|
BESLUIT van 5 november 1970 ter uitvoering van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren met betrekking tot oppervlaktewateren
onder beheer van het Rijk en de volle zee
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 augustus
1970, nr. RWW/A 41765, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling
Waterstaatsrecht, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid;
De Raad van de Waterstaat gehoord;
Gelet op de artikelen 3, tweede lid, 4, eerste
en tweede lid, 17, eerste lid, 18, tweede lid, 19, tweede en vierde lid,
20, tweede lid, en 22, eerste lid, van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren;
De Raad van State gehoord (advies van 2
september 1970, nr. 18);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 30 oktober 1970, nr. HW/RWW 66641;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
Dit besluit is van toepassing op:
a. oppervlaktewateren in beheer bij het Rijk, met inbegrip van
met deze wateren in open verbinding staande wateren, welke zijn
aangewezen bij het Besluit aanwijzing zijwateren van hoofdwateren en
van met de eerstbedoelde wateren in open verbinding staande havens
welke bij anderen dan het Rijk in beheer zijn;
b. het gedeelte van de volle zee, binnen de door Ons ingevolge
artikel 1, vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
bepaalde afstand uit de kust.
Artikel 2
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. de Wet: de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
c. rijkswateren: de in artikel 1 bedoelde oppervlaktewateren;
d. de volle zee: het gedeelte van de volle zee, bedoeld in artikel
1, onder b;
e. hoofdingenieur-directeur: de hoofdingenieur-directeur van de
Rijkswaterstaat, onder wie de wateren ressorteren;
f. vergunning: een vergunning, als bedoeld in artikel 1, eerste,
derde of vierde lid, van de Wet.
Artikel 3
Bij dit besluit behoort de volgende bijlage;
Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
berekening.
Hoofdstuk 2. Regeling van bevoegdheid
Artikel 4 [Vervallen per 23-05-2007]
Artikel 5
Na verkregen overeenstemming met dat bestuur kan Onze Minister de
bevoegdheid tot het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een
vergunning ten aanzien van een haven, die in open verbinding staat met
een rijkswater, geheel of gedeeltelijk toekennen aan het bestuur van het
openbaar lichaam, dat de haven beheert.
Hoofdstuk 3. De vergunning en de verklaring van ongenoegzaamheid
Artikel 6
De aanvrage tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning
tot het brengen van afvalstoffen, of van verontreinigende of schadelijke
stoffen in rijkswateren of in volle zee wordt gericht aan Onze Minister,
doch ingediend bij de hoofdingenieur-directeur.
Artikel 7
1. In of bij de aanvraag tot verlening of wijziging van een
vergunning tot het brengen van afvalstoffen, verontreinigende of
schadelijke stoffen in rijkswateren of de volle zee worden ten minste
de volgende gegevens verstrekt:
a. een globale omschrijving van de lozing, waarbij in ieder
geval wordt vermeld of de lozing continu dan wel discontinu
plaatsvindt, met welke regelmaat lozingen of deellozingen
plaatsvinden, de wijze waarop de lozing plaatsvindt en de
activiteiten waaruit de lozing voortkomt;
b. een aanduiding van de plaats van de lozing met toelichtende
tekening;
c. een karakterisering naar aard, samenstelling, eigenschappen,
hoeveelheid en herkomst van de afvalstoffen, verontreinigende of
schadelijke stoffen;
d. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die
zijn of worden getroffen om de lozing te voorkomen of te beperken,
met toelichtende tekening, alsmede de maatregelen die voor dat
doel worden getroffen bij definitieve stopzetting van de
activiteiten en
e. een opgave van de periode waarvoor een vergunning wordt
gevraagd.
2. Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid betrekking
heeft op een lozing afkomstig van een bedrijf, worden naast de in het
eerste lid bedoelde gegevens, in ieder geval de volgende gegevens
verstrekt:
a. een omschrijving van de aard van het bedrijf en de aard en
omvang van de activiteiten die daar plaatsvinden;
b. een processchema van de opzet en een beschrijving van de
capaciteit van elke installatie waardoor of waarin processen
plaatsvinden die leiden of kunnen leiden tot het in
oppervlaktewater brengen van afvalstoffen, verontreinigende of
schadelijke stoffen, waarbij wordt aangegeven welke afvalstoffen,
verontreinigende of schadelijke stoffen waar en in welke mate
vrijkomen;
c. een rioleringstekening;
d. een beschrijving van de aard, samenstelling, eigenschappen,
de hoeveelheid en de locatie binnen het bedrijf van de
grondstoffen, hulpstoffen, tussenprodukten en eindprodukten die
naar redelijke verwachting binnen het bedrijf aanwezig kunnen
zijn, voorzover deze, al dan niet rechtstreeks, in het
oppervlaktewater kunnen geraken;
e. een beschrijving van de aard en omvang van de belasting van
het oppervlaktewater ten gevolge van de lozing, daaronder begrepen
een overzicht van de belangrijke nadelige effecten op het
watermilieu;
f. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen
betreffende het voorkomen of beperken van lozing van afvalstoffen
door het hergebruiken of nuttig toepassen dan wel het geschikt
maken voor hergebruik of nuttige toepassing van zodanige stoffen;
g. een opgave van de redelijkerwijs mogelijk te achten
hoeveelheid en hoedanigheid van de afvalstoffen, verontreinigende
of schadelijke stoffen die tengevolge van een ongewoon voorval in
het oppervlaktewater kunnen geraken alsmede een beschrijving van
de maatregelen om dit zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te
beperken;
h. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt
vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing
wordt gerapporteerd;
i. een opgave van de voor de aanvrager redelijkerwijs te
verwachten ontwikkelingen met betrekking tot de lozing die voor de
beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn en
j. een niet-technische samenvatting van de in dit lid, alsmede
de in het eerste lid bedoelde gegevens.
3. Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid betrekking
heeft op een werk waarop een of meer andere werken zijn aangesloten,
worden naast de in het eerste en het tweede lid bedoelde gegevens in
ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. een beschrijving van het verzorgingsgebied dat op het werk
is aangesloten en
b. voorzover de aanvraag betrekking heeft op een rioolstelsel:
de technische gegevens van dat rioolstelsel.
4. Voor zover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de
aanvraag, verstrekt de aanvrager op verzoek van de
hoofdingenieur-directeur bij de aanvraag nadere gegevens.
Artikel 7a
De in artikel 6 bedoelde aanvraag, alsmede de in artikel 7 bedoelde
gegevens worden in tienvoud of, indien een beschikking wordt aangevraagd
met betrekking tot de totstandkoming waarvan afdeling 13.2 van de Wet
milieubeheer niet van toepassing is verklaard, in drievoud, verstrekt.
Artikel 8
Van een beschikking tot verlening, wijziging of intrekking van een
vergunning wordt door het gezag dat deze beschikking geeft afschrift
gezonden aan het hoofd.
Artikel 8a
Indien de exploitatie van een installatie, van waaruit de lozing
waarvoor vergunning wordt aangevraagd plaatsvindt, belangrijke nadelige
gevolgen voor het milieu in een andere lidstaat van de Europese Unie kan
veroorzaken, dan wel indien een andere lidstaat van de Europese Unie die
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu van de exploitatie van een
installatie kan ondervinden daarom verzoekt, verstrekt de
hoofdingenieur-directeur een afschrift van de aanvraag met de daarbij
behorende stukken aan de betreffende lidstaat op het tijdstip waarop
daarvan in Nederland kennis wordt gegeven dan wel de aanvraag met de
daarbij behorende stukken in Nederland ter inzage wordt gelegd.
Artikel 9
1. Indien door natuurlijke afstroming of op kunstmatige wijze uit
een oppervlaktewater verontreinigd of schadelijk water wordt geloosd
in de rijkswateren, verstrekt het bestuur van het openbaar lichaam dat
belast is met de zorg voor de goede hoedanigheid van dat
oppervlaktewater aan de hoofdingenieur-directeur op diens verzoek, in
viervoud, alle gegevens welke kunnen dienen voor de beoordeling van de
hoeveelheid en van de hoedanigheid van het verontreinigde water dat in
de rijkswateren wordt gebracht.
2. De hoofdingenieur-directeur zendt de in het eerste lid bedoelde
gegevens om advies aan de hoofdingenieur-directeur van het
rijksinstituut voor zuivering van afvalwater.
Hoofdstuk 4. Heffingen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-1990]
Artikel 10a [Vervallen per 09-01-2002]
Artikel 10b [Vervallen per 09-01-2002]
Artikel 11 [Vervallen per 09-01-2002]
Artikel 12 [Vervallen per 09-01-2002]
Artikel 13
1. De vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten of onderdelen van een
bedrijfsruimte wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering
en analyse verkregen gegevens. De berekening geschiedt met
inachtneming van de in bijlage I, onderdeel C, van dit besluit
opgenomen voorschriften. De meting, bemonstering en analyse geschieden
zodanig dat;
a. de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt
van de werkelijke hoeveelheid afvalwater;
b. het verkregen monster representatief is voor de totale
hoeveelheid afvalstoffen die gedurende de bemonsteringsperiode
vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in rijkswateren wordt
gebracht;
c. de in bijlage I, onderdelen A en B, van dit besluit
opgenomen voorschriften in acht genomen worden.
2. Het hoofd:
a. kan, voorzover noodzakelijk ter voldoening aan het bepaalde
in het eerste lid, onderdelen a en b, ambtshalve bepalen dat
meting en bemonstering geschieden in afwijking van één of meer
van de in bijlage I, onderdelen A en B van dit besluit opgenomen
voorschriften en kan daaromtrent nadere voorschriften geven.
b. beslist op aanvraag van de heffingplichtige, die aannemelijk
maakt dat daardoor voldaan wordt aan het bepaalde in het eerste
lid, onderdelen a en b, en de uitkomsten van de analyse daardoor
niet worden beïnvloed, dat van één of meer van de in bijlage I,
onderdelen A en B, van dit besluit opgenomen voorschriften, kan
worden afgeweken en kan daaromtrent nadere voorschriften geven.
