St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet verontreiniging oppervlaktewateren (WVOW of Wvo)

 

UITVOERINGSBESLUIT  ARTIKEL  1,  DERDE  LID,  WET  VERONTREINIGING  OPPERVLAKTEWATEREN

Tekst zoals deze geldt op 24 juli 2009

Vervallen m.i.v. 22 december 2009

 

  
 

 

 
BESLUIT van 28 november 1974 ter uitvoering van artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 oktober 1974, nr. HW/RWS 70183, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Waterstaatsrecht, gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne;
     Gelet op artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 1969, 536);
     Gezien het advies van de Raad van de Waterstaat van 29 augustus 1974;
     De Raad van State gehoord (advies van 13 november 1974, nr. 24);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 22 november 1974, nr. HW/RWS 79359, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Waterstaatsrecht, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Artikel 1

1. In dit besluit wordt verstaan onder:

a. de Wet: de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 1969, 536);

b. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

2. Voor de toepassing van dit besluit worden onder vaartuigen mede verstaan:

a. drijvende werktuigen zoals baggerwerktuigen, zandzuigers, kranen, bokken en elevators;

b. installaties, opgericht op de bodem van de territoriale zee;

c. luchtkussenvaartuigen.

 

Artikel 2

1. Dit besluit is van toepassing met betrekking tot oppervlaktewateren met inbegrip van de territoriale zee.

2. Dit besluit is niet van toepassing op:

a. gedragingen waaromtrent voorschriften zijn gesteld bij of krachtens de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Stb. 1983, 683), de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, met uitzondering van agrarische activiteiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en de Wet verontreiniging zeewater (Stb. 1975, 352);

b. het lozen door of van vaartuigen of luchtvaartuigen in de territoriale zee van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, voorzover die handeling samenhangt met of voortvloeit uit het normale gebruik van het vaartuig of luchtvaartuig, mits dat gebruik niet ten doel heeft het lozen van dergelijke stoffen.

 

Artikel 3

1. Het is verboden een volgens het tweede lid aangewezen stof, die behoort tot de in de bijlage van dit besluit opgenomen afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, op welke wijze ook, in enig oppervlaktewater te brengen.

2. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Raad van de Waterstaat gehoord.

3. Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot stoffen, die slechts als sporen in andere stoffen voorkomen en die daaraan niet zijn toegevoegd om te zamen met die andere stoffen in enig oppervlaktewater te worden gebracht. Bij het in het tweede lid bedoelde besluit kan worden aangegeven welke concentraties of hoeveelheden per tijdseenheid van de aangewezen stof gelden als sporen.

 

Artikel 3a

Het is verboden toiletwater afkomstig van pleziervaartuigen als bedoeld in de Wet pleziervaartuigen in enig oppervlaktewater te brengen.

 

Artikel 4

1. Onverminderd de artikelen 3 en 3a is het verboden zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in enig oppervlaktewater te brengen, onder meer

a. door deze daarin te storten;

b. door deze onder het wateroppervlak uit te pompen, weg te pompen of te doen of te laten afvloeien;

c. door deze te storten, neder te leggen, te laten liggen, of te doen of te laten afvloeien op duinen, stranden, kwelders, slikken, kaden, bruggen, vlonders, aanlegsteigers, dijken, oevers of in het winterbed van enig oppervlaktewater;

d. bij het laden, lossen of overladen daarvan;

e. bij het uit- of inwendig reinigen van enig voertuig, vaartuig of luchtvaartuig.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen in enig oppervlaktewater van:

a. huishoudelijk afvalwater vanaf vaartuigen, tenzij die uit hoofde van hun feitelijke bestemming plaatsgebonden zijn;

b. ammoniak door depositie daarvan, die veroorzaakt kan worden door een veehouderij als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wet ammoniak en veehouderij.

3. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van gedragingen waaromtrent voorschriften zijn gesteld in het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart.

 

Artikel 5

1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn van toepassing op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om verlening of wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 4, eerste lid.

2. In afwijking van het eerste lid zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing, indien de beschikking betrekking heeft op afvalwater van huishoudelijke aard, waarvan de vervuilingswaarde geringer is dan honderd inwonerequivalenten, tenzij dat afvalwater wordt gebracht in een oppervlaktewater, aangewezen bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet.

3. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bepalen dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer buiten toepassing blijven indien de aanvraag betrekking heeft op afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen waarvan door een ongewoon voorval de afvoer op korte termijn nodig is.

 

Artikel 6

1. Dit besluit kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

2. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende bijlage en nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

 

Soestdijk, 28 november 1974

 

JULIANA

 

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Westerterp

De Minister van Volksgezondheid en milieuhygiëne,
I. Vorrink

 

Uitgegeven de negenentwintigste november 1974
De Minister van Justitie
Van Agt

 

 

Bijlage van het Koninklijk besluit van 28 november 1974 (Stb. 709), houdende vaststelling van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

 

Afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, zijn:

1. Organische halogeenverbindingen.

2. Organische siliciumverbindingen.

3. Geur- en smaakstoffen.

4. Minerale oliën.

5. Antimoon, arsenicum, barium, beryllium, borium, cadmium, chroom, cobalt, koper, kwikzilver, lood, molybdeen, nikkel, selenium, tin, titanium, uranium, vanadium, zilver, zink en verbindingen van deze elementen.

6. Cyaanwaterstofzuur, fluorwaterstofzuur, alsmede de van deze zuren afgeleide zouten.

7. Elementair fosfor.

8. Stoffen die kankerverwekkend zijn en stoffen waarvan in redelijkheid verwacht mag worden dat zij kankerverwekkende eigenschappen hebben.

9. Biociden voorzover deze niet reeds onder de hiervoor genoemde stoffen vallen.

10. Persistente door de mens gesynthetiseerde verbindingen, voorzover niet reeds onder voorgaande genoemd.

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wvo | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x