 8
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit procedure geneeskundig
onderzoek verzetsmilitairen en ondergedoken militairen.
Artikel 9
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na datum
van afgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
Porto Ercole, 25 augustus 1979
JULIANA
De Staatssecretaris van Defensie,
C.L.J. van Lent
Uitgegeven de zevenentwintigste september 1979
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
|
|
|