3. a. De beslissing van het hoofd, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel a, bevat in elk geval:
a. de voorschriften van bijlage I, onderdelen A en B, waarvan
moet worden afgeweken;
b. de voorgeschreven afwijkingen van de in bijlage I,
onderdelen A en B, opgenomen voorschriften;
c. nadere voorschriften van het hoofd;
d. het heffingsjaar of de heffingsjaren ten aanzien waarvan die
beschikking van toepassing is.
b. De beslissing van het hoofd op een aanvraag als bedoeld in
het tweede lid, onderdeel b, bevat in elk geval:
a. de voorschriften van bijlage I, onderdelen A en B
waarvan mag worden afgeweken;
b. de toegestane afwijkingen van de in bijlage I,
onderdelen A en B, opgenomen voorschriften;
c. nadere voorschriften van het hoofd;
d. het heffingsjaar of de heffingsjaren ten aanzien waarvan
die beschikking van toepassing is.
4. Het hoofd neemt zijn beslissingen, bedoeld in het tweede lid,
bij voor bezwaar vatbare beschikking. Het hoofd is bevoegd twee of
meer van de op basis van het tweede lid genomen beschikkingen, die
betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel,
in één geschrift te verenigen.
5. De heffingplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering
met een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor
aanvang van het heffingsjaar, ter kennis aan het hoofd.
6. Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde
vervuilingswaarde geschieden meting, bemonstering en analyse door de
heffingplichtige ieder etmaal van het heffingsjaar met betrekking tot
alle in de heffing betrokken stoffen.
7. [Vervallen.]
8. Het hoofd beslist op de aanvraag, bedoeld in artikel 20, vierde
lid van de Wet, bij voor bezwaar vatbare beschikking. In zijn
beschikking geeft het hoofd in ieder geval voorschriften met
betrekking tot:
a. de afvalstromen en de stoffen waarop de beschikking
betrekking heeft;
b. het aantal in het heffingsjaar gelegen, daartoe aangewezen
tijdvakken waarin meting, bemonstering en analyse dienen te
geschieden, hetzij ieder etmaal van dat aantal tijdvakken, hetzij
een of meer daartoe aangewezen etmalen daarvan;
c. de wijze waarop de op de voet van de onderdelen a en b
verkregen uitkomsten worden herleid tot het aantal
vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak,
onderscheidenlijk over het heffingsjaar;
d. het heffingsjaar of de heffingsjaren, ten aanzien waarvan
die beschikking van toepassing is.
9. Het hoofd kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen
in de hoeveelheid of hoedanigheid van de stoffen, die vanuit een
bedrijf of een bedrijfsonderdeel in rijkswateren worden gebracht;
a. de desbetreffende beschikkingen, bedoeld in het vierde lid,
wijzigen of intrekken, in verband met het bepaalde in het eerste
lid, onderdelen a tot en met c;
b. de desbetreffende beschikking, bedoeld in het achtste lid,
wijzigen indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van
onderdeel C van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen,
bedoeld in het achtste lid, onderdeel b, dan in die beschikking is
opgenomen.
10. Het hoofd neemt de in het negende lid bedoelde beslissingen bij
voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 15 [Vervallen per 09-01-2002]
Artikel 15a
Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
zuurstofverbruik wordt berekend op basis van artikel 22 van de Wet dient
de heffingplichtige een administratie te voeren zodanig dat daaruit de
gegevens met betrekking tot de hoeveelheid ingenomen water duidelijk
blijken.
Artikel 15b [Vervallen per 09-01-2002]
Artikel 15c [Vervallen per 09-01-2002]
Artikel 15d
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. het beoordelingsjaar: het jaar volgend op het jaar waarin de
maatregelen ten aanzien van de bestrijding van de verontreiniging
met de stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel
en zink, zijn voltooid;
b. het vergelijkingsjaar: het jaar dat drie jaren voor het
beoordelingsjaar is gelegen.
2. Indien een heffingplichtige in het jaar 1995, 1996, 1997 of 1998
ten aanzien van de bestrijding van de verontreiniging met de stoffen,
genoemd in artikel 10b , maatregelen treft, welke in het
beoordelingsjaar leiden tot een afname van de verontreiniging van
rijkswateren met die stoffen van ten minste 25% ten opzichte van het
vergelijkingsjaar, vindt op diens verzoek een vermindering plaats van
de belastingaanslagen met betrekking tot de lozing van bedoelde
stoffen over het vergelijkingsjaar en de hierop volgende twee
heffingsjaren.
3. De in het tweede lid bedoelde vermindering is gelijk aan het
percentage dat wordt verkregen volgens de formule:
[Illustratie Verwijderd]
waarbij
A = het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen
arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink van de
heffingplichtige in het vergelijkingsjaar;
B = het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen
arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink van de
heffingplichtige in het beoordelingsjaar;
C = het aantal geproduceerde eenheden in het vergelijkingsjaar;
D = het aantal geproduceerde eenheden in het beoordelingsjaar.
4. Het hoofd verleent de in het tweede lid bedoelde vermindering
van de belastingaanslagen bij voor bezwaar vatbare beschikking.
5. In afwijking in zoverre van artikel 28, eerste lid, van de
Invorderingswet 1990, wordt geen invorderingsrente in rekening
gebracht voor zover de heffingplichtige uitstel van betaling is
verleend met betrekking tot het deel van de belastingaanslagen dat
overeenkomt met het vermoedelijk beloop van de vermindering, bedoeld
in het tweede lid.
6. Dit artikel blijft buiten toepassing met betrekking tot de
verontreiniging van rijkswateren welke is ontstaan door het brengen
van die stoffen in rijkswateren vanuit een inrichting, in gebruik bij
een openbaar lichaam voor het biologisch zuiveren van huishoudelijk
afvalwater.
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 16a [Vervallen per 01-01-1984]
Artikel 17 [Vervallen per 30-03-1978]
§ 2. Heffing en invordering
Artikel 18
Er is een bureau verontreinigingsheffing rijkswateren. Het bureau is
geplaatst onder het gezag van de Directeur-Generaal van de
Rijkswaterstaat.
Artikel 19 [Vervallen per 09-01-2002]
Artikel 20 [Vervallen per 09-01-2002]
Artikel 21 [Vervallen per 09-01-2002]
Artikel 22 [Vervallen per 09-01-2002]
Artikel 23 [Vervallen per 09-01-2002]
Artikel 24 [Vervallen per 30-03-1978]
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 25
Dit besluit kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbesluit
verontreiniging rijkswateren.
Artikel 26
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren (Stb. 1969, 536) in werking treedt. De
verontreinigingsheffing rijkswateren wordt geheven en ingevorderd met
ingang van 1 januari 1971.
Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk met
de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad
van State en de Algemene Rekenkamer.
Soestdijk, 5 november 1970
JULIANA
De Minister van Verkeer en
Waterstaat,
J.A. Bakker
Uitgegeven de vierentwintigste
november 1970
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
Bijlage I, als bedoeld in Uitvoeringsbesluit
verontreiniging rijkswateren
Definitiebepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
a. etmaal: de aaneengesloten periode van 24
uur waarover een etmaalverzamelmonster wordt samengesteld;
b. debiet: de hoeveelheid geloosd afvalwater
gedurende het etmaal;
c. momentaan debiet: de hoeveelheid geloosd
afvalwater gedurende een moment van meting;
d. kalibreren: bepalen van de waarde van de
afwijkingen ten opzichte van een van toepassing zijnde standaard;
e. droog kalibreren: kalibreren van een
debietmeter waarbij een doorstroming van een hoeveelheid water door
de debietmeter wordt gesimuleerd;
f. nat kalibreren: kalibreren van een
debietmeter waarbij daadwerkelijk een nauwkeurig bekende hoeveelheid
vloeistof door de debietmeter wordt geleid;
g. gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het
debiet meet in een gesloten leiding of in een gesloten drukleiding,
waarbij het afvalwater niet in contact staat met de buitenlucht;
h. open meetsysteem: meetsysteem waarbij het
oppervlak van het stromende afvalwater in contact staat met de
buitenlucht;
i. bewaartermijn: de periode tussen het einde
van het etmaal en het begin van de voorbehandeling ten behoeve van
de uitvoering van de analyse;
j. bepalingsgrens: 10 x de standaarddeviatie
die gevonden wordt indien een blancometing 10 keer wordt uitgevoerd.
A. Wijze van meting, bemonstering en
monsterbehandeling
Paragraaf 1. Algemeen
De meet- en bemonsteringsvoorzieningen dienen in
een goede staat te verkeren, regelmatig te worden schoongemaakt en
moeten altijd goed en veilig toegankelijk zijn. De meet-en
bemonsteringsvoorzieningen moeten overeenkomstig de voorschriften van de
leverancier geïnstalleerd en onderhouden worden. De
bemonsteringsvoorzieningen dienen te zijn ondergebracht in een
afsluitbare (kast-)ruimte. Een afvalwaterstroom kan zowel in een open
als in een gesloten meetsysteem worden gemeten en bemonsterd.
In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de meting
en in paragraaf 3 op de bemonstering.
In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op de
behandeling van het samengestelde etmaalverzamelmonster.
Paragraaf 2. Meting
De meting betreft het debiet. Het debiet moet in
de afvalwaterstroom worden gemeten. In de plaats daarvan kan het debiet
worden bepaald op basis van meting van de hoeveelheid water in het
watertoevoersysteem van het bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. In het
laatstbedoelde geval mag de per etmaal afgevoerde hoeveelheid afvalwater
niet groter zijn dan de in dezelfde periode toegevoerde hoeveelheid
water.
2.1. Open meetsystemen
Bij open meetsystemen moet een meetput of een
meetgoot worden toegepast.
Bij toepassing van een meetput gelden de volgende
eisen;
1. De momentane debieten in het etmaal,
gemeten bij overstorthoogten van minder dan 0,05 meter, moeten
gesommeerd minder dan 5% van het gemeten debiet bedragen;
2. De momentane debieten in het etmaal,
gemeten bij overstorthoogten van minder dan 0,125 meter, moeten
gesommeerd minder dan 10% van het gemeten debiet bedragen.
Bij toepassing van een meetgoot moeten de
momentane debieten in het etmaal, van minder dan 16,4% van het maximaal
mogelijk momentane debiet, gesommeerd, minder dan 10% van het gemeten
debiet bedragen.
De apparatuur voor de hoogtemeting moet minimaal
éénmaal per jaar bij overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25
centimeter droog gekalibreerd worden. In het kalibratierapport dient
voor elke overstorthoogte een vergelijking te worden gemaakt tussen de
gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het kalibreren,
en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de
afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater
over de periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het
procentuele verschil moet hierbij worden aangegeven. Bij ultrasone
hoogtemeting dient ook de temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie
te worden gecontroleerd en te worden gecorrigeerd bij afwijking.
2.2. Gesloten meetsystemen
De momentane debieten in het etmaal, van minder
dan 10% van het maximaal mogelijk momentaan debiet, moeten gesommeerd
minder dan 5% van het gemeten debiet bedragen.
Meetapparatuur voor debietmetingen dient ten
minste éénmaal per jaar droog te worden gekalibreerd.
Het droog kalibreren dient minimaal te bestaan
uit:
– het controleren van de meetversterker en
het registeren en corrigeren van afwijkingen. De meetversterker
dient te worden gecontroleerd op lineariteit, versterkingsfactor en
nulpuntsinstelling;
– het uitbouwen van de flowmeter en het
controleren van de binnenkant van de meetbuis op vervuiling. De in
de meetbuis aanwezige vervuiling moet daarbij worden verwijderd.
De meetapparatuur dient na 1 januari 1998
tenminste éénmaal per vijf jaar nat gekalibreerd te worden in
ingebouwde toestand.
Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur moet
de natte kalibratie in ingebouwde toestand plaatsvinden op een door het
Nederlands Meetinstituut of een daarmee vergelijkbare instelling
gecertificeerde installatie.
Van een debietmeter moet het meest recente
kalibratierapport overgelegd kunnen worden.
Paragraaf 3. Bemonstering
3.1. Algemeen, Instelling en Uitvoering van
Apparatuur
De bemonstering dient plaats te vinden met behulp
van automatische monstername-apparatuur.
Het bemonsteringsinterval moet zodanig ingesteld
worden dat een etmaalverzamelmonster wordt verkregen dat bestaat uit ten
minste 100 deelmonsters. Het volume per deelmonster wordt zodanig
ingesteld dat de herhaalbaarheid maximaal 5% van het ingestelde volume
bedraagt. Bij vacuümmonstername-apparatuur moet het volume per
deelmonster minimaal 50 milliliter bedragen. Bij `in-line'bemonstering
bedraagt het volume per deelmonster minimaal 20 milliliter en dient een
etmaalverzamelmonster te worden verkregen dat in plaats van tenminste
uit 100 deelmonsters bestaat uit ten minste 250 deelmonsters.
Het monsterverzamelvat moet een zodanige inhoud
hebben dat het vat gedurende het etmaal niet overloopt.
Zowel het monsterverzamelvat als andere onderdelen
van de monstername-apparatuur die met het afvalwater in aanraking komen,
moeten zijn gemaakt van gemakkelijk te reinigen, inert materiaal, dat de
uit te voeren analyse niet beïnvloedt. Het monsterverzamelvat moet
gemakkelijk uitgenomen kunnen worden en moet zijn uitgevoerd als emmer
of als vat met een wijde hals zodat met een monsterschep gemakkelijk kan
worden geroerd en geschept. Tijdens het etmaal moet het
monsterverzamelvat afgesloten zijn met een goed afsluitende deksel.
3.2. Open meetsystemen
Het aanzuigpunt moet zich zo dicht mogelijk
stroomafwaarts van de obstructie bevinden. Op het aanzuigpunt dient het
afvalwater turbulent te stromen.
Bij gebruik van vacuümmonstername-apparatuur moet
de aanzuigleiding zo kort mogelijk en onder afschot gelegd zijn. De
aanzuigleiding dient beschermd te zijn tegen bevriezing en direct
zonlicht. In de aanzuigleiding mogen zich geen knikken of overbodige
bochten bevinden. Het aanzuigpunt moet zich onder het vloeistofoppervlak
bevinden.
De diameter van alle doorstroomde delen van de
monstername-apparatuur van het aanzuigpunt tot het punt waar het monster
wordt afgeleverd in het monsterverzamelvat dient minimaal 13 millimeter
te bedragen. Bij gebruik van vacuümmonstername-apparatuur moet de
gemiddelde aanzuigsnelheid minimaal 0,3 meter per seconde bedragen.
Bij het afvoeren van het deelmonster naar het
monsterverzamelvat dient voorkomen te worden dat het monster wordt
belucht.
3.3. Gesloten meetsystemen
Bij bemonstering met behulp van «in-line»-monstername-apparatuur
mag het bemonsteringspunt zich niet in een bocht of een vernauwing in de
leiding bevinden. Indien het te bemonsteren afvalwater wordt afgevoerd
met behulp van een pomp dan moet het bemonsteringspunt zich aan de
perszijde van deze pomp bevinden.
Als een gesloten meetsysteem wordt gecombineerd
met vacuümmonstername-apparatuur dient het aanzuigpunt zich op het punt
te bevinden waar de gesloten leiding uitmondt in een open afvoersysteem
of er dient vanuit de gesloten leiding een aftakking te kunnen worden
gemaakt, uitmondend in een buffervat waaruit wordt bemonsterd. De
stroomsnelheid van het afvalwater in de aftakking moet, indien vanuit de
gesloten leiding een aftakking is gemaakt, in dat geval ten minste
gelijk zijn aan die in de hoofdleiding.
Paragraaf 4. Monsterbehandeling
4.1. Algemeen
De deelmonsters in het monsterverzamelvat dienen
te worden bewaard bij een temperatuur hoger dan 0°celsius en lager dan
of gelijk aan 4°celsius. Bevriezing van het etmaalverzamelmonster in
het monsterverzamelvat moet derhalve worden voorkomen.
Bemonsteringsbenodigdheden die in aanraking komen
met het afvalwater dienen te zijn gemaakt van eenvoudig te reinigen
inert materiaal dat de later uit te voeren analyse(s) niet beïnvloedt.
De monsters uit het etmaalverzamelmonster moeten binnen een uur na
afloop van het etmaal, zijn genomen. De monsters dienen met een
voldoende grote monsterschep te worden genomen. De gehele inhoud van het
monsterverzamelvat moet elke keer, voordat geschept wordt, zodanig
geroerd worden dat al het eventueel bezonken materiaal wordt opgemengd.
Daarbij dient de monsterlepel afwisselend links- en rechtsom geroerd te
worden. De monsterflessen bestemd voor analyse door de heffingplichtige
en voor contra-analyse vanwege het hoofd moeten om en om gevuld worden.
Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat het monster voor de analyse op
een heffingsparameter door de heffingplichtige en voor de desbetreffende
contra-analyse vanwege het hoofd zoveel mogelijk identiek zijn.
4.2. Conservering en maximale bewaartermijn
De monsters uit het etmaalverzamelmonster dienen
tot en met het einde van de bewaartermijn geconserveerd te worden op de
wijze zoals is aangegeven in tabel A. Als een monster uit het
etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch geconserveerd moet
dit binnen 4 uur na afloop van het etmaal geschieden. De eventuele
voorschriften met betrekking tot chemische conservering gelden in
aanvulling op de voorschriften met betrekking tot de
conserveringstemperatuur gedurende de bewaartermijn.
In tabel A zijn tevens de maximale bewaartermijnen
opgenomen die gelden voor de onderscheidenlijke uit te voeren analyses.
De voorbehandeling ten behoeve van een analyse moet derhalve na het
einde van het etmaal aanvangen, binnen de maximale bewaartermijn die bij
de desbetreffende analyse in tabel A is vermeld. De voorbehandeling van
het monster ten behoeve van de analyse, waaronder ondermeer wordt
begrepen het ontdooien van bevroren monsters, moet op een wijze en
binnen een zodanige termijn worden uitgevoerd dat daardoor de
representativiteit van het monster niet wordt verstoord. Een monster dat
op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch is geconserveerd
wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wij zen
van analyse, waarvoor op basis van tabel A geen of andere voorschriften
op het vlak van de chemische conservering gelden.
Tabel A
|
Analyse op: |
methode van
conserveren |
Temperatuur [T] van
het monster tot het einde van de bewaartermijn, in °C |
Maximale
bewaartermijn |
|
Biochemisch zuurstofverbruik (BZV)
< 50 mg/l |
koelen |
0< T ≤4 |
24 uur |
| |
koelen |
0< T ≤4 |
24 uur |
|
Biochemisch zuurstofverbruik (BZV)
50 mg/l |
koelen |
0< T ≤4 |
24 uur |
| |
invriezen |
T≤ – 18 |
72 uur |
|
Chemisch zuurstofverbruik (CZV) |
koelen |
0< T ≤4 |
48 uur |
| |
aanzuren met geconcentreerd H2SO4
(18 M) tot pH <2 |
0< T ≤4 |
5 dagen |
| |
invriezen |
T≤ – 18 |
5 dagen |
|
Kjeldahlstikstof (N-Kj) |
koelen |
0< T ≤4 |
48 uur |
| |
aanzuren met geconcentreerd H2SO4
(18 M) tot pH <2 |
0< T ≤4 |
5 dagen |
| |
invriezen |
T≤ – 18 |
5 dagen |
|
cadmium, arseen, chroom, koper,
lood, nikkel en zink |
aanzuren met HNO3 (15 M) tot pH
<2 |
0< T ≤4 |
1 maand |
|
kwik (Hg) |
aanzuren met HNO3 (15 M) tot pH
<2 en minimaal 0,5 g K2Cr2O7 per liter toevoegen |
0< T ≤4 |
1 maand |
Het biochemisch zuurstofverbruik is
weliswaar geen heffingsparameter voor de verontreinigingsheffing
rijkswateren, maar wordt aangewend
bij toepassing van berekeningsvoorschrift II van
Onderdeel C van deze bijlage. Op grond van dit
berekeningsvoorschrift moet de methode van het biochemisch
zuurstofverbruik worden toegepast voor de bepaling van het
percentage chemisch zuurstofverbruik van de biologisch niet of
nagenoeg niet afbreekbare stoffen.
B. Analysevoorschriften
Paragraaf 1. Algemeen
De analyses worden uitgevoerd in het
representatieve monster, dat is verkregen op de in onderdeel A van deze
bijlage vermelde wijze. Het onderzoek wordt in het water als zodanig
uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende
bestanddelen zijn verwijderd. Er is in dit onderdeel verwezen naar
normbladen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-Instituut. De
publikatie van de normbladen wordt aangekondigd in de
Nederlandse Staatscourant. Een wijziging in een normblad wordt eerst van kracht op 1
januari van het jaar volgende op dat waarin de bekendmaking van de
wijziging in de
Nederlandse Staatscourant
heeft plaatsgevonden.
De in tabel B en in tabel C vermelde
bepalingsgrenzen zijn de concentraties van de desbetreffende stoffen die
bij de analyse tenminste aangetoond moeten kunnen worden.
Paragraaf 2. Analyse
De analyse van het monster moet geschieden op de
wijze, zoals is aangegeven in tabel B.
Tabel B
|
Parameter/stof |
Ontsluiting volgens
normblad |
Meting volgens
normblad |
Bepalingsgrens in
μg/l |
|
Chemisch zuurstofverbruik |
|
NEN 6633 |
|
|
Som ammoniumstikstof en organisch
gebonden stikstof |
|
NEN-ISO 5663 of NEN 6646 |
|
|
Biochemisch zuurstofverbruik |
|
NEN-EN 1899-1 |
|
|
Arseen |
NEN-EN-ISO 11969 |
NEN-EN-ISO 11969 |
1,5 |
|
Cadmium |
NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961 |
NEN 6965
NEN 6965/C1
NEN 6966
NEN 6966/C1
NEN 17294-2 |
15,00 |
|
Chroom |
NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961 |
NEN 6965
NEN 6965/C1
NEN 6966
NEN 6966/C1
NEN 17294-2 |
100,00 |
|
Koper |
NEN-EN-ISO 15587-1 of
NEN 6961 |
NEN 6965
NEN 6965/C1
NEN 6966
NEN 6966/C1
NEN 17294-2 |
35,00 |
|
Kwik |
NEN-EN 1483 |
NEN-EN 1483 |
0,25 |
|
Lood |
NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961 |
NEN 6965
NEN 6965/C1
NEN 6966
NEN 6966/C1
NEN 17294-2 |
125,00 |
|
Nikkel |
NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961 |
NEN 6965
NEN 6965/C1
NEN 6966
NEN 6966/C1
NEN 17294-2 |
100,00 |
|
Zink |
NEN-EN-ISO 15587-1 of
NEN 6961 |
NEN 6965
NEN 6965/C1
NEN 6966
NEN 6966/C1
NEN 17294-2 |
35,00 |
Indien het chloridegehalte en het
metaalgehalte van het afvalwater hoger is dan 10 g/l onderscheidenlijk
kleiner is dan 0,1 mg/l, geldt met betrekking tot de stoffen cadmium,
koper, lood, nikkel en zink het volgende:
Het monster dat gebruikt wordt voor de
analyse op de stoffen cadmium, koper, lood, nikkel en zink moet door
filtratie gesplitst worden waarna het filtraat geëxtraheerd moet worden
volgens ISO 8288-C en het residu gedestrueerd moet worden volgens
normblad NEN 6447.
De verdere analyse van het filtraat en het residu
dient te geschieden op de in tabel B aangegeven wijze. Het aantal
gewichtseenheden van de onderscheidenlijke metalen in het monster wordt
berekend door sommatie van de analyseresultaten van het filtraat en het
residu, rekening houdende met onderlinge gewichtshoeveelheden. Indien de
met behulp van analyse gevonden concentratie van de stoffen arseen, kwik
en zink geringer is dan de in tabel B bij de desbetreffende analyse
vermelde bepalingsgrens, wordt het aantal gewichtseenheden van die stof
onderscheidenlijk van die stoffen voor de berekening van de
vervuilingswaarde op nihil gesteld. Het bovenstaande geldt ook met
betrekking tot de concentratie van de stof cadmium, chroom, koper, lood
of nikkel indien het afvalwater een soortelijke geleiding heeft van 1500
mS/cm of groter of een zwevend stofgehalte van 100 µg/l of hoger heeft.
Indien de concentratie voor één of meer van de
stoffen cadmium, chroom, koper, lood en nikkel in het afvalwater,
geringer is dan de in tabel b genoemde bepalingsgrens onderscheidenlijk
bepalingsgrenzen en het afvalwater een soortelijke geleiding heeft van
kleiner dan 1500 µS/cm en een zwevend stofgehalte van kleiner dan 100
mg/l, dient de analyse op die stof met betrekking tot de meting te
geschieden volgens het in tabel C bij desbetreffende analyse genoemd
normblad. De analysevoorschriften met betrekking tot de ontsluiting van
tabel B blijven in het bovengenoemd geval van toepassing. Indien de met
behulp van analyse, op de wijze zoals is aangegeven in tabel C, gevonden
concentratie van de stof onderscheidenlijk van die stoffen, geringer is
dan de in tabel C bij de desbetreffende analyse vermelde bepalingsgrens,
wordt het aantal gewichtseenheden van die stof onderscheidenlijk van die
stoffen voor de berekening van de vervuilingswaarde op nihil gesteld.
Tabel C
|
Stof |
Meting volgens
normblad |
Bepalingsgrens in
μg/l |
|
Cadmium |
NEN 6964
NEN 6964/C1
NEN-EN-ISO 5961 |
0,30 |
|
Chroom |
NEN 6964
NEN 6964/C1 |
2,00 |
|
Koper |
NEN 6964
NEN 6964/C1 |
10,00 |
|
Lood |
NEN 6964
NEN 6964/C1 |
10,00 |
|
Nikkel |
NEN 6964
NEN 6964/C1 |
7,00 |
C. Berekeningsvoorschriften
I. Het aantal vervuilingseenheden
met betrekking tot het zuurstofverbruik, VeO, wordt berekend door de som
van het aantal gedurende elk etmaal van het heffingsjaar afgevoerde
hoeveelheden zuurstofverbruik, uitgedrukt in kilogrammen, te delen door
54,8 kilogram.
De gedurende een etmaal afgevoerde hoeveelheid
zuurstofverbruik, uitgedrukt in kilogrammen, wordt berekend volgens de
formule:
waarbij:
Q = het debiet in m3;
CZV = het chemisch zuurstofverbruik bepaald
volgens de in onderdeel B van deze bijlage vermelde
analysevoorschriften, in mg/l;
N-Kj = de som van ammonium-stikstof en organisch
gebonden stikstof, bepaald volgens de in onderdeel B van deze bijlage
vermelde analysevoorschriften, in mg/l.
II. Indien de CZV-waarde voor ten minste 25%
afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in
het afvalwater, wordt op die waarde een correctie toegepast door deze te
vermenigvuldigen met de breuk
, waarbij
T = het percentage CZV, afkomstig van biologisch
niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.
T wordt berekend bij:
a. het brengen in rijkswater van
zuurstofbindende stoffen, vanuit een inrichting, in gebruik bij een
provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar
lichaam of het brengen van zuurstofbindende stoffen met biochemisch
zuurstofverbruik van niet meer dan 20 mg/l vanuit een bedrijf of een
bedrijfsonderdeel als bedoeld in artikel 2, onderdeel l, van het
Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren, met behulp van de
methode van het biochemisch zuurstofverbruik na vijf dagen, volgens
de in onderdeel B van deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in
mg/l.
b. het brengen in rijkswater van
zuurstofbindende stoffen in de niet onder a bedoelde gevallen met
behulp van een andere toereikende bepalingsmethode.
III. Het aantal vervuilingseenheden met betrekking
tot andere dan zuurstofbindende stoffen wordt berekend door de som van
het aantal gedurende elk etmaal van het heffingsjaar afgevoerde
gewichtshoeveelheden van de onderstaande groepen van stoffen uitgedrukt
in kilogrammen, te delen door: 1,00 kilogram voor de groep van stoffen
chroom, koper, lood, nikkel en zink; 0,100 kilogram voor de groep van
stoffen arseen, cadmium en kwik.
De gedurende een etmaal afgevoerde
gewichtshoeveelheden stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood,
nikkel en zink, uitgedrukt in kilogrammen, wordt berekend volgens de
formule:
, [kg/etm] waarbij
Q = het debiet in m3;
c = de concentratie van respectievelijk de stoffen
arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink, bepaald
volgens de in onderdeel B van deze bijlage vermelde analysevoorschriften
in mg/l.
IV. Bij de bepaling van het aantal etmalen bedoeld
in artikel 13, achtste lid, onderdeel b, wordt gebruik gemaakt van de
volgende formule:
, waarbij:
n = het berekende aantal meetdagen
tso = toelaatbare statische onnauwkeurigheid =
35/e 0,000175*VeO, met dien verstande dat VeO
vervangen kan worden door respectievelijk VeZ en VeG, waarbij
VeO = vervuilingswaarde met betrekking tot het
zuurstofverbruik in een jaar van de in rijkswateren gebrachte stoffen.
Onder VeG respectievelijk VeZ wordt verstaan de vervuilingswaarde in een
jaar van de in rijkswateren gebrachte stoffen met betrekking tot de
gewichtshoeveelheden van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel en zink
respectievelijk van de stoffen arseen, cadmium en kwik;
N = het aantal dagen per jaar dat stoffen in
rijkswateren worden gebracht;
σn = spreidingspercentage in de meetwaarden,
uitgedrukt ten opzichte van het gemiddelde van de hoeveelheden
zuurstofverbruik van de afgevoerde stoffen in de etmalen waarop
gedurende het heffingsjaar onderzoek heeft plaatsgehad.
Bijlage II [Vervallen per 09-01-2002]
Bijlage III [Vervallen per 31-10-1999]
|